Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 6

Chapter 63,373 wordsPublic domain

Om begrippen van ruimte en tijd uit te drukken, bedient men zich niet van ellen en mijlen, uren en dagen, doch men verzinnelijkt die begrippen door te spreken van: een boogschot hoog, een steenworp ver; zekere eilanden liggen volgens MAERLANT "twee dachseilinghe verre" van Afrika; zeker arts is beroemd: "alse [Zijnoot: even.] verre als God de sonne seinen doet". Iets zal gebeuren "eer die sonne ondergaet"; een paar ridders vechten zoolang als men noodig heeft om een mijl te loopen. De tijd van 24 uren wordt uitgebeeld door "tusschen twee sonnescinen"; van den eenen winter op den anderen door: "tusschen twee sneeuwe". De lente door: "alst ten nieuwen gerse [Zijnoot: gras.] kwam", najaar en voorjaar door "te hooi en te gras". Men ziet de dingen nog vóór zich: een bosch _staat_; een brug _loopt_ over een rivier; men hangt iemand niet op--men hangt hem "_bi der kelen_"; men kust een meisje "_ane haren mont_", zit met haar in het "_groene gras_", begraaft haar onder "_de rooskens root_".

Behoefte aan volledigheid van voorstelling brengt de schrijvers van toen tot het uitdrukken van deelen eener handeling, die wij--als onnoodig, immers: vanzelf sprekend--weglaten. Het zijn gewoonlijk verbindingen van twee werkwoorden, waarvan het eene een lichamelijken toestand, het andere eene werking uitdrukt; aanwijzingen van het eerste soort, zooals: "daer hi lach, sat, stont" achten wij nu overbodig--voor de middeleeuwsche menschen waren zij dat niet.

Men zal zich moeten wachten, uitdrukkingen als: _antwoordde ende seide, bevelen en overleveren, weest des seker ende hout dat vaste, Gods ghebot ende sine woorde_ tautologieën te noemen: toen had elk der deelen van zulke uitdrukkingen zijne eigen beteekenis en kracht; het verschil tusschen onze voorouders en ons is slechts, dat zij er behoefte aan hadden een grooter deel der voorstelling in taal te verzinnelijken dan wij. Om dezelfde reden zijn in: _God, die coninc van den trone_ [Zijnoot: hemel.], de op _God_ volgende woorden volstrekt geen stoplap, evenmin als in zoovele dergelijke uitdrukkingen, want er bestond behoefte om ook aan dat deel der voorstelling uitdrukking te geven[9].

Gebrek aan zelfbeheersching toont zich telkens waar wij een middeleeuwsch schrijver midden in een periode den eerst gekozen trant van voorstelling zien verlaten, met dien verstande dat hij het indirecte vervangt door het directe. Zij beginnen b.v. met een bode te doen spreken in afhankelijke zinnen:

Dat sijn vader doot ware Ende sijn moeder ooc mede.

Daarop laten zij dan plotseling, zonder overgang, volgen:

"Ende in u lant is groot onvrede, "Want vremt volc, sonder waen, "Hebben u lant ondergedaen [Zijnoot: onderworpen.]."

Blijkbaar is de dwang der periode, die het voortdurend gebruik van afhankelijke zinnen met zich brengt, hun te lastig en de rechtstreeksche uiting, als natuurlijker, hun aangenamer.

Een niet volkomen gelijk, maar toch verwant, karakter vertoonen die perioden, waarin de dichter plotseling zijn verhaal of beschrijving laat varen voor het sprekend invoeren van een zijner personages, zonder dezen overgang aan te kondigen: een schrijftrant die, begrijpelijker wijze, in hooge mate tot de verlevendiging van het verhaal bijdraagt[10].

De taal--wij zeiden het reeds--was hier spiegel van het leven. Welk een brand van hartstocht slaat ons tegen uit de middeleeuwsche kronieken! Hoe onbeteugeld stormen de driften in al die gevoelsmenschen, die nog zoo weinig gewend zijn hun eerste opwellingen te onderdrukken en aan de rede stem in het kapittel te geven. Waarlijk niet zonder reden vaardigde men verordeningen uit, waarbij het dragen van wapenen verboden werd. Ook het heiligste is soms niet veilig. Eene woeste menigte, in strijd met den kloostervoogd HERDERIK van Schildwolde, stormt de kloosterkapel binnen, rooft het corpus domini met het ciborium en steekt de kloostergebouwen in brand. Van hertog JAN I van Brabant, een toonbeeld van echte ridderschap, wordt ons verhaald dat hij in gramschap een stok doormidden beet.

MAERLANT beschuldigt adellijke priesters dat zij vrouwen bedriegen en als hunne prooi beschouwen. De abdis van het hoog-adellijk Rijnsburg klaagde aan den paus, dat hare nonnen in vele opzichten den regel overtraden, dat zij twistgierig waren en zelfs de handen aan elkander sloegen.

De kloostermuren mochten hecht en hoog zijn--zij konden den hartstocht niet buitensluiten, noch de zonde. Het klooster zal voor menigeen een veilige wijkplaats zijn geweest, maar hoevelen namen hun strijd met zich nadat de poort zich achter hen gesloten had! Als een rijk man gereed staat der wereld vaarwel te zeggen en zijne goederen te vermaken aan het klooster dat hem zal opnemen, welk een wedijver ontstaat er dan tusschen de abdijen die vlassen op zijne nalatenschap[11]. Wat is er ook binnen de kloostermuren geleden in den strijd met de zonde en den wellust. Hoe heerschten ook daar trots, ijverzucht, toorn, gulzigheid en die zonderlinge lusteloosheid, welke de monniken van Heisterbach _acedia_ noemden en die een middeleeuwsch prototype van _spleen_ en _weltschmerz_ schijnt te zijn geweest[11].

Gansche geslachten komen door de verplichting van veete tegenover elkander te staan: in Leuven de patricische families van BLANCKAERT en DE COLVERE; in den slag bij Woeringen vinden wij de SCAVEDRIESCHEN tegenover de geslachten van WITHAM en MULREPAS; in 1290 breekt in de Haspengouw een verbitterde strijd uit tusschen de Awans en de Waroux, die 45 jaren duurt, waarin de partijen elkander te gronde richten en vele dorpen worden verbrand.

De standen zijn tegen elkander verdeeld. De abdij van Rijnsburg is meer dan eens in twist met de grafelijkheid van Holland of met Hollandsche edelen, met TEYLINGHENS, WASSENAERS, VELZENS; nu eens over een brug, dan over den eigendom van veenlanden. De bisschop van Utrecht, OTTO VAN DER LIPPE, strijdt met de weerbarstige edelen in de buurt van Vollenhove en slecht hunne kasteelen. GIJSBRECHT VAN AEMSTEL leidt in Holland en het Sticht een boerenopstand waarvoor de bisschop moet wijken. Onder de burgerij zien wij op vele plaatsen de ambachten staan tegenover de patricische geslachten, die zich langzamerhand uit de gemeente omhoog beurden, en die den ambachtslieden geen aandeel in de regeering gunden[12].

Zien wij dus dikwijls man tegen man, geslacht tegen geslacht, stand tegen stand, niet zelden vinden wij gewest tegen gewest. Het is de strijd om Limburg tusschen JAN I van Brabant en REINOUT van Gelre; tusschen de hartstochtelijke gravin van Vlaanderen, ZWARTE GRIET, en WILLEM II van Holland; denzelfden graaf van Holland die bij Hoogwoude tegen de Friezen sneuvelt.

Al die woelige elementen van hartstocht en strijd worden te nauwernood in bedwang gehouden door Germaansch recht en Christelijk geloof.

"Van sachte meesters vuyle wonden", zeide het spreekwoord en waarin onze voorouders te kort mogen zijn geschoten, niet daarin dat zij te zachte heelmeesters waren. Zij die een meisje aanspoorden om zich te laten schaken (het schaken was in zwang) werden gestraft met het verlies van den neus. "Wie vrouwen ofte joncvrouwen vercrachte, men sal hem den hals afsagen mit eenre plancken". Van ouds was het gewoonte "alle duytsche lant door" dat een dief de galg kreeg, een moordenaar of moordbrander het rad, dat manslag en roof met het zwaard werden gestraft, een valsche munter in een ketel levend gezoden werd, een spion boeten moest met verlies van een oog, een "pontsnider" (besnoeier van het geld) een duim moest missen.

Wereldlijke en geestelijke overheid gingen hier hand aan hand. Ook de kerk had tal van straffen te harer beschikking en maakte daarvan een ruim gebruik: vasten, boeten, bedevaarten behoorden tot de gewone straffen. Had iemand zich zwaarder vergrepen, dan moest hij soms zeven jaren lang in ballingschap omzwerven. In het ergste geval werd hij door de excommunicatie buiten de gemeenschap der kerk gesloten: als vogelvrije zwierf hij rond en, bekeerde hij zich niet bijtijds, dan wachtten hem de verschrikkingen der hel, door een middeleeuwsch monnik samengevat in een vers dat reeds aan de tong een voorsmaak van dat lijden geeft:

Pix, nix, nox, vermis, flagra, vincula, pus, pudor, horror.

Maar de kerk deed meer en beter dan schrik aanjagen en straffen. Met krachtige hand bestuurde zij de gemeente der geloovigen; liet zij de teugels vaak losjes hangen, zij hield ze stevig vast. Van de wieg tot het graf begeleidde zij den mensch, ja, haar invloed eindigde ook met den dood niet. Was de middeleeuwsche christen door den doop in de gemeenschap der kerk opgenomen, dan moest menige gewichtige handeling die hem en de zijnen van nabij raakte, door de kerk gewettigd worden. Gestadig bezocht hij het kerkgebouw waar hem, uit geheimzinnig schemerdonker, van het altaar zacht kaarslicht tegenglansde, waar bij het mysterie der mis de opzwevende wierookgeuren hem stemden tot aandacht en vereering. Lag hij op zijn sterfbed, dan naderde, aangekondigd door de klinkende altaarschel, de priester met de heilige hostie en de stervende blies den laatsten adem uit met de gewijde waskaars tusschen de saamgelegde handen, in het vertrouwen op een zalig leven in eeuwigheid.

In en buiten de kerk was de geloovige steeds omgeven door de heiligen die vroeger op deze aarde hadden gewandeld, hem waren voorgegaan naar den hemel, doch nog steeds over de menschen bleven waken. Wie op reis ging, beval zich in de hoede van SINT JAN en SINTE GEERTRUIDE, SINT CHRISTOFFEL was de toevlucht tegen een onverwachten dood, SINT MICHIEL beschermde inzonderheid tegen den duivel. Immers, ook deze en zijne trawanten waarden rond, zoekende wien zij konden verslinden. Maar wat nood voor den vromen Christen? Konden God, Jezus en Maria, konden de heiligen en zelfs de overblijfselen dier heiligen, niet elk oogenblik een wonder verrichten? Telkens vernam men van betrouwbare menschen, dat er wonderen geschied waren. Friezen getuigden dat zij in het jaar 1214 kruisen in de lucht hadden gezien, terwijl de kruisprediker OLIVIER van Keulen sprak. In het klooster Aduard waren monniken, zóó eenvoudig van hart, dat zij beproefden hunne kappen op te hangen aan de zonnestralen[13]. Was er nog een grens tusschen wonder en werkelijkheid voor wie deze en dergelijke dingen hadden gezien en gehoord? En is het niet begrijpelijk, dat de dichter van den _Karel ende Elegast_ in den aanvang van zijn verhaal "wonder en waarheid" in één adem noemt?

Wij hebben getracht in eenige groote trekken eene voorstelling te geven van het leven der toenmalige maatschappij. Het was noodig eene poging daartoe aan te wenden, omdat alleen langs dien weg eenigermate zal kunnen blijken, op welke wijze zich hier het leven in de poëzie heeft geuit. Zóóveel kan althans uit die voorstelling gebleken zijn, dat gedurende de 13de eeuw het algemeene de overhand had op het bijzondere, het samengestelde op het enkele, de stand op het individu. Het leven heeft zich toen vooral _standsgewijze_ geuit. En zoo bevat de poëzie, die wij nu zullen gaan beschouwen, in hoofdzaak uitingen, niet van individuen, maar van standen. Daarom mag zij _standenpoëzie_ heeten.

In het leven van dien tijd kunnen wij geene scherpbelijnde persoonlijkheden aanwijzen, wel typen van een der drie standen. Zóó is het ook in de poëzie. HADEWIJCH, WILLEM VAN AFFLIGHEM en vooral MAERLANT vertoonen iets van een dichterlijke persoonlijkheid, maar schaduwachtig van omtrek. Eenige andere namen van dichters der 13de eeuw zijn tot ons gekomen, doch het zijn _slechts_ namen. Wat baat het ons of wij weten dat "CLAES VER BRECHTEN ZONE" den _Willem van Oranje_ vertaald heeft? Dat WILLEM VAN UTENHOVE "een priester van goeden love" was en dat de dichter van den _Reinaert_ eveneens WILLEM heette? Kennen wij die mannen nu? Van vele andere dichterlijke werken zijn zelfs de namen der bewerkers ons onbekend.

Dat onpersoonlijke kenschetst een groot deel dezer poëzie als volkspoëzie, maar volkspoëzie, welke, naar de verschillende stroomingen die zich in haar openbaren, als vanzelve zich scheidt in: ridderpoëzie, geestelijke poëzie en poëzie der gemeenten.

AANTEEKENINGEN

[1] _Der Minnen Loop_, IV, vs. 4 vlgg.

[2] _Gedichten_ (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 207. Bij den Henegouwschen dichter JEAN DE CONDÉ vindt men een _dis des trois estas dou Monde_ (_Dits et Contes de Baudouin de Condé_, II, 49 suivv.). Beide stukken hebben overigens niets gemeen.

[3] Vgl. Boek VIII, vs. 1070.

[4] VANDERKINDERE, _Siècle des Artevelde_, p. 141.

[5] Voor dit overzicht raadpleegde ik, behalve de werken van PIRENNE, MOLL en BLOK; A. SCHULTZ, _Höfisches Leben zur zeit der Minnesinger_; SCHOTEL, _De Abdij van Rijnsburg_; MOLL en DE HOOP SCHEFFER, _Studiën en Bijdragen; Mem. Cour. de l'Acad. Royale de Belgique_, no. 32; _Kronijk v.h. Histor. Genootschap_, XII, (164-165); twee artikelen van POLS in _Bijdr. voor Vad. Gesch. en Oudh._ (stuk over Graaf JAN I van Holland) en redevoering ter algem. vergadering van het Prov. Utr. Gen. in 1879. _De Slag van Woeringen_ (ed. WILLEMS), vs. 2078, 2635; voorts in de Aant. p. 542.

Wat den _Grêgorjus_ van HARTMANN VON AUE betreft, merk ik nog op, dat de tijdsbepaling niet geheel vast schijnt te staan.

[6] Vgl. _Reinaert_, vs. 2006-'98:

Hi rekende dat hi ware mijn oom ende began ene sibbe tellen; aldaer worden wi gesellen.

[7] Over de maagschap zie men: JACOB GRIMM'S _Deutsche Rechtsalterthümer_, (4e Ausg.), I, 642 flgg; FOCKEMA ANDREÆ in: _Geschiedkundige Opstellen aangeboden aan Robert Fruin_, p. 259 vlgg.; _Nederd. Regtsoudheden_, p. 298; _Versl. en Meded. der Kon. Akad. afd. Lett._, 4e Reeks, Deel I; MOLL, _Kerkgesch._, II, 4, 225; _Kroniek van Melis Stoke_ (ed. BRILL), IV, 1482; ook ald. IV, 1305; _Kerken Claghe,_ vs. 212; _Moriaen_, vs. 174-177; voorts _Grimb. Oorlog_, II, vs. 291, 413, 857, 1247, 4354, 4571 en pass.; _Parthonopeus_, vs. 1227; _Limborch_, II, 1862. In het _Mnl. Wdb._ zullen i.v. nog wel andere voorbeelden genoemd worden.

[8] Ik heb dit staaltje gekozen als bijzonder duidelijk sprekend. De oudere philologie is in deze gevallen alras geneigd tot schrappen van wat zij: _inlapsels_ noemt; doch men moet hier zeer voorzichtig zijn. Wie een citaat uit den _Brandaen_ niet afdoend acht uit hoofde van mogelijken invloed van het Duitsch (de proloog kan zeer licht van den Nederlandschen bewerker zijn), vindt tal van andere voorbeelden in MAERLANT'S _Alexander_, I, 953-960; VII, 61-84; 93-105; _Leven van S. Lutgarde_, II, 3651-'67; 3790-'96; 3824-'39; 6694-6716; 9542-'48; 9632-'47; 9775-'95; 10359-'376; 10730-'37; 11504-'512; 13844-'66; III, 548-557; 850-864. _Der Leken Spieghel_, II, c. 48, vs. 668-685 (men lette vooral op het slotvers in verband met den aanvang). _Der Minnen Loep_, I, 2047-2060. STOETT, _Syntaxis_, p. 146; _Hildegaersberch's Gedichten_, 155, 203 vlgg.; 157, 129-138; 157, 1-15. FRANCK onderstelt in den dichter van het _Leven der H. Lutgarde_ opzet bij het maken zijner lange en ingewikkelde zinnen. Mij schijnt dat zeer twijfelachtig. Doch indien er al opzet geweest zij, dan zal de kunst de natuur hier te hulp zijn gekomen. (Zie FRANCK'S betoog in _Neue Jahrbücher für das Klass. Alt. Gesch. u. Deutsche Lit._, Jahrg. 1904, XIII. Bd. S. 432-434. F. denkt aan invloed van het Latijn).

[9] Deze en andere voorbeelden vindt men: _Karel en Elegast_ (ed. KUIPER) vs. 394, 802, 862, 103, 1192, 1232; _Sp. Hist._, I, p. 34, vs. 21; _Alexander_, I, 1121; _Moriaen_, vs. 86, 3795; _Tijdschr. v. N.T. en L._, XVII, 297 vlgg.; _Kar. e. Eleg._, 100, 198; _Merlijn_, p. 72, vs. 6696; _Lied in de Middeleeuwen_, bl. 572; STOETT, _Syntaxis_, p. 121; BOTERMANS, _Die hystorie van die seven wijse mannen van romen_. Proefschrift, p. 50; _Leven van Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM). Inl. XXXVI.

[10] _Torec_, 3800-3804; 3738-'41; _Moriaen_, 355, 573, 972; _Karel en El._, 329, 640; andere voorbeelden in STOETT'S _Syntaxis_, p. 144.

Het verwante verschijnsel in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_, p. 187; behalve de daar aangehaalde plaatsen nog: _Flovent_, 395; _Madelghijs Kintsheit_, p. 69, vs. 40; _Aiol_ (Vlaamsche redactie), vs. 663; _Karel de Groote en zijne XII. Pairs (Lorreinen)_, p. 12, vs. 287; p. 31, vs. 872 (weer het eerste verschijnsel). LONGINUS of althans de schrijver van het boek [Greek: Peri Upons] heeft op dezelfde eigenaardigheid bij HOMERUS gewezen. Zie: DIONYSII LONGINI _de Sublimitate_ (ed. B. WEISKE. Lipsiae. WEIGEL. 1809). Sect. XXVII.

[11] Vgl. TE WINKEL'S _Maerlant_, p. 257, noot 2; WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, p. 72; _Naturen Bloeme_, II, 690-2; MOLL, _Kerkgesch._, II, 2, 78; _Brab. Yeesten_, V, 144-146; MOLL, t.a.p. II, 2, 45; MOLL en DE HOOP SCHEFFER, _Stud. en Bijdr._, II.

[12] DEWEZ, _Histoire générale de la Belgique_, III, 43; HEELU'S _Slag bij Woeringen_, 3834, 5115 vlgg.; PIRENNE a.w. II, 174; SCHOTEL, _A.v.R._, o.a. p. 100-101; PIRENNE I, 416, 422.

[13] BLOK a.w. I, 175.

_Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Genootschap_, XXIII, 43.

1. RIDDERPOËZIE.

Het ridderwezen. Overzicht der Fransche ridderpoëzie. Ouderdom der Nederlandsche ridderpoëzie. In hoeverre indeeling naar de "matières" te onzent geoorloofd?

Romans: _Flovent_, _Roelants-lied_, _Willem van Oringen_, _Renout van Montalbaen_, _Geraert van Viane_, _Lorreinen_, _Aiol_, _Aubri de Borgengoen_, _Doon de Mayence_, _Gwidekijn van Sassen_. Overige romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. _Karel en Elegast_.

II. Keltische, Klassieke en Oostersche romans: _Lancelot_, _Percevael_, _Ferguut_, _Floris en Blancefloer_, _Partonopeus en Melior_. Overige romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. _Moriaen_, _Walewein_.

Eindbeschouwing.

Germaansche kern in Frankrijks grond geplant, snel opgeschoten, frisch uitbottend en breed zich vertakkend, bloeiend in pracht, verstorven door overmaat van weelderigheid--zoo ging op, zoo blonk, zoo verzonk het ridderwezen.

Het Germaansch gebruik, den manbaren jongeling in een plechtige bijeenkomst met schild en speer te begiftigen, was de kern, door de Franken gebracht in het naar hen genoemd land; onder den invloed der kruistochten ontwikkelde die kern zich daar tot een zedelijke instelling met een hoog-ideaal karakter. Een ridder moest zijn "grootmoedig in tegenspoed, edel van bloede, overvloeiend van eerlijkheid, voortreffelijk door hoffelijke zeden, standvastig in mannelijke braafheid. Dagelijks moest hij met devote gedachtenis aan 's Heeren lijden de mis hooren, voor het Katholiek geloof zijn lichaam veil hebben, de heilige Kerk met hare dienaren van alle geweldenaars bevrijden, weduwen en weezen en onmondigen in hunnen nood beschermen, onregtvaardige oorlogen vermijden, oneerlijk krijgsloon weigeren, tot bevrijding van iederen onschuldige als kampvechter optreden, geene steekspelen bezoeken, tenzij met ridderlijke bedoelingen, den roomschen Keizer of zijn stadhouder in wereldlijke zaken gehoorzamen, den staat ongeschonden in zijne kracht laten, geene leengoederen des rijks vervreemden en onberispelijk voor God en menschen leven."

Door zulke verplichtingen werd de woeste strijdlust van vroeger, in veilige bedding gebracht, aangewend tot ontwikkeling en beschaving der maatschappij. Maar de aanraking met het weelderig Oosten, de toenemende rijkdom en weelde, menschelijke zwakheid en zinnelijkheid begonnen na eenigen tijd de instelling in haar ideaal karakter te bedreigen, deden haar langzamerhand veraarden en eindelijk ontaarden. De eerbied voor de vrouw werd vooral in Zuid-Frankrijk opgeschroefd tot een vrouwendienst waarin het zinnelijk element zich krachtig deed gelden; de hoofschheid, die gaandeweg de vroegere ruwheid had vervangen, werd galanterie; de losheid, loszinnigheid en die: losbandigheid. Toewijding die goed en bloed op het spel zette met het oog op een grootsch doel, werd eerzucht, roemzucht; mildheid sloeg over tot spilzucht. Ten slotte was de adel een stand geworden, die zich slechts door meer rijkdom en uiterlijke beschaving onderscheidde van de overige bevolking, die hem veelal overtrof in innerlijke kracht, in zedelijke en geestelijke ontwikkeling[1].

De poëzie, uit het ridderleven geboren, heeft dat leven in zijn ontwikkelingsgang gevolgd. Maar ook hier: werking en wederwerking. Wie kan het vergeten, die nooit vergeten kan dat roerend-droeve verhaal van FRANCESCA DA RIMINI en die verzen:

Galeotto fu 'l libro e chi lo scrisse: Quel giorno più non vi leggemmo avante.

Dichters, afhankelijk van de ridderschap en onder haar levend, hebben uit verhalende liederen grootere verhalende gedichten geschapen. In den aanvang behandelden die gedichten uitsluitend het nationaal verleden, uit den tijd der Merovingen, zooals de _Floovant_; uit dien der Karolingen verhalen waarin KAREL DE GROOTE, zijne pairs of de groote vazallen des rijks optreden: de _Chanson de Roland_, de _Chanson des Saisnes_ (Saksen), den _Ogier_, den cyclus van _Guillaume d'Orange_, de _Lorrains_ (hertogen van Lotharingen), _Renaus de Montauban_, _Aiol_, _Auberi le Bourgoing_. Kort voor of in den aanvang der 12de eeuw begonnen dichters van meer ontwikkeling ook verhalen uit den Trojaanschen oorlog en andere sagen der klassieke oudheid te verwerken: den _Roman de Troie_, den _Roman d'Enéas_, _Roman de Thèbes_, de _Geste d'Alexandre_, den _Roman de Jules César_.

Uit de aanraking der Fransch-Normandische maatschappij met het Keltisch element in Engeland ontstond omstreeks het midden der 12de eeuw een nieuw soort van verhalen: de Keltische romans. Keltische zangers die rondzwierven door Engeland en Frankrijk, zongen ook in het laatste land hunne lais, liederen van fabelachtigen of mythologischen inhoud, die al spoedig werden vertaald en nagevolgd door Fransche dichters. Langzamerhand werden deze stoffen met de nationale versmolten, werden ook nationale stoffen in den geest der Keltische romans behandeld. Wij vinden hier in hoofdzaak òf verhalen, waarin Koning ARTUR en zijne gemalin op den voorgrond komen en het Christelijk element zich krachtig doet gelden òf zulke, waarin de dolende ridders van ARTURS hof eene hoofdrol spelen als: de _Tristran_, _Ivein_, _Lancelot_, _Erec_, _Gauvain_, _Cligès_.

Tot de romans der eerste groep behooren ook groote prozaromans als _Le Grand Saint Graal_, die bestaat uit deze drie deelen: _Jozef van Arimathea_, _Merlijn_, _Perceval_; voorts _la queste_ (het zoeken) _du Saint Graal_ en een gedicht _Le Petit Saint Graal_.

Een middeleeuwsch dichter heeft ons het overzicht dezer romans, waarvan ik slechts eenige voorname heb genoemd, gemakkelijk gemaakt door de drie voorname stoffen, welke zij behandelen, aan te wijzen. In de _Chanson des Saisnes_ heet het:

Ne sont que trois matières a nul home entendant: De France et de Bretaigne et de Rome la grant.

Maar de romans welke klassieke en Keltische stoffen behandelen, zijn, bij alle verschil van onderwerp, inderdaad ééns geestes kinderen; de romans waarin nationale stoffen verwerkt zijn, danken hun ontstaan aan een anderen geest.

Zoo mag men deze epische poëzie dan ten slotte scheiden in twee groote afdeelingen, die zich tot elkander verhouden als het nationale tot het uitheemsche.