Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 8
Behalve de genoemde romans zullen hier te lande in dezen tijd vermoedelijk nog andere bekend zijn geweest, misschien door eene Nederlandsche vertaling. MAERLANT, zagen wij, spreekt van _Fierabras_. Waarschijnlijk heeft hij den naam van dezen heidenschen reus, die in Spanje, na een gevecht met OLIVIER, tot het Christendom bekeerd wordt, leeren kennen uit den roman van dien naam. Misschien kende hij ook Nederlandsche bewerkingen der romans van _Foulque de Candie_ en van _Karel en Galie_, welke laatste ons in eene Nederduitsche omwerking in den _Karlmeinet_ is bekend gebleven.
Van deze door MAERLANT genoemde of aangeduide romans en van de reeds behandelde: _Roelants-lied_, _Willem van Oringen_, _Reinout van Montalbaen_, zal men wel mogen aannemen, dat zij uit de eerste helft der 13de eeuw, ten deele misschien (het _Roelants-lied_ b.v.) nog uit het laatst der 12de eeuw dagteekenen. Ook van den _Flovent_, _Geraert van Viane_, de _Lorreinen_, den _Aiol_ (ten minste de Limburgsche redactie) en den _Aubri de Borgengoen_, mogen wij wel aannemen dat zij nog in de eerste helft der 13de eeuw vervaardigd zijn. Of de vrije bewerking van den _Aiol_, de _Doon de Mayence_, de _Gwidekijn van Sassen_ tot dienzelfden tijd behooren, of eer in de tweede helft der 13de eeuw moeten geplaatst worden? Zoolang wij niet meer en beter gegevens hebben, zal dat bezwaarlijk zijn uit te maken[20].
Dat in vele dezer romans echte poëzie of tenminste poëtische stof wordt gevonden, hebben wij vroeger reeds gezien. Die poëzie echter was voortgebracht door de dichters der oorspronkelijke werken; er is hier gewag gemaakt van die poëzie alleen om den smaak onzer voorouders in dezen te kenschetsen. De Nederlandsche dichters der middeleeuwen hebben slechts eenig aandeel in deze poëzie, voorzoover zij die hebben nagevoeld. De vraag die wij ons bij de beoordeeling dezer Nederlandsche werken hebben te stellen, is: welk karakter dragen zij als bewerking of navolging?[21]
Over het algemeen kan men zeggen, dat--met uitzondering van het _Roelants-lied_--bij de bewerkers wel gevoel voor het ridderwezen bestond. In de _Lorreinen_ die vrij letterlijk vertaald schijnen, worden de lange gevechten niet weggelaten of bekort, ook in de _Geraert van Viane_ zijn verzen als:
Wi sullen hem marghiin laten weten, Of onse swerde connen sniden,
tenminste niet weggevallen, indien zij al in het oorspronkelijke voorkomen. In den _Aubri_ is sympathie voor het ridderwezen; de bewerker heeft behagen gehad in AUBRI'S getrouw strijdros Blanchaert dat zijn meester terugvindt.
Ende het begonde neyen [Zijnoot: hinneken.] zeere Ende scrabbelde metten voete.
Ook in den _Renout_ kan men nog vrij wat van de ruwe grootschheid van het oorspronkelijke zien, al blijft de bewerking beneden haar origineel.
Eene jammerlijke tegenstelling met deze bewerkingen vormt die van het _Roelants-lied_. Niet zoozeer, doordat de bewerker slechts gebrekkig Fransch kende; daarin zal hij wel niet veel lager gestaan hebben dan de meeste overigen. Maar doordat hij zoo weinig heeft gevoeld van dat echt ridderlijk epos, zoo sober van uitdrukking, maar zoo indrukwekkend in zijn grootschen eenvoud. Voor het ridderwezen heeft hij weinig gevoel, hij heeft er ook geen verstand van. De Fransche dichter is soldaat in zijn hart; hij geniet bij elken strijd, bij elk tweegevecht; hij kent de wapenrustingen door en door: de blinkende, met goud doorwerkte halsbergen, de met goud en gesteenten versierde puntige helmen, de lansen met hunne kleine vaantjes, de zwaarden van gebruineerd staal, de gouden sporen. Hij volgt elken slag met het oog van een kenner en weet op een prik of de den neus beschermende strook metaal (_le nasel_) al dan niet doorkliefd wordt en of het zwaard afschampt, dan wel het lichaam der tegenpartij doorklieft en eerst door het zadel wordt tegengehouden, of nog verder dringt en ook het paard een diepe wonde toebrengt. Hij is godsdienstig op zijne ruwe eenvoudige wijze, maar hij weet dapperheid toch ook in een Sarraceen te waardeeren; hij is een getrouw vazal: voor zijnen Koning en voor "douce France" heeft hij alles over. De woeste grootschheid van het berglandschap, waaraan wij telkens worden herinnerd door verzen als dat gestadig terugkeerend: "halt sunt li pui e tenebrus li val" [Zijnoot: Hoog zijn de bergen en duister de dalen.], verhoogt nog den indruk van het geheel.
Van dat alles nu heeft de Nederlandsche bewerker weinig of niets gevoeld. Geheele stukken die betrekking hebben op het ridderwezen of die uitingen zijn van den feodalen geest, laat hij weg. Voor ridderlijke mannentaal geeft hij vrome breedsprakigheid. Waar hij een epitheton toevoegt, geschiedt het om de Christenen dapperder en vromer, de heidenen lafhartiger en slechter te maken. Fatsoenlijk is hij: wanneer OLIVIER zijn aanstaanden zwager ROELANT dreigt, dat hij het huwelijk tusschen dezen en zijne zuster AUDE zal verhinderen, zegt hij in het Fransch:
Vus ne gerrez [Zijnoot: zult liggen.] jamais entre sa brace
in het Nederlandsch:
Nemmermeer en wert si u wijf.
Maar hoe is de aanschouwelijkheid van het oorspronkelijke in dit fatsoen ondergegaan.
Waar een bewerker, naar het schijnt, meer zijn eigen weg ging, daar krijgen wij soms hier en daar een verrassend kijkje op den geest van zijn stand of van zijn tijd. Zoo b.v. in de Vlaamsche bewerking van den _Aiol_, waar de beschrijvingen vooral van gevechten aanzienlijk bekort of geheel weggelaten zijn, de episode van den visscher TIERIJN daarentegen met blijkbare voorliefde is bewerkt. In overeenstemming met dat krachtiger burgerlijk element is eene beeldspraak als deze:
Ware Macharijs mijn oem hier, Hi soud u, Ayoel, _selc een bier Met vullen nappe scinken_, Ghi souds langhe mogen dinken[22].
Van de zending des engels tot den visscher (vs. 654-700) vinden wij in het Fransch niets; wel strookt met dat invoegsel des bewerkers een vers als het derde van dit drietal:
De hermite starf cortelike, Want hi voer te Gods rike: _Daer moeten wi alle comen_!
De uitval van jonkvrouw LUSIENE tegen de "maechscap" die haar verhindert AIOL te trouwen, is ook een merkwaardig teeken des tijds[23].
De kunstvaardigheid dezer Nederlandsche dichters is over het algemeen gering. Hunne verzen zijn weinig verzorgd; telkens komen verzen met drie heffingen al te lange verzen afwisselen. De rijmen zijn achteloos behandeld; het aantal assoneerende rijmen in de meeste dezer bewerkingen is vrij groot, vier gelijke rijmen komen niet zelden voor. Eene eigenaardigheid des bewerkers van _Reinout van Montalbaen_ is, dat hij in rijmnood de heiligen te hulp roept: bij het woord _man_ moet _sente Jan_ te hulp komen; bij _trouwe_: _onse Vrouwe_; bij _huus_: _Jesus_ enz.[24]. Niet alleen het _Roelants-lied_, maar ook de _Lorreinen_, de _Reinout van Montalbaen_ wemelen van stoplappen; met _Flovent_, _Aubri den Borgengoen_, _Willen van Oringen_ schijnt het in dezen beter gesteld. Dat alles, ook de dikwijls kort afgebroken perioden, wijst er ons op dat wij hier waarschijnlijk met volksdichters, niet met geleerde dichters (_clercken_) te doen hebben.
Hiervoor hebben wij het vermoeden uitgesproken, dat wij in _Doon de Mayence_, _Gwidekijn van Sassen_ en de Vlaamsche redactie van _Aiol_ eer vrije bewerkingen van, uit Frankrijk afkomstige, epische stoffen te zien hebben dan vertalingen. Met meer recht mag men dit aannemen van _Karel ende Elegast_. Zelfs meen ik het voor waarschijnlijk te mogen houden, dat wij hier eene zelfstandige bewerking van een bekende stof hebben[25]. Bekend was in Frankrijk het verhaal van eene samenzwering, tegen KAREL DEN GROOTE gesmeed, waartegen een door God gezonden engel hem waarschuwde. Die engel gelastte den Koning 's nachts te gaan stelen. Op zijn nachtelijken tocht ontmoet hij een ridder, nu roover geworden, die hem met de samenzwering bekend maakt. De verraders worden ontmaskerd en gestraft. In de Latijnsche kroniek van ALBERICUS TRIUM FONTIUM wordt de kern van dit verhaal vermeld en ook gewag gemaakt van eene _cantilena_ (lied) waarin deze stof was verwerkt. Ook in eenige Oudfransche gedichten, vooral den _Renaus de Montauban_ en een werk van lateren tijd, _le Restor du Paon_, wordt over dit verhaal gesproken. Dat er behalve het lied over deze stof nog een episch gedicht van eenigen omvang zou hebben bestaan, is niet bewezen. In allen gevalle is zulk een episch gedicht niet bekend en kan men dus geen origineel van het Nederlandsch gedicht aanwijzen. Doch ook al ware bewezen, dat zulk een Fransch episch gedicht bestaan heeft, wat dan nog? Moet dat dan noodwendig het voorbeeld zijn geweest van ons verhaal? Kan de Nederlandsche dichter niet evengoed kennis hebben gekregen van zijne stof langs den weg der mondelinge overlevering? In tegenstelling met de meeste Middelnederlandsche gedichten, welke vertaald of bewerkt zijn naar een uitheemsch gedicht, vinden wij hier nergens melding gemaakt van een bron, nergens eene uitdrukking als "die boec seit" of iets dergelijks. Het eenige van dien aard, dat men in ons gedicht vindt, deze verzen uit den aanhef:
Wat den coninc daer ghevel, _Dat weten noch die menighe wel_
wijst aan, dat het verhaal toentertijd in omloop was; wijst in de richting van mondelinge overlevering. Er is dus geen afdoende reden om reeds op grond van de bovenvermelde feiten de oorspronkelijkheid van ons gedicht onwaarschijnlijk te achten of te ontkennen[26]. Doch er is meer: de namen ELEGAST, EGGHERIC VAN EGGERMONDE zijn Nederlandsche namen, waarvan de Fransche overlevering niet weet; ook is het tooneel van ons verhaal--anders dan in de Fransche vermeldingen--de landstreek rondom KAREL DE GROOTE'S geliefde verblijfplaats Ingelheim. Bovendien schuilt in ELEGAST een wezen uit de Germaansche mythologie en is hij blijkbaar verwant met ALVEGAST (heer der elven), denzelfde die in Frankrijk AUBERON genoemd werd. Het bezit van een kruid dat, in den mond gestoken, het vermogen geeft om te verstaan wat hanen kraaien en honden bassen; de kennis van een tooverspreuk (hier _bede_ genoemd) waardoor hij de bewoners van een kasteel in slaap brengt, zijn dan ook trekken die men in Germaansche sprookjes terugvindt[27].
Voor mij zweeft door dit kleine epos, zoo zuiver van gevoel en taal, een geur van oorspronkelijkheid, die mij, met het oog op bovenstaande uiteenzetting, weerhoudt van aan vertaling te denken; moet men al denken aan navolging, dan zeker aan eene die van oorspronkelijkheid niet ver afstaat.
Wat is hier nog een kinderlijk maar oprecht en sterk geloof in God en vertrouwen op God! Hoe voelen wij dat geloof in uitdrukkingen als "een heilich enghel", "d'enghel die van Gode quam", "d'enghel van den paradise"; in Gods vaderlijke zorg voor den koning die het gezinde van Ingelheim in vasten slaap houdt, opdat zij niets zullen bemerken van den nachtelijken tocht; in de vrome gebeden; in dien strijd tusschen riddereer en geloof, zoo treffend samengevat in dat eene vers: "varen stelen of God verwerken [Zijnoot: van zich afkeerig maken.]!" Hoe goed kent de dichter het ridderleven en de ridderzeden: hij strijdt de beide gevechten mede, hij kent het wapenbroederschap, hij ziet de "witte" halsbergen; met de inrichting der middeleeuwsche kasteelen en den wachter die "den dag blaast", is hij blijkbaar vertrouwd. Opmerkelijk is hier de eerbied voor KAREL DEN GROOTE, "d'edel man" zooals hij telkens wordt genoemd; treffend de onwankelbare trouw van zijn vazal ELEGAST, door hem op valsche aantijgingen verjaagd.
Op ELEGAST valt het meeste licht; blijkbaar heeft de dichter voor hem de sympathie die de "vogelvrije" te allen tijde gevonden heeft; ook beantwoordt hij aan het ideale type van den vogelvrijen roover: alleen den rijken ontneemt hij het hunne, bisschoppen, abten en kanunniken vooral zijn hem een welkome prooi. Hij leeft van _roof_, maar dat verlaagde hem niet in de oogen van een middeleeuwsch publiek[28]. Dat publiek zal hem te liever gehad hebben om zijne dapperheid, kracht en edelmoedigheid in het gevecht, om zijn goedaardigen spot met KARELS talenten als dief en inbreker.
En hoe goed is het verhaal verteld: vlug, zonder uitweidingen, met slechts een enkele reflexie over "vrouwenlist", zelden ontsierd door stoplappen. De komst van ELEGAST wordt in den aanvang op eenvoudige maar doeltreffende wijze voorbereid door des konings overpeinzing over "ridders die op aventure" leven[29]; dan zien wij den nachtelijken rit bij maanlicht door het bosch, de ontmoeting met den dreigenden zwarten ridder, het tweegevecht, de overeenkomst der kampioenen, de inbraak in EGGHERIC'S kasteel en zoo gaat de dichter gestadig voort en weet ons te boeien en met zich te voeren--zooals hij het ook ongetwijfeld meer dan zes eeuwen geleden zijn publiek zal hebben gedaan.
KELTISCHE, KLASSIEKE EN OOSTERSCHE ROMANS.
Wat onze voorouders in deze romans aantrok, was van anderen aard dan wat hen zoo gaarne deed luisteren naar de voordracht der Frankische romans. Met de personages uit die romans voelden zij zich verwant; het leven daar afgebeeld was min of meer ook hun leven, slechts zagen zij het daar op grooter schaal en in het licht der poëzie. De Keltische en daarop gelijkende romans voerden hen in een wereld die hun grootendeels vreemd was, maar die hen bekoorde, deels door al dat vreemde en wonderbaarlijke, deels doordat zij hier in overvloed vonden wat zij begeerden of bewonderden: rijkdom en weelde, hoofsche beschaving, fijnheid van vormen en omgangstaal.
Het hof te Kamelot was een toonbeeld en leerschool van het hoofsche ridderwezen; zijn middelpunt: koning ARTUR, de volmaakte ridder; koningin GENOVERE, louter liefelijkheid en edele schoonheid. Rondom hen eene glanzende schaar van ridders, getrouwe vazallen, bereid hun leven voor hun koning te wagen, dapper, hoofsch, wel ter tale. Vrouwen en jonkvrouwen, bekoorlijk, dartel, plaagziek, wie de minne in het hart en op de tong lag. Kwam dat adellijk jonkvolk samen, wat hoorde men dan een levendig spel van woord en weerwoord; van dartele behaagzucht en schalke veinzerij tegen vurige liefde en ootmoedige toewijding.
Hier zijn de minnaars die met halve woorden spreken, die bleek worden van aandoening, die om genade smeeken, en jonkvrouwen die zich houden alsof zij niets gehoord hebben, die haar minnaar wijs maken, dat hij geslapen heeft. Welk Vlaamsch of Brabantsch edelman had ooit gesprekken gehoord als dit van POLLIDAMAS en HELENE in den _Roman van Troye_: HELENE bemerkte wel, dat het POLLIDAMAS ernst was.--Word toch wakker, POLLIDAMAS! hoor hoe de vogels zingen! Van nacht kunt gij slapen zooveel gij wilt.--Vrouwe, zegt hij, wie zou zoo onhebbelijk zijn om naast u te zitten slapen?--Zoo onhebbelijk zijt gij toch geweest! Gij hebt immers in uw slaap tegen mij gesproken? Hadt gij dat wakend gedaan, dan zou het u slecht bekomen.--Sliep ik dan?--Ja zeker.--Als gij het zegt, moet het waar zijn. Maar heb ik in mijn slaap iets miszegd?--Ja gij, maar onwetend; daarom zal ik het niet in ernst opnemen.--Mag ik zoo vrij zijn u te vragen, wat ik miszegd heb?--Ja gij: eerst zegt gij tot mij: "genade!"; toen meende ik dat gij waakte en antwoordde u. Ik vroeg u, wat u scheelde; ten slotte zeidet ge openlijk: ik heb u lief! Toen ik die ongepaste woorden hoorde, meende ik dat gij droomde en maakte u wakker.--Ach, vrouwe, men heeft wel eens meer gezegd: waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.--
Hier blijft het bij praten, maar gewoonlijk blijft het daarbij niet, want ook van deze weigerachtige jonkvrouwen en smachtende jonkers gold: "vuur en stroo dient niet alzoo." In het stroovuur van den hartstocht blaakt zoo menig dolend ridder voor zoo menige geschaakte jonkvrouw die hij op zijn weg ontmoet, die hij verlost uit de macht van een of anderen rooden ridder of afzichtelijken dwerg en die hem verder in zijne eenzaamheid wat opmontert. Maar wij krijgen ook liefde van beter allooi te zien: trouwe liefde als die van WALEWEIN voor YSABELE, van FLORIS voor BLANCEFLOER, van PARTONOPEÜS voor MELIOR; de liefde voor GALIENE doet wonderen aan den boerenzoon FERGUUT, vormt hem tot een volmaakt ridder.
Dat de vrouwen in deze romans op den voorgrond treden, is reeds uit het voorgaande gebleken; duidelijker nog blijkt het, indien men er op let, hoe de aandacht die vroeger alleen of voornamelijk den man geschonken werd, nu in beslag wordt genomen door een minnend paar. Wie aan FLORIS denkt, kan BLANCEFLOER niet vergeten; PARTONOPEÜS herinnert ons MELIOR, TRISTAN ISOUDE; zelfs de toovenaar MERLIJN wordt door de verleidelijke VIVIANE in het bosch van Broceliande verstrikt. En wie kan LANCELOT de bloem der ridderschap noemen, zonder de heugenis te wekken aan zijne misdadige liefde voor zijne hooge gebiedster GENOVERE?
Dat alles zien wij in deze romans omstraald door den glans der poëzie; nergens misschien liefelijker dan in den roman van _Lancelot_, waar ons verhaald wordt hoe LANCELOT gevangen lag in de woning der fee MORGUEYNE.--Uit zijne gevangenis, door de ijzeren staven voor het venster, ziet hij in den bloeienden tuin. Twee winters en een zomer zit hij nu reeds daar. Om de verveling te verdrijven, heeft hij zijne wapenfeiten op de muren geteekend. In die wemeling van figuren verschijnt meermalen ééne vrouw--de koningin. Dikwijls gaat hij op haar beeld toe, kust het op de oogen, op den mond; dan weent en klaagt hij. De Mei is gekomen; April heeft oorlof genomen. Weer ziet hij de boomen bloeien, de frissche rozen opluiken, de roode rozen... hij ziet haar rooden mond. Altijd moet hij aan haar denken. Op een zondag is hij vroeg opgestaan; de zon schijnt in den tuin. Weer ziet hij de rozen; ééne is er, pas ontloken--zóó was zij, toen hij haar zag ten tournooi te Karmeloot. Verlangend de roos te plukken, steekt hij zijn hand uit het venster, maar de ijzeren traliën houden hem tegen. "Zouden traliën mij tegenhouden?--Neen!"--met beide handen grijpt hij de twee staven aan; één ruk... zij zijn gebroken, al hebben zij zijne vingers ontvleescht. Nu verlaat hij zijne gevangenis, hij kust de roos, hij plukt haar en legt haar op zijn hart. De poort staat open; hij wapent zich, kiest een goed ros, zit op en rijdt heen.
Waarheen? Op een der vele tochten ("questen") die deze dolende ridders ondernemen om iemand of iets te zoeken: een gevangen wapenbroeder, een wonderbaarlijk zwaard of schaakbord, een sluier of ander ridderteeken. Waar komen zij, wat zien zij niet op die tochten? In bosschen waar kluizenaars wonen; aan kasteelen, ingericht met wonderbare pracht, waar tooverbedden staan die iederen gewonde genezen die er op rust; zij geraken in strijd met andere ridders die zij als overwonnelingen naar ARTURS hof zenden, met reuzen, dwergen en toovenaars.
Ook ten oorlog rijden zij. Maar zelfs de oorlog heeft hier fijner vormen aangenomen; het is niet meer de grimmige ernst van vroeger, maar eer een tournooi met scherpe wapenen. Grootsche afmetingen neemt de strijd aan in het laatste deel van ARTUR'S geschiedenis, dat ons herinnert aan den strijd der Kelten tegen de Angelsaksische indringers. ARTUR'S zoon MORDRED staat tegen hem in de wapenen; op de vlakte van Salesbiere komt het tot een grooten strijd. WALEWEIN is vroeger reeds gesneuveld; LANCELOT heeft zijn Koning verlaten; IJWEIN, de ridder met den leeuw, ligt met gekloofden schedel neer; van die gansche roemruchte Tafelronde staan nog slechts een paar den Koning ter zijde; ook zij sneuvelen. De Koning doodt MORDRED den verrader, maar ontvangt van hem de doodwonde. Ondersteund door den eenig overgeblevene zijner ridders, GRIFLET, zet hij zich te paard; zeewaarts rijdt hij; hij voelt zijne krachten bezwijken. Op zijn last werpt GRIFLET ARTUR'S goed zwaard Excalibur in een poel; een gewapende hand en arm komt te voorschijn en vangt het zwaard op. GRIFLET verwijdert zich op 's Konings bevel. Van een heuveltop ziet hij uit zee een schip aankomen, waarin vrouwen zijn gezeten; ARTUR'S zuster, de fee MORGUEYNE, is onder hen. Met paard en wapenrusting treedt de Koning in het schip en de trouwe dienaar verliest hem weldra uit het oog.
Geheimzinnig als ARTUR'S afscheid van deze wereld, doch omstraald met hooger licht is de heilige Graal, waarnaar zoo menig dapper ridder der Ronde Tafel te vergeefs heeft gezocht; niet weggelegd voor LANCELOT noch WALEWEIN, die besmet zijn met onkuischheid, doch dat PERCEVAL'S zoon, de reine GALAÄD, eindelijk zal winnen. Ook in de geschiedenis van den Graal zien wij den invloed, op de oorspronkelijke Europeesche godsdiensten geoefend door het Christendom, dat deze verdrongen heeft. Een tooverketel die drommen van ridders kon spijzigen, kwam reeds in de Keltische mythologie voor; het Christendom verving dien ketel door een schotel, later een beker (_gradale, graäl_ is een Romaansch woord voor _schotel_), waarvan Christus zich bediend had bij het Laatste Avondmaal. De heilige lans waarvan bloed afdruppelt, eveneens in de Keltische mythologie bekend, werd gekerstend tot de lans van LONGINUS. Ook de Graalburcht met den koninklijken visscher (le Roi Peschéor) wordt in Keltische verhalen teruggevonden. Geheimzinnig en wonderbaar is de graal reeds in CRESTIEN DE TROYE'S _Conte del Graal_ (omstreeks 1175). PERCEVAL, in den Graalburcht aan tafel gezeten, ziet een page binnentreden die een blanke lans draagt; bloed vloeit van de spits tot de hand van den drager. Daarna komen twee pages met kroonluchters; dan een jonkvrouw met een gouden schotel, kostbare steenen sieren hem. Zóó verblindend een glans straalt van dien schotel af, dat het licht aller kaarsen in de zaal verdoofd wordt. Bij ROBBERT DE BORRON, wiens werk door MAERLANT vertaald werd, is de Graal de Avondmaalsbeker[30]. En zoo blijft hij het heilig vaatwerk dat gansche scharen kan sterken, maar met het brood des levens.
Een aantal dezer romans zijn in hun geheel of gedeeltelijk tot ons gekomen. Het zijn verhalen over de lotgevallen van _Lancelot,_, _Percevael_, _Walewein_; de romans _van Ferguut_, _van Torec_, _van den Graal_ en _van Merlijn_; de roman _van Alexander_ en die _van Troje_; eindelijk de verhalen _van Floris en Blancefloer_ en _van Partonopeus en Melior_.
Over de romans _van Merlijn_, _van den Graal_ en _van Torec_, evenals de roman _van Alexander_, bewerkt door MAERLANT, spreken wij later.
Onder den naam: _roman van Lancelot_, is tot ons gekomen een groot werk dat reeds vroeger als eene compilatie van onderscheidene zelfstandige werken door LODEWIJK VAN VELTHEM was erkend, en welks deelen men langzamerhand beter leert kennen[31]. Wij vinden hier 1o een groot werk waarvan LANCELOT de hoofdpersoon is, dat slechts gedeeltelijk tot ons is gekomen, 2o de _Graalqueste_ en 3o _Artur's dood_. Voorts hebben wij, blijkens deze compilatie, zelfstandige bewerkingen gehad van CRESTIEN DE TROIE'S _Percevael_, van de _Wrake van Ragisel_, een _Walewein-boek_, een roman _van den Ridder metter mouwen_ en de vertaling van een paar Fransche fabliaux uit dezen kring van verhalen[32].
De inhoud van al deze romans wordt vrij wel weergegeven door dit viertal verzen uit den proloog van den _Lancelot_ (II, 11-14):
Ghi sult hier horen scone die jeesten [Zijnoot: verhalen.] Bede van rouwen ende van feesten, Van ridderscape groote daet, Van selsieneheden [Zijnoot: vreemde dingen.] menich baraet [Zijnoot: bedrieglijk spel.].