Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 40
[14] Vgl. _Tijdschr. v. N.T. en L._, XXIII, 46; _Leven van S. Amand_, I, 676, 2807, 3920; _Goede Boerden_, p. 4; _Belg. Mus._, X, 69; KAUSLER, _Denkm._, III, 109, 203.
[15] De plaatsen over het _hooren_ van poëzie zijn, na de vroeger vermelde, te talrijk om mede te deelen; ieder kan ze gemakkelijk vinden. Vgl. overigens: _Vad. Mus._, I, 337; _Belg. Mus._, X, 57.
[16] Vgl. _Werken_ (ed. DAVID), I, bl. IX.
[17] _Het Leven van S. Kerstine_ ondernomen op verzoek der geestelijke jonkvrouw FEMINE VAN HOYE; VELTHEM berijmde voor loon zijne voortzetting van den _Sp. Hist._ op verzoek van de Vrouwe VAN BERLAER; de _Brabantsche Yeesten_ werden gemaakt in opdracht van Heer WILLEM BORNECOLVE, een aanzienlijk Antwerpenaar; de _Grimb. Oorlog_ werd "beschreven en gedicht" op verzoek waarschijnlijk van een edelman (zie vs. 6167 vlgg. en 6600-'2 van het tweede deel); _Tondalus Visioen_ voor een "edele Jonfer".
De beide rekeningposten in JONCKBLOET'S _Gesch. der Mnl. Dichtkunst_, III, 618, 611.
[18] DE LANGE VAN WIJNGAERDEN, _Geschied. van Gouda_, I, 187 (omstreeks 1387).
[19] Vgl. over dien roman _Middelned. Ep. Fragmenten_, bl. 263-4; voorts _Das Epos von Isembard und Gormond...._ von Dr. R. ZENKER, Halle a.S. 1896; THEODOR FLURI, _Isembart et Gormond_ (Züricher Diss., 1895); _Romania_, Avril, 1897, Janv. 1898.
[20] Vgl. het merkwaardig stuk van NAP. DE PAUW in _Ned. Museum_, 1879.
[21] _Lekensp._, B. III, c. 3, vs. 969 vlgg.
[22] _Melib._, 55-58. (Ook al komt deze plaats reeds in het origineel voor, dan blijft zij nog van gewicht); DE VREESE'S _Bijdragen_, bl. 15. Andere plaatsen waar m.i. gewag wordt gemaakt van _lezen_ in onze beteekenis, zijn: _Jans Teesteye_, vs. 812-'4; _Vlaamsche Rijmkroniek_ (in KAUSLER'S _Denkmäler_), vs. 4124-'5; _Tondalus Visioen_ in den aanvang (ed. BLOMMAERT), II, 31: "So wie datter neerenstelic in wille lesen ende de woorden merken, hi sal" enz.
[23] _Oudvl. Lied. en andere Ged._, bl. 268.
[24] DE VREESE, a.w. bl. 24.
[25] _Alex._, vs. 6, 29; _Merlijn_, 6 vlgg.; _Troyen_, 24-26; _Rijmb._, I, 73 vlgg.
[26] Proloog v.d. _Lekensp._; _M.e.V. Heim._, vs. 25 vlgg.; KAUSLER, _Denkm._, III, bl. 215.
[27] _S. Amand_, II, 5333 vlgg.; _Tien Plaghen_, 30-33; _Sp. der Zond._ I, p. 218.
[28] _Oudvl. Ged._, III, 105; _Tien Plaghen_, vs. 43-44.
[29] A.w. vs. 64 vlgg.
[30] _Licht en Schaduw_ door SOERA RANA (I. ESSER JR.), bl. 6.
[31] A.w. (ed. BRILL), I, bl. 224; Boek X, vs. 40-151.
[32] A.w. I, 113 vlgg., 312 vlgg. Daarbij: _Oudvl. Lied. en Ged._, bl. 270 en _Brab. Yeesten_, V, 3181 vlgg.
[33] DE VREESE, t.a.p. bl. 13.
WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH.
Een goed voorbeeld van dien invloed vinden wij in de persoonlijkheid en het werk van den dichter wiens naam hierboven staat.
Die persoonlijkheid en dat werk vereenigen in zich zooveel trekken van veertiend'eeuwsche dichters en dichtkunst, zij toonen ons den invloed der vroegere literatuur zooveel beter dan die der meeste anderen uit dezen tijd, zij voegen bij dat gemeenschappelijke en ontleende zooveel eigens--dat WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH wel aanspraak mag maken op een afzonderlijke plaats in dit verhaal[1].
Hij was een spreker gelijk er zoovelen waren, doch die, naar het schijnt, de overigen in talent overtrof; in allen gevalle is hij de eenige van wiens werken ons zooveel is overgebleven en van wien wij ons daardoor eene betrekkelijk zoo volledige voorstelling kunnen vormen.
Misschien is hij omstreeks het midden der 14de eeuw geboren, en gestorven niet lang na 1408. Vóór 1375 moet hij reeds als spreker zijn opgetreden. Heeft broodsgebrek hem gedrongen tot het aanvaarden van dat beroep? Het is licht mogelijk. Mij ten minste komt het niet onwaarschijnlijk voor dat hij in één zijner gedichten over zich zelven spreekt waar hij een jonkman over zijne jeugd laat verhalen: hoewel van matigen rijkdom, leefde hij als een prins; zijne magen ergerden zich aan zijn gedrag en rieden hem aan dat leven te laten varen; maar hij stoorde zich niet aan hen; toen trokken zij de handen van hem af en het liep mis met hem[2].
Eerst in 1382 vinden wij in de rekeningen der Grafelijkheid van Holland gewag van hem gemaakt; uit de wijze waarop hij daar genoemd wordt: "WILLEM VAN HILGAERTSBERGHE, _enen_ spreker" zou men opmaken, dat hij toen nog niet zeer bekend was aan des graven hof. In het volgend jaar echter schijnt "Meester WILLEM de spreker" reeds meer bekend te zijn geworden. Behalve voor mijn Heer den Grave spreekt hij niet zelden voor andere "hoghe heren", maar hij is, zoomin als zijne kunstbroeders, te grootsch om zes "nieuwe schilden" aan te nemen voor een rok en een paar "Henegouwsche kronen" als drinkgeld. Met spijs en drank als loon voor kunst is hij niet zooals zijne mindere gildebroeders tevreden en waar hij geen kans ziet een zwanepluim rijker te worden, zooals ten huize van Heer DIRC den Commandeur der Duitsche Orde te Leiden, daar licht hij zijne hielen.
Evenals andere sprekers en zeggers wacht hij niet altijd op eigen aandrift, maar vervaardigt ook wel een gedicht over een opgegeven onderwerp. Zoo schrijft hij op verzoek der abdisse van Rijnsburg iets over de Tien Geboden[3].
HILDEGAERSBERCH'S werken geven een kort begrip van een groot deel der toenmalige literatuur: men vindt er tal van stichtelijke of zedekundige stukken, een paar dierfabels, een paar boerden, ook historische gedichten aan de tijdsomstandigheden ontleend. In zijn werk is de invloed van vroegere auteurs duidelijk zichtbaar en wij vinden er onderscheidene trekken der gelijktijdige literatuur in terug. Een geleerd dichter als MAERLANT of BOENDALE was hij allerminst; Latijn kende hij niet en zijne boekenkennis zal zich in hoofdzaak wel bepaald hebben tot den bijbel[4]. Destemeer zal hij zijn voordeel hebben gedaan met wat de geleerde "clercken" vóór hem hadden gedicht. MAERLANT'S werken, o.a. zijne strophische gedichten, zijn hem niet onbekend gebleven; doch meer had hij te danken aan het werk van BOENDALE die een paar geslachten ouder moet zijn geweest dan de Hollandsche spreker. Stukken van _der Leken Spieghel_ zijn door WILLEM in zijne werken opgenomen. Zijn verzet tegen de materiëele voorstelling dat "God is als een mensch gedaen", zijne eigene voorstelling dat God "altemale een gheest" is, herinneren ons ook aan den _Lekenspieghel_. BOENDALE'S beschouwing der literaire kunst is door HILDEGAERSBERCH overgenomen; de verzen:
Const is die alrehoochste schat Die men ter werelt ye besat.
zijn een weerklank van BOENDALE'S hoofdstuk _Hoe dichters dichten sullen_[5].
Evenals voor BOENDALE heeft ook voor WILLEM de dierfabel slechts waarde als voertuig van nuttige leering: "Zoo sprac Reynaert, ende hi was vroet"--daarmede besluit hij een zijner dierfabels en in een andere waar hij een hond doet spreken, acht hij zich verplicht den lezer te waarschuwen:
Niet dat honden yet spreken moghen, Mar in 't ghelijcke wert vertoghen Menighe leer tot onser bate[6].
Den invloed van MAERLANT meer dan dien van BOENDALE zien wij in WILLEM'S beschouwing der vrouwen. Bij hem als bij MAERLANT vinden wij vooral den hoofschen vrouwendienst die zich vertoont o.a. in regels als deze uit een stuk _Vanden goeden vrouwen_:
Twaer een kaerl onwijs te weten Off by maten dat uut te meten, Wat loff den vrouwen toebehoort.
"Wat een reyn wijff waerdich is", heeft hij uiteengezet en ook in andere stukken zijn eerbied voor het vrouwelijk geslacht betuigd. Die eerbied is zóó groot dat hij eervergeten vrouwen die zich onder de eerzame mengen, bellen zou willen aanhangen "die lude cloncken waer si ghinghen"; op die wijze zou men zich voor haar kunnen wachten[7].
Niet alleen door den inhoud, ook door den uiterlijken en innerlijken vorm zijner poëzie toont WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH zich een kind van zijn tijd. Allegorische personages als Trouw en Gerechtigheid, Rede als portier, Trouwe als kastelein, Eer als raadsman en dergelijke komen ook bij hem voor. Hij bedient zich van tweespraak en "disputacie", hij speelt met woorden als _beschermen_ dat tot _bescheren_ wordt, met _vaer_ [Zijnoot: vrees.] en _varen_[8]. Zijne stukken zijn, gelijk zoovele andere didactisch-lyrische, niet zelden in coupletten verdeeld en vangen nog al eens aan met eene natuurschildering. De stof is er op de gewone schoolsche wijze verdeeld in punten, die achtereenvolgens nauwgezet en degelijk worden behandeld; reeksen los aaneengeregen sententie's zijn ook bij hem niet zeldzaam.
Bijna alle gedichten van HILDEGAERSBERCH hebben, de strekking: invloed ten goede te oefenen op de menschen en de maatschappij. Wij weten te weinig van de poëzie der overige sprekers om te kunnen beslissen of hij ook hier als type zijner soort mag gelden; doch indien de stichtelijke en didactische lyriek dier dagen grootendeels aan sprekers mag worden toegeschreven--en ik zie daartegen geen bezwaar--dan bevat WILLEM'S werk ook hier het meest wezenlijke van dat zijner tijdgenooten.
Overal vinden wij in zijne gedichten die opwekkingen en waarschuwingen om wel te leven, ten einde zalig te kunnen sterven; te geven "metter wermer hant" [Zijnoot: nog bij iemands leven.], niet gierig te zijn, de goede keuze te doen tusschen het tijdelijke en het eeuwige, indachtig te blijven dat wij "geen _morgen_ hebben", dat wij allen "op de lange vaart" moeten. Hij wendt zich tot de hooge heeren met de bede om recht en billijkheid te betrachten, klaagt over het onrecht dat zij laten geschieden, waarschuwt anderen zich niet al te veel met de groote heeren in te laten. Den rechters houdt hij het ideaal voor oogen van den waarachtigen rechter: God "die elken man ghelike recht". Den steden wijst hij den weg om tot voorspoed te komen: onderling eendrachtig zijn, geld verdienen, vreemde kooplieden aanmoedigen[9].
Evenals bij MAERLANT, anders dan bij BOENDALE, is bij WILLEM het verleden de lichte achtergrond waartegen de gebreken van het heden scherp uitkomen. Het heden ligt voor hem in het booze: Reinaert staat aan het roer en Simon [Zijnoot: verpersoonlijking der simonie.] op de voorplecht. Vroeger was alles zooveel beter; toen werden Trouw en Gerechtigheid geëerd; nu denkt ieder er slechts aan zijn eigen kist te vullen. Midden in een of ander verhaal uit het verre verleden zien wij hem soms plotseling terugkeeren tot zijn eigen tijd, om dien tegenover het betere verleden te plaatsen[10].
Doch het sterke idealisme dat den onafhankelijken MAERLANT zóó forsch deed spreken, missen wij in HILDEGAERSBERCH die leven moest van het publiek. De zorg voor het dagelijksch brood hing den armen spreker als een kluister aan het been. Hij moet oppassen niet te veel te zeggen, of hij zal het voelen in zijne beurs, ja in zijn maag:
Want een dichter moet hem hoeden Voer den ghenen diet sullen horen, Dat sijs [Zijnoot: zij het.] in nide noch in toren Niet en nemen dat hi maect.
Hoe nederig vraagt hij de heeren om wat geduld; het moge hun toch niet te lang vallen als zij goede leering hooren! Zijnerzijds belooft hij maat te houden:
Een dichter die hem wel verstaet, Dien dicht niet al sijns selfs begheren.
Niet te lang, "dat heeft men gaern ter heren hove," en daaraan zal hij zich ook maar houden[11]. Vandaar in zijne gansche houding tegenover zijn publiek iets slaps en zwaks. Het hoogste waartoe hij het in dezen brengt, is zachte ironie die in haar soort vooral voor dien tijd verdienstelijk is:
Waerom souden wy trueren yet? Sint God die werelt werden liet, So ne was sy nye so wel te vreden. Die paeus die leeft by goeden reden Om te dienen onsen Heer
al het volk leeft deugdzaam, in de omgeving van den paus kent men geen afgunst en hebzucht, bisschoppen en prelaten zijn rechtschapen waar men komt--meer zal ik er niet van zeggen.
Doch ironie is bij WILLEM, en over het algemeen in de middeleeuwsche literatuur, betrekkelijk schaarsch. Gewoonlijk tracht ook deze leerdichter zijn publiek rechtstreeks te overtuigen; doch van hoe weinig idealisme getuigen doorgaans zijne gelijkvloersche argumenten. De tien geboden moet men houden. Waarom? Men leeft langer en heeft veel minder te doorstaan dan zij, die ze overtreden; die overtreders immers worden zelden oud, hunne zorgeloosheid kost hun het leven of maakt hen jichtig en lam. Met "wychelinge" [Zijnoot: de zwarte kunst.] moet men zich niet afgeven: zij brengt geen voordeel aan. Één God moet men aanbidden; men kan immers "met minre arbeide" één God aanbidden dan vele? God moet men "te vriend houden" en eenvoudig weg gelooven dat Hij, onze Heer van den hemel, is één God en drie personen--"daer comt men by ten hoghen loon." Hebt gij verdriet, toon dat dan niet in uw uiterlijk: uwe vijanden zouden er in groeien. De heeren mogen hunne onderdanige schapen wel scheren, maar het vel moeten zij hun laten; dan kan er immers nieuwe wol op groeien! Wat overigens het onrecht betreft, dat moet men verdragen en zachtkens terecht trachten te brengen. Al deed de heer nog zooveel kwaad, zijne onderdanen moeten steeds
smeken ende nygen [Zijnoot: vleien en buigen.] Om hoers heren hulde [Zijnoot: gunst, genegenheid.] te crigen.
WILLEM ziet wel dat de Kerk in zijne dagen van den rechten weg is afgedwaald en dat vele priesters niet deugen; doch de leeken moeten er zich maar niet te zeer aan ergeren en slechts letten op wat de priesters hun _leeren_; er kan wel goed zaad gestrooid worden uit een slechten korf[12].
Dat de roeping van den dichter is vóór alles: priester der waarheid te zijn, hadden MAERLANT en BOENDALE WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH geleerd; hij heeft getracht die leer in praktijk te brengen, doch zijn beroep kwam telkens met zijne roeping in strijd. "De waarheid wil niet gehoord zijn" dat was meer dan eens zijn droeve ervaring, en de omstandigheden dwongen hem daarin te berusten. Echter bracht die berusting hem niet tot lijdelijk stroomaf drijven; hij bleef roeien met de riemen die hij had. Ik zal leeren dicht bij het wit te schieten, niet het wit zelf te treffen, zegt hij in het gedicht _van den coninc van Poertegael_. Maar zijn eerlijk eenvoudig hart, verdeeld tusschen ideaal en werkelijkheid, blijft droevig gestemd:
Hoe sal ic dan, arme oude, Die gaerne die waerheit spreken soude, Der heren gunst of hulde verwerven?
In die verdeeldheid, in die droevige stemming is hij waarschijnlijk blijven verkeeren tot zijn dood.
Hij had de Fortuin gezocht oost en west, maar nooit gevonden. Doch al was zijn voorspoed naar de wereld gering, hij wilde zijn loon verwachten van God, zijn lijden geduldig dragen. Had het sprekerswerk hem geen stoffelijke winst gebracht, ook den invloed, door hem als dichter geoefend, schatte hij gering. Wat werkt al ons dichten en verzinnen uit? vraagt hij ergens, en met lichten spot antwoordt hij zelf: de menschen worden tegenwoordig zóó deugdzaam, dat matiging en billijkheid in hen blijven als in bodemlooze vaten. Elders klinkt het zonder spot en mismoedig:
Oft al om niet is dat ic doe, Wat sel dan arbeit onderstaen? [Zijnoot: Waartoe mij dan moeite gegeven?]"
Hij gaat zijn leven als spreker nog eens na: hoeveel schoone "exempelen" heeft hij voor de heeren gesproken; al zijn verzen spraken van rechtvaardigheid en eer te betrachten; hoe liefelijk men treedt op het pad naar den hemel--hoe vuil het pad is dat ter helle voert. Maar weinig hebben de menschen er zich om bekommerd; zij hebben den achterkant naar voren gekeerd
Dus clop ic veel an doofmans deur; Al roep ic lude, en mach niet in.
Zijne tijdgenooten zijn gestorven of verdwenen, hij zelf wordt vergeten, zijne ledematen gaan hem begeven, hij hoort het vesperklokje luiden. Zelf is hij moede en verlangt naar rust. Eindelijk komt de man "met het witte kleed",.die niemand spaart, ook hem halen. In April 1409 kocht graaf WILLEM VI een boek "dairin stonden vele schoonre sproken, die Willem van Hillegairtsberge gemaeckt hadde"; dat zal wel de voornaamste nalatenschap van onzen spreker geweest zijn[13].
Die nalatenschap zou er misschien anders hebben uitgezien, indien zijn talent zich onder gunstiger omstandigheden had kunnen ontwikkelen. Want eenig talent had WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH wel. Zijne vergelijkingen zijn niet zelden aardig gevonden; zoo b.v. die van de stichtelijke woorden, die langs de meeste kerkgangers afglijden als hagelsteenen langs de kleeren. Hoe goed van waarneming is dat huiselijk tooneeltje, waar wij middeleeuwsche huisvrouwen aan het spinrokken zien, terwijl de jonge kuikens met de klokhen om haar heen in de zon loopen. De vergelijking van het leven bij een zeereis is ook verdienstelijk uitgewerkt[14].
Vertellen kan WILLEM ook wel; dat blijkt ten deele uit zijne fabels en de sproke _van Sinte Gheertruden min_, maar vooral uit de twee boerden _van het gestolen varken_ en _van den Monnik_[15]. Welk een levendigheid en gang is in die verhalen, al worden zij hier en daar vertraagd door de zucht tot leering en vermaning; welk een talent van waarnemen en voorstellen; welk een blijkbaar welbehagen ook in de behandelde stof! De door den duivel bedrogen monnik vooral is kostelijk! Aan zin voor echten volkshumor paarde deze spreker een loffelijk vermogen van waarneming. Dat vermogen toonde hij in zijne verhalen; hij toont het ook waar hij anderer of eigen gemoedsleven afbeeldt. Hoe juist heeft hij die zwakke en zorgelooze menschen gezien, die zich geene behagelijke zonden willen ontzeggen en denken: als wij ouder worden zal onze zinnelijkheid vanzelf wel afnemen en onze "nature vercouden". HILDEGAERSBERCH heeft het eerst de verveling van den traag voortkruipenden tijd beseft en in woorden gebracht:
Als my die tijt verlanghen dede, So had ic ziecte ende onghevoech, Ic hoorde wat die clocke sloech, Die tijt, die ghinc van ure tot uren[16].
Meer dan een zijner kleinere stukken mag bevallig worden genoemd. Zoo b.v. dat gedicht op het scheiden, dat aanvangt:
Ic heb op [Zijnoot: tegen.] scheyden horen spreken, Dattet vroechde mochte breken Onder tfolc, verre off naer, Die uut dier nature beke Mit ghenoechten soude leken, En dede [Zijnoot: indien er niet was.] der argher nyders schaer, Die menichwerve binnen der weken Goet gheselscap doen versteken, Die liever bleven tsamen daer, Al moeten si scheiden ane vaer [Zijnoot: zonder vrees.] [17].
Ook is er in zijne poëzie hier en daer iets persoonlijks, dat ons in een middeleeuwsch dichter door zijne zeldzaamheid treft en dat wij vóór dezen slechts een enkelen keer hebben aangetroffen bij MAERLANT, waar hij zijne grijze haren in den spiegel ziet. Ik heb het oog o.a. op een reeds vroeger vermeld stuk, dat wel een van des dichters laatste zal zijn:
Ic bin al moede, ic wil gaen rusten; Van des mi wilen [Zijnoot: vroeger.] plach te lusten Des wordic sat, en weet niet hoe. enz.[18]
Ook op de inleiding van het gedicht _Van Ghilden_, waar hij op zoo naïeve wijze getuigt hoe onzeker en schroomvallig hij zich gevoelt door zijn gemis aan kennis en ontwikkeling. Altijd is hij bang in strijd te komen met "die scrifture", wanneer hij iets gemaakt heeft. Die "anxte zwaer" voor de wijsheid, die in geschriften ligt opgetast, benauwt hem, drukt op zijn denken en zijn verbeelding, als het net op een vogel. Denkt hij over iets na, dan schiet hem tevens te binnen dat dit alles misschien lang en breed in een of ander geschrift te vinden is:
Want die clergie [Zijnoot: de geleerden.] is so subtijl: Daer ic om peynse lange wijl, Dat vinden sy varinc [Zijnoot: schielijk.] inder scrift; Dit doet dat ic met anxten dicht. Anxte die heeft my veel becoort, Als ic dichte of brenghe voort Enigherhande hoghe sake[19].
In die stemming moet hij dikwijls verkeerd hebben en het behoeft geen betoog dat zijne poëzie daaronder geleden heeft. De boerde _van den Monnik_ en, in mindere mate, die _van het gestolen varken_ toonen ons wat hij kan, indien hij zich durft laten gaan; doch vermoedelijk zal hij zelf deze stukken niet hoog hebben gesteld. Opmerkelijk is het, wat er onder zijne handen wordt van de fraaie geestelijke romance _van Sinte Gheertruut_[20]. WILLEM'S bewerking heeft meer dan driemaal den omvang van de romance; in dichterlijke waarde echter overtreft het lied van den volksdichter de sproke van den spreker: de eerste is een werk van verbeelding, de laatste hoofdzakelijk verstandswerk. Het is er HILDEGAERSBERCH van den aanvang af om te doen, zijnen hoorders de beteekenis van de Sint-Geerteminne uit te leggen; ook andere deelen der stof wenscht hij voor het verstand zijner hoorders aannemelijker te maken, zoo b.v. de reden waarom SINTE GHEERTRUUT juist tot SINT JAN zich zoozeer aangetrokken voelde. Het gansche verhaal trouwens geeft hij aan zijn publiek ter leering:
By desen _exempel_ moochdi leren, Dat hem nyemant en laet bedrieghen.
en hij verzuimt niet zich meer dan eens tot zijne hoorders te richten met een stichtelijke waarschuwing of opwekking.
De ridder in de sproke is, evenals zijn maker, iemand in wien het verstand overheerscht, die redeneert, en, waar hij eens onverstandig handelt, daarover door den dichter berispt wordt: "Doe en dede hi niet als die vroede." Hij gevoelt wel liefde voor SINTE GHEERTRUUT, doch het is hoofsche liefde:
Ghestade te bliven in horen dienst Sonder enich dorperheit;
De ridder in het volkslied is een type van gewone menschelijkheid; hij houdt van eten en drinken en tournooien en ledigt den beker tot den bodem; hij kan zijn hartstocht voor de schoone non tenauwernood bedwingen: als hij haar in het klooster eens niet mag zien of spreken, vreest hij dat zijn hart breken zal.
Uit verbeelding en hartstocht ontstond in het lied de poëzie die uit de sproke geweerd is door zucht tot leering en stichting. Nergens blijkt dat zoo duidelijk als bij het eerste afscheid van den ridder, wanneer hij al zijn goed in den dienst van SINTE GHEERTRUUT heeft verteerd. De overeenkomstige deelen van beide gedichten volgen hieronder:
_Lied_ (c. 10-14).
Drie jaer lanc heeft die ridder dit [ghepleghen, Des so en heeft hi niet behouden: Sijn schat ende sijn goet heeft hem [altemael begheven, Des hadde die ridder also groten rouwe. "Adieu, goet lief ende blijft ghesont, "Adieu, ende ic moet immer van u [scheiden! "Die wech en is mi niet becant, "Te dwalen aen gheenre wilder heiden.
"Och, lacy, god, het is altemael verloren: "Wat coste dat ic daaraen hebbe geleit! "Hadde ic dat so wel gheweten te voren, "Ic woude van der joncfrouwen hebben ghescheiden."
Dus is die ridder uutghestreken In eenre duustre avontstont, Hi is gaen dwalen aen gheenre wilder heiden,
Die wech en was hem onbecant.
Doe dat quam omtrent der middernacht, Druc ende liden so ghinc den ridder an, Die viant [Zijnoot: de duivel.] die hadde hem also schier verwracht, Hi stont gheschapen of dat waer een man.
_Sproke_ (vs. 148-170).
Daer nae wart hi des ghevens mat, Want sinen staet die quam ten ende. Doe was die ridder in ellende, Ende hi en wiste hem ghenen raet: Dat dede, hi most sijn hoghe staet Dalen laten aen sinen danck. Doe wort sijn hope al te cranck, Ende hi dochte in sijn moet: "Al creghe ic dese joncfrou goet, "Ic en mochtse niet in eren houden, "Waer op so willic mi verhouden "Off verstroyen tenighen tijden?" Doe most die ridder sorghe lyden, Des hi onghewone was Daer te voren, als ic las. Ende als hi stont in dit ghepeyns Ende dochte harwaert ende gheyns Doe quam die bose tot hem ghegaen Ende was recht als een man ghedaen So wye dat in wanhope sy, Daer is die vyant gheerne by; Want hy en [Zijnoot: hem.] dan best becoren mach, So poecht hire om nacht ende dach.