Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 37
Doch daarmede niet tevreden, brengt men spreuken in bundels samen en alzoo onder de menigte. Sommige daarvan zijn in onbruik geraakt; ik heb het oog op een aardige spreuk als:
Boven macht piint men dicke om haven [Zijnoot: geeft men zich moeite om rijkdom.], Want noot doet oude quenen [Zijnoot: vrouwen.] draven.
Andere herkennen wij ook in dezen vroegeren vorm:
Hi en dunct mi niet te sere riesen [Zijnoot: dwaas zijn.], Die van tween quaden dminste can kiesen.
Of:
Met dommen dom, met wisen wijs, Want het es nu der werelt prijs.
Verscheidene dier spreuken worden ook in een Hoogduitschen vorm teruggevonden, o.a. in den bundel die bekend staat onder den naam _Fridankes Bescheidenheit_.
Gaarne ook liet men menschenwijsheid vertolken door vogels. Soms houden deze "voghel sproexkene" verband met het karakter dat men een of anderen vogel toekende. De raaf, een onheilsvogel, zegt b.v.:
Here, dune machs niet genesen [Zijnoot: behouden blijven.] Du en wilt [Zijnoot: tenzij gij wilt.] scalc und ontrou wesen.
De koekoek, een "beroemech" vogel volgens onze voorouders, omdat hij altijd van zich zelven spreekt, zegt:
Oetmoedecheit salmen miden, Want hoverde geet voren tallen tiden.
Doch vaker is dit verband tusschen vogelkarakter en spreukwijsheid niet aanwezig en kan men het ontstaan dezer vogelspreuken slechts verklaren uit hetzelfde samenleven met de natuur, dat ook vroeger het lied of den roep van zoo menigen vogel vertolkte met menschenwoorden die er eenigszins op leken[54].
Al dat opvoeden door middel van de poëzie ging langzamerhand vrucht dragen: het zedelijk onderscheidingsvermogen gaat zich ontwikkelen; men begint scherper oog te krijgen voor eigen feilen en gebreken, en vooral--het waren ook toen immers maar menschen?--voor die van anderen. De critiek begint zich te doen gelden en invloed te oefenen, voorshands vooral op het zedelijk leven. De mannen die zoo gereed waren bij elk geschil naar zwaard of mes te grijpen, beginnen in te zien dat geen zwaard zoo scherp is als de menschelijke tong:
Ten snijt gheen zwert so grievelijc zeere Als tonghe, die rovet des menschen eere.
Menigeen moet zich onbehagelijk gevoeld hebben onder het besef dezer toenemende critiek. Als tolk van dezulken treedt zekere EGIDIUS op met een naïeve klacht over het eeuwige "begrijpen" [Zijnoot: aanmerkingen maken.] der menschen, waaraan men niet ontkomen kan: ga ik dikwijls naar de kerk--ik ben een schijnheilige; laat ik het--ik ben erger dan een hond; draag ik een wapen--ik ben een vechtersbaas; laat ik het thuis--ik heet een lafaard; praat ik veel--zijn mond gaat als een Lazarusklep; zeg ik weinig--hij speelt stommetje; loop ik veel in de taveerne--de hel is zijn voorland, hij zal er nog alles doorbrengen; kom ik er weinig--'t is een saaie Piet! "Jeghen quade tonghen helpt geen weeren"; EGIDIUS ziet er niets anders op dan de tien geboden houden en de heilige kerk volgen; zóó alleen kan men rust vinden in "dit ellendighe erdsche dal."
Anderen zijn niet zoo zachtmoedig tegenover de "begripers" gestemd. Dat voorbeeld willen zij niet volgen, zij willen liever op zich zelven letten:
Mijns selfs ghebrec cleeft an mi vast. Dat anderen weecht, es mi gheen last. Ic hebbe te draghene ghenouch an tmijn, Twi [Zijnoot: waartoe.] soudic yemens begripere zijn?
En tot den "begriper" zeggen zij:
So wie dat spreken wille up mi, Bezye hem selven, wie hi zi. Es hi goet ende al de zine, So eist mi te mindre pine[55].
Doch wie zich ook aan de critiek ergeren mocht, zij zweeg daarom niet. Het zaad, door MAERLANT uitgestrooid, dat wij reeds zagen opkomen in de leerdichten, droeg ook hier vrucht bij genoemden en ongenoemden. Ongenoemde dichters hekelden in hunne verzen het bandeloos leven in sommige kloosters en het kroegloopen; een ander geeft ons een aardig zedentafreeltje van vrouwen en meisjes die vóór het avondeten buitenshuis op de straat komen zitten en het zoo vermoeiend vinden op te staan en te nijgen wanneer een kennis voorbijkomt en den kaproen licht; weer een ander zingt ironisch den lof van de "plaesteraers" [Zijnoot: vleiers.] en besluit telkens een couplet met het refrein: "ic moet emmer [Zijnoot: volstrekt.] plaestren leeren"[56].
Onder de ons bij name bekenden vinden wij een paar "sprekers", die wij spoedig als dichters van beroep nader zullen leeren kennen: BOUDEWIJN VAN DER LOREN, waarschijnlijk een Gentenaar en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT. Hunne niet talrijke werken geven ons eenigszins een beeld van de in dit hoofdstuk behandelde poëzie.
BOUDEWIJN'S _Maghet van Ghend_ (omstreeks 1381) geeft een kijkje in de vijandige verhouding tusschen die stad en den graaf van Vlaanderen, LODEWIJK VAN NEVERS. AUGUSTIJNKEN'S gedicht "van (den) Sceepkene" is eene allegorische voorstelling van den droevigen toestand waarin de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten deze landen gebracht hadden. Allegorie vindt men ook in zijn _Borch van Vroudenrijc_, eene voorstelling van het lichaam en de vijf zinnen Hekelt BOUDEWIJN personen en toestanden zijner dagen op scherpe wijze in de "edele sproke": _Dits Tijt's verlies_, AUGUSTIJNKEN schroomt niet, zich zelfs tot de pausen te richten:
Petrus leyde oetmoedich leven, Daden die pausen diere gelike, Dat soude schinen in Kerstenrike.
Ook het stichtelijk element der hiervoor behandelde poëzie vinden wij terug in zijn gedichten over _de Schepping, Sinte Jans Ewangelium, van der Rycheit ende van der Doot_[57].
Beide "sprekers", doch vooral AUGUSTIJNKEN, bezaten wel eenig talent. In BOUDEWIJN'S _Tijt's verlies_, in het laatstgenoemde stukje van AUGUSTIJNKEN, tevens zijn laatste werk, zijn hier en daar wel aardige verzen. Ook is er iets aantrekkelijks in zijn "_Sceepken_": dat bootje, drijvend in de Merwede, waar de dichter "in 't risen van der sonnen" instapt, waarin hij zich laat drijven op goed geluk, totdat hij eindelijk de riemen ter hand neemt--geeft ons eene aardige verzinnelijking der verbeelding die "vaart spelen daar draaiboom sluit noch hek."
Beter dan hun werk echter is dat van hun kunstbroeder WILLEM VAN HILLEGAERSBERGH geschikt om ons de verhalende en lyrische poëzie, in een kort bestek samengevat, op nieuw te doen zien. Vóórdat wij daartoe overgaan hebben wij echter nog die minnepoëzie te beschouwen, die naar den geest wel verwant is met het minnelied, doch in vorm van deze verschilt en vooral eenige nieuwe trekken zal toevoegen aan de daar gegeven voorstelling.
_d_. MINNEPOËZIE.
Duidelijk is ook in de minnelyriek, die niet tot het lied behoort, de invloed der hoofsch-ridderlijke opvatting van de liefde te zien. De vrouwendienst, zooals wij dien vroeger hebben leeren kennen, komt in al deze stukken op den voorgrond, gewoonlijk in verband met allerlei herinneringen aan het ridderwezen. Het bijna 900 verzen tellend gedicht _Van der feesten_ bevat een uitvoerig overzicht van de leer der minne, op scholastieke wijze verdeeld in deelen en "poenten". Wij vinden hier antwoorden op de vragen: wat minne is? waardoor men minne kan verwerven en weer verliezen? wie gestadiger zijn in de liefde: vrouwen of mannen? eene uiteenzetting wordt gegeven van de wijze, waarop de vier onderscheidene temperamenten zich in de minne openbaren. Waarschuwingen tegen het roem dragen op vrouwengunst, aansporingen tot het "helen" van den naam zijner liefste of "vrouwe" zijn niet zeldzaam. Telkens en telkens wijzen de dichters op de voortreffelijkheid der vrouwen.
Duidelijk zien wij dat vooral in een stukje, dat getiteld is: _van XII cnechten [Zijnoot: schildknapen.] die ruddren worden van heeren_ [Zijnoot: eere.]. Twaalf dappere schildknapen hebben, zonder van elkander te weten, een edele vrouw om minne aangezocht. Aan elk hunner geeft zij ten antwoord: eerst moet gij met de wapenen eere verwerven; dan zult gij uw loon ontvangen. Allen trekken de wereld in en worden ridders met eere. Teruggekeerd vragen zij om hun loon. Gij hebt het reeds ontvangen, zegt zij, in uw met eere verworven ridderschap.
Deze voorstelling, volgens welke de vrouw de belichaming is van de ridderlijke idealen, vindt men ook in andere dezer gedichten, schoon nergens zoo duidelijk.
Het is wel mogelijk dat een deel dezer werken voor een ridderlijk publiek zijn bestemd geweest; doch andere waren zeker voor de burgerij bestemd, ook al bevatten zij ridderlijke voorstellingen. Zoo ziet men ook in deze poëzie den invloed door den eenen stand op den anderen geoefend.
Midden in een verzameling spreuken van didactisch-burgerlijk karakter treft ons deze spreuk:
Spere, schilt, helm ende sweert _Hebben_ gode ridders weert[58].
Het Recht wordt voorgesteld als eene edelvrouwe met hare honden op jacht; uitdrukkingen, ontleend aan het ridderwezen, worden ook in de burgerlijke poëzie al talrijker. Meer dan eens vinden wij herinneringen aan de ridderromans; in het gedicht _Van der Feesten_ worden er ettelijke genoemd; het Koningspel uit den roman _van Limborch_ is verwerkt tot een afzonderlijk stuk; de "vijf heren" en "vijf vrouwen", wier "wenschen" ons worden medegedeeld in een paar stukken, die waarschijnlijk afkomstig zijn van een of anderen spreker, behooren thuis in Troje; de "vier heeren", die wij voor het vuur zien zitten in een ruime zaal en die zich met "wenschen" den tijd korten, zijn helden uit het _Nibelungen-lied_. Opmerkelijk is, dat in BOUDEN VAN DER LORE'S _Achte Persone Wenschen_ een ridder en een edele jonkvrouw met geestelijken en nonnen en eene getrouwde burgervrouw zitten te drinken om het gelag[59].
De lust tot allegorie, dien wij in de stichtelijke en didactische poëzie opmerkten, vertoont zich ook hier. Hier openbaart zich de invloed van den roman _van de Roos_ zelfs in eene rechtstreeksche navolging. Wij bezitten nl. een gedicht van dezen tijd van meer dan 2000 verzen, dat blijkbaar in navolging van dat beroemde werk is gedicht en dat bovendien ook verwantschap toont met een deel der hier behandelde stichtelijke, didactische en minnepoëzie. Wij vinden ook hier den droom als inkleeding, de wandeling buiten, het zien van een kasteel, de ontmoeting met allegorische personages als Vrouw Hope en Twifel; later komen de vijf zintuigen: Heer Nouwe-zien, Heer Smakelijn, Rieke-lucht, Licht-gevoel en Hoor-na. Zij komen voor den zetel van Vrouwe Zuverheit, waar Jonkheer Lust en Jonkvrouwe Jeucht ook tegenwoordig zijn, met de heeren Melancholie, Collorijn en de overige temperamenten[60].
Het verstandelijk element, zichtbaar in deze allegorische minnepoëzie, openbaart zich ook in de overige lyriek van minne, die van burgerlijke dichters afkomstig was. De liefde wordt in de poëzie aangewend als een verstandsspel tot scherping van het vernuft. Een reeks van raadsels en vragen aangaande de minne, onder den titel _Der Minnen Guet_, was blijkbaar bestemd om door een spreker te worden gebruikt bij zijne voordrachten. Ook de dialogen en "twistspraken" over de minne hadden de strekking om in gezelschappen de wellicht eenigszins trage geesten gaande en de tongen los te maken. De spreker vertelde b.v. van twee gezellen, die uitgenoodigd worden mede te trekken naar het land van Overzee en die hunne liefjes vragen wat zij moeten doen; het eene meisje stemt toe, het andere weigert. "Nu, welc harer hadde den besten wille?" luidt de vraag aan het slot van het gedicht. Elders zijn wij tegenwoordig bij een "strijd van minne" tusschen een ridder en eene jonkvrouw, tusschen "Vrouw Venus en een gheselle". Ook de bovenvermelde "wenschdichten", al handelen zij niet uitsluitend over de minne, zijn met deze gedichten verwant. Een volledig pleidooi vinden wij in het _Jugement van Vrouw Venus_, al is dat gewichtiger als voorstelling der middeleeuwsche procesvoering dan om zijne literaire waarde[61].
Daalt het minnedicht hier af tot het gezelschapsspel, het moet ook dienst doen als huwelijksmakelaar. Het conventioneel genre van den berijmden minnebrief, dat men in de Oudfransche en Middelhoogduitsche literatuur aantreft, werd in de 14de eeuw ook in de Nederlanden beoefend. Een vijftal Dietsche stukken van dezen aard zijn volgens het gewone model vervaardigd en hebben dus weinig eigens; titels als "ene vriendelike groete van enen lieve ten anderen" en "noch een vriendelike saluut van minnen" wijzen eer op invloed der Oudfransche "saluts d'amour" dan op dien van Middelhoogduitsche "liebesbriefe." In zulk een "saluut" zong een verliefd jonkman den lof eener schoone, verklaarde haar zijne liefde, verzocht om antwoord, hetzij een "brief" hetzij "eene tafele" [Zijnoot: gewast schrijftafeltje.], sloot ook wel eens eene roos in die hij dan als antwoord terugverzocht[62]
Poëzie die zulke diensten moet doen, kan kwalijk hare eer ophouden. Dat blijkt uit deze stukken. Wat is er geworden van den trotschen GUNTHER, den edelen RÜDEGER, den grimmigen HAGEN, die in de 13de eeuw toch nog indruk maakten? Het is hun vooral te doen om te lachen, met mooie vrouwen uit visschen te gaan, te eten en drinken, reien en dansen. Bij BOUDEN VAN DER LORE zit een aanzienlijk ridder met eene maagd van hoogen geslachte met monniken en nonnen te drinken--om het gelag! Het kan ons niet verwonderen dat wij een kindergrap onzer dagen als die van GRIET die men door een komma ten hemel of ter helle doet varen, reeds onder deze minnepoëzie aantreffen:
Ic minne een wijf die scande geert Nemmermeer si pijnt na ere; Wijflijcheit hat hare onweert [Zijnoot: minacht haar.] Nicht [Zijnoot: niet.] haren prijs kan si meerren. enz.[63].
Slechts bij uitzondering vinden wij onder de minnepoëzie van den hierboven behandelden aard iets goeds, zooals b.v. in deze verzen:
Ende of ic troest sochte an hare Ende sijt ontseide, wat lagher an? Ic sal haer claghen mijn mesvaren; In sal [Zijnoot: ik zal het niet doen.]; ic sal; in sal nochtan! Ic ware een verloren man, Ghelijc den snee in sonnenschine, Hope ende troest dies ben ic van [Zijnoot: mis ik.]! Ay lacen, die scouden [Zijnoot: schul(en).] die sijn mine![64]
Waar wij verder iets aardigs aantreffen, daar is het spot met de hoofsche sentimentaliteit. Van dien aard is eene sterk Duitsch-getinte klacht van minnewee, die besloten wordt met deze regels:
Doe ich har clagede minen noot, Vragede zi mi: "is Brugge groot?"[65]
Recht op hun dreef komen sommige minnedichters van dezen tijd eerst in dartel of grof-zinnelijke stukken als de monorimes, aanvangend:
Ic quam gegaen met liste, Daer ic mijn suete lief wiste, Ic sprac: "lief, waer biste,?"
en wat daar meer volgt.
Zoo ook in de "goede boerde" van de bagijn en haar minnaar die op een laken door den zolder komen vallen te midden der andere bewoonsters van het bagijnhof; alle bagijnen slaan de handen voor de oogen, maar meer dan eene gluurt door de vingers. Zoo eindelijk ook in dat dartele stukje _Dmeisken metten sconen vlechtken_ dat aan zijne naïeve zinnelijkheid zooveel verleidelijke bekoring paart dat de dichter of een later lezer er onder schreef: "Desen sproke doet mi al te sere verlanghen"[66].
AANTEEKENINGEN
[1] Vgl. _Vad. Mus_., I, 369 (ook _Mnl. Ged_., ed. DE PAUW, III, 667). VERWIJS, _X Goede Boerden_, no. VIII: "ene boerde" en _Mnl. Wdb._ i.v. b.v. "die boerde van den Grale".
[2] Vgl. _Mnl. Ged_. (ed. DE PAUW), I, II, 37; _Rumbeeksche Avondstonden_, p. 23: "eene sproke van de drie koningen": 3 achtregelige coupletten, elk bestemd door een der drie koningen te worden uitgesproken; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 204, 222, 131, 114, 109 ("dese miracle"). _Goede Boerden_, p. 11 (ook vs. 222: "dit exempel"); _Belg. Mus_., I, 326.
[3] In den tekst van ons verhaal dieper in dit vraagstuk treden, zou ons in de vergelijkende literatuurgeschiedenis brengen. De mogelijkheid bestaat echter, dat voortgezet onderzoek de kennis onzer boerden en sproken zou kunnen bevorderen. Daarom voeg ik bij de aanwijzingen, in dezen door Dr. TE WINKEL gegeven; 1o eene verwijzing naar de _Hist. Littéraire de la France_, T. XXIII, 143, 201. 2o. De stof _van den cnape van Dordrecht_ vindt men terug in het fabliau _du fotéor (Recueil général et complet des Fabliaux_ van MONTAIGLON en RAYNAUD, I, 304). 3o. De stof der tot nog toe onuitgegeven boerde _van Heile van Berseele_ vindt men, naar het schijnt, niet in de Fransche fabliaux, doch wel bij CHAUCER in _The Miller's Tale (Canterbury Tales)_. De vraag mag gesteld worden, of CHAUCER onze boerde heeft gekend? Vgl. met het oog daarop ook in _The Pardonere's Tale_ de passage aanvangend: "In Flandres whilom was a compagnie." Vgl. overigens over deze stof: _Anglia_, I, 38, 186; II, 135. (R. KÖHLER). 4o. Aan het slot van het fabliau _De le vescle a prestre_ (MONTAIGLON et RAYNAUD, III, 106) lezen wij:
Jakes de Baisiu, sans dotance, L'a de Tieus (tyois = Dietsch) en Romanc rimée.
Het is het verhaal van een Antwerpsch priester die de hebzucht van een paar Jacobijnen teleurstelt, door hun bij uiterste wilsbeschikking zijne blaas te vermaken. 5o. Dezelfde stof die in de sproke "Van eenen verwaenden coninc" is verwerkt (KAUSLER, _Denkmäler_, III, 204-212) vinden wij in "_Li dis dou Magnificat_" van den Henegouwschen menestreel JEAN DE CONDÉ, die schreef in de eerste helft der XIVe eeuw. Vgl. _Dits et Contes de Baudouin de Condé_ par A. SCHELER, II, 355 suivv.
[4] Vgl. _Goede Boerden_, p. 11, vs. 4; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 101; voorts: ald. III, 111, vs. 4-5; III, 186; _Vad. Mus._, I, 50, vs. 6-8; _Belg. Mus._, I, 326, vs. 12-17; 328, vs. 64-5; 336, vs. 354-5.
[5] _Goede Boerden_, bl. 1, 4, 19; _Belg. Mus._, III, 108-114; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 165. In de boerde _van Heile van Berseele_ behalve Antwerpen ook Gent en Brussel genoemd.
[6] In de _Chansons du XVe siècle_ (ed. G. PARIS) leest men (no. LXXIX) de uitdrukking: "faire la follie" of "faire la sottise" in dezen zin. Vgl. ook: _Oudvlaemsche Lied. e.a. Ged._, no. LXXI: "dat sotte dinc doen". Ook de Oudfransche "gabs" in de _Pélérinage à Jérusalem_.
[7] _Belg. Mus._, X, 52.
[8] _Goede Boerden_, bl. 17. De volgorde der verzen bij VERWIJS is verkeerd, zooals blijkt uit de paarsgewijze rijmende verzen.
[9] Vgl. _Lancelot_, III, 16040 en _Torec_, vs. 276.
De hier bedoelde boerden zijn: _Van enen man die lach gheborghen in ene scrine_; _van den cnape van Dordrecht_; _een bispel van II. clerken; van Lacarise den katijf_ (_Goede Boerden_, ed. VERWIJS, I-IV); _Belg. Mus._, X, bl. 51 vlgg.: _van den man die gherne dranc_; _tghoede wijf maect den goeden man_; _van III. ghesellen die den bake stalen_; _Belg. Mus._, III, 108: _Wisen raet van Vrouwen_, vollediger in VERWIJS' _Bloemlezing uit Mnl. Dichters_, III; _Van Vrouwen ende van Minne_ (ed. VERWIJS), no. II; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 111 _van der weldaet die de duvele dede_. Drie onuitgegeven boerden vindt men in het Thorpe-hs. ter Kon. Bibl. te Brussel, no. 1171, 2e serie: _van den visscher van Parijs_ (_Recueil Gén. des Fabl._, III, 68: "Du péschéor de pont seur Saine"); _van Heile van Bersele_ (zie boven) en _Van der vrouwen die boven haren man minde_ (_Rec. Général_, V, 132-142: "De la dame qui fist entendant son mari qu'il sonjoit"). Ik heb de kennismaking met deze drie stukken te danken aan Dr. H.P.B. PLOMP, die het Thorpe-hs. beschreef in zijn vroeger vermeld Proefschrift. Het stuk, welks aanvang door VERWIJS wordt medegedeeld in de Inleiding tot zijn bundel _Van Vrouwen ende van Minne_, zal wel eene boerde zijn geweest, waarin de stof verwerkt is die ook behandeld wordt in het fabliau _de Trois aveugles de Compiègne_ (_Rec. Général_, I, p. 70).
[10] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 118-120.
[11] _Van Vrouw. e.v. M._, no. VIII.
[12] _Belg. Mus._, VIII, 96.
[13] _Id._, X, 64.
[14] Het _Baghynken van Parijs_ uitgeg. door de Maetschappij der Vlaemsche Bibliophilen, 3e Serie, no. VII, volgens eene Antwerpsche uitgaaf van 1605. Afdruk van een anderen druk in _Konst- en Letterbode_ van 1853, II, 50-55 (VAN VLOTEN). CAMPBELL stelt het in zijne _Annales_, no. 215 op c. 1490. De Nederduitsche vertaling (_Geistliche Gedichte des XIV. u. XV. Jahrh._, O. SCHADE) dagteekent echter reeds uit de eerste helft der 15e eeuw. Vgl. ook: _Jahrb. des Ver. für niederd. Sprachforschung_, XXIII, 114. Taal en vorm van het gedicht leidden er mij toe, het in de 14e eeuw te plaatsen.
De overige sproken vindt men: _Belg. Mus._, I, 326: _Een scone exempel van eenen jonghen kinde ende van haren scoelmeester_; _Belg. Mus._, X, 57 vlgg.: _van den verwenden keyser_; _de mantel van eren_; _van enen here die vremde liede bi hem nam ende verdreef sinen brueder_. (Ook in KAUSLER'S _Denkmäler_, III, 131: _een goet exemple_); _van tween kinderen die droeghen ene starcke minne_. (Ook in: _Taalk. Bijdr._, I, 244, een andere bewerking); _Belg. Mus._, X, 339: _van enre nonnen verduldechede_; _Van Vrouwen ende van Minne_, no. VIII; KAUSLER, _Denkm._, III, p. 101, 118, 165, 186; _Tijdschr. v. N.T. en L._, XXIII, 46; _Belg. Mus._, VIII, 96: _Van den ouden ridder ende den jonghen_; _Vad. Mus._, I, 50: _Van enen ridder die God sine sonden vergaf_; 57: _vanden goeden Brueder_; de exempelen in den _Spieghel der Sonden_ opgesomd en aangewezen door VERDAM in zijne Inleiding, bl. LI vlgg.
[15] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 204.
[16] _Vad. Mus._, I, 51.
[17] KAUSLER, _Denkm._, III, 165, 109; _Belg. Mus._, X, 76, vs. 1; 58, vs. 11; _Vad. Mus._, I, 57, 66; p. 49-50; p. 98, vs. 34-5.
[18] _Goede Boerden_, bl. 11, vs. 3. (_Depllijcheit_ zal wel eene verschrijving zijn voor _Spellycheit_.)
[19] Vgl. _Goede Boerden_, bl. 11, vs. 3; bl. 18, 222; 10, 166; 22, 104; _Belg. Mus._, X, 218 vlgg.
[20] PETIT DE JULEVILLE a.w. II, 205.
[21] _Goede Boerden_, 22, vs. 93 en 1, vs. 11.
[22] _Vad. Mus._, I, 57 vlgg. (bl. 63 vooral). Die zachter beschouwing eerst in _Manon Lescaut_; in HOOD'S _Bridge of Sighs_, b.v. in:
Still, for all slips of hers, One of Eve's family.
De rechtvaardigheid op den voorgrond o.a. in BJÖRNSON'S _Handske_.
[23] _Oudvlaemsche Liederen en andere Gedichten_, no. 99, 101.
[24] De plaatsen waarop deze en de daarvoor gegeven mededeelingen berusten, vindt men in de uittreksels der Grafelijkheids-rekeningen achter JONCKBLOET'S _Gesch. der Middennederl. Dichtkunst_, III en verder in de _Cameraars-Rekeningen_, III, 349; DE LANGE VAN WIJNGAERDEN'S _Gesch. van Gouda_, I, 656; Oudste rekening der stad Antwerpen ao 1324 (in: _Codex Diplom. Neerland. Hist. Gen._, IV, 114); _Het Lied in de Middeleeuwen_, hoofdstuk VII. Over muziekscholen der meistreels Deel XX der "_Annales de la Société d'Emul. pour l'Etude de l'histoire et des antiquités de la Flandre_", p. 53. _Préludes historiques sur la ghilde des Ménestrels de Bruges_ door DÉS. VAN DE CASTEELE.
[25] BÄUMKER'S _Niederl. geist. lieder_ etc. in: _Vierteljahrschrift für Musikwissenschaft_, Leipzig, 1888, no. 63.
[26] Medegedeeld door ACQUOY in _Archief voor Ned. Kerkgesch._, IV, 334-6. Vgl. overigens tal van Duitsche varianten van "Kinne Wippchen" in: _Das deutsche Kinderbuch_ von KARL SIMROCK, S. 5. Een Engelsch voorbeeld: "Here sits the Lord Mayor" in HALLIWELL'S _Nursery Rhymes_, p. 205. Het Fransch heeft evenzoo zijn: "_Menton d'or, bouche d'argent_" etc.; vgl. SCHEFFLER'S _Französische Volksdichtung_, I, 239.
De vroegste opteekening die ik te onzent van dergelijke liedjes vond is van 1680 in het liedboekje _Amsterdamse-Spinhuys_, bl. 76: "Een aerdig Lied van een Wagenaer en sijn lief Hille":
De Wagenaer die vatte sijn Lief al bij haer hoofje. Hey, wat is dat, Hille? Dat is mijnen krullebol, Och vader enz.
Achtereenvolgens komen dan de _oogjes_ (kijck-uyt), _neusje_ (snuyt-uyt), _montje_ (slock-op), _kinnetje_ (kinne-klap) enz. Dat dit lied eene amoureuze omwerking is van een kinderlied doet tot de zaak niet af.
[27] Vgl. bl. 199 van: _Oudvlaemsche Liederen en andere gedichten der XIVe en XVe eeuwen_. Volgens het Voorwoord is het hs. van het laatst der 14e eeuw; van de 15e eeuw wordt in het Voorwoord nergens gewag gemaakt en de liederen geven daartoe m.i. ook geen aanleiding.
De pelgrims in dit lied waren misschien dezelfde Bruggelingen wier namen zijn aangewezen op bl. 29 van dezen bundel.