Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 7
Tegenover het krijgshaftige, eenvoudigvroom Christelijke der oude nationale _Chansons-de-Geste_ met hunne ruwheid en grootschheid, ziet men de Keltische en klassieke romans met hunne hoofschheid, hunnen vrouwendienst, het sterk ontwikkeld lyrisch-erotische, gemengd met mystiek, hunne neiging tot het wonderbaarlijke tegenover het wonder in de nationale gedichten. Naar den inhoud staan deze beide groepen ook in zóóverre tegenover elkander, dat zij verschillende beschavingstoestanden weergeven: de nationale groep weerspiegelt een beschaving minder ontwikkeld dan die waaruit de uitheemsche geboren is. De nationale groep staat dichter bij het volks-epos, de uitheemsche dichter bij het kunst-epos. Voor een deel geldt dit onderscheid van volks-epos en kunst-epos ook met betrekking tot de dichters dezer romans; want de makers der oudste _Chansons-de-Geste_: _Roland_, _Girard de Roussillon_, _Jourdain de Blaives_, _Floovant_, zijn ons onbekend; van de dichters der latere _Chansons_ kennen wij eenige bij naam: ADENEZ-LE-ROI, BERTOLAIS, JEHAN DE FLAGY, JEHAN BODEL, CRESTIEN DE TROYES, BÉROL, BENOIST DE SAINTE MORE, ALBÉRIC DE BRIANÇON, LAMBERT LE TORT, ALEXANDRE DE BERNAY... doch zelden veel meer dan den naam. Sommige dezer dichters hebben nationale romans van lateren tijd bewerkt of omgewerkt, andere hebben uitheemsche gedicht.
Ten slotte zijn de beide groepen gescheiden ook naar den uiterlijken vorm, want bijna alle uitheemsche romans zijn geschreven in korte verzen van acht lettergrepen, in tegenstelling met de overige die in het oudere decasyllabische vers of in alexandrijnen zijn gedicht[2].
Langs zulke wegen was de Oudfransche epische poëzie bezig zich te ontwikkelen, toen zij ook in Zuid-Nederland bekend werd. Dat zij daar bekend werd, is licht te verklaren uit het internationaal karakter der ridderschap en de nabuurschap van Frankrijk. Maar bovendien waren Fransche taal en literatuur reeds in de laatste helft der 12de eeuw in een deel van Zuid-Nederland bekend en in aanzien. Kennis van het Fransch werd als noodzakelijk deel der opvoeding van den adel beschouwd; in Vlaanderen was het Fransch voor den hoogen adel en de hooge geestelijkheid als een tweede volkstaal[3]. Aan het hof van den Vlaamschen graaf PHILIPS VAN DEN ELZAS (1168-1191) leefde en werkte de beroemde CRESTIEN DE TROYES, dichter van vele Keltisch-Fransche romans; BOUDEWIJN VIII van Vlaanderen dichtte Provencaalsche liedjes; een paar bekende Fransche dichters, ADAM DE LA HALLE en JEHAN BODEL woonden te Atrecht[4]. Het is begrijpelijk dat deze veelvuldige kennismaking met de Fransche literatuur leidde tot vertaling en navolging; dat wij eene Nederlandsche ridderpoëzie zien ontstaan onder den invloed der Fransche.
Den juisten tijd van dat ontstaan te bepalen, is vooralsnog niet mogelijk. Wel mogen wij met voldoende zekerheid aannemen, dat wij het laatst der 12de of althans de eerste helft der 13de eeuw als zoodanig moeten beschouwen. MAERLANT immers heeft meer dan eens in zijne werken (_Alexander, Sint Franciscus, Spieghel Historiael_) gewaarschuwd tegen den, zijns inziens, verkeerden invloed van allerlei ons bekende ridderromans. Onder die romans vindt men een paar die tot de bovengenoemde "nationale" groep behooren, zooals _Willem van Oranje_ en de _Heemskinderen (Renaus de Montauban)_; enkele zoogenaamde klassieke romans, zooals die over _Alexander_; een paar die in het Oosten spelen: de _Floris en Blancefloer_ en den _Partonopeus_; eindelijk een groot aantal die tot de Keltisch-Fransche romans behooren, zooals die van _Lancelot_ en _Tristan_[5]. Bij deze, aan MAERLANT'S werken ontleende, bewijsplaatsen behooren eenige verzen uit het _Leven van Sinte Lutgart_ gevoegd te worden. De dichter van dat werk klaagt, dat de menschen niet willen luisteren naar "goede exempelkine", maar gaarne komen:
Daer men van ouden ijeesten [Zijnoot: geschiedenissen.] singet, Oec daer men voert die sagen bringet Van wigen [Zijnoot: strijden.] och van tavelronden, Daer wilen eer hen onderwonden Te dichtene af die menestrele. ... Mar wonder hevet mi van desen Warumme si so gerne lesen Van ouden sagen dat gedichte Ende oc geloeven also lichte Din logeneren die se tellen. ... Mar die die oude bourden scriven, Si swegen bat, dat seggic hen[6].
Zoowel MAERLANT als WILLEM VAN AFFLIGHEM moeten het oog hebben op Nederlandsche romans. Immers, zij richtten zich vooral tot de gemeentenaren en lagere geestelijken die over het algemeen weinig of geen Fransch verstonden. En zou zelfs onder den lageren adel de kennis van die taal zoo verbreid zijn geweest, dat men er de voordracht van Fransche gedichten met eenig gemak kon volgen? De heilige LUTGARDIS, wier moeder van adel was, kon in de veertig jaren die zij doorbracht in het klooster Aquiria bij Kamerijk, waar men Fransch sprak, nauwelijks zooveel van die taal leeren dat zij daarin om brood kon vragen wanneer zij honger had[7]. Zouden ook lieden uit dien kring der maatschappij geen deel hebben uitgemaakt van het publiek dat Fransche romans liefst vertaald hoorde voordragen?
Indien men nu in aanmerking neemt, dat de _Alexander_, het oudste der genoemde werken van MAERLANT, omstreeks 1257-1260 zal zijn vervaardigd en het _Leven van Sinte Lutgart_ tusschen 1263-1274; dat de romans, waartegen met zooveel nadruk gewaarschuwd wordt, eenigen tijd hebben behoefd om zóó bekend te worden; eindelijk, dat de oorspronkelijke Fransche werken, die hier werden nagevolgd, deels in de tweede helft der 12de eeuw reeds bestonden, deels van nog vroeger tijd dagteekenen--dan zal men wel mogen aannemen, dat men te onzent in het laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw het grootste deel der bewuste ridderromans heeft verdietscht.
Mag men in een overzicht der Nederlandsche ridderpoëzie zich bedienen van het onderscheid in: nationale (Frankische) en uitheemsche (Keltisch-Fransche of Britsche, klassieke, Oostersche) ridderdichten? In allen gevalle volstrekt niet met hetzelfde recht dat de Fransche literatuurgeschiedenis hier heeft. Nergens blijkt dat men te onzent zich bewust is geweest van een onderscheid in drie "matières". Niet, als in Frankrijk, beantwoorden hier de beide groepen aan verschillende cultuurtoestanden, waarvan de een op den ander volgde. Integendeel, voorzoover wij nu kunnen zien, mogen wij niet aannemen, dat men te onzent begonnen is met werken der oudste (nationale) groep te vertalen. VELDEKE'S _Eneïde_ is het vroegste episch vertaalwerk dat wij met zekerheid kunnen aanwijzen; daarna komt een deel van den _Roman de Troie_, vertaald door SEGHER DIEREGOTGAF. Zou de vertaling van de _Chanson de Roland_ niet ouder zijn dan beide? Onmogelijk is dat niet, zelfs m.i. niet onwaarschijnlijk, aangezien het oorspronkelijk gedicht reeds vóór den eersten Kruistocht (1096) bestond. En het moet opgang gemaakt en zich snel verbreid hebben: reeds in 1130 vinden wij eene Duitsche bewerking. Doch zekerheid kunnen wij in dezen niet verkrijgen. Voorloopig moeten wij het er voor houden, dat men hier te lande in het laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw, zonder oordeel des onderscheids, Fransche ridderromans heeft vertaald en nagevolgd. Indien wij nu toch onderscheid blijven maken tusschen een paar groepen van riddergedichten, dan geschiedt dat alleen, omdat ook nu nog voor ons een verschillende geest uit die beide groepen spreekt; dat verschil mogen wij hier ook ter wille van een beter overzicht doen uitkomen.
FRANKISCHE ROMANS.
De stoffen, in deze romans verwerkt, moesten een publiek dier dagen wel krachtig aantrekken. Daar was in de eerste plaats de indrukwekkende gestalte van KAREL DEN GROOTE, immers ook hier te lande bemind en geëerd; groot in de oogen van het nageslacht niet het minst om zijne oorlogen tegen de heidensche Saksen en Mooren. Streden de edelen en burgers dier dagen die ter Kruistocht waren opgetrokken, niet denzelfden strijd tegen het "Saracynsche diet" dien ook de groote Koning met zijne dapperen had gestreden? En onder die dapperen verschenen in deze romans voor het geestesoog de dappersten en wijsten, die beroemde "genooten", lijfwacht en raad des Konings, wier roem de wereld vervulde: ROLAND en zijn boezemvriend OLIVIER; bisschop TURPIJN, het type van den strijdbaren geestelijke dier dagen; OGIER van Ardennen, BERNARD van Brabant, BERENGIER, hertog NAIMES van Beieren en anderen[8]. Het geweldige en grootsche in vele dezer dichterlijke werken moest wel indruk maken op een publiek, eenvoudig van gemoed, beheerscht door dezelfde hartstochten als de personages in die verhalen.
Daar is ROLAND met zijne helden in den ongelijken strijd tegen duizenden bij duizenden Sarracenen, die weigert op zijn wonderhoorn Olifante te blazen om zijn Koning te hulp te roepen; die eindelijk afgestreden, ten doode gewond, zich uitstrekt op den top van een heuvel, het gelaat naar Spanje gekeerd, maar het hart vol van "het zoete Frankrijk" en zijne maagschap; die stervend zijn rechter handschoen omhoog houdt tot God zijn oppersten leenheer; dan zijgt zijn hoofd op zijn arm, met saamgelegde handen ontslaapt hij; cherubijnen komen en voeren graaf ROLAND'S ziel naar het paradijs. Elders is het GARIN, de reusachtige hertog van Lotharingen, door een overmacht na heldhaftige tegenweer neergeveld, die daar ligt tusschen de overige dooden, "als de eik tusschen de kleine stammen." HAYMIJN, de vader der vier Heemskinderen, die onder zijne baronnen in zijne ridderzaal gezeten is, wanneer de gezanten van koning KAREL, ROLAND en WILLEM VAN ORANJE onder hen, binnentreden. Overmoedig zitten HAYMIJN'S baronnen; elk heeft zijn scherp zwaard over zijne knieën gelegd. HAYMIJN zit in een groenzijden bliaut, het eene been over het ander geslagen, zijn elleboog rust op zijn knie, zijn hoofd op zijn hand. Niemand durft een woord spreken. De afgezanten komen voor HAYMIJN en nijgen voor hem. Hij wil hen niet aanzien. Zij richten het woord tot hem. Hij zwijgt. Vaalbleek wordt hij, nu hij zijne vijanden daar voor zich ziet, maar hij kan geen woord uitbrengen: te vol is zijn gemoed. Weer spreekt ROLAND. HAYMIJN blijft zwijgen. Dan komt zijne gemalin, de schoone vrouw AYA, met een gouden schaal vol koelen wijn en heet de gezanten welkom. Zij verwijt haren man dat hij zich gedraagt als een dorper. Maar nauwelijks heeft zij dat woord gesproken of de vuist van den geweldenaar treft haar zoo in het aangezicht dat het roode bloed op hare voeten stort.
Niet overal zijn de toestanden zoo aangrijpend, geweldig of ruw; ook voor het zachte, het teedere is er eenige plaats.
In de grootsche _Chanson de Roland_ komt de teederheid soms te voorschijn als een weemoedig zonnetje uit dreigende onweerswolken. ROLAND'S boezemvriend en wapengezel OLIVIER is doodelijk gewond; met moeite houdt hij zich nog in den zadel, de nevel des doods houdt zijn blik reeds omtogen; zoo voert zijn ros hem over het slagveld. In ROLAND die komt aangereden waant hij een vijand te zien. Met inspanning zijner laatste kracht brengt hij zijn vriend een zwaardslag op den helm toe. ROLAND ziet hem aan; zachtkens, zachtkens zegt hij: gezel, doet gij dat met opzet? Ik ben ROLAND die u zoo lief heeft.--Ik hoor u, zegt OLIVIER; ik hoor u spreken, maar ik zie u niet. Moge God u zien, vriend. Ik heb u getroffen, vergeef mij.--Ik heb geen letsel bekomen, antwoordt ROLAND ik vergeef het u.
Hoe treffend is het tooneel in den _Willen van Oranje_, waar de roemruchte graaf, nu monnik geworden en op inkoop voor zijn klooster uit, door roovers aangevallen wordt; na ze te hebben gedood of verjaagd, ontdekt hij in een kar die de roovers medevoerden, zijne eigen jonge kinderen.
Aandoenlijk is in den roman der _Heemskinderen_ de trouw van het reuzenros Beyaert aan zijn meester REINOUT. Wanneer het eindelijk op den eisch des Konings in de Oise verdronken zal worden, slaat het telkens de steenen stuk welke de dienaars aan zijne pooten hebben gebonden; zoolang het ros zijn meester ziet, heeft het kracht om dat vol te houden. Nu dwingt de Koning REINOUT te zweren, dat hij niet zal omzien naar Beyaert. Op nieuw wordt het ros in de rivier geworpen. Op nieuw komt het boven en steekt het hoofd op, hinnekend naar zijn meester, "alsof 't een mensch geweest hadde, die na sijn lieven vrient bitterlijk geschreit hadde"[9]. Wanneer REINOUT dan niet naar den trouwen vriend omziet, zinkt het ros en verdrinkt.
De vrouwen en de liefde komen vooral in de oudere romans niet op den voorgrond. Slechts van tijd tot tijd komt een komisch tooneeltje of een komische trek den ernst vervangen; de grappen waarmede de personages zich vermaken, zijn ruw of grimmig.
Behalve de kleine roman van _Karel en Elegast_, die een afzonderlijke plaats verdient, is geen enkele dezer romans in zijn geheel tot ons gekomen; van bijna alle bezitten wij slechts grooter of kleiner fragmenten[9]. Wij noemen den roman van _Flovent_ in de eerste plaats, omdat de _kern_ van dit gedicht herinneringen bevat aan de eerste Frankische dynastie: de Merovingen. FLOVENT wordt ons voorgesteld als oudste zoon van den eersten christelijken koning van Frankrijk, CLOVIS. Wij zien hem in ballingschap rondzwerven met zijn trouwen schildknaap RICHIER. Voortdurend zijn hij, zijne magen en vrienden, in oorlog met de Sarracenen (onder wie hier, gelijk zoo dikwijls, de heidensche Saksen schuilen). Een christelijke en een heidensche prinses betwisten elkander FLOVENT'S bezit. Ten slotte wordt hij teruggeroepen naar Frankrijk door zijn vader die in Laon door de Sarracenen belegerd wordt. De heidenen worden verslagen en FLOVENT later koning van Frankrijk. Ons fragment van ruim 600 verzen wijkt sterk af van de eenige ons bewaarde Fransche redactie, die echter zelve weer moet zijn voortgekomen uit eene oudere.
Onder de Karolingische romans behoort in de eerste plaats het _Roelants-lied_ te worden genoemd. Algemeen bekend is, dat wij hier het verhaal hebben van den slag bij Roncevaux, waarin de achterhoede van KAREL DE GROOTE'S leger, onder bevel van graaf ROELANT, in de Pyrenaeën door de vijandige Basken is vernietigd. Daar KAREL'S leger terugkeerde van een tocht tegen de Mooren, lag het hier nog dichter voor de hand, de Basken in Sarracenen te veranderen. Het grootsche Fransche gedicht is waarschijnlijk in zijn geheel vertaald; doch de oorspronkelijke vertaling schijnt niet tot ons te zijn gekomen, wel een vijftal fragmenten die op deze verloren Middelnederlandsche bewerking berusten. Tracht men daaruit die verloren bewerking weer samen te stellen, dan komt men tot een fragment van ruim 1000 verzen die in ruim 1700 verzen van het Fransch ten deele teruggevonden worden.
Naar den strijd met de Mooren verplaatst ons ook de cyclus van gedichten welke zich groepeeren om den persoon van WILLEM VAN ORANJE, een der voorname edelen uit Zuid-Frankrijk, die de Mooren telkens terugsloegen wanneer zij pogingen deden om den Islam ook aan deze zijde der Pyrenaeën te verbreiden. Voorzoover wij weten, is slechts één dezer werken, het zoogenaamde _Moniage Guillaume_ (WILLEM'S monniksschap) hier vertaald; van dat laatste deel van WILLEM'S geschiedenis is ons een klein fragment van ruim 400 verzen bewaard gebleven. Aan MAERLANT danken wij de wetenschap, dat zekere CLAES VAN HAERLEM, "VER BRECHTEN SONE", deze vertaling vervaardigde[10]. De ons bewaard gebleven fragmenten behelzen de ontmoeting van WILLEM met de roovers, waarvan boven sprake was en eenige van zijne latere lotgevallen.
Van den strijd der Karolingische koningen met hunne groote vazallen geeft de roman van _Renaus de Montauban_ ons een voorbeeld[11]. Een der machtige vazallen des Konings, HAYMIJN van Dordogne, is met dezen in strijd. Zijne zonen REINOUT, ADELAERT, RITSAERT en WRITSAERT zetten dezen strijd tegen den Koning en zijn zoon LODEWIJK voort. In dien strijd moeten zij vluchten en eene schuilplaats zoeken bij vreemde koningen. Ten slotte moeten zij zich overwonnen verklaren en zich aan den Koning onderwerpen. Het wonderpaard Beyaert en de toovenaar MALEGIJS spelen een gewichtige rol in dit gedicht. De roman draagt terecht den naam van den oudste der vier Heemskinderen--zooals zij later te onzent genoemd werden--daar REINOUT'S reuzenkracht en heldenmoed de kans telkens weer ten voordeele der zijnen doen keeren. Dat ook dit gedicht eene bewerking is uit het Fransch, staat vrij wel vast, al blijft het mogelijk dat de Nederlandsche bewerker op zelfstandige wijze eenige der bestaande legenden tot een geheel heeft vereenigd. Welk Fransch origineel door hem is gevolgd, weten wij niet; wel dat het geen der ons overgebleven redactiën is geweest. Misschien ook is de Nederlandsche bewerking eene samensmelting van een paar oudere redactiën en heeft de bewerker, evenals de Fransche dichter, een noordelijke en een zuidelijke Renout-sage gekend, al gaf hij de voorkeur aan de laatste[12].
De ons bewaard gebleven fragmenten tellen ruim 2000 verzen; misschien slechts een zevende der gansche bewerking[13].
Naast den _Reinout van Montalbaen_ moet de _Geraert van Viane_ genoemd worden; ook deze roman immers bevat herinneringen aan den strijd van CHARLEMAGNE met zijne groote vazallen, al zijn die herinneringen hier verbonden met heugenissen aan den strijd tegen de Sarracenen in Zuid-Frankrijk. Slechts een klein fragment van nog geen 200 verzen van dezen roman is tot ons gekomen. Naar het schijnt is de Fransche roman van BERTRAND DE BAR SUR AUBE niet het voorbeeld van den Nederlandschen bewerker geweest, maar eene veel oudere bewerking.
Een beeld van den strijd tusschen machtige adellijke geslachten vinden wij in de _Chanson des Lorrains_. Door die geheele grootsche epopee immers loopt als een roode draad: de bloedwraak; alles draait om de "veede" tusschen het geslacht der hertogen van Lotharingen en dat van FROMONT van Bordeaux. Gedurig wordt er een zoen getroffen, maar telkens wordt de vrede weer verbroken en vangt de strijd verwoeder dan ooit weder aan; een strijd in hoofdzaak van kracht en heldenmoed tegen sluwheid en bedrog. Wanneer BEGGE van Lotharingen op de jacht overvallen en vermoord is en daarna ook GARIJN zelf, het hoofd van het geslacht der Lorreinen, zetten hunne zoons den strijd voort. GARIJNS zoon GIRBERT doodt FROMOND van Bordeaux; diens zoon FROMONDIJN neemt nu de "veede" over en zoo gaat het voort. Van de Middelnederlandsche vertaling bleven ons een vijftiental fragmenten bewaard, te zamen meer dan 10.000 verzen, misschien slechts een tiende deel van het oorspronkelijk gedicht bevattend[14].
Een eigen plaats neemt onder de Oudfransche heldendichten de _Aiol_ in. Zeldzaam en aantrekkelijk is hier vooral de figuur van den jongen ridder, die alleen naar des Konings hof trekt om de zaak van zijn verongelijkten en verarmden vader te verdedigen. In de verroeste wapenrusting van zijn vader, op een armzalig paard, rijdt hij heen en wekt den spotlust van wie hem op zijn weg ontmoeten--maar hij wint zijne zaak. Deze roman is tweemaal in het Nederlandsch bewerkt; die beide bewerkingen zijn onderling onafhankelijk[15]. De eene, in Limburg vervaardigde, bewerking geeft een vrij dor uittreksel van het ons bekende Fransche gedicht; de bewaard gebleven fragmenten, ongeveer 600 verzen bedragend, omvatten vs. 2538-10092 van het origineel. Eenige verzen der Middelnederlandsche bewerking (vs. 58-73) vindt men in het Fransen niet terug. De andere bewerking, waarvan ons 1200 verzen zijn overgebleven, wijkt veel meer van het Fransch af dan de eerstgenoemde. Of wij daarom recht hebben aan te nemen, dat zij dus op eene, ons onbekende, Fransche redactie moet berusten, mag echter betwijfeld worden. De samensteller dezer bewerking volgt het Fransche verhaal wel in hoofdzaken, doch verwerkt die hoofdzaken op eigen wijs. Hij heeft veel weggelaten (vs. 518-601 komen overeen met vs. 8354-9061: 83 verzen in het Nederlandsch voor 707 verzen in het Fransch); van vs. 801-1200 dezer bewerking vindt men in het Fransch nagenoeg niets. Dat deze bewerker zijn eigen weg ging, moet men vermoeden ook met het oog op het feit, dat wij hier een blijkbaar oorspronkelijk Nederlandschen naam vinden voor AIOL'S zwaard, nl.: _Scaerdeline_, terwijl in het Fransche gedicht geen zwaard van AIOL een naam draagt[16]. Dat namen uit het origineel als _Elie, Avisse_ zijn weergegeven door _Helline_ en _Anflisse_, doet denken dat de Nederlander het Fransche verhaal slechts kende van "hooren zeggen". Bovendien komen eenige namen uit het tweede fragment dezer bewerking (_Baselie, Mersaelien ende Eggermort, Florette_, het wout van _Bonival, Godevert van Brusewijc_) in het Fransch in het geheel niet voor.
Slechts kleine fragmenten bleven ons over van den roman van _Auberi le Bourgoing_. In dat verhaal vinden wij de krijgstochten en daden van een jong Bourgondisch ridder, die met zijn neef en wapenbroeder GASCELIN, in Beieren de Russen en in Vlaanderen de Friezen bevecht en ten slotte door een huwelijk met GUIBOURC, koningin-weduwe van Beieren, koning van dat land wordt.
Eindelijk moeten wij nog melding maken van een paar fragmenten, die tot dusverre geacht worden ontleend te zijn aan den roman van _Doon de Mayence_ en aan de _Chanson des Saisnes_ (Saxons). Het eerstgenoemd fragment verhaalt ons van drie ridders: FIERABRAS, ELEGAST en MILO (ROELANTS vader) die van de jacht terugkeeren naar de stad Vauclere, welke door de Sarracenen onder HABIGANT belegerd wordt. Zij ontmoeten drie Sarraceensche vorsten die zij uitdagen; het gevecht zal plaats hebben op een eiland in de rivier. Op hun weg naar Vauclere doen de ridders een inval in het kamp der heidenen en een hevig gevecht vangt aan. In den Franschen roman van dezen naam, waarin de stad Vauclere en de Sarraceensche aanvoerder HABIGANT (AUBIGANT) inderdaad eene groote rol spelen, heb ik ons fragment niet kunnen terugvinden. Wanneer men in aanmerking neemt dat de roman van _Fierabras_ hier volgens MAERLANT'S mededeeling reeds vóór het eind der 13de eeuw vertaald was; dat in den _Geraert van Viane_ de strijd tusschen OLIVIER en ROLAND ook plaats heeft op een eiland in een rivier[17]; dat ELEGAST hier, evenals in den roman van _Karel en Elegast_, optreedt als toovenaar; dat de naam van ROELANTS vader evenals die van den hier voorkomenden pair van CHARLEMAGNE, SANSON, licht van elders bekend konden zijn, dan moet men waarschijnlijk achten, dat wij hier eene vrije bewerking van Fransche epische stoffen vóór ons hebben.
Wat het fragment betreft, dat bekend is onder den naam _Gwidekijn van Sassen_, ook daarin blijft nog veel over dat opheldering behoeft[18]. Met JEAN BODEL'S _Chanson des Saxons_ heeft ons fragment niets gemeen; dat het vertaald zou zijn naar eene vroegere bewerking dezer stof die bewaard is gebleven in de Noorsche Karlamagnus-sage, acht ik onwaarschijnlijk wegens de gewichtige afwijkingen. Ons fragment verplaatst ons in de volgende omstandigheden: Het Fransche leger, waarbij ROLAND en zijn broeder FRANSOYS (niet van elders bekend), OLIVIER, ESCOUS, OLLEUS, REYNOUT en vele andere ridders zich bevinden, heeft het beleg geslagen voor de stad Sassine, waar de reus FLEDRIC, GWIDEKIJN'S broeder, het bevel voert. Een nachtelijk gevecht heeft plaats, waarin FLEDRIC sneuvelt. De dichter der Nederlandsche bewerking kende het _Roelants-lied_ blijkbaar; met den ridder in de zwarte wapenrusting die tooveren kan, zal ELEGAST wel bedoeld zijn[19]. Ook hier moeten wij, naar ik meen, denken aan eene vrije bewerking van epische stoffen, die den Nederlandschen bewerker misschien slechts door mondelinge overlevering bekend waren geworden.