Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 4
De vrouwen worden tegenover de mannen verdedigd, haar toorn wordt gevreesd. Het zinnelijke in de verhouding der beide seksen (het "umbevân") wordt dorperlijk genoemd:
Wie mohte ich dat für guot entstân, dat hê mî dorpelîche bâte dat hê mî muoste al umbevân?[17]
vraagt eene vrouw, die--naar de gewoonte in deze minnepoëzie--sprekend wordt ingevoerd. Voor haar goeden naam moet de minnaar zorg dragen; daarom mag hij zijne liefste niet in het openbaar noemen; daarom ook moet hij haar en zich hoeden tegen de booze tongen de ("rueger" en "nider") [18]. Niet zelden begint een lied--ook dat was conventioneel geworden, maar conventie waarin waarheid schuilt--met een klein natuurschetsje of een trek uit het natuurleven; hetzij om overeenstemming, hetzij om tegenstelling tusschen natuurleven en gemoedsleven te doen uitkomen. Tegenstelling vindt men al dadelijk in het eerste lied:
Ez sint guotiu niuwe mâre, daz die vogel offenbâre singent dâ man bluomen siet. Zuo den zîten in dem jâre stuende wol daz man frô wâre: leider des enbin ich niet[19].
Overeenstemming treft men aan in verzen als deze:
Ez tuont die vogele schîn [Zijnoot: toonen.] daz si die boume sehent gebluot [Zijnoot: bloeiend.]. ir sanc machet mir den muot sô guot daz ich vrô bin noch trûric niht kan sîn[20].
Maar niet zóó vast is VELDEKE in de leer van den vrouwendienst of de natuur gaat hem soms boven de leer. Het moge dorperlijk zijn naar het "umbevân" te verlangen, deze minnaar doet wat hij niet laten kan:
ich bat sie in der kartâten daz si mich müese al umbevân[21].
en hij vraagt het niet te vergeefs. Hoe idealistisch ook gezind, hij verliest den blik op de alledaagsche werkelijkheid daarom niet:
Swer den vrouwen setzet huote [Zijnoot: bewaking.], der tuot daz übele dicke stêt. vil manic man der treit die ruote [Zijnoot: draagt de roede.] da er sich selben mite slêt[22].
Ook de leukheid niet, die hem doet zeggen:
geschihet mir als deme swan, der singet als er sterben sal, sô vliuse [Zijnoot: verlies.] ich ze vil dar an[23].
Zoolang wij deze liederen slechts in eene Hoogduitsche overzetting kennen, is het natuurlijk niet uit te maken of zij in Limburg bekend zijn geworden, noch of zij ook in andere deelen dezer landen verbreid zijn en invloed hebben geoefend op de zich daar ontwikkelende literatuur. Wij komen op die vraag nog even terug, doch kunnen nu reeds zeggen, dat wij voor het bestaan van zulk een invloed geen afdoend bewijs hebben. Ten opzichte der _Eneide_ verkeeren wij in iets gunstiger omstandigheden. Het is bekend dat MAERLANT in zijne _Historie van Troyen_, sprekend over de geschiedenis van ENEAS en DIDO, zegt: "Oec ist gedicht in Duytsche woert"[24]. Het is mogelijk, dat hij hier het oog heeft op VELDEKE'S gedicht, maar zonder nader bewijs mogen wij dezen regel natuurlijk niet als beslissend beschouwen.
Voorzoover wij nu kunnen zien, is VELDEKE'S invloed op de ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde gering geweest; in allen gevalle op verre na niet zoo belangrijk als op die der Hoogduitsche literatuur. Voor tal van Middelhoogduitsche dichters is VELDEKE'S werk, met name zijne _Eneide_, een voorbeeld geweest, dat zij bewonderden en navolgden. Zijn dichterlijk verhaal gaf in Duitschland den stoot tot het ontstaan der epische minnepoëzie en minstens eene eeuw lang wordt hij door Duitsche dichters gelezen en geprezen, ook door de grootsten onder hen als WOLFRAM VON ESCHENBACH, den duister-verhevene en den beminnelijken GOTTFRIED VON STRASSBURG[25].
VELDEKE'S werk, het werk van een ontwikkeld dichter, die reeds zekere mate van individualiteit vertoont, behoorde tot de kunstpoëzie dier dagen. In die poëzie is een Nederlander de Duitschers vóórgegaan. Naast die kunstpoëzie echter bestond in Duitschland eene nationale verhalende volkspoëzie. Gedeeltelijk was deze, in den tijd waarvan wij spreken, reeds onder den invloed gekomen der hoofsche epiek. De beide bekende heldendichten _Nibelungen_ en _Gudrun_ leveren daarvan het bewijs en toonen ons van welken aard die invloed is geweest. Een ander deel dezer volkspoëzie was vrij gebleven van dien invloed van het hoofsche epos. Die soort van poëzie vinden wij vertegenwoordigd in een aantal verhalende gedichten, meerendeels In het laatst der 12de eeuw gemaakt en voor een deel afkomstig uit de Rijnlanden. Men pleegt ze samen te vatten onder den naam: _speelmanspoëzie_, omdat zij zwervende dichters en voordragers tot makers hadden. Ook treedt in vele dezer gedichten een speelman op den voorgrond. De meest bekende zijn: _Orendel, Salman und Morolf, Hertog Ernst, Sint Oswald_. Alle herinneren door hun inhoud en hun trant min of meer aan een vroeger gedicht van dezen aard: de geschiedenis van _Koning Rother_, al beweegt dat verhaal zich in hooger sfeer dan deze latere werken. In alle leveren de Kruistochten den historischen achtergrond; in verband daarmede vinden wij hier dan ook telkens melding gemaakt van schepen en zeereizen. Het verhaal dier tochten naar verre landen geeft den dichters natuurlijk ruimschoots gelegenheid hunnen hoorders allerlei vreemds en wonderbaarlijks voor oogen te brengen; vooral het verhaal van Hertog ERNST is met dat wonderbare vervuld. Het komisch element openbaart zich op vele plaatsen, gewoonlijk in ruwe grappen zooals men ze van deze dichters verwachten kon[26].
Hier staat de Nederlandsche poëzie tegenover de Hoog- en Nederduitsche in eene andere verhouding dan bij VELDEKE: dáár was het onzerzijds _geven_, hier _nemen_. Beide boven aangewezen soorten van volkspoëzie vinden wij te onzent vertegenwoordigd: het volksepos onder den invloed der hoofsche ridderpoëzie in eene vertaling der _Nibelungen_; de speelmanspoëzie in het gedicht _van den Bere Wisselau_ en misschien ook in dat _van Sinte Brandaen_.
In welken tijd hebben de bewoners dezer landen voor het eerst kennis gemaakt met de Nibelungen-sage? Op die vraag moeten wij het antwoord schuldig blijven. Dat er geen grond bestaat om den bewoners dezer landen een aandeel toe te kennen in de _vorming_ van het Oudgermaansch heldendicht, hebben wij hiervoor uiteengezet. Daarin ligt natuurlijk niet opgesloten, dat men hier te lande geene kennis van die _elders ontstane_ heldenpoëzie of heldensage kan hebben gedragen.
Het mag waarschijnlijk heeten dat de, in een bericht der 10de eeuw en in den _Reinaert_ vermelde, koning HERMENRYC de bekende Gotenkoning der heldensage is[27]. Ook weten wij dat de abdij van Egmond reeds in de 11de of in het begin der 12de eeuw een exemplaar van het _Walthari-lied_ heeft bezeten[28]. Weliswaar was het slechts een Latijnsche vertaling waarin dat heldendicht tot ons is gekomen; doch juist dat Latijn zal het aantrekkelijk hebben gemaakt voor de geestelijken dier dagen en in allen gevalle mag men de aanwezigheid van dat dichtwerk beschouwen als een bewijs van belangstelling in de Oudgermaansche heldensage.
Heeft men hier te lande, zij het dan ook slechts in het Zuidoosten, Nibelungen-liederen gekend, vóórdat het, later uit die liederen ontstane, epos in het Nederlandsch is vertaald? Die vraag hangt samen met het vraagstuk van den ouderdom dier vertaling. Volgens de meeste Duitsche geleerden is het epos, zooals wij het tegenwoordig hebben en dat het voorbeeld is geweest der Nederlandsche vertaling, niet ouder dan 1205[29]. Nu vinden wij echter dat VELDEKE in zijn _Leven van Sint Servaes_ spreekt van ATTILA als "Bodelinghes son" [30]; deze vadersnaam komt ook in de _Nibelungen_ meer dan eens voor. Was VELDEKE nu met dezen naam bekend geworden door de _Nibelungen_ of kende hij dien van elders? Dat hij dien naam in Duitschland heeft leeren kennen, evenals de namen der heldenzwaarden Eggesas, Mimming, Nagelring, waarover hij in de _Eneïde_ spreekt, is niet waarschijnlijk; immers hij heeft, naar het schijnt, eerst na het dichten van den _Servaes_ in Duitschland gereisd.
Een andere grond om te vermoeden, dat hier misschien Nibelungen-liederen in omloop zijn geweest, is dit: nog in de 15de eeuw vinden wij den melkweg in een Geldersch-Kleefsch woordenboek genoemd: _Ver Broenelden strait_[31].
Wijst het in zwang komen en blijven van een dergelijken naam niet op langdurige bekendheid met de Nibelungen-sage? Is het wel aannemelijk dat een dergelijke naam in zwang zou kunnen komen door den invloed eener schriftelijke vertaling en moet hier niet veel eer gedacht worden aan den gestadigen invloed eener mondelinge overlevering?
Wat daarvan zij, vast staat, dat men het Nibelungen-lied in het Nederlandsch vertaald heeft en, indien de tijdsbepaling der Duitsche geleerden juist is, dat deze vertaling nà 1205 is vervaardigd[32]. Hoe lang na 1205? Dat is niet met een jaartal aan te geven. Doch er bestaat reden om te gelooven, dat onze vertaling in de eerste helft der 13de eeuw is gemaakt. De populariteit van dit epos zal zich spoedig ook over de grenzen dezer landen hebben verbreid; het handschrift dat de fragmenten der Nederlandsche vertaling bevat, schijnt nog tot de 13de eeuw te behooren; het feit dat MAERLANT in zijn vroegste werk _Alexander_ den vernederlandschten naam van ATTILA: _Ettel_ gebruikt en in zijn _Spiegel Historiael_ dien van _Diederic van Berne_, mag doen vermoeden dat hij deze namen misschien uit de vertaling der _Nibelungen_ heeft leeren kennen.
Van die vertaling zijn ons slechts twee kleine fragmenten over, elk van 72 verzen, die een gedeelte der 16de en een gedeelte der 17de Aventiure van het oorspronkelijk epos behelzen. Of men het gansche gedicht vertaald heeft, moet dus onzeker blijven; ook hoe onze voorouders het genoemd hebben. Dat men van het _Nevelingen-lied_ of van de _Nevelingen_ zal hebben gesproken, is onwaarschijnlijk, omdat dit woord reeds in de 13de eeuw eene gansch andere beteekenis had (_neef_ of _verwant_).
Ook bij deze vertaling hebben wij in de eerste plaats te vragen naar het karakter der vertaling en de wijze waarop de vertaler zich van zijne taak heeft gekweten[33].
Gunstig kan het oordeel over zijn werk niet luiden. Zijne verzen zijn vrij goed en hij heeft wel getracht het episch rhythme van het origineel weer te geven; doch zijne gebrekkige kennis van het Duitsch belemmerde hem in zijn werk als een blok aan het been. Waar hij een woord of een vers niet begreep, liet hij het weg, of--erger--verving het door een stoplap als: "dat doe ic u verstaen" en "dies was hi wel blide". Aan zijne gebrekkige taalkennis is waarschijnlijk toe te schrijven, dat, vooral in het tweede fragment, de gang van het verhaal hier en daar onduidelijk of verward is. De aanschouwelijkheid van het jachttooneel heeft bij de overbrenging geleden; voor het krabben en bijten van den beer dien SIEGFRIED vangt, heeft de vertaler geen oog gehad; geen oog ook voor SIEGFRIEDS rijke kleeding, voor de fraai bewerkte pijlen en het goede zwaard BALMUNG. De gevoelige regels uit het oorspronkelijk gedicht over KRIEMHILDE'S droefheid:
ir hetet mîn vergezzen, des mag ich wol jehen, dâ ich dâ wart gescheiden von mîme lieben man. "daz wolde got" sprach Kriemhilt, "waer iz mir selber getân".
zijn weergegeven door het onbeteekenende:
Nu is mijn welvaren voerwert meer gedaen.
Ook den trek dat KRIEMHILDE niet kan besluiten den geliefden man te laten begraven, mist men in de Nederlandsche bewerking.
Van den persoon des vertalers is ons niets bekend, evenmin als van de auteurs van _Wisselau_ en _Brandaen_. Dat is geen toeval, maar in overeenstemming met het onpersoonlijk karakter der volkspoëzie, in tegenstelling met de bekendheid van de auteurs der meer individueele kunstpoëzie. Indien wij echter in aanmerking nemen dat in het laatste couplet van het tweede fragment de geestelijke tint bij de overzetting vrij wat sterker is geworden, dan zouden wij geneigd zijn voorloopig een geestelijke voor den bewerker te houden.
Maar geen geestelijke zal het geweest zijn, die ons het verhaal _van den Bere Wisselau_ heeft nagelaten. Of zoo al, dan een tot speelman verloopen geestelijke of klerk, een dier vaganten of goliarden, gelijk er in de 12de en 13de eeuw zoovele rondzwierven: arme schooiers, tuk op een goeden maaltijd, en als GARGANTUA in extaze gerakend "au seul son des pintes et flacons"; verloopen studenten, wier ideaal was
in taberna mori, ubi vina proxima morientis ori
wien uit de engelenkoren de smeekbede reeds tegenklonk:
"Deus sit propitius isti potatori".
Want zoo ergens, dan vinden wij hier in onze literatuur de rechte speelmanspoëzie. Reeds uit den kort samengevatten inhoud van het gedicht kan dat blijken[34].
Het begin van het fragment brengt ons naar het land van den reuzenkoning ESPRIAAN. Wij zijn aan het zeestrand. Koning KAREL is juist met zijne "genooten" op een schip aangekomen. Onder zijn gevolg is een reusachtige beer, Wisselau genaamd, die zekeren GEERNOUT als zijn meester gehoorzaamt. Een reus die de wacht aan het strand houdt, wordt door Wisselau gedood. Nu komt koning ESPRIAAN met zijne reuzen. Op zijne vraag verneemt hij van GEERNOUT, dat er nog vier zulke beren in het schip gebonden liggen. Uit vrees noodigt ESPRIAAN koning KAREL en de zijnen op zijn kasteel. GEERNOUT trekt Wisselau een rok van vier kwartieren aan, dien hij voor hem had laten snijden ter gelegenheid van een hoffeest te Aken en volgt met den beer de overigen. Als zij aan ESPRIAANS burcht komen, loopt de portier op het zien van Wisselau jammerend van angst weg. GEERNOUT gelast den beer in de "gargoensche tale" (jargon) die zij beiden alleen verstaan, dat hij naar de keuken moet loopen, den opperkok bij het haar grijpen en in den soepketel werpen; daarna met den ketel de zaal binnenkomen, om de reuzen nog meer schrik aan te jagen. Dat geschiedt. Schenkers en drossaten komen de zaal binnenvliegen om ESPRIAAN te melden wat met den opperkok BRUGIGAL gebeurd is. Achter hen aan komt de beer met zijn grotesken last. ESPRIAAN wil vluchten, maar GEERNOUT trekt hem neer op zijn zetel. Wisselau gaat den kok verslinden; grimmig kijkt hij rond, zoodat de reuzen doodsbenauwd op de zaalbalken klimmen. De reuzenkoning smeekt GEERNOUT om hulp en deze belooft den beer mak te zullen maken. In zijn gargoensch zegt hij tot hem, dat zij een schijngevecht zullen houden; Wisselau moet zich daarin laten overwinnen. Nadat de worsteling geëindigd is, staan de reuzen verbaasd over de kracht van den kleinen man. GEERNOUT zegt schertsend tot den beer dat er niets meer te eten is; ESPRIAAN lacht, maar Wisselau wordt boos en schudt zich, zoodat de kostbare knoopen van zijn rok springen. Daarna werpt hij den rok op het vuur en gaat er voor zitten om zich te warmen. Daar zat hij als een jonker! Voor geen duizend mark zou een reus hem gelast hebben op te staan; zij blijven op veiligen afstand van het vuur en den beer. Een maaltijd wordt voor de gasten aangericht en men beraadslaagt over het nachtverblijf. Koning ESPRIAAN zou den beer gaarne kwijt zijn. GEERNOUT denkt er over hoe hij koning KAREL en zijne gezellen behouden weer uit het reuzenland zal brengen.--Daar eindigt het fragment.
De kern van dit verhaal kenden wij reeds van elders[35], ESPRIAAN of ASPRIAAN, zooals hij in de Duitsche sagen wordt genoemd, is een ontzagwekkende reus, die o.a. ook in het gedicht van koning ROTHER voorkomt als koning van het verre reuzenland. In eene Noorsche sage bevindt hij zich onder het gevolg van koning OSANTRIX, die naar de hand eener Hunsche prinses dingt; hij wordt vergezeld door zijne drie broeders: WIDOLF "mit der Stange", ATGEIR en AVENTROD. WIDOLF (elders WIDOLT) wordt door zijne broeders wegens zijne wildheid aan een keten meegevoerd; want, laat men hem los, dan slaat hij met zijne ijzeren stang woedend om zich heen.
Een deel dezer sage kan als tegenhanger van het Middelnederlandsch fragment dienen: WIDGA, THIDRIKS strijdgenoot in een gevecht van den held van BERN en ATTILA tegen koning OSANTRIX, is door WIDOLFS stang neergeslagen, door den vluchtenden vijand gebonden en meegevoerd. Hierop doen WILDIFER, een ander strijder van THIDRIK, en ISUNG, diens voornaamste speelman, gezamenlijk eene poging om den gevangene door list te bevrijden. WILDIFER laat zich in eene berenhuid naaien en wordt zoo door zijn gezel bij den halsband geleid. In 's konings hof aangekomen, slaat ISUNG meesterlijk de harp en op die tonen dartelt en huppelt zijn beer, dien hij _Vizleo_ (Witte leeuw) noemt, tot verbazing van allen. OSANTRIX wil nu ook den moed van het dier op de proef stellen; op eene schoone vlakte worden, in tegenwoordigheid eener groote menigte, zestig groote jachthonden op Vizleo losgelaten. De koning is ook aanwezig, vergezeld door zijne dienstmannen, onder welke zich de geboeide WIDOLF bevindt, geleid door zijn reusachtigen broeder ABENTROD. De beer grijpt den grootsten brak en slaat daarmede twaalf der beste honden dood. Toornig gaat de koning met ontbloot zwaard op den beer los en brengt hem een houw in den rug toe; het zwaard doorklieft de berenhuid maar stuit af op de "bronie" (maliënkolder) daaronder. Als OSANTRIX dan naar de zijnen wil terugkeeren, rukt WILDIFER zijn zwaard uit de handen van den speelman, loopt den koning na en houwt hem het hoofd af. Ook tegen de reuzen ABENTROD en WIDOLF keert hij zich en verslaat hen. WIDGA wordt bevrijd en keert terug tot THIDRIK.
In hoever nu in de Noorsche sagen, onder de gedaante van den beer, Thor schuilt en het berengevecht eigenlijk een strijd van zomer en winter moet voorstellen, is voor ons van minder gewicht. Duidelijk blijkt echter uit het voorgaande de samenhang van het Nederlandsch gedicht met andere, ook tot poëzie verwerkte, Germaansche sagen. Deze en dergelijke verhalen moet de dichter van den _Wisselau_ gekend hebben; daar heeft hij blijkbaar de elementen gevonden, die door hem in eigen trant zijn bewerkt en vereenigd. Het gedicht van koning ROTHER was in de Rijnlanden ontstaan en de herinnering aan den geketenden beer leefde daar ook in liederen als dat "von dem übelen wîbe" voort. Naar de oostelijke grenzen wijst ons dan ook niet alleen de taal van het gedicht, maar evenzeer de vorm van den naam _Wisselau_, die in het Nederlandsch _Wittelau_. zou moeten luiden[36]. In het oosten of zuidoosten des lands zal dit speelmansgedicht zijn ontstaan, waarschijnlijk kort na den tijd, waaruit ook de Duitsche speelmansgedichten dagteekenen--, nl. het laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw. MAERLANT kende ons gedicht reeds, want in zijn _Spieghel Historiael_ laat hij er zich afkeurend over uit. Tot tweemaal toe verwijt hij den dichters van beroep dat zij in hunne poëzie KAREL DEN GROOTE beliegen en onder andere gedichten van dien aard vermeldt hij ook "van bere Wisslau die saghe" en
Van bere Wisslau die snodelhede [Zijnoot: onwaardige, armzalige dingen.] ende meneghe favele groet ende cleine[37].
MAERLANT'S ergernis zal vermoedelijk vooral hebben gegolden, dat men een vorst als KAREL DEN GROOTE in zulk gezelschap bracht. Maar ook GEERNOUT met zijn beer kunnen hem niet behaagd hebben. In GEERNOUT toch hebben wij blijkbaar een dier zwervende speellieden voor ons, die er altijd zijn geweest en er nog zijn: beurtelings kunstenmaker, goochelaar, muzikant, dichter of ten minste zanger en voordrager, die niet zelden met gedresseerde dieren rondreisden. Een van het soort waartoe ook de "Sarrasijn" behoorde, "die voor mijn here speelde met eenen bere", van wien eene grafelijkheids-rekening der 14de eeuw gewag maakt[38].
Boven zulk volkje voelde een eerzaam klerk en gezeten burger als MAERLANT zich ver verheven.
De speellieden waren er vooral op uit, hun publiek te doen lachen; gedurig hooren wij in dit gedicht dan ook van _lachen_ en _scop_ (scherts) spreken. Die grappen waren niet van het fijnste soort; dat kan men verwachten: een beer, potsierlijk uitgedost in zijn rok met kwartieren als in een ridders wapenrok; een kok, gekookt in zijn eigen soepketel; een angstige portier, roepend, schreeuwend: "o wi, o wach!"; schenkers en drossaten die, hals over kop, een zaal komen binnenvluchten, zoodat hunne armen, beenen en hoofden het zwaar te verantwoorden hebben; de vraatzucht van een beer die zich zoo dik gegeten heeft, dat de knoopen hem van den rok springen als hij zich schudt; angstige reuzen op zaalbalken hunne toevlucht zoekend; een reuzenkoning, met schuine blikken naar zijn vreeselijken gast loerend--alles gruwzaam of grof, doch niet zonder zekere ruw-komische kracht en wel geschikt om de ruige lippen van ruwe poorters en boeren te plooien tot een breeden lach.
Een meester in de kunst was deze speelman evenmin als de meeste zijner gildebroeders; hij bekommert zich weinig om de overgangen in zijn verhaal, dat in reeksen van kort afgebroken volzinnen als met vlugge schokjes voortspoedt met veronachtzaming zoowel van de maat der verzen als van de zuiverheid der rijmen. Waartoe zou het hem ook gediend hebben, zorg te besteden aan rijm en maat? Zijn publiek was er onverschillig voor; dat publiek wilde aangenaam bezig gehouden, geboeid worden; hoe meer nieuws en wonderbaars hoe beter; op dit publiek, tot hetwelk de dichter zich meer dan eens richt, was alles berekend. Geen wonder voor wie in het oog houdt, dat deze dichters van hunne kunst leven moesten.
Tot datzelfde publiek moet in ongeveer dienzelfden tijd ook het gedicht _van Sente Brandane_ zich gericht hebben. Deze BRANDAEN was abt van een Iersch klooster. Eens zat hij te lezen in een boek dat allerlei verhalen van wonderen bevatte. Hij werd boos over zoo ongeloofelijke dingen en wierp het boek op het vuur. Een engel kondigt hem nu aan, dat hij tot straf voor zijn ongeloof met een aantal zijner monniken moet scheep gaan en negen jaren lang rondzwalken. Op hunne tochten zien zij zooveel wonderbaarlijks, dat den abt alle twijfelzucht vergaat. Nu mag hij naar zijn klooster terugkeeren en sterft kort daarna.
De kern van dit verhaal is reeds in de 10de eeuw te vinden in een Latijnsche legende: _Peregrinatio Sancti Brandani Abbatis_ en werd later in verscheidene Europeesche talen, zoowel in proza als in poëzie, bewerkt. Waarschijnlijk is deze stof tusschen 1173-1180 aan den Neder-Rijn in een rijmwerk behandeld en misschien niet lang daarna in het Nederlandsch vertaald[39].
Dat wij hier het werk van een speelman voor ons hebben, kan niet betwijfeld worden door iemand, die ook maar eenigszins op de hoogte is van deze soort poëzie. Evenals in den _Oswald_ en den _Orendel_ hebben wij hier eene half-ascetischen half ridderlijken zeetocht (de _Brandaen_ spreekt van "recken"); vooral in het gedicht van _Hertog Ernst_ vinden wij tal van wonderbaarlijke zaken en personen die ook hier voorkomen: zoo b.v. de leverzee en den magneetberg; de schitterende karbonkels; het prachtig paleis, met de in den muur gegraveerde dieren; de menschen, met zwijnskoppen en kranenhalzen, in zijden gewaden, gewapend met bogen; de vermelding der Pygmeeën. Een kluizenaar die op een eenzame rots woont, vindt men weer in het verhaal van _Sint Oswald_.
Dat ook in den _Brandaen_ drossaten en schenkers voorkomen, die veroordeeld zijn om na hun dood dorst te lijden, zoodat ze in honderd jaren geen droppel water binnen krijgen, is een der vaste trekken van de speelmanspoëzie[40]. Het was een onschuldige wraakneming der speellieden op degenen die hen onder hunne voordracht niet voldoende van nat en droog hadden voorzien.