Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 39

Chapter 393,699 wordsPublic domain

Ghi goede liede, hoort na mi! Selke boerde en hoerdi nie Als ic u hier sal vertellen.

Maar ook sproken en andere ernstige stukken zullen zeker wel eens voor de mindergegoede standen zijn voorgedragen. De sproke van de edelvrouw, die "vigilyen" voor de dooden placht te lezen, richt zich niet tot edele heeren of vrouwen, doch tot "alle... eist wijf of man", en aan het slot van een notabel lezen wij: "Secht "amen" die hier zijn omtrent[14]."

Nog altijd was de literatuur bestemd in de eerste plaats om te worden voorgedragen en gehoord; ook zelfs een populair-wetenschappelijk werkje als _die Cracht der Mane_; ook een prozawerk als het _Leven van Jezus_ richt zich tot degenen "die dit lesen (voorlezen) selen ende hoeren lesen". Het verzoek om stilte en aandacht blijkt ook in deze tijden nog niet overbodig. Evenals in de 13de eeuw werd de voordracht van poëzie nog wel door muziek begeleid. In den aanvang der boerde _van Heile van Berseele_ ten minste wordt het vertellen van schoone avonturen genoemd in verband met "vedelen en singhen" en "somtijd spelen metter harpen". De taverne zal wel--wij hoorden het reeds van den zwervenden meistreel--de plaats zijn geweest waar men de meeste kans had een rondreizend dichter aan te treffen en zijne voordrachten bij te wonen. Een jonkman die gaarne met goede gezellen uitgaat, gaarne een rooden mond ziet en lachende vrouwenoogen, vertelt ons hoe hij "te wine" of "te biere" zit:

Ende hoor daer singen ende boerden spreken.

Voor een droge keel wist de voordrager zich te wachten; aan het slot der zedenschets _van den man die gherne dranc_--een dorstige stof--klinkt het:

Nu, gheeft mi drincken metter vaert Want drincken dat es al mijn aert[15].

Tusschen de overgroote meerderheid der hoorders van eenig literair werk zagen wij in een vroeger tijdperk hier en daar ook eenige lezers. Die lezers zullen langzamerhand talrijker worden, al blijven zij nog lang tevens hoorders.

Onder een zich ontwikkelend volk, onder eene zich ontwikkelende burgerij vooral, neemt de vraag naar literatuur in dezen tijd steeds toe. De literatuur van een vroeger tijdvak vindt nog altijd aftrek; de werken der 13de eeuw immers zijn ons bewaard gebleven vooral in afschriften der 14de eeuw. Doch ook de geschriften van tijdgenooten worden door afschrijvers vermenigvuldigd. De bescheiden RUUSBROECK was er niet op gesteld dat men zijne werken langs dezen weg onder de menschen bracht. Slechts heimelijk durfde een priester, die zijn "notarius" geweest was, Heer JAN'S werk aan eenige bewonderaars toevertrouwen tot het nemen van een afschrift[16].

Adellijke heeren en vrouwen wekken schrijvers op tot het samenstellen van een of ander letterkundig werk. Zij wenschen een stuk dat men hun waarschijnlijk eerst voorgedragen heeft, in bezit te hebben. Zoo schenkt in 1360 de Graaf VAN BLOYS 19 schellingen en 4 stuivers aan JAN BOT den "segger", "want hi ene sproke gemaect hadde, ende in gescrifte overgaf, van minen here van Byamont, des God ghedenke"; in 1398 krijgt de spreker van Monickedam "die mynen here een sproke van de Vriezen overgaf" twee "nye gulden"[17]. Men begint een boek als een geschenk te beschouwen: jonkvrouw JOHANNA VAN BLOIS krijgt voor haar Paschen "enen nuwen boexkine" ten geschenke, "daer in stont onser Vrouwen legende"[18]. Ook uit andere feiten blijkt ons, dat de adel prijs stelt op boeken: de Vlaamsche graaf ROBRECHT VAN BETHUNE bezit een boek van _Godefroi de Bullion_, van _Merlin_ en de _contes du Barisiel_; een Henegouwsch edelman, GODEVAERD VAN NAAST (± 1337), bezit reeds eene kleine boekenverzameling: _le message Carlemaigne_, de geschiedenissen _d'Aëlis et l'Empereur et du roy Ingres_, van _Atis et Prophelias_, van _Sidraach_, van _Mainnet_, de _Aventures d'Oultremer_ en den _Veus dou Paon_.

Lezen de Leliaerts Fransch--de Clauwaerts houden zich aan hun Vlaamsch.

Welk een belangstelling in literatuur en wetenschap spreekt er uit de boeken, die wij in de tweede helft der 14de eeuw in het bezit vinden van aanzienlijke en eenvoudige Gentsche burgers. De handschoenmaker JAN DE BEERE heeft een _Bestiaris_, een _Lucidarius_, een _(Wapene) Martin_, een boek _van den Landsheren_ en _Evangeliën in vlaems_. WILLEM VAN DEN PITTE, lakensnijder en eerste schepen, is eigenaar van den "_Spieghel Ystoriaelle_ in twee bouken ghescreven". Meester SYMOEN ELYAES, waarschijnlijk een chirurgijn, bezit een _Barlaäm_, een "cleennen" _Spieghel_" en "een deel van der Biblen". De Clauwaert JAN WASSELINS heeft een heele bibliotheek. Evenals de twee eerstgenoemde Gentenaars heeft ook hij een "Bibele in vlaemsche"; maar wat heeft hij al niet meer! Zijne boekerij is bijna een kort begrip onzer middeleeuwsche literatuur, voorzoover daarin de voorname genres behalve het lied en het drama vertegenwoordigd zijn. Wij vinden onder zijne boeken geestelijke werken over _de Passie_, over _Adam en Eva_, _van der Zielen_ en _van der ghuldene baghe_; ridderromans _van Ogier, Seghelijn, Isenbaert_[19]; zedekundige werken en leerdichten: van SENECA, "_Pietagoras bloume_", _Jans Testye_, een paar "doctrinaelen", een _Bestiaris_, _Melibeus_, een _Wapene Martijn_; een historisch werk over de Pausen en een Kroniek van Vlaanderen, Brabant en Frankrijk; wetenschappelijke geschriften over astronomie en medicijnen. Ook "_een bouc van Reynaerde_" ontbreekt niet[20].

Zouden deze Vlamingen de eenige bezitters van boeken geweest zijn? Met het oog op het groote aantal handschriften der 14de eeuw, zal men wel mogen aannemen dat er verscheidene andere boekenliefhebbers waren. De lust tot lezen bracht meer boeken te voorschijn; die boeken brachten op hunne beurt meer menschen aan het lezen. JAN BOENDALE waarschuwt wel tegen de lezing van ijdele boeken, maar toch:

Alse ghi den tijt corten wilt, In u camere ghi u sluten silt Ende roepen uwen sceppre an; Oft ghi selt boeke hebben dan Van Gode oft van goeden zeden Ende niet van idelheden Ende selse lesen oft doen lesen[21].

De _Melibeus_ spreekt niet alleen van _lezen_ maar ook van _overlezen_ en broeder GHERAERT, de Karthuizer-prior, neemt in zijn afschrift van RUUSBROECK'S _Tabernakel_ ook meeningen van anderen op, opdat "een subtijl ende verlicht lesere yet orberlics [Zijnoot: nuttigs.] daer uut moghe _mediteren_"[22].

Naast de voordracht van proza of poëzie, die zoo gemakkelijk ten ooren invloeide en geen tijd liet tot overpeinzen van wat men niet onmiddellijk begreep, komt nu langzamerhand het nadenken over het gelezene, het worstelen met een stuk dat men niet dadelijk vat. In een vroeger door ons genoemd allegorisch gedicht zien wij vier personages, die elk een der temperamenten voorstellen, bezig met een lied waarvan zij den zin niet kunnen vatten. Nu spreken zij af:

Dat si souden al ghemeen Studeren, peinsen, nacht ende dach, Bezien wiet eerst ghevinden mach[23].

Dit critisch lezen vindt een tegenhanger in het critisch vergelijken der onderscheiden handschriften van één werk om daaruit een goeden tekst samentestellen. Devote bewondering van RUUSBROECK'S geschriften bracht een lateren bewoner van Groenendaal tot het verzoek aan alle minnaars der waarheid, om onderscheiden exemplaren van een werk des meesters te vergaderen "op dat sy doch uut enighen, of nu uut den eenen, dan uut den anderen, den gherechten sinne vinden ende setten moghen."[24].

_c_. CRITIEK EN THEORIE. INVLOED DER LITERATUUR. LETTERROEM.

Langs deze en dergelijke wegen ging zich de literaire critiek langzamerhand ontwikkelen.

De vorige eeuw had hare geboorte gezien uit het verschil in aard, temperament en smaak der menschen. MAERLANT had zich ook hier weer een vertegenwoordiger van zijn tijd getoond, want in zijn werk vooral vinden wij die klachten over het "beniden", de "niders" en de "nidechede" onder degenen voor wie zijn werk bestemd was[25]. Doch in de 14de eeuw zien wij de critiek toenemen. BOENDALE en de auteur van _Der Mannen ende der Vrouwen Heimelycheit_ klagen over de "beniders" evenals hunne voorgangers in dezen; doch in een didactisch stukje van een hunner tijdgenooten, zien wij de critiek zich uitbreiden ook tot hen die in wetenschap of muziek zich onderscheiden, en daardoor de ijverzucht van anderen opwekken. Want zóó laag is de opvatting van critiek in 't algemeen nog, dat men haar toeschrijft in de eerste plaats aan ijverzucht of afgunst.

In het bovenbedoeld stukje lezen wij:

Predict een cleerc die waerheit Of toecht een zijn meesterie, Pijpt hi, zyncht hi, of dichte seit, Of spel toecht of melodye, Ezels ende rude saeftiere [Zijnoot: broddelaars, knoeiers.] Die der consten niet en weten een haer, Sullen bi ombekender maniere [Zijnoot: uit gemis aan ontwikkeling.] Haestelic vinden daer an een "maer"[26].

Doch niet alleen op andermans werk ook op eigen werk en talent gaat de literaire critiek zich richten.

De samenstellers van _Sinte Amands Leven_ en van _de Tien Plaghen_ beseffen wel dat zij geene "meesters" in de kunst zijn, dat "diepheit van dichtene" en "sproken van cunsten fijn" hunne zaak niet is. De bewerker van den _Spieghel der Sonden_ is zich ook wel van iets dergelijks bewust; doch hij acht dat van geringe beteekenis: "de rime" moge van minder allooi zijn, wat schaadt dat, indien de _Spiegel_ maar helder is[27]?

En dan, de critiek was niet louter afkeuring. MAERLANT brengt zijns ondanks hulde aan de bevalligheid der ridderpoëzie waartegen hij in later tijd te velde trok en BOENDALE volgt hem ook in die hulde. MAERLANT zelf werd bewonderd en geprezen door wie na hem kwamen en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT na zijn dood geroemd als "een constenare fijn."

Zelfs zouden wij een oogenblik kunnen meenen, dat men toentertijd te onzent reeds beroeps-critici gekend heeft, wanneer wij gewag hooren maken van

Die meerkeren ende de wijsen Die de grote cunste prisen[28].

Doch ook al laten wij deze plaats uit een sterk Duitsch-getint gedicht ter zijde, dan nog blijkt uit al het voorafgaande wel, dat men aan poëzie en alles wat haar raakt meer gewicht gaat hechten dan vroeger.

Reeds het veelvuldig gebruik van den droom als poëtischen vorm wijst op een hooger opvatting van poëzie. De dichters wilden hierdoor op naïeve wijze te kennen geven dat poëzie iets buitengewoons is, iets dat buiten of boven de gewone werkelijkheid staat. Het visioen der mystieken breidt zich in steeds breeder en flauwer wordende kringen over ons volk uit.

Dichtkunst en poëzie worden opgenomen onder de stoffen van het dagelijksch gesprek, zij het dat wij daarvan vooralsnog slechts één bewijs kunnen bijbrengen: HILLEGAERTSBERCH laat "een leeck dichter" en een "clerck" zich onderhouden over "dichten ende const". JAN VAN HULST (of welke andere Vlaamsche dichter ook) acht het der moeite waard, ons het dichten, componeeren en opschrijven van een lied tamelijk uitvoerig te beschrijven.

Geen auteur van dezen tijd leert ons de toenmalige opvatting en beschouwing van dichters en dichtkunst beter kennen dan JAN BOENDALE.

In den proloog van zijne _Teestye_ doet hij ons reeds eenige bekentenissen over zijne neiging tot en zijne beschouwing van poëzie. Hoog is die beschouwing niet; de neiging tot poëzie komt bij hem voort uit afkeer van ledigheid, doch tevens uit zijne natuur; poëzie is vermoeienis des geestes, doch daarom verzaakt hij haar niet. Hij hoopt zich met deze "reyne onlede" [Zijnoot: bezigheid.] bezig te houden, zoolang God hem het leven gunt, en zijn talent aan te wenden ten dienste van zijn beschermer, Heer ROGIER VAN LEEFDALE[29].

Veel gewichtiger echter voor ons doel is het bekende hoofdstuk uit het derde Boek van _der Leken Spieghel_.

Het heeft BOENDALE getroffen, dat in zijn tijd zooveel leeken naast de "clercken" optreden als dichters; daarom acht hij wenschelijk uiteen te zetten, wat noodig is om een recht dichter te zijn. Wenschelijk, want: "dichten en is geen spel." Drie dingen zijn noodig: een dichter moet de taalkunde en de kunst van schrijven verstaan; waarheidlievend moet hij zijn en eerzaam van leven. Hij moet zich toeleggen op schoone taal en de woorden te voegen "elc na sinen scoonsten accoorde", hij moet juist schrijven en spellen, begrip hebben hoe men een stuk moet opzetten, voltooien, en stevigen door kracht van voorbeelden. Leeken, die van dit alles, de kunst der "gramarie", geen verstand hebben, deugen niet voor dichter; zij missen den onontbeerlijken grondslag.

Een poëet moet de waarheid liefhebben. Want hij wenscht toch, dat men zijne geschriften leze en blijve lezen. Wordt hij nu op onwaarheid betrapt, dan zal men hem niet meer gelooven en zijn dichternaam is verloren. Er zijn bovenal twee dingen, waarin hij niet mag liegen: historische feiten en de Bijbel. "Eere wien eere toekomt", dat zij de leus van den rechten geschiedschrijver; onwetendheid, gunst en afgunst doen de waarheid vaak verzwijgen--maar men bedenke, dat leugen de ziele doodt en dat wij rekenschap moeten geven van elk ijdel woord. Terecht is JACOB VAN MAERLANT, "die vader is der Dietsche dichtren algader", zoo uitgevaren tegen de leugendichters, die met vernuft en in mooie taal allerlei onwaarheid verteld hebben van historische personages als KAREL DE GROOTE en OCTAVIANUS. Zoo vertelt men van KAREL dat hij indertijd uit stelen gegaan is, dat hij door zijn vader op een kar bij een dienstmaagd verwekt is; van OCTAVIANUS dat hij bij Leuven geboren is "ten Zeven Tommen" [Zijnoot: bij de zeven graven.]. Alles leugens! Zulken leugenaars moest men het dichten verbieden! 't Is waar, zij willen de menschen iets nieuws opdisschen om er geld of eer mede te winnen. Ja, men vertelt wel eens verzonnen dingen, zoo b.v. van Reynaert en Izegrim en Bruin den beer; maar daar is het te doen om leering en wijsheid. God zelf sprak immers ook in parabelen!

Het tweede, waarin men geen onwaarheid spreken mag, dat zijn heilige boeken, levens der heiligen en alles wat tot de heilige Kerk behoort; want die heeft haar grondslag in JEZUS CHRISTUS, die alleen de waarheid is.

Wil hij in zijn werk de menschen op het rechte pad brengen, priesters en ridders deugd en wijsheid leeren, vaak hen berispen, dan moet hij zelf een deugdzaam man zijn. Leeringen wekken, voorbeelden trekken. Let eens op de dichters die er vroeger waren: MOZES, (FLAVIUS) JOSEPHUS, ARISTOTELES, CATO, SENECA, PLATO, HORATIUS, OVIDIUS, HIERONYMUS die den Bijbel vertaald heeft--allen dichters in eere en deugd. Niemand heeft ooit JACOB VAN MAERLANT op een leugen betrapt, want zijn leven was eerzaam, zooals een dichter past.

Dichter moet men zijn van nature; zijt gij door de natuur niet tot dichter gemaakt, dan zal niemand u kunnen leeren hoe gij het worden zult. Rechte dichters moet men op hoogen prijs stellen. Zij zijn onmisbaar; want de Bijbel, alle recht en wet, ons geloof, onze handvesten en onze geschiedenis--alles zou verloren zijn gegaan, hadden de dichters het niet in hunne geschriften bewaard.

Ten slotte wil ik u zeggen, wie dichters geboren zijn.

De een dicht om een liefje, de ander om roem te winnen, weer een ander om geld--maar dat is de rechte poëzie niet; zulke menschen dichten uit winstbejag, zonder natuurlijke aandrift

Een rechte dichtere, God weet, Al waer hi in enen woude, Dat hi nemmermeer en soude Van dichtene hebben danc, Nochtan soude hi herde onlanc [Zijnoot: zeer korten tijd.] Sonder dichten daer gheduren, Want het hoort te sire naturen: Hi en mochts niet laten, al woude hi. Dichten moet uut herten vri Comen ende uut claren zinne, Daer God behoude inne Elken dichter die waerheit mint.

Aldus eindigt de eerste Nederlandsche poëtiek. Misschien mogen wij zeggen: de eerste Europeesche poëtiek die in eene moderne volkstaal geschreven is; mij althans is in geen der moderne literaturen een vroeger of gelijktijdig geschrift bekend dat met dit hoofdstuk van JAN BOENDALE vergeleken kan worden. Reeds om die reden acht ik deze verhandeling van groote beteekenis; doch ook om andere redenen.

Het had BOENDALE getroffen dat de poëzie langzamerhand uit de handen der meistreelen en "clercken" overging in die der burgerij; en daar de dichters voor hem blijkbaar de dragers van het ideaal zijn, tracht hij de komende dichters in het rechte spoor te brengen. Vandaar zijne omschrijving der eischen waaraan een dichter behoort te voldoen. Zij moeten ontwikkelde mannen zijn, wier leven in overeenstemming is met hunne poëzie. De waarheid moeten zij voorstaan, al wordt het begrip _waarheid_ hier nog in zeer beperkten zin opgevat. Het gewicht van het nieuwe in de literatuur heeft BOENDALE reeds gevoeld; hij heeft ook beseft dat ware poëzie geboren kan worden slechts uit belangelooze aandoening en aandrift, en niets gemeen kan hebben met eenige zelfzucht. Waar hij er op wijst, hoeveel de menschheid aan de poëten te danken heeft, herinnert hij even aan niemand minder dan SHELLEY die in zijne _Defence of Poetry_ deze gedachte heeft uiteengezet met een rijkdom van gevoel en wetenschap en bekleed met een heerlijkheid van taal, waarvan de Antwerpsche schepenklerk zich geene voorstelling heeft kunnen vormen.

Doch hoe onvolkomen en gebrekkig in menig opzicht de berijmde verhandeling van dezen ook moge zijn, zij blijft een merkwaardig literair-historisch stuk. Al ware zij ook onvolkomener dan zij is, dan nog zouden wij BOENDALE dankbaar moeten blijven voor dezen eersten stap op een onbetreden weg; niet het minst voor die fraaie slotregels, waarin voor de eerste maal in deze lage landen bij de zee verkondigd is, dat men dichter geboren moet zijn en dat een recht dichter zingt, "al zong hij zichzelve' alleen"[30].

BOENDALE'S uiteenzetting van den invloed der literatuur op de ontwikkeling der maatschappij kan worden aangevuld met een paar staaltjes van dien invloed, ontleend aan zijn eigen tijd.

MAERLANT, vervolgd door de geestelijkheid wegens zijn Rijmbijbel, heeft ons reeds vroeger getoond dat men de macht der literatuur in de volkstaal ging beseffen. MELIS STOKE maakt zich ongerust over de wraakzucht van het publiek; bij de beschrijving van een gevecht acht hij het veiliger dappere strijders en lafaards niet bij name te noemen; hij kent zijne tijdgenooten als hardhandig en geen vrienden van halve maatregelen[31]. In het verhaal _van den borchgrave van Couchi_ wordt een page die een verboden lied zingt, opgehangen aan een boom[32].

Begon de literatuur zoo eenerzijds invloed te oefenen, anderzijds bracht zij soms roem aan de schrijvers. De dichters van _Sinte Amands Leven_ en van _Theophilus_ vreezen dat hun naam zal bekend worden en dat men dan hun werk zal toeschrijven aan roemzucht; Broeder GHERAERT, de Karthuizer, verbaast er zich over dat RUUSBROECK zoo volslagen vrij is van "ydelre gloriën"[33].

Die afwezigheid van roemzucht in den prior van Groenendale verhoogde zijn roem, versterkte en verbreidde zijn invloed ook op de auteurs die na hem kwamen. Zoo werden ook MAERLANT'S aanzien en invloed op latere schrijvers verhoogd door de vervolging waaraan hij bloot stond.

In VELDEKE'S invloed op de Hoogduitsche literatuur, in den invloed door MAERLANT en RUUSBROECK geoefend op de schrijvers die na hen kwamen, hebben wij in onze literatuur de eerste voorbeelden van de literaire vorming welke een volgend geslacht van het voorgaande ontvangt.

AANTEEKENINGEN

[1] Vgl. Mr. S. MULLER FZ., _De Registers en Rekeningen van het bisdom Utrecht_ (ao 1325, 1329, 1332), I, 567, 383; _Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche huis_ (ed. HAMAKER), III, p. 49, 92 vlgg.; _Cameraars-rekeningen_ (ed. VAN DOORNINCK), I, 47, 84; II, 20, 308, 783; III, 498, 518 (ao 1339, 1340, 1360, 1365).

[2] Vgl. _Oudste Burgemeesters rekening van Middelburg_ (ao 1364), uitgeg. door het Historisch Genootschap in _Codex Diplom. Neerl._, 1853, II, p. 5, 6. _Oudvl. Lied. en Ged._, p. 267 en _Versl. en Med. Kon. Akad._, 3e Reeks, XII, 164, vs. 144.

[3] Vgl. _Dits et Contes de Baudouin de Condé...._ par AUG. SCHELER, I, 153: _Li Contes des Hiraus_; I, 448 een citaat uit de _Hist. Litt. de la France_, XXIII, 272; "A la fin du XIIIe siècle la profession des hérauts etc."

In het tweede der vier boven aangehaalde verzen staat in den tekst _lecken berden_. VERDAM wil hiervoor lezen: _leckeberden_ in den zin van _flikflooien_. Doch op andere plaatsen schijnt dat w.w. niet voor te komen (_Mnl. Wdb._ i.v.). De emendatie blijft dus twijfelachtig voor mij. Wat beteekent _bert_ hier? In de beteekenis _schotel_ schijnt het niet voor te komen. Kan het misschien _(wapen)bord_ beteekenen? Zoo ja, dan zouden wij daarin een duidelijker toespeling op de herauten hebben.

[4] _Belg. Mus._, VII, 318.

[5] _Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen_, bl. 63; _Cam. Reken._, III, 1, p. 624 (ao 1366); III, 2, p. 239 (ao 1369); _Reken. der Graf. v. Holland onder het Heneg. huis_, III, 385; _Goede Boerden_, p. 37 vlgg.

[6] Al deze sprekers worden vermeld in de excerpten der _Grafelijkheids-rekeningen_ achter JONCKBLOET'S _Mnl. Dichtk._, Deel III. COLPAERT in _Vad. Mus._, I, 50. De Holsteinsche _Hopezomer_ wordt ao 1392-'3 _jong_ genoemd en kan dus niet dezelfde zijn als zijn naamgenoot de heraut.

[7] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 114.

[8] _Vad. Mus._, I, 335, vs. 44 vlgg.; _Vierde Martijn_, vs. 789-791; _Van den Borchgrave van Couchi_, I, 94 vlgg.

[9] Die naamdichten (voor _Marie, Liegaert, Lauwerette, Violette Calle_ e.a. volgens aanwijzing van ARNOLD in _D. War._, I, 542) in _Oudvl. Lied. en Ged._

[10] _Grimb. Oorlog_, I, 12-21; _Sp. der Zonden_, vs. 7739-'40; _Oudvl. Ged._ (ed. BLOMMAERT), III, 115; _Teestije_, vs. 1615 vlgg.; 922 vlgg.; _Lekensp._, III, c. 4, 190-2. Misschien zouden wij in dit verband ook de zonderlinge _Tweespraak van Scalc ende Clerc_ moeten behandelen (vgl. TE WINKEL, bl. 310; ook m.i. is zij stellig niet van MAERLANT). Doch zoolang wij dit gedicht slechts in zoo gebrekkigen tekst kennen, is het beter zich van een oordeel te onthouden.

[11] Vgl. _N. Doct._, vs. 19 vlgg.; _Leven Van S. Amand_, 1379 vlgg.; _Theoph._, 28-29; _Mnl. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 12; _Vaghevier van S. Patr._, 24-26; _Bed. der Missen_ aan het slot; _Mnl. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 41 vlgg.; _S. Kerstine's Leven_, vs. 151-3; _Der Ystor. Bloeme_, 36-40, 725 vlgg.

[12] Over LOD. VAN VAELBEKE vgl. _Lied in de Midd._, bl. 587; maar vooral: VANDER STRAETEN'S _Les Ménestrels aux Pays-Bas_, p. 88 suivv. OTTE VAN ORLEIEN, _Vad. Mus._, II, 394; de hand van een geestelijke of clerck meen ik te zien in _Couchi_, II, 1628 vlgg., 1746-'7, 2171 vlgg.; de bedoelde wapendichten in _Belg. Mus._, V, 104 vlgg.; het groot aantal assoneerende rijmen in _Jonitas en Rosafiere_ (zeker een 40-tal op 1200 verzen) zou aan een volksdichter doen denken; de rijmen van BOUDEN VAN DER LOREN zijn over het algemeen zuiver, terwijl men in de overige wenschliederen nog al wat assoneerende rijmen aantreft. Over JAN VAN HULST vgl. een artikel van ARNOLD in _D. Warande_, (N. Reeks), I, 542 en de Inleiding tot de _Oudvlaemsche Lied. en Ged._ Een nauwkeurig onderzoek der onderscheiden liederen en gedichten van dezen bundel zal misschien meer zekerheid brengen aangaande de makers of den maker; het komt mij voor dat althans de twee groote allegorische gedichten op bl. 233 vlgg. en 314 vlgg. van dezelfde hand zijn die vele der liederen schreef: op bl. 266 vindt men een viertal verzen die hier en daar letterlijk herinneren aan eenige uit het lied op de "kerels". Vgl. ook bl. 311-312 met no. 36, no. 103, no. 140 (de kleuren). De liederen op bl. 247, 261, 276, 279, 280, 294, 303, 311 herinneren door vorm en inhoud aan vele der 145 die den bundel openen.

Op bl. 459 wordt Brugge genoemd als woonplaats van den dichter;

juist dat gedicht vertoont in de aanvangsletters zijner laatste verzen den naam JAN MORITOEN; dezelfde als JAN VAN HULST? Over den zanger EGIDIUS te verg. no. 98 en no. 100 der _Oudvl. Lied. en Ged._; op p. 470 van dien bundel eene klacht die aan hem doet denken; voorts _Tijdschr. v. Ned. T. en L._, XI, bl. 286-7, 289-292.

[13] _Belg. Mus._, X, 69.