Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 42
Op een vóór zijn werk geplaatst miniatuur zien wij op zinrijke wijze den auteur van _der Minnen Loop_ tegenover dien van de _Bloem der Deugden_ gesteld; die tegenstelling is door POTTER zelf in den aanvang van zijn laatste werk bovendien toegelicht. Die miniatuur toont ons in een lusthof een "out simpel man" met een grauwen tabbaard, die met een mestvork veel mooie, welriekende bloemen uit den grond haalt en tevens vele leelijke bloemen en onreine, bitter smakende kruiden. Die had hij alle te zamen in zijne onwetendheid en onnoozelheid in één korf geworpen. Zóó, dat hij de goede niet van de kwade had gescheiden, wat hem ook niet mogelijk was.
Tegenover hem zien wij een schoon jonkman, prachtig gekleed, die een paar mooie bloemen uit den korf neemt. Deze stelt den ouderen POTTER voor, die tot beter inzicht gekomen is; want dat de auteur van _der Minnen Loop_ voorgesteld wordt als "van grover erde ende onghemaect van lijflijker scoenheit" is slechts symboliek en daarom ook is de oudere POTTER bekleed met uitwendige schoonheid en pracht. Deze immers heeft de onwetendheid van dien groven mensen bemerkt en de heilige goddelijke Drievuldigheid aangeroepen, hem wijsheid te verleenen, opdat hij de goede, reine bloemen, waar deugd in bloeide, mocht onderkennen van de overige. Die bloemen der deugd heeft hij dus uitgelezen en bijeengebracht in een zuiver vat. De overige heeft hij onachtzaam ter zijde geworpen; laat niemand ze ter hand nemen, want steekt iemand zijn hand in het pik, zij zal er in blijven steken.
Deze _Bloeme der Deugden_ zou misschien kunnen goedmaken, wat hij eertijds had misdreven met een ander boek "van wer(l)tlijker mijnnen ende van menschelijker ijdel liefde die ut vleyschelijker becoringhen hoeren oerspronck nemt" dat hij in zijne jonge jaren te Rome had gemaakt; over die liefde had hij daarin veel geschreven en, naar hij vreesde, "meer dan gode behagelijk was". Hij hoopt dat God hem dat zal vergeven, omdat hij het had gedaan met een goede bedoeling. In zijn tweede boek zal hij van die ijdele minne geen gewag meer maken.
Wij vinden hier dan ook wel verhalen uit _Der Minnen Loop_ terug, doch alleen zulke die de auteur bij zijn strenger opvatting van de zedelijke verplichtingen der kunst oorbaar achtte. De neiging tot kleurensymboliek komt ook hier nog wel eens voor den dag en de "bose Hecuba" die het in _Der Minnen Loop_ zoo moest ontgelden, wordt ook hier nog eens onder handen genomen[17].
Doch overigens heeft POTTER hier een werk geleverd zeer verschillend van het werk zijner jonge jaren. De verdichte verhalen zijn naar den achtergrond gedrongen of van het tooneel verdwenen. De schrijver laat zich afkeurend uit over "woerde in boerden voertgebracht om ghenoechte of corttinghe des tijts sonder ernste"; over leugens van poëten die schoone woorden schrijven, van "veel dichters ende sproeken sprekers ende sonderlinghen [Zijnoot: in 't bijzonder.] in valsschen hystoriën"[18]. Sprak hij vroeger luchtigjes over zijn onvoldoende kennis, liet hij de wetenschap aan wie er lust in had om zich alleen aan "poetryen ende oude gesten" te wijden--nu heeft hij zijne schade ingehaald. De _Bloem der Deugden_ is samengesteld uit den bijbel en de werken van ARISTOTELES, SENECA, de Kerkvaders en menig ander geleerd auteur. Deze, zijns inziens deugdelijker, stof heeft hij scherp gescheiden in voorbeelden van deugd en van ondeugd; want ook de ondeugd heeft hij in zijn boek opgenomen: op elk hoofdstuk waarin een deugd behandeld en toegelicht is, volgt een ander over de ondeugd die ertegenover staat; immers: "witte verwe onderscheidt haer selven van der swertter, soe doet die ondoecht als die doecht daer bij ghestelt wort"[19].
_Der Minnen Loop_ is in verzen geschreven, de _Bloem der Deugden_ in proza. Ook dat verschil is in overeenstemming met den aanwas van strakken ernst dien de ouder wordende POTTER te zien geeft. "Soeticheit van sanghe van melodiën ende die genoechten van instrumenten, van dansen ende desghelijcs", het was nu alles uit den Booze. Had PYTHAGORAS niet geleerd, dat de "luxurie" wast door instrumenten en melodieën zooals de kruiden bij de oevers der rivieren?[20]
Wie zóó over poëzie en melodie dacht, zal het zich waarschijnlijk tot plicht hebben gerekend, de schoonheidsontroering waar zij in hem mocht opkomen te onderdrukken. De aesthetische waarde van dit prozawerk in zijn geheel is dan ook niet groot. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan: waar POTTER het fraaigebouwd gevoelig proza van SINTE BERNARDUS onder de oogen krijgt, kan hij toch niet anders dan er mooi Hollandsch proza van maken. Ook elders toont hij bij de omschrijving van een deugd of een ondeugd de taal wel meester te zijn, al moet ook hier natuurlijk de vraag naar de oorspronkelijkheid veel gewicht in de schaal leggen[21].
DIRC POTTER behoorde evenals WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH tot de poëten van lager orde. Hij zelf is zich daarvan wel bewust geweest[22]. Doch schoonheid is niet het eenige wat een literair werk van vroegeren tijd belangrijk maakt voor den geschiedschrijver. Naast de schoonheid staat het karakter. Dat POTTER'S werk karakteristiek is als type van de poëzie zijner eeuw, zagen wij reeds vroeger. En er is meer te noemen. Een Hollandsch edelman die voor zijn pleizier, zij het ook met de bijbedoeling om nuttige leering te geven, verzen schrijft over wereldsche minne, is een type dat wij tot dusver niet ontmoet hebben; als zoodanig staat hij tegenover den beroepsdichter HILDEGAERSBERCH en kondigt hij, ook als verteller, den Zeeuw CATS aan[23].
Opmerkelijk is in dezen Hollandschen edelman die wel gevoel blijkt te hebben voor hoofschen vrouwendienst, de democratische gezindheid waarin hij kunsten en wetenschappen verheft als het middel waardoor de arme den rijke kan evenaren en overtreffen. Opmerkelijk ook het gevoel van onafhankelijkheid tegenover zijn publiek--zoo geheel anders dan bij HILDEGAERSBERCH en andere sprekers en dichters--dat hem in den aanvang van zijn Derde Boek doet zeggen: wie wil pogen in zijne geschriften allen te behagen, die moet vroeg opstaan! Hij is niet van plan zich daarover druk te maken, hij wil dichten naar zijn eigen zin, en, zoo vervolgt hij:
Ist dat ic yet scrive hier in, Dat den enen of oec den anderen Niet en ghenoecht, die mach gaen wanderen Ende latent anderen luden lezen[24].
Die zelfbewuste onafhankelijkheid van geest is in dezen vertegenwoordiger der veertiende eeuw eene flauwe voorafschaduwing van later tijden. Dienzelfden indruk geven ons een paar andere trekken van zijn werk en zijne persoonlijkheid. Flauwtjes klinkt ons uit de verte het bellengerinkel van STULTITIA'S narrenkap in het oor, waar wij in _De Bloem der Deugden_ lezen: "Mer, god betert, ic duchte die ghecheit vele meer scolieren ende naevolgers heeft dan die wijsheit"[25].
ERASMUS, de schrijver der _Laus Stultitiae_, doet ons denken aan Italië. POTTER is, voorzoover wij weten, de eerste Nederlandsche dichter die Italië heeft bezocht. Langer dan een jaar is hij er gebleven, doch dat verblijf schijnt weinig of geen invloed te hebben geoefend op zijne ontwikkeling. Of hij Italiaansch heeft gekend, mag betwijfeld worden. In allen gevalle maakt hij met geen enkel woord gewag van de Italiaansche literatuur, en toch waren DANTE, PETRARCA en BOCCACCIO reeds eenigen tijd geleden gestorven en verbreidde hun roem zich al verder. Ook van den invloed der Renaissance, wier profeet PETRARCA was geweest, is in POTTER'S werk niets te bespeuren. Of wil men als zoodanig de vermelding van een paar groote oude steenen laten gelden[26]? Maar wat dan nog?
De ongunstige indruk dien POTTER van de Italianen kreeg, zal hem niet hebben opgewekt, nader kennis te maken met hun taal en hun kunst. "Ter wereld is geen vuiler volk", zegt hij in zijn _Minnen Loop_; die vuile honden leven in allerlei zonde; vrouwen slaan, daar stellen zij eene eer in; schelden kunnen zij, "maer sy en willen niet ten zwaerde"; hebzuchtig, onbetrouwbaar, verraderlijke gifmengers, leugenaars, roovers--dat zijn zij. Maar de vrouwen zijn de "schoonste creaturen die men kan vinden". Ook hun aangeboren spotlust heeft POTTER blijkbaar geërgerd. Het zou mij niet verwonderen, indien de Italianen met wie hij in kennis is gekomen, zich vroolijk hebben gemaakt over zijn Hollandsch. Immers nog in de _Bloem der Deugden_ acht hij het noodig te verdedigen dat "een yeghelijc sprect nae sijns lants taele"; en "daerom so sijnt in den iersten dwase ende ongheleert die eenen anderen bespotten om sijnre talen die hem van sijns lants weghen aengheboeren is"[27].
Trouwens, ook de Henegouwers, Franschen of Vlamingen onder wie zijne zendingen als grafelijk secretaris hem brachten, kunnen zich over zijn Hollandsch vroolijk hebben gemaakt. En ook dezen kan zijne ergernis gelden; want, overtuigd van de voortreffelijkheid van eigen volk, heeft hij het op andere volken niet begrepen. De goeden in het Duutsche land hebben volgens POTTER het monopolie van de goede reine minne; Lombarden, Engelschen en Walen hebben daar over het algemeen geen begrip van; enkelen mogen er zijn, maar dan zeker niet over de bergen. Ook in zijn later leven was hij er nog steeds van overtuigd, dat men de meeste ijdelheid en "onnutte glorie" vindt in de Waalsche landen[28].
POTTER'S gevoel en smaak waren nog niet zóó ontwikkeld, dat de kunst der Oudheid een indruk op hem kon maken, sterk genoeg om hem te dwingen tot eene uiting van eenige beteekenis. Zijne eenzijdige en benepen beschouwing van het Italiaansche volk zal hem hebben weerhouden van eene kennismaking met hun taal en hun literatuur. CHAUCER die, eveneens met eene zending naar Italië belast, een jaar te Genua en Florence vertoefde, deed anders: hij kocht handschriften der werken van DANTE, PETRARCA, BOCCACCIO, bestudeerde die en bracht langs die nieuwe baan zijn eigen kunst tot hooger ontwikkeling.
POTTER'S nationaliteitsgevoel was nog van dat enghartige soort, dat zich openbaart vooral in overmatige verheffing van het eigen volk en in vijandige gezindheid tegenover andere volken. In beide opzichten was hij een type van zijn volk[29]. Dat volk moest nog een aanzienlijk deel van de baan zijner ontwikkeling afleggen, eer de herboren Oudheid haar invloed ook in deze landen kon doen gevoelen, eer het nationaliteitsgevoel ruimer en sterker kon worden. Op dat deel harer baan zullen wij de ontwikkeling dezer volken nu gaan volgen.
AANTEEKENINGEN
[1] Al het wetenswaardige omtrent POTTER, dat wij voor een deel aan het onderzoek van Mr. L.PH.C. VAN DEN BERGH te danken hebben, medegedeeld in LEENDERTZ' uitgave van _Der Minnen Loep_. Vgl. ook het degelijk overzicht in TE WINKEL'S boek, bl. 497 vlgg. BUSKEN HUET heeft in _Het Land van Rembrand_ menige aardige of geestige opmerking over POTTER en _der Minnen Loop_ ten beste gegeven. Doch al is Dr. TE WINKEL'S oordeel over HUET'S tekortkomingen in dezen te hard--wie het om historische waarheid, om billijkheid en juistheid te doen is, moet niet uit het oog verliezen, dat ook in _Het Land van Rembrand_ de schrijver der _Literaire Fantasieën_ aan het woord is.
[2] Den juisten tijd bepalen, waarin dit werk geschreven werd, is niet gemakkelijk. Uit _Der Minnen Loop_ zou men opmaken, dat POTTER reeds een man van zekeren leeftijd was, toen hij het schreef. Vgl. plaatsen als I, 73: "vesper is over langhe gheluut"; I, 949; II, 2465; II, 4137. Maar in zijn tweede werk _Bloeme der Deugden_, spreekt P. van _Der Minnen Loop_ als van "een boec dat ic in jongen tijden maecte te Rome."
[3] I, 169; II, 2394.
[4] Vgl. I, 133, 879, 1248, 1663, 3011; II, 2053, 2079, 4246; I, 2091, 2372, 3025; III, 1104; I, 1841.
[5] De plaatsen over lectuur: I, 47, 63, 120; II, 2239; IV, 1335. De opsomming der onderscheidene verhalen en hunner bronnen bij TE WINKEL, bl. 508 vlgg.
De vermelding van NEIDHART VON REUENTAL vindt men in _Der Minnen Loop_, II, 705-6. De stof van het verhaal van den Spaanschen schildknaap, die TE WINKEL niet kan thuisbrengen, is dezelfde als die der boerde opgenomen in _Van Vrouwen ende van Minne_, no. II (Inl. XVI).
[6] II, 560, 1430; IV, 2276.
[7] II, 2107 vlgg.; IV, 175; I, 88 vlgg.; III, 418 vlgg.; IV, 2315 vlgg.
[8] I, 253 vlgg.; II, 71 vlgg.; IV, 1131; II, 2395 vlgg.; II, 1817-'18; IV, 38 vlgg.; 1839-'42.
[9] II, 665-704; 1204; I, 1329 vlgg.; 1390, 2621-2; III, 191; IV, 1089 vlgg.
[10] I, 1225-'30; 2700 vlgg.
[11] I, 459-460; 718, 901, 1079 (en pass.); II, 404; I, 1865 vlgg.; I, 3116-'7, 3129-'30; II, 1798-1810; 2805; III, 1257 vlgg.; IV, 365-386, 612 vlgg.
[12] I, 1280 vlgg.; 585-6, 613-614, 1379-'80; IV, 1005-'6; I, 3207-'9; II, 815-'6; 3894-'6.
[13] I, 736 vlgg.
[14] II, 297 vlgg.
[15] II, 1299-1315. Vgl. ook nog: II, 1014; 1172-'6; 2287-'9; ik geef slechts staaltjes, hoewel, naar ik meen, van het beste.
[16] Dit werk is eerst onlangs ontdekt en, op uiterst gebrekkige wijze, uitgegeven door FR.P. STEPHANUS SCHOUTENS, Minderbroeder, onder den titel _Dat Bouck der Bloemen_ (Hoogstraten, L. VAN HOOF--ROELANS, 1904). Dat dit werk van POTTER is, kan niet betwijfeld worden door iemand die met een weinig kennis van zaken de eerste bladzijden (7-12) leest en dan let o.a. op de vermelding van het ambt door den auteur bekleed (de "yseren roede" vgl. _M. Loop_, I, 78-79), op het "boec van wer(l)tlijker minnen" dat hij "in jonghen tijden maecte te rome", op alle in _Der Minnen Loop_ voorkomende verhalen die hier als de inhoud van dat boek worden genoemd. De "lieve soon", voor wien het boek werd gemaakt, zal misschien GERRIT POTTER VAN DER LOO zijn geweest over wien wij reeds spraken en die zich bekend heeft gemaakt als vertaler der kroniek van Froissard.
[17] Vgl. bl. 9, 54, 97.
[18] Bl. 35-36.
[19] Bl. 9.
[20] Bl. 79.
[21] Vgl. b.v. bl. 10, 31 (_wreetheit_), bl. 85 (_gierigheid_) en passim.
[22] Vgl. I, 36; II, 619; III, 1025.
[23] I, 66; II, 636.
[24] I, 1-25; III, 1-17.
[25] Bl. 44.
[26] I, 2613; II, 3207.
[27] _Der Minnen Loop_, III, 98 vlgg.; _Bl. der Deugden_, bl. 43.
[28] _M. Loop_, II, 721 vlgg.; _Bl. der Deugden_, bl. 101.
[29] Dat een enkel schilder als HUBERT VAN EYCK reeds in dezen tijd _Giotto_ schijnt te hebben bestudeerd, kan deze bewering niet ontzenuwen.
ALPHABETISCH REGISTER[*].
[*] Alle namen van dicht- en prozawerken zijn cursief gedrukt.
A.
_Aechte (Van Sente)_, I, 137-138. _Aiol_, I, 94, 97, 100. _Alexander den Groote (Leven van)_, I, 362. _Alexander_, I, 230-235, 239. Alpertus' _De diversitate temporum_, I, 22. _Amadas en IJdoine_, I, 112. _Amand (Leven van Sint)_, I, 349-351. _Amand (Leven van S.)_ Latijn, I, 17. _Anno-lied_, I, 21. _Ansfried (Loflied op bisschop)_ Latijn, I, 20. _Artur's dood_, I, 109. _Aubri de Borgengoen_, I, 95, 97, 98. Augustijnken van Dordt, I, 497, 515, 516.
B.
_Baerte metten breden voeten_, I, 337-8. _Beatrijs (Van)_, I, 353 vlgg. 518. _Becoringhen (Van den vier)_, I, 382 vlgg. _Beghinen (Van den twaelf)_, I, 382 vlgg. _Beovulf_, I, 10. Bernlef, I, 5. Bertelmeeus van Delf, I, 515. _Bestiaris_, I, 186. _Bestiaris (van minnen)_, I, 185. _Biechten (Boec der)_, I, 138. _Biën Boeck (der)_, 225 vlgg. _Bloeme der Doechden_, I, 565 vlgg. Boendale (Jan), I, 427 vlgg. 517-518, 524, 527-'31. _Boerde (de eerste)_, I, 189. _Boerden_, I, 455 vlgg. _Boerden en Sproken_, I, 504 vlgg. _Bonifacius (Leven van S.)_ Latijn, I, 18. Boudewijn van der Loren, I, 497, 515, 520. _Brandaen (Van Sinte)_, I, 53.
C.
Chaucer, I, 504, 570. _Chierheit der geesteleker Brulocht_, I, 382-3.
D.
Daem van IJsselsteyn, I, 515. _Disputatie van den Cruce_, I, 245 vlgg. _Disticha Catonis_, I, 184. _Doctrinael (Dietsche)_, I, 423 vlgg. _Doctrinael (Nieuwe)_, I, 334; 423 vlgg. _Doctrinael savage_, I, 436. _Dogheden (Van den twaelf)_, I, 382 vlgg. _Doon de Mayence_, I, 96, 97. _Drievoudichede (Van der)_, I, 245 vlgg.
E.
Eckhart, I, 365 vlgg. _Edewaert (Van den derden)_, I, 313, 427. Egidius, I 520. _Eneïde_, I 38. Erasmus, I, 568. _Esopet_ ("favele" van Esopus), I, 187, 193. _Eustaesse (van sente)_, I, 137-138.
F.
_Fierabras_, I, 97. _Flandrijs_, I, 306-7. _Floris en Blancefloer_ (Limburgsche bewerking), I, 34. _Floris en Blancefloer (van Diederic van Assenede)_, I, 111-112, 116, 117. _Flovent_, I, 91, 97. _Foulque de Candie_, I, 97. _Franciscus Leven (Sinte)_, I, 231, 244. Froissart (Vertaling van Kroniek), I, 332. _Ferguut_, I, 110-111, 113-115, 118.
G.
_Galbertus (Kroniek van)_, I, 23. Geraert (Heer), I, 313. _Geraert van Viane_, I, 93, 97, 98. _Ghelove (Van den Kerstenen)_, I, 382 vlgg. Gielys van Molhem, I, 139. Gielijs van Trecht, I, 514. Godekijn van Tricht, I, 515. Gillis de Wevel, I, 305, 518. Graal (de heilige), I, 108-109. _Graalqueste_, I, 109, 110. _Grale (Historie van den)_, I, 236. _Grimbergsche Oorlog_, I, 295, 341-2. _Gudrun_, I, 10. _Gwidekijn van Sassen_, I, 96, 97.
H.
Hadewych, I, 150, 155, 156 vlgg. Heelu (Jan van), I, 304. _Heemskinderen_, I, 89, 91, 93, 97, 98. _Heimelijkheid der Heimelijkheden_, I, 254. _Heimelicheit (Der Vrouwen)_, I, 421. _Heimelicheit (Der Mannen ende der Vrouwen)_, I, 421. Heyn van Aken, I, 298. Heinrec, I, 139 (vgl. _Rinclus_). Heinric van Hollant, I, 519. Herman de Spreker, I, 515. Hese (Reisverhaal van Joannes Witte de), I, 363. Hillegaertsberch (Willem van), I, 328, 333, 345. Hopezomer, I, 512, 516, 533. _Horologium aeternae sapientiae_, I, 369. _Houte (Dboec van den)_, I, 352, 361. _Huge van Bordeeus_, I, 338 vlgg. _Hughe van Tabaryen_, I, 299.
I. J.
Jan I van Brabant, I, 221. Jan Bot, I, 522. Jan Dyllen, I, 513. Jan van Sente Gheerdenberghe, I, 515. Jan van Hulst, I, 520. Jan metter Huven, I, 514. Jan van Lier, I, 514. Jan van Machelen, I, 515. Jan Praet, I, 437 vlgg. Jan van Vlaerdinghen, I, 512, 515. Jan de Weert, I, 334, 423, 435, 518. Jannes den Coster, I, 515. _Jonitas en Rosafiere (Van)_, I, 353 vlgg. Jonchere van der Minnen, I, 515.
K.
Calfstaf, I, 187. _Karel en Elegast_, I, 101. _Karel en Galie_, I, 97. _Carmen allegoricum (S. Suitbert)_, I, 18. _Cassamus_, I, 337-9, 344.
_Caterine (Van sente)_, I, 137-138. _Kerstine (Leven van Sinte)_, I, 350-1. _Claghe (der Kerken)_, I, 257. _Clara (Leven van Sinte)_, I, 231. _Clausule van der Bible_, I, 245 vlgg. Colpaert, I, 515. _Couchi (Van den borchgrave van)_, I, 338 vlgg. 347. _Cracht der Mane_, I, 421. _Kruis (Van het heilige)_, I, 13, 352-3. _Kunera (Van Sinte)_, I, 350, 361.
L.
Lambert van Waterloos, I, 225. _Lancelot_, I, 106, 109, 110, 113, 296, 306. _Lande van Overzee (Van den)_, I, 259. _Lebuïnus (Ecloga op S.)_, I, 18. _Leec_ (geestelijk lied), I, 223. _Leek (Geschrift van den onbekenden)_, I, 375. _Levene ons Heren (Van den)_, I, 132-137. Leeuwen (Jan van), I, 368, 377. _Limborch (Roman van)_, I, 301. _Lorreinen_, I, 89, 94, 97, 98. Lodewijk van Vaelbeke, I, 519, 534. Loy Latewaert, I, 519. _Loyhier ende Malaert_, I, 337-8. _Lucidarius (Dietsche)_, I, 422. _Leven van Ludger_ (Latijn), I, 18. _Lutgart (Leven van Sinte)_ door broeder Gheraert, I, 350. _Lutgart (Leven van Sinte)_ door Willem van Afflighem, I, 149-155.
M.
_Machteldis visioenen (Van)_ I, 374, 441. _Madocs droom_, I, 112. _Malegijs_, I, 338 vlgg. _Marie Egyptiake (Van sente)_, I, 137-138. _Maartensliedjes (Sint)_, I, 227. _Martijn (Vierde)_, I, 267. _Martijns-zangen_, I, 249 vlgg.; 267. Meeus van Dordt, I, 515. _Meliboeus_, I, 435, 451. _Merlijn_, I, 230, 236-238. _Minnen Loop (Der)_, I, 553 vlgg. _Missen (Bediedenisse der)_, I, 422. _Moriaen_, I, 118-119.
N.
_Naturen Bloeme (der)_, I, 231, 254-6. Nederlant, I, 311-2. Neidhart von Reuental, I, 555, 571. _Nibelungen-lied_ (Dietsche vertaling), I, 45. Noydekijn, I, 187. "_Nu zijt wellecome_", I, 223.
O.
_Octaviaan_, I, 112. _Ogier_, I, 338 vlgg. _Oranje (Willem van)_, I, 90, 92, 97. Otto van Orleien, I, 519.
P.
_Partonopeüs en Melior_, I, 111-112, 115-116, 118. _Passionael_, I, 408. Peter Vreugdegaer, I, 515. _Plaghen (Die X)_, I, 423. _Percevael_, I, 109, 113.
R.
_Ragisel (Wrake van)_, I, 109. _Reinaerde (Van den Vos)_, I, 193. _Reinaert II_, I, 440-449. _Ridder metter mouwen_, I, 109. _Ridder metten Zwane_, I, 337-9. _Rike der Ghelieven_, I, 382 vlgg. _Rinclus_, I, 139-141. _Roelants-lied_, I, 89, 90, 92, 97. _Rogiere (Disputacie van--ende van Janne)_, I, 435. _Roos (Roman van de)_, I, 299. Ruusbroec, I, 371, 379. _Rijmbijbel_ (Maerlant's), I, 231, 243.
S.
_Scivias_, I, 143. _Seghelijn van Jerusalem_, I, 338 vlgg. _Seneka leren_, I, 436. _Sermoenen (Limburgsche)_, I, 371. _Sinte Servatius' Legende_, I, 36. Snelryem de spreker, I, 515. _Sobrietate (De)_, I, 18. _Spaengen (Olivier van)_, I, 318, noot 5. _Spieghel Historiael_, I, 231, 255-6. _Spiegel (der Leken)_, I, 427. _Spieghel der ewigher Salicheit_, I, 382 vlgg. _Spiegel der Zonden_, I, 334, 423 vlgg. _Sproken_, I, 456 vlgg. Stoke (Melis), I, 307-310, 317. Suso, I, 369.
T.
_Tabernacule (Van den gheestelijken)_, I, 382 vlgg. Tauler, I, 371. _Oude Testament (Eerste vertaling van het)_, I, 408. _Teestye_ (Jans), I, 325-327, 429. _Theophilus (Van)_, I, 353 vlgg.; 361. Thomas van Cantimpré, I, 149. _Tondalus (Visioen van)_, I, 361. _Torec_, I, 230, 238-239. _Tractaet van seven sloten_, I, 382 vlgg. _Trappen (Van Seven)_, I, 382 vlgg. _Tristan en Isolde_, I, 112. _Troyen_, I, 105, 230, 235-236, 240.
U.
Willem Utenhove, I, 186.
V.
_Vaghevier (Van S. Patricius')_, I, 351-2. _Valentijn en Nameloos_, I, 338 vlgg. Heinric van Veldeke, I, 34. Veldeke's _Minneliederen_, I, 41. Velthem (Lodewijk van), I, 305-6. _Vergy (Borchgravinne van)_, I, 337-9, 344. _Versus de hirundine_, I, 18. _Vingherlinc_, I, 382 vlgg. _Vitae patrum_, I, 362. _Vroeden (Van den VII... binnen Rome)_ (gedicht), I, 190. _Vrouden (Van den vijf)_, I, 245 vlgg.
W.
_Walewein_, I, 119-121. _Walewein-boek,_ I, 109. _Boek der Waarheid_ (Suso), I, 369. _Waerheit (Boec vander hoechster)_, I, 382 vlgg. _Waerneer (Van sente)_, I, 137-138. Willem van Afflighem, I, 150. _Wraken (Boec van der)_, I, 422, 451. _Wrake (Van onses Heren)_, I, 139. _Wisselau (Van den bere)_, I, 48. _Woeringen (Slag bij)_, I, 303. _Wonden (Van ons Heren)_, I, 245 vlgg. _Wychliederen_, I, 223
Y.
_Yeesten (Brabantsche)_, I, 427. _Ysengrimus_, I, 24. _Ystoriën (Der--Bloeme)_, I, 349.
Z.
_Zalichede (Leeringhe der)_, I, 437 vlgg. _Zeden (Bouc van)_, I, 436. _Zeden (Van)_, I, 436. _Zwaanridder-sage_, I, 11.