Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 41
Maar ook elders in de beide gedichten: het sluiten van het contract met den Booze, het drinken van den beker van Sint-Geerteminne, de tweede samenkomst van den ridder met den duivel zien wij dergelijke tegenstellingen als in de boven medegedeelde stukken. Opmerkelijk is ook, dat bij die tweede samenkomst in het volkslied SINTE GHEERTRUUT, blijkbaar onzichtbaar voor den ridder achter hem te paard gezeten, den Booze ontzag inboezemt. HILDEGAERSBERCH die dit voor eene heilige minder passend zal hebben gevonden, maakt er geen gewag van.
De indruk, dien WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH'S persoon en werk ten slotte bij ons achterlaten, heeft iets droevigs: een dichter van eenig talent die gaarne zijne roeping als dichter zoo goed mogelijk zou vervullen, daarin belemmerd of verhinderd door den dwang van zijn beroep; dien de ontwakende wetenschap schroomvallig maakt, zoodat hij zich niet durft laten gaan; die zich verplicht acht, echte poëzie waar hij die bij een ander vindt, weg te werken voor leering en stichting; die scheidt uit dit leven in de neerdrukkende overtuiging dat hij tevergeefs heeft geleefd.
Echter, ook zóó is hij den geschiedschrijver lief als een merkwaardig type van de dichters der 14de eeuw; merkwaardig ook als vertegenwoordiger der kleine Hollandsche volkseenheid waartoe hij behoorde. Stond MELIS STOKE nog vijandig tegenover de Vlamingen--deze Hollander vond zijne voorname leermeesters in den Vlaming MAERLANT en den Brabander BOENDALE. In HILDEGAERSBERCH'S werk zien wij voor het eerst dien ontwikkelenden invloed, door het Zuiden op het Noorden geoefend, waarvan wij ook in het vervolg van dit werk meermalen zullen gewagen.
AANTEEKENINGEN
[1] Ik verwijs hier natuurlijk vooral naar de uitgaaf zijner werken door BISSCHOP en VERWIJS en de uitstekende Inleiding daarop; voorts naar hetgeen JONCKBLOET over hem heeft medegedeeld en het degelijk overzicht van Dr. TE WINKEL. Fragmenten van zijn werk zijn medegedeeld in _jahrbuch d.V.f.N. Sprachf._, XII, 106; XV, 39 flgg.
[2] _Ged._, bl. 127.
[3] Zie de rekeningposten medegedeeld in de Inleiding op de _Gedichten_, bl. VII-VIII. De plaatsen waar WILLEM zich bepaaldelijk richt tot de _heren_ o.a. bl. 16, 23-24; 18, 224; 18, 1 vlgg.; 105, 127-8; 109, 167; 111, 168; 133, 94 vlgg.; 142, 14-18; 166, 224; 183, 115; 216, 257. _Van den X Gheboeden_ op bl. 12 der _Gedichten_.
[4] _Ged._, bl. 45, 32-34; 71, vs. 14-17; 155, 153-4.
[5] _Ged._, bl. 173, 131-2.
[6] _Ged._, bl. 21, 82; 90, 68 vlgg.
[7] _Ged._, p. 73, no. 34; 195, 38-42; p. 240 (no. 114). Over den invloed van MAERLANT zie de Inleiding tot de _Stroph. Ged._ (edd. FRANCK en VERDAM), p. LXXXIX.
[8] _Ged._, bl. 205, 104 vlgg.; 183, 220; 25, vs. 65-7; 71, 25 vlgg.; 149, vs. 46.
[9] Vgl. o.a. _Ged._, 3, 202; 13, 85 vlgg.; 14, 18; 24, 272; 61, 5-8; 107, 18; 156, 77-78; 248, 126; 18, 224; 23, 107; 40, 48; 139, 61; 96, 104; 120, 73; 4, 90; 4, 115; 5, 139-141.
[10] _Ged._, 25, 8; 36, 12-25; 135, 104; 205, 80; 19, 92; 54, 123; 55, 190; 146, 290-2.
[11] _Ged._, 164, 26; 109, 149 vlgg.
[12] _Ged._, bl. 40 (no. XIX _Van Mer._); 7, 80; 7, 126; 49, 56; 101, 73; 222, 22; 238, 120; 239, 161; 4, 61; 16, 23; 111, 17; 113, 193.
[13] Opvatting zijner taak als dichter vgl. _Ged._, 16, 1; 45, 18-20; 53, 1; 66, 9-10; 169, 10-23; 247, 5-7. Over zijn zwerven en zijn tegenspoeden, bl. 183 (_Van der Avontuer_); invloed zijner poëzie: _Ged._, 226, 17-21; 236, no. 111. Laatste jaren en dagen: bl. 66, vs. 9-10; 183, 1-8; 236, no. 111; 239, no. 113; 249, no. 119. Voorstelling van den Dood als een man in het wit gekleed, bl. 201, 121-'2; 202, 213-'6. Nalatenschap _Inleid._ tot de _Ged._, IX.
[14] _Ged._, 2, 116-117; 31, 109-132; 245, 137-150.
[15] De stof der eerste boerde vindt men ook in het Fransche fabliau _du Boucher d'Abbeville_ (Recueil de Fab. van Montaiglon et Raynaud, III, 227); de stof der tweede heb ik elders niet teruggevonden.
[16] _Ged._, 242, 36.
[17] _Ged._, bl. 116.
[18] _Ged._, bl. 236.
[19] _Ged._, bl. 117; vgl. ook vs. 16 "mit anxten zeer bevaen" en vs. 20, 23.
[20] In _Het Lied in de Middeleeuwen_, bl. 605 vlgg. is door mij aangetoond dat er eene betrekking moet bestaan tusschen beide gedichten (vgl. bl. 616-617). Alles pleit er voor aan te nemen, dat het volkslied het oorspronkelijke zal zijn, dat door HILDEGAERTSBERCH is omgewerkt. Het is ook opmerkelijk, dat wij juist in dit gedicht van H. de vermelding van eene bron vinden in vs. 162: "als ic las."
DIRC POTTER.
Naast het werk van HILDEGAERSBERCH plaatsen wij dat van DIRC POTTER als een ander type van veertiend'eeuwsche dichtkunst.
POTTER, een Hollandsch edelman, diende eerst graaf ALBRECHT, later WILLEM VI, daarna Vrouwe JACOBA als secretaris. In die hoedanigheid vergezelt hij zijne meesters op reis en wordt ook wel met zendingen belast; een tijd lang vervult hij den post van baljuw van den Haag. Voor zijne getrouwe diensten wordt hij door Graaf WILLEM beloond met de hofstede ter Loo in het ambacht van Voorburg, waar een paar eeuwen later een andere secretaris van Hollandsche vorsten zich een buitenverblijf zou stichten.
Toen hij in 1428 gestorven was, bleef JACOBA zijne goede diensten in dankbare gedachtenis houden; de zoon van den trouwen dienaar, GERRIT POTTER VAN DER LOO, zag het erf, hem door zijn vader nagelaten, met nog vijftien morgen lands vergroot[1].
In zijne jonge jaren, aldus vertelt POTTER zelf ons, werd hij met een geheime zending naar Rome belast. Hij bleef er langer dan een jaar. Overviel hem bij wijlen de melancolie--zou het geen heimwee zijn geweest?--dan ging hij wandelen langs een stroomend water. Daar verschijnt hem vrouw Venus die hem opwekt in een gedicht "den loop der minne" te beschrijven, opdat ridders, edele vrouwen en schildknapen daaruit mogen leeren wat liefde en minne is. Aan die opwekking gaf hij gehoor en schreef het werk, dat door hem zelven _der Minnen Loop_ is genoemd[2]. Mogen wij POTTER'S voorstelling van zaken naar de letter opvatten, dan had hij, toen hij zijn gedicht schreef, met de liefde afgerekend. Zelf had hij meer last dan lust van haar gehad: "wat hij jaagde, bleef ongevangen"; den zoeten drank had hij nooit gedronken[3]. Nu wilde hij jongeren met zijne ervaring van dienst zijn, hun het rechte pad wijzen, hen waarschuwen voor het kwade.
Doch van welken aard zijne beweegredenen ook mogen geweest zijn, in allen gevalle moet zijn werk worden aangeduid als een _leerdicht_. De woorden _leer_ en _leeren_ vloeien hem telkens uit de pen: "had hij maar gedacht aan zijne leer!" zegt hij van een ongelukkigen minnaar, die niet op zijne hoede is geweest en ten gevolge daarvan met een hamer "opten cop" werd geslagen, zoodat hij nooit meer een minnebrief schreef. "Denkt maar aan deze leer!" zegt hij tot de minnenden, "dan dwaalt gij niet van het rechte pad af." Een minnaar moet _leeren_; vóór alles moet hij geduld leeren: vrouwen zijn veranderlijk, haastigheid is nooit goed, en dan: de boom valt immers niet met den eersten slag?
In overeenstemming met het karakter van het leerdicht heeft POTTER zijn werk verdeeld in vier boeken, die achtereenvolgens handelen over dwaze, goede, ongeoorloofde en geoorloofde liefde. In de goede reine liefde onderscheidt hij weer vier graden, zooals de mystieken die in de goddelijke liefde aannamen. De inhoud dier boeken bestaat in tal van meer of minder bekende liefdesgeschiedenissen, telkens besloten met een les of eene waarschuwing; niet zelden ook gaat een of andere algemeene zedekundige stelregel vooraf en dient het dan volgend verhaal als "exempel". Tusschen _der Minnen Loop_ en een leerdicht als _De Spiegel der Zonden_ is dus alleen dit verschil, dat de liefde hier de plaats der hoofdzonden inneemt en dat de "exempelen" in het eerste werk meer plaats beslaan dan in het laatste. Ook de neiging tot spreuken en spreekwoorden en wendingen als: "kinder mijn", "salighe wiven", "lieve vrienden" ontbreken hier niet. Dat deze leerdichter slecht te spreken is over den "scalken vos Reynaert", kan ons niet verwonderen[4].
Evenals de overige leerdichten is ook _der Minnen Loop_ een vrucht vooral van lectuur. De secretaris der Beiersche graven van Holland was een groot lezer, zooals hij zelf ons meer dan eens vertelt. De Godheid contempleeren, dat liet hij den theologen, de medici mochten zich moeien met hetgeen den zieken te pas komt, de wetgeleerden met hunne codices en digesten--"poëten ende historiën zanck" dat was wat hem smaakte. Vrouw Venus zelve wekt hem dan ook op, allerlei liefdesgeschiedenissen in zijn geheugen terug te roepen om ze aan anderen opnieuw te vertellen.
Tal van verhalen, aan OVIDIUS' _Heroïdes_ en _Metamorphosen_ of aan den Bijbel ontleend, zijn door POTTER in zijn werk gevlochten: _Pyramus en Thisbe_, _Hero en Leander_, _Phoedra en Hippolytus_, _Ahasverus en Vasthi_, _David en Michol_, _Jacob's dochter Dina_ zijn eenige der meest bekende. Ook van elders heeft hij zijne stoffen ontleend; hij kent blijkbaar het werk van den Duitschen "minnesinger" NEIDHART VON REUENTAL ("Heer Nytert van Ruwendael"), den roman _van Tristan en Isolde_ en WOLFRAM VON ESCHENBACH'S _Titurel_; ook de romans _van Malegijs_ en _van Parcival_ en eene novelle als die _van Griseldis_, hier onder den naam _van Orphaen en Lympiose_[5]. POTTER is zoozeer vervuld van zijne literaire herinneringen, dat hij soms een beroep doet op de lectuur van zijn publiek. In het verhaal _der Borchgravinne van Vergi_ dat ook door hem in zijn werk is opgenomen, zegt hij tot zijn lezers of hoorders:
Dat hebdi lichte ghelesen mee.
De heldin van een zijner verhalen, PERNELLA, leest in een of ander geschrift dat men in een liefdesbetrekking goeden dienst kan hebben van een vertrouweling; eerst die mededeeling brengt haar op de gedachte zich te verzekeren van de hulp eener kamenier. Aan het slot van zijn werk verzuimt POTTER niet, de eerbare vrouwen eraan te herinneren dat de dichters, zooveel over haar geschreven hebben[6].
Het is begrijpelijk, dat in het werk van een auteur die zooveel las, zich de invloed der vroegere literatuur vertoont; dat denkbeelden en opvattingen, langzamerhand door de literatuur tot gemeen goed geworden, in zijn werk worden aangetroffen.
De kleurensymboliek die wij hier en daar in _der Minnen Loop_ vinden; het ontstaan van een dichtwerk uit eene "fantasie" waarin de dichter eene verschijning ziet; eene "vraghe" door den auteur aan zijn publiek gesteld, en die hij zelf niet kan "solveren"; het noemen van zijn naam in de aanvangsletters der slotregels van zijn gedicht--dat zijn altemaal trekken die wij ons uit de poëzie vóór POTTER herinneren[7].
De gansche voorstelling der liefde als een "verband der herten" herinneren wij ons reeds uit den _Wapene Martijn_. En waar wij POTTER met nadruk hooren beweren dat alle verschil van stand voor de liefde moet wijken en met blijkbare instemming vermelden dat de gemaal van LYMPIOSE deugd boven afkomst stelde, zouden wij ook daar niet aan MAERLANT'S invloed moeten denken?
Eene herinnering aan HILDEGAERSBERCH vinden wij misschien in POTTER'S klacht over zijn vijand "die avontuyer", die hem in de minne altijd ongunstig was geweest. BOENDALE'S invloed zien wij in de gelijkstelling van leeken en geestelijken; die wij aantreffen in deze regels:
Elck dient bijsonder sinen God: Soe wael dient Gode Hein ende Han [Zijnoot: Jan, Piet en Klaas.], Ghelijck doet een begheven man [Zijnoot: kloosterling.], Al staet die een in hogher scouwe.
Ook in POTTER'S verheffing van het huwelijk boven den ongehuwden staat en in zijn onderscheiding van _vrouwen_ en _wiven_ mogen wij staaltjes van BOENDALE'S invloed vermoeden[8].
Het spreekt vanzelf, dat in het laatste geval behalve met BOENDALE'S invloed rekening moet gehouden worden met den ganschen tijdgeest; immers ook in dit onderscheid openbaarde zich die vrouwendienst die zulk een gewichtig aandeel heeft gehad in de gemoedsontwikkeling der moderne volken.
Het loont de moeite na te gaan, hoe die vrouwendienst door dezen Hollandschen edelman is opgevat, wat hij daaruit heeft overgenomen en in hoever zijn oorspronkelijk wezen daardoor ongewijzigd is gebleven.
Met DIEDERIC VAN ASSENEDE en zoo menig ander hoofsch dichter van vroegeren tijd is POTTER het eens, dat geen recht begrip van liefde kan wonen in "rude menschen van grover aert": boeren, visschers, slagers, smeden, spitters en delvers, monniken, schippers en allerlei ambachtslui zijn nooit door de liefde ten verderve gevoerd. Toch maakt hij ééne uitzondering en wel voor hen "die van naturen edel sijn" en die hij plaatst nevens de lieden "van goeder gheboort". Hij kan zich wel voorstellen dat een minnend paar waant in het bezit te zijn van "een graal van zaligheid". Minachtend laat hij zich uit over huisbakken jongens die te dikhuidig zijn om de liefde te begrijpen. Overal houdt hij in zijn werk de eer hoog. Zijn kieschheidsgevoel is reeds vrij ontwikkeld: bij verhalen als dat van PASIPHAË en van VIRGILIUS' wraak op een meisje dat hem in een mand ten toon had gesteld, schaamt hij zich voor zijne hoorderessen of lezeressen en verontschuldigt zich over zulke mededeelingen. Ook heeft hij een goeden dunk van de vrouwen zijner dagen; hij twijfelt er niet aan dat men er onder de eerbare goede vrouwen nog wel zou vinden die voor hare mans zouden willen sterven[9]. Maar niet zoozeer is hij in bewondering voor de vrouwen of hij blijft indachtig dat zij toch menschen zijn en veranderlijke menschen, die wel eens "neen" zeggen als zij "ja" meenen. De vrouw moet "heer" zijn en de man "knecht"--ja, zegt POTTER, dat geldt voor de rechtbank der liefde, maar in het huwelijk is het iets anders: "daer sal die man een voocht [Zijnoot: de baas.] wesen".
Al die liefde en vrouwendienst is heel mooi, maar ten slotte staat toch de huwelijksliefde het hoogst. In overeenstemming daarmede handelt het tweede boek dat verreweg het omvangrijkst is, over de "goede reine minne"; het derde, verreweg het kleinste, over de ongeoorloofde liefde[10].
In zulk eene beschouwing van vrouwen en vrouwendienst kon bezwaarlijk plaats zijn voor eenig medegevoel met den hartstocht. Eene liefde als die van MEDEA, DIDO, HELENA, ARIADNE, rangschikt POTTER dan ook onder de "gecke minne". Hartstocht die aan een minnaar of eene minnares het leven kost, daar kan hij niet bij:
Om sulc wee te bliven doot, Dat en docht mi sijn gheen noot.
HERO zou hem bijna verteederd hebben. Wanneer hij de droeve geschiedenis dezer twee koningskinderen die elkander zoo lief hadden, verteld heeft en hoe HERO met LEANDER'S lijk in zee springt, dan geraakt hij zelf onder den indruk en stemt een lofzang aan voor de trouwe liefde:
O edel vrouwe ende goede man, Hier sal men truwelic deyncken an. Hier liet truwe [Zijnoot: trouwe.] truwe bliken. Der truwen en woude sy niet bezwiken. Die wile si leefden waren sy Onverscheiden ende wandels vry: Dus sijn sy in der lesten noot Onghescheiden ghebleven doot. Daer wrocht Venus den rechten aert.
Maar te rechter tijd komt hij nog tot bezinning en besluit zijn lofzang met:
Nochtan waer beter tlijff[het leven.] ghespaert, Also als ic voer hebbe bescreven.
Liefde is goed, maar--getemperd:
Minne sal sijn te maten heet, Te maten cout ende wail ghesmeet .... Vrou mate is een edel vorstinne.
Hollandsche bezadigdheid kwam hier in botsing met uitheemschen hartstocht, Hollandsche zedelijkheid met geïdealizeerde zinnelijkheid. Toch is POTTER'S gevoel van zedelijkheid niet bijzonder hoog ontwikkeld. Kan een minnend paar zich volstrekt niet bedwingen, dan moeten zij hun gang maar gaan--indien het dan slechts heimelijk gebeurt, zoodat de eer naar de wereld ongeschonden blijft. De wagenmenner MIRTHOÜS helpt door bedrog zijn meester PELOPS aan het bezit der schoone HIPPODAMIA; PELOPS heeft MIRTHOÜS zijn deel in dat bezit beloofd; als MIRTHOÜS zijn meester nu komt manen om de vervulling der belofte, werpt PELOPS hem in zee waar hij verdrinkt. POTTER vindt dit volmaakt billijk: aan een onredelijken eisch moet op onredelijke wijze voldaan worden; deze boef kreeg loon naar werken.
Mannen en vrouwen gelijk stellen op het punt van echtbreuk, dat gaat niet aan, zegt POTTER. De eer van den man lijdt er naar de wereld niet onder of hij al eenige bastaarden heeft; bij de vrouw is dat heel wat anders. Ook heeft men dikwijls gehoord dat heidensche vorsten en andere mannen twintig, veertig of honderd vrouwen hadden, doch ééne vrouw twee mannen--nooit! Kortom, het is een verschil als van dag en nacht[11].
POTTER moge kennis gemaakt hebben met het werk van GODFRIED VON STRASSBURG en van WOLFRAM VON ESCHENBACH, hij moge OVIDIUS' _Heroïdes_ en _Metamorphosen_ hebben gelezen--een dichter als zij is hij niet geweest. Het licht en liefelijk spel van GODFRIED'S verbeelding, WOLFRAM'S diepte en innigheid, de fijnheid en bevalligheid van OVIDIUS, men zoekt ze in zijn werk tevergeefs.
Dat POTTER'S smaak nog niet zeer ontwikkeld was, gaat men reeds vermoeden wanneer men eene vermelding van PARCIVAL'S zoeken naar den Graal aantreft op bedenkelijk korten afstand van de jacht op een wilden witten haas, die door een vijftal gezellen drie jaar lang werd voortgezet. Dat vermoeden wordt versterkt, waar wij hier en daar slordige of lamme rijmen aantreffen en platte beeldspraak. In het eerste boek, van de "gecke" minne, zegt hij tot de vrouwen: hebt gij last van de liefde, weest dan voorzichtig in de keus van uw minnaar of zooals hij het uitdrukt: kookt uw spek in goed rivierwater! Van minnende paren heet het elders:
Sijn zij in kercken of in clusen, Die cat siet altoos na den musen.
Een minnaar kan veel dienst hebben van een vertrouwden vriend, maar laat hij oppassen dat uit den vriend geen medeminnaar worde, die de "potage met het spek" naar zich toe haalt[12]. Doch tegenover zulke plaatsen die bovendien niet talrijk zijn, staan vrij wat andere die getuigen dat POTTER, al was hij geen groot dichter, toch niet van talent ontbloot was. Verdienstelijk is b.v. zijn lofzang op de
Rechte mynnentlike minne, Die den menschen in den zinne Verwerret lecht ende ghestricket.
Hoe aardig is in het eerste boek de schets van den jeugdigen zot, die door een meisje voor de grap als minnaar is aangenomen, slechts voor deze Meimaand en niet langer. Wat is dat zomergekje dan opgewonden! Hij brengt zijn liefste een meitak, hij vertelt aan een van zijne vrienden uit Zotteghem--soort zoekt immers soort?--dat hij een liefje heeft die doet wat hij wil; samen gaan zij er op uit om haar ergens te zien. Gebeurt hem dat, dan is het al te mooi, dan moet er een dronk op staan:
So sal hi dan sijn gheselle gaen slepen In den wijn; daer gaen si sitten. Die wile hi zweeft in deser hitten, So werpt hi sijn arm in die lucht Ende maect een heerlic gherucht [Zijnoot: geroep.]: "Wy hou! ic heb minen boel ghesien! "Huden [Zijnoot: heden.] en mach mi niet misschien [Zijnoot: niets kwaads overkomen.]!" Vrolic is hi mit ghesanghe. So vraghen die ander also langhe, Dattet die heelghesel al seit, Wair dat Hannen sin op steit. Des wondert den ghesellen dan Ende segghen: "Is Hannen alsulken man?" Ende dat hoert Hannen al te gaern, Dat die ghesellen van der tavaern Weten van sire minnen staet[13].
Kon POTTER de kunst van OVIDIUS al niet navolgen, veel min evenaren, men kan toch zien dat het verhaal van HERO en LEANDER, zooals het in de _Heroïdes_ voorkomt, indruk op hem heeft gemaakt; zijne bewerking treft ons hier en daar door een zachte bekoorlijkheid, die nog verhoogd wordt door den welluidenden klank onzer middeleeuwsche taal. Zoo in dat deel van het verhaal, waar HERO beschrijft hoe zij op LEANDER zit te wachten:
Als my die vake dan bestaet Ende twater an die mure slaet, Soe waen ic alle weghe [Zijnoot: telkens.] dan Dattu daer biste, mijn liefste man. Wat ic lope, en vinde niet. O wy! wat is my gheschiet! Ic wachte, ic wake, twort my zuyr; Ic sitte dromende by den vuyr; My donct dan dattu by mi bist, Dat alle gader niet en ist. Als ic dan weder wakende werde, So sitte ic noch bij den haerde Ende droghe die schone sachte doecken. O wy! ic mach dat water vloeken, Dat so onstuyr [Zijnoot: onstuimig.] heeft gheweest Van groten storme ende tempeest[14].
En waar POTTER zich eens durft overgeven aan zijn gevoel, omdat hij immers "van goede reine minne" spreekt, hoe verrast hij ons daar met dit liefelijk miniatuurtje van een paar gelieven:
Daer legghen sy in groter lust: Menichwerff wart dair ghecust, Die lipkijns werden gheconreydet [Zijnoot: uitgestoken.], Vroechde meret, trueren beydet, Menich guetlic, lieflic woert Wort van beyden daer ghehoert, Vriendelick drucken sy die armen, In gueder vroechden sy hem warmen, Lachende blencken dair die oghen, Elck anderen troest van allen doghen [Zijnoot: verdriet.]: Al waer hi sieck ende onghesont, Elck ghenase in sulker stont. Die witte kele ende wancskijn root Mach men handelen daer al bloot. Die borstkijns mach men wel anstoten, Sijn sy niet te vast besloten, Ende byeden hem gueden dach[15].
In de beschrijving is POTTER sterker dan in het verhaal; toch heeft hij ook als verteller zijne verdiensten. Een meester in die kunst, zooals zijne oudere tijdgenooten BOCCACCIO en CHAUCER, was hij niet, doch er is in zijn zestigtal sproken van minne menig goed of aardig brok aan te wijzen, dat eene plaats verdient nevens de beste der hiervoor behandelde sproken van onbekende dichters.
Houden wij _der Minnen Loop_ ten slotte naast een vroeger leerdicht over dezelfde stof: _den Spiegel der Minnen_ of den _roman van de Roos_, dan merken wij vrij wat verschil op. Het voornaamste punt van verschil is zeker, dat tegenover een vertaald werk nu een werk is gekomen dat oorspronkelijk mag heeten, al heeft het--gelijk zoo menig ander oorspronkelijk werk--een deel zijner stof van elders ontleend. Dat feit toont reeds dat de Dietsche geest aan zelfstandigheid had gewonnen; doch er is meer. Van de elementen, waaruit de _roman van de Roos_ bestaat, vinden wij er hier eenige terug, doch op andere wijze dan daar verbonden. In _der Minnen Loop_ is geen plaats voor de minachting der vrouw, noch voor het scepticisme, noch voor het cynisme, dat JEAN DE MEUNG kenmerkt, wel voor een deel van den hoofschen eerbied, dien GUILLAUME DE LORRIS de vrouwen toedroeg. Het zinnelijk element dier hoofsche liefde is in het Hollandsch dichtwerk zwakker dan in het Fransche; bij de goede reine liefde staat de Hollander het langst stil; de huwelijksliefde staat voor hem het hoogst; jegens den hartstocht is hij op zijne hoede. Die liefde, zóó opgevat, is verwerkt door een didactischen geest die weer aan JEAN DE MEUNG doet denken, tot een eenigszins schoolsch geheel, waarin theorie en practijk des levens nog niet zijn versmolten, doch onderling verbonden naast elkander staan als leering en voorbeeld.
Menig lezer zal misschien van meening zijn, dat een Christelijk Hollandsch dichter als POTTER tevreden kon blijven over zijn werk. Hij had immers willen waarschuwen en leeren, en aan het nuttige gemakkelijker ingang verschaft door het aangename? Verhalen van minne, zelfs al waren zij verdicht, vonden immers genade ook bij kunstrechters, die van de kunst bevordering der zedelijkheid eischten? Zoo zou men meenen, doch te onrechte. POTTER is gebeurd, wat menig dichter of verzenmaker vóór hem was gebeurd: in zijn later leven kreeg hij berouw over de literaire zonden zijner jeugd en trachtte die met ander werk te boeten.
In zijn ouderdom schreef hij een werk, door hem zelven
_Blome der Doechden_ [Zijnoot: Bloem der Deugden.] genoemd, waarin hij _der Minnen Loop_ wel niet verloochent, maar toch scherp laakt[16].