Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 38
[28] Vgl. _Horae Belgicae_, X, no. 39 en _Het Lied in de Midd._, bl. 605 vlgg. Het lied is ons ongelukkig in een zeer bedorven redactie overgeleverd; dat blijkt reeds uit de rijmen nu eens "overslaghend" dan paarsgewijze geplaatst, uit de volgorde van couplet 24 en 25 enz.
[29] Uitgeg. in den bovengenoemden bundel _Oudvlaemsche Liederen_ enz.
[30] De bundel en dit vraagstuk moeten beide nauwkeuriger onderzocht worden. Tot de critiek van den tekst heeft VERDAM eene bijdrage geleverd in: _Tijdschr. v. N.T. en L._, IX, 273 vlgg. Vgl. voorts: _Het Lied in de Midd._, bl. 256 vlgg.; L. GAUTIER, _Les Epop. Franç._ (2e éd.), III, 555 en A. DARMESTETER, _De Floovante_, p. 78: "Hodie demonstratum est" etc. Dr. A. NIJLAND, _Gedichten uit het Haagsche Liederhandschrift_ en de critiek van Dr. FRANTZEN in _Taal en Letteren_, 1896, afl. 3.
[31] Vgl. no. XXXVIII en CXXI.
[32] Vgl. b.v. no. XXXVII; dat begint hoofsch genoeg: "Woude mi de vrouwe mijn" enz.; maar het refrein is in gansch anderen toonaard gezet: "In 't scade van tween witten dien" enz.
[33] Scheidliederen zijn no. 70, 86, 96, 108; aan de wachterliederen doet no. 72 denken; nieuwjaarsliederen zijn no. 59, 60, 75, 76: in no. 45: "den Mey die ic u minlic gheve"; voorts no. 2, 15, 33, 35, 51; de "niders" in no. 84.
[34] no. 96, 125, 140 (opgenomen in _Het Lied in de Midd._, bl. 269-270), 58. Beurtzangen in no. 5, 7, 21, 53, 54, 55, 68, 71, 75, 91.
[35] no. 16, 17, 26, 27, 38, 42, 71, 86, 121.
[36] _Vad. Mus._, II, 197, vs. 61 vlgg. Op het laatste blad van het bekende Hulthemsch hs. waaraan ook dit stukje ontleend is, leest men: "Dits een rondeel.... Vrou met eren... nacht. Ene ander maniere den bom" geschreven boven muzieknoten (_Vad. Mus._, III, 141). _Bonghe_, _bom_ wordt in het _Mnl. Wdb._ verklaard met _trom_; maar in de _Oudvl. Lied._, no. 38 wordt van de _snaren_ der _bonghe_ gesproken.
[37] Vgl. _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIV, 260 vlgg.
[38] Vgl. _Oudvl. Lied._, no. 56, 41, 45, 49.
[39] Boek III, c. 43.
[40] Een deel onzer wetenschap aangaande dit merkwaardig lied hebben wij te danken aan een degelijk onderzoek van Prof. R.C. BOER. (_De Gids_ van Mei 1899). Den tekst vindt men o.a. in: _Hor. Belg._, II, no. 3. Vgl. voorts _Het Lied in de Midd._, bl. 117 vlgg. en _Middelned. Historieliederen_ door Dr. C.C. VAN DE GRAFT, bl. 48 vlgg. Ook nog VAN LENNEP'S _Vondel_, III, 350 noot op vs. 113-114. Over de bekendheid van het lied in lateren tijd vgl. _Het Lied in de Midd._, bl. 694, 708, 714, 715, 729, 734.
Opmerking verdient ook dat wij in de geschiedenis van Frankrijk in de 16e eeuw een verhaal vinden dat op sommige punten eene treffende overeenkomst vertoont met de hier behandelde sagen. Vgl. HOOFT'S _Henrik de Groote_ (ed. van 1704), p. 23: de geschiedenis van _Antonis Nantoillet du Prat_.
[41] De tekst o.a. _Hor. Belg._, XI, no. 16. Vgl. voorts: Dr. PAUL FRÉDÉRICQ, _Onze Historische Volksliederen_, bl. 16. (F. zag het eerst de beteekenis van den zonderlingen titel _van cort Rozijn_). Dr. V.D. GRAFT a.w. bl. 62. Dr. TE WINKEL, _Gesch. der Ned. Lett._, bl 453. De beide laatste auteurs nemen aan dat met de dochter van den Graaf van Vlaanderen Gent wordt bedoeld. Mij komt dat weinig waarschijnlijk voor; vooral omdat Gent aan Zegher v. K. volstrekt niet een "fier ghelaet" toonde en er voor den Zegher van het lied niet de minste reden was om de stad Gent te onteeren.
[42] Zie die liedjes medegedeeld door Prof. FRÉDÉRICQ en Dr. V.D. GRAFT in de aangeh. werken, bl. 18 vlgg. en p. 69 vlgg. Ook in VAN VLOTEN'S _Ned. Geschiedzangen_, bl. 44 en 56.
[43] _Willelmi capellani in Brederode.... Chronicon_ (ed. C. PYNACKER HORDIJK), p. 1-3. Het eerste gedeelte opgesteld in 1322 (zie Inl. XVI). Dat dit eerste deel "krioelt van grove vergissingen": dat WILHELMUS Duitsche koningen verwart, dat het huwelijk van graaf WILLEM met ALEID VAN GELRE reeds in 1197 geschied was enz., is voor onze beschouwing van weinig gewicht. Van belang voor ons is, _dat_ de kapelaan deze geschiedenis in 1322 zóó voorstelt.
[44] VERDAM in: _Versl. en Meded. Kon. Akad._, 4e Reeks, Dl. II, 156.
[45] _Mnl. Gedichten_ (ed. N. DE PAUW), I, 101 vlgg. Blijkbaar bestaat _Onser Vrouwen Claghe_ uit twee afzonderlijke gedichten, duidelijk genoeg van elkander onderscheiden. Bij vs. 186 begint het tweede gedicht; dat blijkt bovendien uit de rijmen die van hier af paarsgewijze loopen, terwijl vs. 1-185 vier aan vier zijn gerijmd, al is de tekst slordig overgeleverd.
[46] A.w. I, 56, 332-'4.
[47] A.w. I, 245.
[48] VERDAM t.a.p. bl. 170.
Voor de overige hier vermelde stukken verwijs ik den lezer naar de genoemde werken en de _Oudvlaemsche Lied. en Ged._, bl. 1 vlgg.
[49] Vgl. _Mnl. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 101 vlgg., vs. 243; BLOMMAERT, _Oudvl. Ged._, II, 116, vs. 175-6; 119, vs. 179-182; 120, vs. 137-140.
[50] Ook in de Hoogduitsche poëzie dier dagen zulke personages; vgl. de bovengenoemde dissertatie van Dr. A. NIJLAND, bl. 60.
[51] Vgl. BLOMMAERT, _Theophilus_, (Gent, 1858), bl. 38 vlgg. en PETIT'S _Bibliographie_ i.v. In het Fransch bestaat eene "Desputaison du corps et de l'âme" die naar den inhoud overeenkomst toont met ons gedicht. Vgl. P. DE JULEVILLE a.w. II, 209-210. Voorts _Romania_, IX, 311; XX, 1-55, 513-578 en _Zeitschr. f. rom. phil._, IV, 74-80. Een afzonderlijk onderzoek zal misschien de verhouding der beide gedichten kunnen bepalen.
[52] Vgl. _D. War._, II, 352; III, 242; _Belg. Mus._, II, 237. Indien men let op den bouw van het laatste stuk (telkens drie coupletten van 8, 12 en 12 verzen, dan zal men eer aan drie tweespraken denken, drie variatie's op één thema waaruit een sprookspreker kon kiezen, dan aan ééne).
[53] De stukken, hier niet nader aangeduid, zijn te vinden: _D. War_, VII, 377; IX, 6, 142; _Vad. Mus._, II, 151; _Oudvl. Lied. en Ged._, bl. 380, 395, 398, 404, 409, 417, 440, 474; _Versl. en Meded. der Kon. Akad._, 3e Reeks, Deel XII.
[54] De hier bedoelde stukken en nog andere van dien aard vindt men in _Vad. Mus._, I, 296 vlgg.; II, 146 vlgg.; Dissertatie van Dr. A. NIJLAND, p. 185; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 94 vlgg.; _Tijdschr. v. N.T. en L._, III, 177 vlgg.; XI, 210 vlgg.; XI, 285 vlgg.; XII, 97 vlgg.; XVI, 306 vlgg.
Vogel-spreuken vindt men behalve _Vad. Mus._, I, 319-321, ook nog in het Haagsche hs. no. 721, fo 3, vo en achter een ter Kon. Bibl. aanwezig bundeltje, getiteld: "Dit boecxken hout in sulcke manieren" etc.
Vgl. voorts nog: _Jahrbuch des Vereins für niederd. Sprachforschung_, no. XI, 171; XIV, 101 flgg. (Deze laatste aanwijzing dank ik mijn vriend VERDAM).
[55] Zie deze stukken in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XI, 210, 289 en _D. War._, I, 134.
[56] _Vad. Mus._, I, 82, 86, 322, 324.
[57] Beider werken vindt men in BLOMMAERT'S _Oudvl. Ged._, II en III.
[58] _Tijdschr. v. N.T. en L._, XII, 103.
[59] Men vindt de hier bedoelde stukken in VERWIJS' _Van Vrouwen ende van Minne_, p. 1, 8, 40, 42; _Vad. Mus._, I, bl. 80, 318; KAUSLER, _Denkm._, III, 162; BLOMMAERT, _Oudvl. Ged._, II, 111-120; _Tijdschr. v. N.T. en L._, XI, 286, vs. 15; XII, 103.
In _Achte Persone Wenschen_, vs. 20 te lezen _'t Gelach_ in plaats van _'t Gelaet_ dat geen zin geeft en ook niet in overeenstemming is met vs. 179-180.
[60] In de _Oudvl. Lied. en Ged._, bl. 233 vlgg. De invloed van den roman _van de Roos_ op onze letterkunde werd nog versterkt door Fransche navolgingen. Zoo schreef de Henegouwsche dichter WATRIQUET DE COUVIN er een, getiteld _Li Mireoirs as Dames_ (eerste helft der 14e eeuw). Vgl. _Dits de Watriquet de Couvin...._ par A. SCHELER, p. 1 suivv.
[61] Vgl. o.a.: _Van Vrouw. e.v. Minne_, bl. 37 vlgg.; _Belg. Mus._, VII, 229; X, 84; _Vad. Mus._, I, 373, 377; Dissertatie van Dr. A. NIJLAND, bl. 152 vlgg.; _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIX, 269 vlgg. (misschien aanvang der 15e eeuw); _Oudvl. Lied. en Ged._, bl. 314 vlgg.
[62] _Vad. Mus._, I, 366-369, 387-391. Voorts: _Die gereimten Liebesbriefe des deutschen Mittelalters...._ von ERNST MEYER. (Marburg. 1899). Op bl. 88-92 behandelt de S. in "_Die niederländischen Liebesbriefe_", een paar voorbeelden van dit genre uit de 15e eeuw; het is jammer voor zijn werk dat hij deze vroegere voorbeelden niet gekend heeft.
[63] _Vad. Mus._, I, 369.
[64] _Vad. Mus._, I, 393.
[65] Dissertatie Dr. NIJLAND, bl. 199.
[66] _Goede Boerden_, no. VIII en no. VII.
ONTWIKKELING VAN HET LITERAIR LEVEN.
_a_. Meistreels. Sprekers en andere dichters.
_b_. Publiek. Voordragen en Lezen. Het Boek.
_c_. Critiek en Theorie. Invloed der Literatuur. Letterroem.
_a_. MEISTREELS. SPREKERS EN ANDERE DICHTERS.
Nog altijd trekken meistreels en herauten door deze landen met vedel, trompet en beltrom. Wij ontmoeten hen als boden b.v. der Heeren VAN ARNHEM, VAN ARKEL, BRONKHORST met eene kennisgeving aan de schepenen van Deventer van huns heeren huwelijk of met een andere opdracht. Van een enkele hunner kennen wij den welluidenden naam: in het jaar 1365 vinden wij den heraut HOPEZOMER in de _Cameraars-rekeningen_ vermeld[1]. Nog altijd beoefenen zij naast de muziek de kunst van het woord. Meester JAN VAN VLAERDINGHEN, die genoemd wordt onder de "menistreylen" die in 1364 te Middelburg "vor 't sacrament ghenghen", wiens vrouw en dochter ook tot de meistreelen behoorden, treedt elders op als dichter. In het toenmalig woord _vedelsage_ [Zijnoot: praatjes voor de vaak.] zien wij dat verband tusschen muziek en woordkunst uitgedrukt en in overeenstemming daarmede het woord _vedelaar_ gebruikt om een _dichter_ (misschien een liederdichter) aan te duiden[2].
Naast de menestrelen vinden wij ook nu nog de herauten. Ook zij zijn werkzaam als dichters. Zoo wordt melding gemaakt van "des heren hyraut ende sengher van Gaesbeke"; een "mynstreel", maar ook van "Jan Dyllen den yraut, die voer mijns heren tafel sprac". Doch de meistreels hadden als dichters hunne beste dagen gehad en gaan het tooneel ruimen voor anderen. Hebben de herauten hen ook hier te lande op den achtergrond gedrongen? In Frankrijk was dat, naar het schijnt, het geval. Naarmate de heraldiek zich ontwikkelde en steeds meer aandacht vroeg en verkreeg, steeg het aanzien der herauten en nam dat der meistreels af. Misschien heeft de dichter eener merkwaardige samenspraak tusschen een paar menestreelen uit dezen tijd het oog op de herauten, wanneer hij een meistreel tot den ander doet zeggen:
En condi geen reinaerdie, Smeken [Zijnoot: vleien.], no leckeberden [Zijnoot: flikflooien?]", Men sal segghen: "gaet uwer verden [Zijnoot: gaat heen.], Hier en es u nu niet te doene [Zijnoot: heeft men u niet noodig.] ."[3]
Doch in allen gevalle is het wel opmerkelijk dat de dichters, die vanouds de banierdragers der ridderlijke idealen waren geweest, niet die idealen zelve op den achtergrond raken. Verreweg de meesten hunner gaan zich uitsluitend aan de muziek wijden. Sommigen hunner laten het beroep varen en vestigen zich onder de burgerij; anderen zetten het zwervende dichtersleven voort. Een paar vertegenwoordigers dier beide soorten zijn het die wij in de bovenvermelde samenspraak tegenover elkander vinden. De een, die zich "ter neringhe geset" heeft, ontraadt den ander het voortzetten van het zwervend leven: vroeger ging het goed, toen de heeren mild waren en goedgeefsch jegens de meistreels; toen kon men van zijne kunst leven--maar nu? menigeen sterft van gebrek en armoede. De ander erkent de waarheid dier woorden ten deele; maar--zegt hij--ik eet zoo menigen brok, ik drink zoo menigen beker in de taverne, waar ik met weinig moeite aan kom, dat ik de "wandelinghe" niet kan laten.--Met hoevele zwervers is het slecht afgeloopen, herneemt de eerste; denk eens aan GIELIJS VAN TRECHT, aan JAN VAN LIER, aan meester JAN METTER HUVEN [Zijnoot: muts, kapje.], die allen op hunne tochten het leven hebben verloren. Welnu--is het antwoord--die kregen hun verdiende loon, en dan, ik kan eenmaal mijn vrijheid niet opgeven; word ik eens zóó oud dat ik op krukken moet gaan, kom mij dan nog eens vermanen[4]!
Zóó scheiden zij. Deze zwerver, die zijn zwerversleven lief heeft, is een type dier dagen. De gansche 14de eeuw door blijven wij hem aantreffen. Nog in 1396 worden "piperen, heralden, ministrelen" in één adem genoemd met de "varende lude"; onder deze "varende lude" vond men de reizende dichters in gezelschap van blinde guitaarspelers, meesters "van suptilen drachten" [Zijnoot: behendige kunstgrepen.], gasten die een levend "hoofd van Jut" op hunne schouders droegen, zooals zekere Brabander, "die hem up sijn hooft liet slaan hoe seere [Zijnoot: hard.] men woude"; onder hen ook de mislukte studenten, zooals die, aan wien wij de gewilde dwaasheid van "de frenesie" te danken hebben[5].
Niet alle meistreels geven hun beroep op of blijven zwerven. Sommigen hunner blijven de kunst getrouw, doch laten, naar het schijnt, de muziek varen om zich uitsluitend aan de woordkunst te wijden. Dezen zien wij gedurende de tweede helft der 14de eeuw in deze landen optreden onder den naam van _sprekers_ of _zeggers_. Velen hunner zijn, evenals vroeger de menestreelen, verbonden aan den dienst van bijzondere heeren: zoo vinden wij gewag gemaakt van "des heren spreker van Zevenberghen", "des hertoghen spreker van Gulic", van "meester JAN, een spreker die bi den here van Abcoude is", "eenen seggher uut Zeelant, die seide dat hi heren Vranken knecht van Borssel was"; "enen spreker die bi den here van Wassenaer placht te wesen", "des heren spreker van Gaesbeke", "enen spreker die den here van Lymburch toebehoorde", "enen spreker toebehorende den here van Gistel". Dat deze dienstmannen van adellijke heeren het wapen van hun heer droegen op hunne kleedij, mag men vermoeden uit een rekeningpost, die spreekt van "enen vreemden spreker sonder wapen".
De burgerij volgde ook hier den adel na en nam "stadssprekers" aan; zoo vinden wij BOUDEWIJN VAN DER LORE als stadsspreker van Gent; "Meyster PETER VREUGDEGAER, den seggher van Breda", "den spreker van Monickedam". Misschien waren ook meester JAN VAN VLAERDINGHE, AUGUSTIJNKEN en MEEUS VAN DORDT, "Meester JAN, de dichter van Sente Gheerdenberghe", "GODEKIJN, de spreker van Tricht", "meester JAN VAN MACHELEN", "DAEM, de seggher van IJsselsteyn" en BERTELMEEUS VAN DELF stadssprekers; zij kunnen echter ook, evenals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH genoemd zijn naar hunne woonplaats en als vrije sprekers hebben rondgereisd.
Onder de sprekers zal natuurlijk, evenals vroeger onder de menestrelen, verschil van ontwikkeling en aanzien hebben bestaan. Sommigen spraken "voor mijnen here den grave" en konden als AUGUSTIJNKEN VAN DORDT van zich zelven zeggen:
Want ghi bi heren, bi hoghen vrouwen Te sijn pleecht.
Anderen die zonder naam worden vermeld als b.v. "twee segghers ut Brabant", "twee duytsche segghers" zullen van minder aanzien geweest zijn. Doch bij gemis aan gegevens is het moeilijk hier scheidingslijnen te trekken en eene plaats te wijzen b.v. aan: Meester HERMAN den spreker, SNELRYEM den spreker, "den Jonchere van der minnen", "JANNES DEN COSTER" en zoo menig ander.
Een paar sprekers, AUGUSTIJNKEN en zekere COLPAERT--indien deze tot de sprekers gerekend mag worden--kenden Latijn; WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH daarentegen, toch een aanzienlijk spreker, kent het niet.
Dat wij naast deze Dietsche sprekers verscheidene Duitschers vinden, kan ons in het Beiersch tijdvak niet verwonderen; in het gevolg der Beiersche graven of Duitsche edelen of althans in hunne omgeving zullen wij een "blinden dichter van Mens" moeten zoeken, sprekers van "Beem" (Bohemen), Trier, Keulen, Westfalen; een spreker "die men hiet Ghetuose" en "enen jonghen spreker van Holsten, gheheten HOPEZOMER." Tegenover deze Duitschers vinden wij slechts een enkelen Franschman: "CUDELIER, des conincs spreker van Vrancrike"[6].
Opmerkelijk echter mag heeten dat de Noordnederlanders zoo talrijk zijn, zoowel onder de ons bekende sprekers als onder de overige dichters van dezen tijd, die wij niet met zekerheid onder de sprekers kunnen rangschikken. Tegenover eenige weinige sprekers en dichters van Gent, Mechelen, Brussel staan vele uit Noord-Nederland. Misschien zijn vele sprekers uit het Zuiden ons in hunne werkzaamheid vooralsnog onbekend; doch in elk geval blijkt wel, dat de bewoners der Noordelijke gewesten in de tweede helft der 14de eeuw meer dan vroeger gaan deelnemen aan de beoefening der literaire kunst. Evenals hunne voorgangers, de meistreels, doen ook deze beroepsdichters niets voor niets: geschenken in geld of kleeren zijn het loon waarvoor zij hunne kunst ten gehoore brengen. AUGUSTIJNKEN VAN DORDT, die een el wit laken krijgt voor een paar kousen, een paar laarzen met sporen om er "mijns heren zomer [Zijnoot: lastpaard.] mede te riden", mag ook hier als type zijner soort gelden.
Ook elders vertoonen zich in de literatuur van dezen tijd dichters, die voor geld verzen leveren, al weten wij niet of wij daar met eigenlijke _sprekers_ te doen hebben. Zoo begint een stichtelijke opwekking tot menschen van allerlei nering of bedrijf met deze regels:
Omme 't ghebrec van goeden lone Blijft menich rijm te makene scone Van den dichters openbaer Die lustelic te hoorne waer[7].
In een allegorisch gedicht over een burcht, die _Vaste Hoede_ heet, deelt de auteur ons mede, dat hij aan de burchtvrouw verzocht had hem een onderwerp voor een gedicht te geven, "want ic met dichtene mi ghenerde". Met het voordragen van _boerden_ vielen kostelijke kleeren te verdienen; "constenaers", die in een herberg een "nieuwen zanc" ten gehoore brachten, werden daarvoor beloond[8]. Dat de berijmde minnebrieven en minne-naamdichten van dezen tijd op verzoek en voor geld gemaakt zijn, valt niet te bewijzen; doch hunne volslagen kleurloosheid zou doen vermoeden, dat zij gemaakt zijn door anderen dan door de minnaars zelven en dan zeker niet voor niet[9].
Verzen maken voor geld of ander loon, de dichtkunst opgevat als een beroep--dat scheidt deze dichters van andere, die andere beweegredenen hadden tot dichten.
Die anderen waren zich wel bewust dat zij tegenover de beroepsdichters stonden; immers niet zelden laken zij dezen in hunne geschriften. De auteur van _den Grimbergschen Oorlog_ berispt de "consteneren die hem met dichten generen", omdat zij verzonnen en onware zaken vertellen; in den _Spieghel der Sonden_ worden speellieden en goochelaars genoemd in één adem met degenen, die "valsche rime visieren" [Zijnoot: verzinnen.]; in een ander didactisch werk vinden wij een waarschuwing tegen de "smekende [Zijnoot: vleiende.] menestrelen". JAN BOENDALE volgt zijn meester ook in diens afkeer en afkeuring van de meistreelen; in zijne _Teestije_ laat hij zich minachtend uit over hen:
Die asaghen [Zijnoot: sprookjes.] ende tureluren [Zijnoot: beuzelpraatjes.] Dichten vander avonturen.
Scherp laakt hij het in de edelen, dat zij hun goed geven aan rabouwen, meistreels en herauten, opdat deze hen zullen prijzen en hun lof overal verkondigen; een mooie lof, voegt hij er aan toe, die door "knechten en boeven" gegeven wordt! En in zijn _Lekenspieghel_ klinkt het nog eens schamper: zoo zijn de "yrauden": noode komen zij thuis eten, als zij het elders gratis kunnen krijgen[10].
Behalve JAN BOENDALE zijn ons slechts enkele dichters, die tot deze groep behooren, bij name bekend. Hunne beweegredenen tot dichten mogen onderling verschillen, alle wortelen zij toch in het godsdienstig of zedelijk gemoedsleven. De Ypersche chirurgijn JAN DE WEERT b.v. had vrij wat wereldsche poëzie gedicht vóórdat hij zijn _Nieuwen Doctrinael_ schreef, om daarmede de dichterzonden zijner jeugd te boeten. Als dichter van _Sinte Amands Leven_ kennen wij den jongen geestelijke GILLIS DE WEVELE van Brugge. Deze legt er den nadruk op, dat hij met zijn werk geen "winninghe van gelde" of ander loon beoogt; zijn loon wacht hij slechts van God. Een andere beweegreden, door hem genoemd, is angst voor de "ledicheit", immers ook heden nog des duivels oorkussen. Een lofdicht op MARIA werd geschreven uit "groote vreeze", blijkbaar voor de vergelding die den zondaar wacht. Het _Vagevier van Sinte Patricius_ dankte zijn ontstaan aan het verlangen des dichters om den boozen afkeer van hunne boosheid in te boezemen. Andere geestelijke dichters vragen: bid voor mij die dit schreef, of beloven den lezers kwijtschelding van zonden[11].
Is ook de liefelijke sproke _van Beatrijs_ te beschouwen als een soort van boetedoening? Zekerheid hebben wij hier niet. De dichter (dichteres?) vangt zijn werk aan met:
Van dichten comt mi cleine bate; Die liede raden mi dat ict late Ende minen sin niet en vertare
Doch het is bezwaarlijk uit te maken of met deze "bate" al dan niet geldelijk voordeel bedoeld is; of wij hier een beroepsdichter vóór ons hebben die zijn beroep vaarwel zegt, of een leek, die vroeger wereldsche poëzie had gedicht en nu iets beters wil geven.
Dit is trouwens niet het eenige geval, waar wij in onzekerheid blijven omtrent de personen der dichters van de 14de eeuw. Van sommige kennen wij de namen, doch ook weinig meer; van andere weten wij zelfs den naam niet en naar hunne persoonlijkheid kunnen wij slechts gissen. Wij weten dat LODEWIJK VAN VAELBEKE een bekend menestreel is geweest, die in den aanvang der 14de eeuw stierf en zich naam had gemaakt o.a. door zijne "stampiën" (misschien eene soort van dansliederen). OTTO VAN ORLEIEN schreef eene "bedinghe van onsen Here", die niets karakteristieks heeft; de samensteller van _die Cracht der Mane_ heette HEINRIC VAN HOLLANT. Als dichter van den _Seghelyn van Jeruzalem_ noemt zich LOY LATEWAERT, dien wij om zijne literaire kennis en aanhalingen van door hem zelven vertaald Latijn voor een eenigermate ontwikkeld man moeten houden. Was hij misschien een "clerck", verbonden aan den dienst van een edelman? Diezelfde gissing zou men willen wagen ten opzichte van den man, die ons het verhaal _Van den borchgrave van Couchi_ naliet; bij den _Malegijs_ en de overige ridderromans van dezen tijd zal men over het algemeen misschien eer aan meistreelen dan aan "clercken" moeten denken.
In een aantal vierregelige wapendichten op de edelen, die met WILLEM IV in Friesland sneuvelden, meen ik de hand van een heraut te herkennen. Elders kunnen wij zelfs geen gissing wagen. Wie schreef b.v. den geestelijken roman _Van Jonitas en Rosafiere_? BOUDEWIJN VAN DER LORE noemt zich als auteur van _Achte Persone Wenschen_; doch wie schreef de overige wenschliederen? Hier staan wij in een duisternis, die bij voortgezet onderzoek misschien zal verdunnen tot den nevel, waarin wij een dichter als JAN VAN HULST zien, een zanger als die EGIDIUS, wiens dood ons gemeld wordt in dat roerend klaaglied dat aanvangt:
Egidius, waer bestu bleven? Mi lanct na di, gheselle mijn! Du coors [Zijnoot: verkoost.] die doot, du liets mi tleven. Dat was gheselscap goed ende fijn, Het sceen, 't een moeste ghestorven sijn[12].
_b_. PUBLIEK. VOORDRAGEN EN LEZEN. HET BOEK.
Het publiek waarvoor deze dichters optraden, wisselde af evenals vroeger naar gelang van de poëzie en van den voordrager.
Voorname sprekers, zooals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT, zullen zich vooral tot de aanzienlijken hebben begeven om hun werk voortedragen. Dat blijkt wel uit het "heren en cnapen", waarmede zij hunne hoorders niet zelden toespreken. Menige sproke zal ook wel in de eerste plaats voor den adel bestemd zijn geweest. Zoo wordt in _de Mantel van eren_ het wapenschild beschreven van den edelen ridder, wiens lof hier was verkondigd: "van lazure // met twee ramshorne van goude"[13]. In een andere sproke echter, van het Jodenmeisje dat Christin wordt, spreekt de dichter zijn publiek aan met: "gi goede liede"; diezelfde uitdrukking vindt men in het heiligenleven _van Sint Amand_, doch afgewisseld door: "ghi lieden alle ghemeene... knapen, joncwive, vrouwen ende heeren." Dat de boerden vooral voor de burgerij bestemd waren zou men op zich zelf reeds vermoeden; dat vermoeden krijgt meer zekerheid door een aanvang als: "Alle swighet ende hoert," of: