Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 5
Echter heeft de Nederlandsche bewerking ook elementen, welke men niet vindt in een der drie Duitsche bewerkingen die voortgekomen zijn uit het oorspronkelijk Nederrijnsch gedicht. Ik heb hier het oog vooral op de merkwaardige ontmoeting van Brandaen met een sprekend reuzenhoofd dat door den vloed op het strand geworpen is. Een dergelijk verhaal vindt men ook in de legenden van S. MALO en S. MACARIUS. In de eerste legende is sprake niet van het hoofd doch van het gansche lichaam van een gestorven heidenschen reus; in de tweede van een reuzenhoofd. Beide reuzen laten zich doopen. In dat laatste opzicht nu geeft de Nederlandsche bewerking ons iets eigenaardigs. Brandaen stelt aan het reuzenhoofd voor, zich te laten doopen. Maar de doode weigert, omdat hij vreest zijn toestand te zullen verergeren: liet hij zich doopen en zondigde hij dan opnieuw, dan zou hij, als Christen, veel strenger gestraft worden. En dus, zoo besluit hij:
willic weder varen Te mijnre aermer scaren In die deemsternesse [Zijnoot: duisternis.] [41].
Mij zou het niet verwonderen, indien de Nederlandsche bewerker, bij deze vermoedelijk van hem afkomstige passage, aan den Frieschen koning RADBOUD gedacht heeft, die door den apostel WULFRAN gedoopt zou worden. Immers, als deze heiden verneemt dat zijne koninklijke voorzaten de plaats der helsche verdoemenis bewonen, trekt hij den voet uit de doopvont terug en wil liever met zijne voorouders in de hel dan met de Christenen in den hemel verblijven[42]. Opmerkelijk mag ten slotte heeten, dat wij in de Nederlandsche bewerking op een paar plaatsen een komisch element aantreffen, waar dat in de drie ons overgebleven Duitsche bewerkingen ontbreekt. Ook dat getuigt dat wij hier het werk van een speelman voor ons hebben[43].
Lang niet alles in het wezen en de herkomst van dit gedicht is ons duidelijk; wij moeten vele vraagteekens laten staan en zouden er nieuwe kunnen bijvoegen. Doch er schijnt mij voldoende grond aanwezig om aan te nemen, dat het uit het Duitsch vertaald is en met de vertaling der _Nibelungen_ en het gedicht _Van den Bere Wisselau_ dagteekent uit het laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw. Ook de twee laatstgenoemde werken alleen zouden reeds kunnen volstaan om ons in de literatuur van dien tijd zoowel den samenhang met als de losmaking van het overig Duitschland te toonen.
Dat er samenhang was, behoeft niet te worden aangetoond. Wel dient de aandacht te worden gevestigd op het gewicht van feiten als de vertaling van _Nibelungen_ en _Brandaen_, als de bewerking van _den Bere Wisselau_. Want uit dat overbrengen van de eene taal in de andere blijkt, dat de bewoners dezer landen zich een ander volk voelden dan de overige Duitschers; het gedicht _van den Bere Wisselau_, zelfstandige bewerking van Duitsche gegevens, toont ons dat gevoel in nog hooger mate.
Staatkundig bleef een deel dezer volken nog lang afhankelijk van Duitschland; in cultuur en kunst, ook in de literaire kunst, zouden zij steeds meer hunne eigen wegen gaan. Zij zouden dat vooral doen, nadat Brabant en Vlaanderen op den voorgrond waren getreden en Limburg op den achtergrond was geraakt. Meer en meer zullen Brabant en vooral Vlaanderen de leiding der literaire beweging krijgen. Wanneer zij daarmede begonnen zijn, is moeilijk te zeggen. Is de vertaling der _Nibelungen_ misschien uit Brabant afkomstig? Zijn de beide redacties van den _Brandaen_ in het oosten des lands of elders gemaakt? Dagteekenen de bewerkingen der Fransche ridderromans, welke MAERLANT in één adem noemt met de "sage van den bere Wisslau", uit denzelfden tijd als de _Wisselau_?
Tot het geven van afdoende antwoorden op die vragen zijn wij vooralsnog niet in staat. Slechts op de laatste vraag mag men misschien: "ja" antwoorden of: "het is waarschijnlijk."
Zeker is: dat de bewoners dezer landen zich van de overige Duitschers moesten losmaken, vóórdat er sprake kon zijn van hunne ontwikkeling tot een zelfstandig volk en ook: dat de hier aanwezige kiemen van nationaliteit beter bodem vonden in het verder van Duitschland af, en aan zee gelegen, Vlaanderen, dan in het grensland Limburg.
In Vlaanderen, Brabant en Limburg zien wij gedurende de 13de eeuw, op welker drempel wij nu staan, eene half-internationale, half-nationale kunst groeien en bloeien.
Uit welken bodem zij opschoot, onder welke omstandigheden zij zich ontwikkelde, zullen wij nu trachten te verhalen.
AANTEEKENINGEN.
[1] Vgl. voor dit overzicht der Kruistochten vooral MOLL'S _Kerkgesch._, II, 1, bl. 7 volgg.
[2] Vgl. MAERLANT'S _Spiegh. Historiael_ (edd. DE VRIES en VERWIJS), III, bl. 366.
[3] MOLL, t.a.p.
[4] Zie I, 1116. Zie ook I, 682-3: "In ebreuschen, in dietschen || In walschen ende in vriesschen". Vgl. ook _Roman van Torec_, vs. 2556: "Joncfrouwe, sprecti diets oft walsc?" In den _Rinclus_, vs. 602 _walsch_ en _vriesch_ tegenover elkander gesteld.
[5] Vgl. _Hist. de la langue et de la Littérature française...._ sous la direction de L. PETIT DE JULEVILLE I, 49 suivv. (o.a. 92, 100-101), 171 en L. SUDRE, _Les sources du Roman de Renart_, p. 341.
[6] Vgl. SCHERER, _Gesch. der D. Lit._, S. 143-4; PIPER, _Spielmannsdichtung_, II, 299; _Grundriss der German. Phil._, II, 1, 258. Uitgegeven door STEINMEYER in _Z.f.d.A._, 21, Bd. S. 307 flgg. STEINMEYER gelooft dat de afschrijver aan de taal een Hoogduitsche tint gegeven heeft.
De bewerker schijnt eene Fransche redactie te hebben gevolgd, waaruit no. 1 en no. 2 der door ED. DU MÉRIL uitgegevene redactie's zijn voortgevloeid. De fragmenten komen overeen met ASSENEDE'S bewerking, vs. 2315-3945 en tellen samen 368 verzen; daartusschen zijn echter op vele plaatsen verzen weggevallen. STEINMEYER'S raming van het geheel (c. 3700 verzen) schijnt mij te hoog: ASSENEDE'S bewerking die veel uitvoeriger is, telt er slechts 3980.
[7] Dat hij zich "ongheleert ende ongherecht" noemt (I, 186) zal wel eene uiting van nederigheid zijn. Immers onmiddellijk daarvoor stelt hij zich zelven tegenover de "ongheleerde luden". Vgl. bovendien het Latijn in den proloog en eene plaats als II, 944-946.
[8] Zie al het wetenswaardige omtrent VELDEKE samengevat in de Inleiding tot BEHAGHEL'S _Eneide_. Over VELDEKE'S taal nog te vergelijken wat Prof J.H. KERN mededeelt in _Museum_ 1900, bl. 213-218. Overigens nog BORMANS' Inleiding op _Sint Servatius Legende_.
[9] VELDEKE'S bewerking stemt het meest overeen met het leven van S. SERVAES, dat men vindt in de _Gesta pontificum Tungrensium Trajectensium et Leodiensium_ in de 10e eeuw samengesteld door den abt HARIGER. Vgl. over een fragment van een hs. van het eind der 12e eeuw: _Z.f.d.A._, Bd. 27, 146-157. Over een Duitsch leven van S. SERVAES uit ongeveer denzelfden tijd als VELDEKE'S werk: _Z.f.d.A._, 1845, V, 75 flgg.
[10] Deze Latijnsche passage komt niet voor in HARIGER'S _Gesta_, wel in de toevoegsels tot dat werk van zekeren AEGIDIUS, een Cistercienser monnik uit het Klooster van S. Maria aureae vallis. Daar AEGIDIUS echter omstreeks het midden der 13e eeuw schreef, moet de door VELDEKE gebruikte _Vite_ ook door HARIGER en AEGIDIUS gebruikt zijn. (Zie CHAPEAUVILLE'S uitgave van HARIGER en AEGIDIUS). Zoo vinden wij ook de vergelijking uit I, 271 terug in het oorspronkelijke: ejusmodi nempe multas tunc temporis provisio divina pro necessitate accenderat faces etc.
[11] Vgl. I, 1626; II, 674, 1789, 1931.
[12] Vgl. den proloog van Boek I.
[13] Vroeger hield men BENOÎT DE STE. MORE voor den maker. Zie PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 220, en SALVERDA DE GRAVE, _Introduction à une édition critique du Roman d'Eneas_ ('s-Gravenhage, 1888).
[14] Vgl. BEHAGHEL'S _Einleitung_, CL-CLVI.
[15] Vs. 2708-2741; in het Fransche gedicht vs. 3456-3460.
[16] _Minnesangs Frühling_, p. 62.
Dat VELDEKE'S liederen oorspronkelijk door hem in zijne moedertaal gedicht zijn, blijkt ook daaruit, dat men ze--in tegenstelling met de werken der overige Minnesinger--gemakkelijk in gewoon Middelnederlandsch (daarom nog geen Limburgsch) kan overzetten. Hier b.v.:
van minne comet ons alle goet: die minne maket reinen moet. Wat soude ic ane minne dan?
[17] Ik kan niet beslissen of het eerste vers gebruikelijk Middelhoogduitsch is. Misschien heeft eene verwarring met _entfaen_ (ontvangen) plaats gehad en zal men de drie verzen op deze wijze mogen weergeven:
hoe mochte ic dat voor goet ontfaen, dat hi mi dorperlike bade dat hi mi moeste ombevaen?
[18] Vgl. M.F., p. 61, 25; 56, 18; 57, 30-32; 60, 32; 61, 10; 58, 17-19.
[19] M.F. 56, 1-6.
Het sijn goede nieuwe maren dat die vogel openbare singen daer men bloemen siet. tot dien tiden in den jare stonde wel dat men vro ware: lacen, des en ben ic niet.
[20] M.F. 64, 17-21.
Die vogelen doen ane schijn dat si die bome sien gebloet. haer sanc maket mi den moet so goet dat ic vro bin ende trurich niet can sijn.
Vgl. voorts nog: M.F. 57, 10-18; 58, 23 vlgg.; 59, 11; 62, 25; 66, 1.
[21] M.F. 57, 5-6.
ic bat hare in der caritaten dat si mi moeste al ombevaen.
Vgl. voorts: 59, 32; 60, 1.
[22] M.F. 65, 21-24.
So wie den vrouwen settet hoede, die doet dat dicke evel staet. wel menich man draget die roede daer hi sich selven mede slaet.
Vgl. voorts: 65, 11-12; 67, 1-2; 62, 11-22.
[23] M.F. 66, 13-15.
geschiedet [Zijnoot: Misschien in het oorspronkelijk Limburgsch: _gescege_?]" mi alse den swane die singet alse hi sterven sal, so verliese ic te vele daer ane.
[24] Vgl. o.a. Episodes uit MAERLANT'S _Historie van Troyen_ door Dr. J. VERDAM, p. 27-28.
[25] Vgl. BEHAGHEL'S _Einleitung_, S. CLXXXVI flgg.
[26] Uitvoerige mededeelingen over en uiteenzetting dezer poëzie in PIPER'S _Spielmannspoesie_. Vgl. voorts: _Grundriss_, II, 1, 305 vlgg.
[27] Vgl. _Reinaert_ (ed. MARTIN), GLOSSAR j.v. _Ermenrijc_ en W. MÜLLER, _Mythologie der deutschen Heldensage_, S. 178.
[28] Vgl. KLEYN'S Catalogus in _Archief voor Ned. Kerkgesch._, II, 147.
[29] Over die tijdsbepaling _Grundriss_, II, 1, p. 310 vlgg. ZARNCKE houdt het er voor dat B. "um die Mitte des 13. Jahrh." is ontstaan. (_Das Nibelungen-Lied, Einl._, S. XIV).
[30] Boek II, 115.
[31] _Teuthonista_ (ed. VERDAM), p. 486: "die witte wech des nachtes an der lucht, den men noempt sent Jacobs wech of ver broenelden strait, _galaxia_."
[32] Over de redactie die waarschijnlijk tot voorbeeld heeft gestrekt aan de Nederlandsche bewerking vgl. mijne _Middelned. Epische Fragmenten_, p. 1-3 en het artikel van Dr. FRANTZEN in _De Gids_, 1889, I, 29-79.
[33] In mijne uitgave der fragmenten heb ik daaromtrent het een en ander medegedeeld; Dr. FRANTZEN voegde daaraan vrij wat toe in zijn voortreffelijk _Gids_-artikel. Sedert heb ik de fragmenten nog eens met het origineel vergeleken in de uitgave van BARTSCH: _Der Nibelunge Nôt._ (Leipzig. BROCKHAUS, 1870-1880) waarin men ook de varianten der hss. vindt.
[34] Vgl. _Middelned. Ep. Fragmenten_, bl. 9-32; het genoemde stuk van Dr. FRANTZEN in _De Gids_ en de uitgave van E. MARTIN in _Quellen und Forschungen_, 65. Heft.
[35] Vgl. _Mnl. Ep. Fragmenten_, bl. 10.
[36] Volgens de juiste opmerking van Dr. FRANTZEN, t.a.p.
[37] _Sp. Hist._, IIIe Deel, bl. 170, 204.
[38] Vgl. _Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche huis_, III, p. 96.
[39] Bij de door Dr. TE WINKEL genoemde literatuur moet gevoegd worden: 1o. de uitgave van het gedicht door Dr. E. BONEBAKKER. (Amsterdam. Gebroeders BINGER. 1894); 2o. Dr. J. BERGSMA, _Bijdrage tot de Wordingsgeschiedenis en de critiek der Mnl. Brandaenteksten_; 3o. _Van Sente Brandane_ in _Tijdschr. v. Ned. T. en L._, VII, 85 vlgg.; 4o. _Romanische Studiën...._ von ED. BOEHMER, I, 553 flgg. Over de tijdsbepaling van het Mnd. gedicht te verg. het a.w. van P. PIPER, I, 116. De Middelnederlandsche bewerking is tot ons gekomen in twee redacties, die van het Hulthemsche en die van het Comburgsche hs. Ook ik houd de eerste voor de oudste; o.a. omdat het aantal assoneerende rijmen en het aantal der verzen met slechts drie of twee heffingen er grooter is dan in het Comburgsche hs.
De beide bewerkingen schijnen, onafhankelijk van elkander, naar hetzelfde Mnd. voorbeeld gemaakt te zijn.
[40] Vgl. _Van Sente Brandane_ (ed. BONEBAKKER), p. 10.
[41] Vs. 249-251.
[42] Het hier en elders in den _Brandaen_ voorkomende _aerme scaren_ (zie BONEBAKKER'S _Aant._, p. 8) met DE VRIES, VERWIJS, VERDAM e.a. te veranderen in een door DE VRIES gemaakt Mnl. woord _harmschare_ (straf, kwelling), dat nergens in de Duitsche redacties voorkomt, schijnt mij niet alleen onnoodig maar zelfs verkeerd. Het Comb. Hs. dat spreekt van "keitivegher scaren" had DE VRIES kunnen waarschuwen. De uitdrukking is op de bewuste plaatsen volkomen goed te verdedigen. MAERLANT spreekt van "blide scare" voor hemelbewoners; (zie _Stroph. Ged._ edd. FRANCK en VERDAM, p. 135). Doch wij hebben hier een der niet zeldzame gevallen waarin de oudere philologie, tegen de overlevering in, en met verwerping van het voor de hand liggende als te eenvoudig, zich vermeide in de spelingen van haar critisch vernuft.
[43] Ed. BONEBAKKER, C. 1008, H. 953; C. 1075-1081, H. 1022-1028.
BOEK I.
STANDENPOËZIE.
INLEIDING.
Gedurende de gansche 13de eeuw is er in deze landen en volken nog weinig eenheid te bespeuren; integendeel, wij zien eene veelheid van onderscheidene eenheden: kleine staten en staatjes die voortdurend naar volkomener onafhankelijkheid streven. Holland was reeds vroeg zelfstandig geworden, had zich nagenoeg van het Duitsche rijk afgescheiden, was er steeds op uit alle bemoeiingen van Keizers of andere rijksvorsten met zijne binnenlandsche aangelegenheden af te weren. De overige landen gaan met meer of minder goed gevolg denzelfden weg. Vlaanderen heeft het misschien het zwaarst in zijn strijd om onafhankelijkheid van Frankrijk te verwerven.
Onderwijl zijn de Nederlanders bezig hun land te verdedigen tegen het water, woeste streken te ontginnen, te herscheppen in bouwland en weiland. Het water geeft geen kamp: de Marcellus-vloed van 1218 wordt meer dan eens door hevige overstroomingen gevolgd; doch de waterschappen ontstaan, polderland komt te voorschijn, allerwege beginnen windmolens te draaien.
Veelheid van eenheden zien wij ook in het volk dat deze landen bewoont. Tegenover het geestelijk element stond het wereldlijke. God--zegt DIRC POTTER in zijn _Minnen Loop_--heeft der wereld rijk in tweeën gedeeld: de eene helft moet zich bezig houden met het tijdelijke; de andere moet opwaarts schouwen en van daar nederbrengen wat zij ons, de eerste helft, moeten leeren[1]. Het wereldlijk element werd weer gescheiden in heeren en gemeente. Ridderschap, geestelijkheid en de gemeenten waartoe men ook de landbouwers kan rekenen, vormden de drie groote bestanddeelen der bevolking van al deze gewesten. Een dichter der 14de eeuw, WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH, spreekt dan ook "van der drierehande staet der werelt" en bedoelt daarmede: ridders, geestelijken en huislieden[2].
Niet meer, als in de 11de eeuw, waren de Zuidnederlandsche ridders op het land wonende grondbezitters, die in vredestijd hunne goederen bestuurden en zelf wel eens de hand aan den ploeg sloegen; die, eenvoudig gekleed en gewapend, op zijn best een wachttoren op een heuvel bewoonden, omgeven door een muur van ruwe steenen.
In het laatst der 12de eeuw reeds prijst de Duitsche dichter HARTMANN VON AUE de ridders van Henegouwen, Brabant en de Haspengouw, als hij voortreffelijke ridders wil noemen. De graven van Henegouwen en van Leuven komen soms met honderden prachtig uitgedoste ridders ten tournooi. In Holland zijn de BREDERODE'S, WASSENAERS, TEILINGENS, EGMONDEN, ARKELS en zoovele anderen reeds aanzienlijke geslachten. JAN VAN BRABANT, FLORIS en WILLEM VAN HOLLAND sterven op een tournooi of aan de gevolgen van daar ontvangen wonden. Terwijl een aantal Vlaamsche ridders zich bij Hesdin met het ridderlijk spel der "tafelronde" vermaken, hechten zij zich het kruis op borst of schouder.
Naast doch vaker tegenover de ridders staan de geestelijken. Naast hen, want ook in deze landen vond men prelaten als die bisschop van Beauvais die in den slag bij Bouvines de vijanden met een ijzeren knots neersloeg--omdat de Kerk geen bloed mag vergieten. Doch vaker tegenover hen, in de werken des vredes. Overal worden kloosters gesticht voor monniken en nonnen; kloosters van Benedictijnen, Cisterciensers, Praemonstratensers. Door de instelling der bedelorden komt het monnikwezen in een nieuw stadium van ontwikkeling. Vooral de orde der Franciscanen breidt zich meer en meer uit. De bagijnen beginnen hare hoven te stichten. Voorname abdijen als die van Egmond, Rijnsburg, Leeuwenhorst verrijzen. In Groningen, in Friesland, Gelderland, ook in Limburg en Brabant vindt men kluizenaars die voor langer of korter tijd een eenzaam leven leiden.
Het overig, verreweg grootste, deel der bevolking woonde als visschers langs de zeekust (MELIS STOKE kent Zandvoort reeds)[3], als landbouwers en veeboeren ten platten lande, alleen of in dorpen en gehuchten, of eindelijk als kooplieden, neringdoenden, ambachtslieden in de steden die in aantal en omvang toenamen. Sommige steden dagteekenden nog uit den tijd der Romeinen, andere waren opgekomen als middelpunten van marktverkeer, hadden zich langzamerhand gevormd om een kasteel of klooster of waren ontstaan uit de vereeniging van eenige landgemeenten. Allengs verkrijgen zij het recht zich te beschermen met "eiken tune (planken muren) ende diepe grachte", een stedelijke hal, een steenen gevangenis (_steen_) te bouwen; andere vrijheden en voorrechten zullen volgen. In groote steden als Gent en Brugge vinden wij reeds melding gemaakt van plaveisel en steenen woonhuizen (verreweg de meeste waren van hout en met riet gedekt).
De maatschappelijke toestand der boeren was gedurende de middeleeuwen minder droevig dan men langen tijd heeft gemeend. Ook was de verhouding tusschen heer en lijfeigenen niet louter die van een meester tegenover zijne dienstknechten en belastingplichtigen; zij omvatte integendeel het gansche leven in zijne meest verschillende uitingen en had niet zelden iets patriarchaals. Bovendien worden gedurende de gansche 13de eeuw eigenhoorigen verheven tot den vrijen dienstmansstand; aan het eind dier eeuw is de groote meerderheid der bevolking vrij geworden.
Er wordt--het spreekt vanzelf in dien tijd--ter dege onderscheid gemaakt tusschen ridders en dorpers; zoo wordt bijvoorbeeld een dorper die een ridder slaat of scheldt, zwaarder gestraft dan wanneer hij een anderen dorper te na gekomen is, en het schaken van een meisje uit den aanzienlijken stand zwaarder dan van een arm meisje[4]. Toch was de adel niet een _heerschende_ stand; wel had hij een eere-voorrang. Ook waren ridders en poorters niet zoo scherp gescheiden of er hadden wel huwelijken tusschen deze beide standen plaats. En eindelijk: de vroeger zoo talrijke klasse van ridders nam gedurende deze eeuw af in aantal als in aanzien. Verarmd door oorlog, tournooien en den ganschen nasleep van het ridderlijk leven, moesten zij bij honderden in den dienst der vorsten treden, den vorst hunne allodiën opdragen en voortaan leven als zijne leenmannen of zijne baljuwen. Ook de kloosters daalden in maatschappelijke en economische beteekenis. De geestelijkheid moest, tenminste in Gelderland, een deel harer bezittingen aan den graaf overdragen.
Maar stadig rees de ster der gemeenten[5].
In het wereldlijk bestanddeel der bevolking, bij heeren en gemeenten, kunnen wij ook weer een veelheid van samengestelde eenheden opmerken: de onderscheidene "sibben", maagschappen of geslachten. De band tusschen bloedverwanten was toentertijd zooveel sterker dan nu, daar de mensch alleen zich in de maatschappij meer weerloos en onbeschermd gevoelde. Iemand was niet in de eerste plaats een persoon, maar lid zijner "sibbe"[6]. De maagschap staat op den voorgrond, niet de enkeling.
Het familie-verband werd bij de Germanen voorgesteld door vergelijking met het menschelijk lichaam. Zoo worden volgens den Saksenspiegel de ouders voorgesteld door het hoofd; de kinderen door de geleding tusschen hoofd en hals en zoo voort, totdat eindelijk de zevende "sibbe" in de nagels der handen geplaatst, en vandaar "nagelmagen" genoemd werd. De maagschap bracht verscheidene rechten en plichten met zich. Zoo b.v. het recht en den plicht tot het opnemen der veete van een verslagen bloedverwant. Nog in het midden der 13de eeuw heerschte in Friesland de barbaarsche gewoonte om een verslagene niet te begraven, vóórdat zijne naastbestaanden op den doodslager of diens betrekkingen bloedwraak hadden genomen. Vervolgens het recht en den plicht om weergeld te eischen en te betalen. In Kennemerland en West-Friesland was het nog in de 14de eeuw gewoonte, dat bij doodslag de schuldige en zes zijner naaste magen (in Drenthe "keurmagen" genoemd) ieder een zevende van het weergeld (man-geld) of zoengeld betaalden. De magen staan elkander bij voor het gerecht als in het gevecht. Zij deelen in de schande die over een hunner komt.
Als de edelen graaf FLORIS omsingeld hebben, ontneemt AERNT VAN BENSCOP hem zijn jachtvogel en zegt:
Ic moet nu op desen tijt Uwen sconen sperwaer draghen, _U te lachtre [Zijnoot: schande.] ende uwen maghen_.
Wanneer de oude MAERLANT zijne mede-christenen wil opwekken tot strijd voor de kerk die in last is, zegt hij:
_Eest dat ghi sijt van haren maghen_, So moetti nuwe wapene draghen, Keren ende wreken dese overdaet.
En niet duidelijker voorstelling weet een middeleeuwsch ridder koning ARTHUR te geven van een fellen zwaardslag, dan door als gevolg van dien slag te noemen: "ic vergat al mire mage"[7].
Deze neiging tot het stellen van de maagschap boven den enkeling, het samengestelde boven het enkele, het vormen van complexe eenheden, zien wij in deze eeuwen ook elders.
Menige abdij, menig klooster, met zijn boomgaard, moestuin, vischwater, met molen, bak- en brouwhuis, is als een kleine wereld op zich zelve. Een ridderkasteel omvat binnen zijne muren en grachten tal van afzonderlijke gebouwen. In menig gezin, vooral ten platten lande, at men eigengebakken brood (_huisbakken_ kreeg eerst later zijne ongunstige beteekenis); droeg men eigengeweven linnen; zelf slachtte men in Reuzelmaand een varken, droeg zorg voor het rooken der zijden spek en der hammen. De wetenschap omvat alle wetenschappen: geleerden als ROGER BACO, ALBERTUS MAGNUS, VINCENT VAN BEAUVAIS, JACOB VAN MAERLANT weten alles wat er in dien tijd te weten valt.
Wat wonder dat wij dezen geest der tijden terugvinden in die meest geestelijke uiting van het leven: de taal? Dat ook daar de synthese het wint van de analyse, zooals blijkt uit de neiging tot het vormen van groote zin-complexen bij menigen middeleeuwschen schrijver? Zulk een zin-complex is b.v. dit volgende uit den proloog van den _Brandaen_:
Die Heleghe Gheest moet mi leeren, --Die welke der ezelinnen Wijlen dede sprekens beghinnen, Daer up dat reet Balaam, Dat was een heydin man, Dat so [Zijnoot: zij.] meinschelike sprac, Daer sij den inghel Gods sach Commen in haer ghemoet: Den wech hi haer wederstoet [Zijnoot: versperde.] Met eenen zwerde vierijn [Zijnoot: van vuur.]; Si vloo van den inghel fijn Ende dede haeren heere cont-- Dese moete ontsluten minen mont: Die ghene die haer gaf de macht, Dat si wert redene acht [Zijnoot: met spraak begaafd.] [8].
Is de taal hier beeld van het innerlijk leven, inzonderheid het gedachtenleven der menschen van toen, en valt hier een zwak schemerlicht op de onnaspeurbare gangen der menschelijke gedachte--ook andere deelen van dat innerlijk leven zijn ons in het afdruksel der taal bewaard gebleven: de sterk ontwikkelde zinnelijkheid van het middeleeuwsch geslacht en zijn gebrek aan zelfbeheersching.