Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 36

Chapter 363,827 wordsPublic domain

dat hem verdrote 's Levens sere, Die uyt sire vrouwen Herte dor trouwen Ghesloten were[37].

Doch wij zouden er meer van over moeten hebben en vooral in een beter overgeleverden tekst, vóórdat wij ons een algemeen oordeel zouden kunnen vormen.

Onder de minneliederen uit het handschrift der Gruythuysens vindt men ook--de nabuurschap dagteekent reeds van Anakreon--een aardig drinklied dat aanvangt:

Scinc her den wijn, Gheselle mijn, Wi willen vroilic leven; Het mach sulc [Zijnoot: deze of gene.] zijn Noch up den Rijn, Die ons gheluc mach geven, Al moeten wi nu sneven.

Andere, met dit lied verwante, liederen brengen ons in gezelschap van berooide minnaars die hunne versmade liefde zoeken te vergeten en als een voorspel vormen van de latere liederen der "gildekens" [Zijnoot: doorbrengers.] [38].

HISTORISCHE LIEDEREN.

Gebeurtenissen of toestanden en verhoudingen die in ruimen kring indruk maakten, ontroering verwekten onder een aanzienlijk deel van het Dietsch-sprekende volk, waren, zooals wij zagen, ook in een vorige eeuw waarschijnlijk wel tot uiting gekomen in het lied. Voorbeelden van zulke uitingen zijn echter niet tot ons gekomen. Gelukkiger zijn wij wat de 14de eeuw betreft. De wassende beteekenis en invloed der burgerijen schijnt zich te openbaren ook in het feit, dat ten minste eenige historische liederen uit dezen tijd tot ons zijn gekomen.

Indien wij ons herinneren welk een diepen indruk de moord op graaf FLORIS DEN VIJFDE in Holland maakte, dan verwondert het ons niet dat deze gebeurtenis tot een lied is verwerkt, noch dat dit lied eeuwen lang in den volksmond is blijven leven. Hoogst opmerkelijk is de wijze waarop de uit de geschiedenis bekende feiten hier door een ons onbekenden volksdichter verwerkt zijn. Spreekt de historie van een strijd tusschen den op zijne voorrechten naijverigen adel en den graaf dien zij smadelijk "der keerlen god" noemden, het lied vindt den sleutel tot de verklaring der gebeurtenissen in persoonlijke motieven.

Graaf FLORIS, zóó wordt ons hier verteld, is zijne bijzit moede en wil haar als echtgenoote aan GERARD VAN VELZEN opdringen. Deze weigert; "uw versleten schoenen en wil ic niet", zegt hij in hoonende beeldspraak. FLORIS zint op wraak; het huwelijk van VELZEN met MACHTELD VAN WOERDEN biedt hem daartoe gelegenheid. Hij ontbiedt GERARD aan zijn hof; terwijl deze onderweg is, gaat FLORIS tot de jonge vrouwe van VELZEN en onteert haar. Die schennis wreekt GERARD op den schender. Verhaalt de historie ons dat de moordenaars van den graaf ontsnappen--de volksdichter laat GERAERT VAN VELSEN gevangen nemen; drie dagen lang wordt hij om en om gerold in een vat waarin spijkers geslagen zijn. Die marteling vermag hem te breken noch te buigen. Op de vraag "hoe hem nu te moede is?" antwoordt hij:

Ic ben noch al de selve man, Die graef Floris sijn jonc leven nam.

Wij mogen wel als zeker aannemen, dat deze voorstelling van zaken niet door den volksdichter is verzonnen, doch dat hij haar ontleend heeft aan een Nederduitsche sage.

Van den Gotenkoning ERMANARIK en een zijner voorname heeren wordt ons bijna volkomen dezelfde geschiedenis verhaald; ook in Deensche liederen treden koning ERIK GLIPPING en zijn maarschalk, ridder STIG, in dezelfde verhouding op.

Met dat al blijft het opmerkelijk, dat een volksdichter te onzent eene dergelijke voorstelling van den moord op graaf FLORIS heeft gegeven, waarin "der keerlen god" nu juist niet de mooiste rol heeft; zelfs kan men zeggen dat de sympathie des volksdichters eerder aan de zijde van den onbuigzamen edelman is, den wreker der bevlekte huwelijkseer en aan die der schoone jonge vrouw die den smaad zoo diep gevoelt. Heeft graaf FLORIS door een liefdesbetrekking tot eene jonkvrouw of edelvrouw inderdaad eenige aanleiding gegeven tot het in verbinding brengen zijner geschiedenis met de Nederduitsche sage? Immers, ook LODEWIJC VAN VELTHEM die zich overigens in dezen welingelicht toont, schrijft over de redenen tot den moord:

Ander secgen: dat om een Vrouwe quam, Dat men hem sijn leven nam, Daer hi met soude hebben te doene, Die wyf was een van sinen baroene, Ende datten diegene daerom lagen Leiden vander stont alle dagen[39].

Vóór 1316 was derhalve dit gerucht aangaande de schennis eener adellijke dame, niet juist MACHTELD VAN VELZEN, als reden tot den moord reeds verbreid. Heeft VELTHEM dit gerucht leeren kennen uit het Dietsche lied of langs anderen weg? Tot het geven van een afdoend antwoord op die vragen zijn wij niet in staat. Doch hetzij den volksdichter de ware toedracht der zaak bekend is geweest of niet, in beide gevallen is het begrijpelijk dat gekrenkte huwelijkseer voor hem een aantrekkelijker motief was dan gekrenkte adeltrots; dat algemeen menschelijk gevoel hem sterker aandeed dan het belang van een bijzonderen stand, waartoe hij blijkbaar niet behoorde. Die aandoening zou zich ongetwijfeld duidelijker openbaren, indien wij het oude lied in zijn oorspronkelijken vorm bezaten; het moet heel wat geleden hebben in het drietal eeuwen, waarin het van mond tot mond ging, vóórdat wij het in 1591 achter de _Rijm-Kroniek van Melis Stoke_ aantreffen. Doch ook in dezen verminkten vorm treffen ons nog de levendigheid van het verhaal in zijn vluggen gang, de teekenachtige beeldspraak van VELZEN tot zijn heer, de aanschouwelijkheid der voorstelling, de dramatische kracht; ook de vinding om den moordenaar, volgens een uit de sprookjes bekend motief, in een met spijkers doorboorde ton te rollen[40].

Een landsheer in strijd met een zijner voorname edelen vinden wij ook in een ander lied van dezen tijd. Dat ook dit lied ons gebrekkig is overgeleverd, blijkt reeds uit den titel: _Van cort Rozijn_; immers de naam van den edelman die hier de hoofdrol speelt, ZEGER VAN KORTRIJK, "Segher de _Curtroysijn_" (d.i. van Courtroy), is hier verbasterd door een Vlaming, die blijkbaar geen Fransch kende.

Wij zijn in Vlaanderen tijdens den oorlog tusschen Frankrijk en Engeland. De graaf van Vlaanderen, LODEWIJK VAN NEVERS, heeft de partij van Frankrijk gekozen; een deel van zijn volk, en daaronder twee invloedrijke Gentenaars, houden de zijde van Engeland. Die twee zijn JACOB VAN ARTEVELDE en ZEGHER VAN KORTRIJK. Vertoornd over hunne tegenkanting laat de Graaf ZEGHER gevangen nemen en onthoofden (1337).

Opmerkelijk is ook hier de wijze, waarop deze historische kern door de volkspoëzie is verwerkt.

In het lied biedt de Graaf zijn "lieven neve" den Cortrosijn het ruwaardschap over Vlaanderen aan; doch deze, weinig minder hooghartig dan VELZEN tegenover den Graaf van Holland, weigert in smadelijke bewoordingen: "ick leve so noode bi quaden ase" [Zijnoot: voedsel.]. Die "spitighe woorden" zullen u berouwen, herneemt de ander; met uw hoofd zult gij ervoor boeten. Onvervaard door dat vooruitzicht beweert de Cortrosijn, dat hij nog een nacht bij des Graven dochter zal slapen. Toornig wendt Vlaanderens heer zich van hem af, en niet lang daarna wordt de weerspannige gevangen genomen. Genade bidt hij te vergeefs; voor het huis te Rupelmonde valt zijn hoofd onder de bijl. Maar op Sint-Laurensdag komt de koning van Engeland zijn aanhanger wreken; toen de dag ten avond kwam, lag Brugge in het roode bloed.

Evenals in het lied _van Gerard van Velzen_ is ook hier het bijzondere: de strijd der partijen, tenauwernood zichtbaar; het algemeen menschelijke: gekrenkt eergevoel en liefde, staat op den voorgrond[41].

Heeft de volksdichter zijne voorstelling geheel verzonnen? Wie zal dat uitmaken? Dat de historische stukken van dezen tijd niets van zoodanige verhouding weten, is wel van gewicht, maar levert geen afdoend bewijs. Doch ook al hebben wij hier louter verdichting, dan blijkt daaruit nog eens te meer het eigenaardig wezen der volkspoëzie, die het algemeen menschelijke gaarne op den voorgrond brengt, ook daar, waar het niet door de gebeurtenissen ten tooneele wordt gebracht.

Het lied _van den Cortrosijn_ herinnerde ons den grooten patriot JACOB VAN ARTEVELDE. Indien de historische overlevering te werk ging volgens onze verwachtingen, wat zouden wij dan eer verwacht hebben, dan dat niet één, maar verscheidene liederen de heugenis aan ARTEVELDE'S krachtige persoonlijkheid en zijn tragischen dood zouden hebben bewaard? Toch bezitten wij niets over hem, dan een onbeteekenend fragment van een naar allen schijn onbeteekenend lied, dat bovendien nog van twijfelachtige herkomst is. Maar zijne partij, de nationale partij der "Clauwaerts", die de klauwen van den Vlaamschen leeuw op hunne mouwen geborduurd droegen, bleef leven in een kort spotliedje, uitgegaan van de Franschgezinde "Leliaerts", op wier mouwen de "fleur de lis" prijkte:

Clauwaert, Clauwaert, Hoet u wel van den Lelyaert enz.[42].

Dat liedje was niet de eenige uiting van de minachting en den haat der voorname "Leliaerts" jegens de nationale partij. In een vierregelig gedichtje wordt gewezen op den overmoed van de rijk wordende "kerels". Uitvoeriger worden de "kerels" ons geteekend in een veel grooter gedicht van dezen tijd, dat van niet geringe technische vaardigheid getuigt en waarschijnlijk is vervaardigd door een edelman of aanhanger van den adel die door de "kerels" was gevangen genomen en in den "stoc" [Zijnoot: gevangenisblok.] gezet. Met onverholen minachting, met verdienstelijke plastiek en scherpen spot is de "kerel" hier afgebeeld in zijne ruwheid en grofheid: hij vreet look met koolstronken, met zijne handen klopt hij eieren door zijn heete melkpap en slaat ze naar binnen tot hij er scharlaken van ziet; achter het vleesch en spek zit hij heen, dat hem het vet langs de vingers druipt. Hoort hem kallen tegen zijn soort: mijn landheer vroeg mij onlangs ten eten, ik schrokte en vrat mij boordevol!--"Hei", roept een andere kornuit, "hoort nou ereis een vreemde klucht: ik heb mijn bles-merrie verruild, nu zal zij voor de schuit van Pieter Gerrits loopen! Heb ik hem zijn neus niet gesnoten?--Hadden de "kerels" de macht in handen, het zou spoedig klinken: slaat de heeren dood! De "kerels" van Gent kunnen het getuigen. Boven op een paard speelt hij ook wel voor ridder; de dorschvlegel is zijn speer, de wan zijn schild; "ja, zeker!" zeggen dan de overige rekels, "Roelof weet van steekspel houden!"

Denzelfden vijandigen geest, dezelfde minachting ademt een lied "van de kerels" waarvan wij, sprekend over de minneliederen, reeds gewag maakten. In kleiner bestek doch met niet minder talent en met vaster hand is hier een beeld van den "kerel" omgetrokken, dat bovendien niet zóó door den tijd geleden heeft als het voorgaande. Hier zien wij hem: "vijand van de ruiters, langgebaard, in gescheurde kleeren, met gelapte kousen en schoenen, de kaproen scheef op het hoofd, altijd vol wrongel en wei, brood en kaas. Met een homp roggebrood in de hand gaat hij naar de ploeg; dan komt zijn vuil wijf er bij, de flarden hangen haar bij de muilen neer. Gaat hij ter kermis, dan beeldt hij zich in dat hij een graaf is; alles wil hij neerslaan met zijn knuppel"... in dien trant gaat het lied voort, om te eindigen met het grimmig dreigende:

Wi willen de kerels doen greinsen, Al dravende over 't velt, Hets al quaet dat zi peinsen; Ic weet ze wel bestelt [Zijnoot: ik weet goed raad voor hen.]: Men sal ze slepen [Zijnoot: nl. op eene horde (naar de galg).] ende hanghen, Haer baert es al te lanc; Sine connens niet ontganghen, Sine dochten [Zijnoot: zouden niet deugen.] niet sonder bedwanc. Wrongle ende wey, broot ende caes, Dat heit [Zijnoot: eet.] hi al den dach; Daer omme es de kerel so daes [Zijnoot: dwaas.], Hi etes meer dan hi mach.

Ook al voegt men bij deze weinige historische liederen eenige politieke gedichten van dezen tijd, zooals de _Jammerliche Clage_ over den dood van graaf WILLEM IV in Friesland, een onbeteekenend gedicht op JAN III, hertog van Brabant, een stuk van WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH over het ontstaan der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten en een paar andere--welk een onvolledigen en zwakken indruk krijgen wij dan nog van die gewichtige 14de eeuw!

Doch men mag hier niet vergeten dat, vooral in de middeleeuwen, de poëzie zich slechts ten deele openbaart door de kunst van het woord; dat zij voor een aanzienlijk deel latent bleef in het leven. Hoeveel poëzie schuilt er in de werkelijkheid dier dagen, ook al richt men het oog in het bijzonder op de geschiedenis van land en volk. Een goed voorbeeld daarvan levert ons de Latijnsche kroniek, door WILLEM, kapelaan te Brederode, opgesteld in het eerste vierdedeel der 14de eeuw. De auteur verhaalt ons daar, hoe WILLEM I, graaf van Holland, op een reis naar Duitschland door Gelderland trekt. Uit vrees voor hinderlagen van zijn vijand OTTO, graaf van Gelre, heeft hij zich in geringe kleeren gestoken; met slechts een enkelen dienaar wandelt hij blootsvoets door Gelderland. Zijn weg leidt hem langs het kasteel van zijn vijand. De gravin staat voor het raam en ziet hem; aan zijne beenen en overige ledematen herkent zij den man van edel bloed en begrijpt dat het graaf WILLEM moet zijn. Een bode noodt hem binnen te komen. WILLEM aarzelt maar geeft aan de noodiging gehoor. De gravin laat hem in een kamer brengen en betere kleeren uit haar mans garderobe geven; zij begroet hem als graaf van Holland en laat niet af, al loochent hij het; op slimme wijs weet zij hem tot erkenning der waarheid te brengen. Bij het vallen van den avond komt graaf OTTO thuis. Zijn gemalin gaat hem tegemoet; hand in hand komen zij de zaal binnen. De verstandige vrouw vraagt of hij haar een belofte wil doen; de graaf stemt toe en doet er een eed op dat hij zijne belofte zal houden. Daarop zegt zij: huw dan onze dochter ALEID uit aan WILLEM, graaf van Holland.--"Droomt gij?" zegt de graaf; "maar mijn eed zal ik houden." Nu gaat de gravin de kamer binnen waar WILLEM zich bevindt, begroet hem als schoonzoon en brengt hem voor haar gemaal. Allen zijn verwonderd; doch sommigen zeggen: geen wijsheid, geen raad kan bestaan tegenover God. Lag hier niet de stof voor eene romance te wachten op de beeldende hand van een dichter? Die barrevoeter-graaf in slechte kleeren vermomd door Gelderland trekkend, die gravin voor het venster--typische houding eener middeleeuwsche edelvrouw--die bode, dat verwisselen van kleeding, die belofte van den graaf en die ontknooping--het is alles ongeboren poëzie. Had deze kapelaan Dietsch durven schrijven, wie weet? Doch zijn eerbied voor HORATIUS, OVIDIUS en SENECA verbood hem dat en deed hem in zijn Latijn vertellen wat een mooi lied in de volkstaal had kunnen worden[43].

_c_. GEESTELIJKE, STICHTELIJKE EN DIDACTISCHE LYRIEK.

Al waren alle gherse [Zijnoot: grasjes.] tonghen, Die te meye oit ontspronghen, Ende si alle van u songhen, Si en gaven u niet te vollen prijs.

Deze verzen uit een gedicht _van onser Vrouwen_ wijzen aan, waar het zwaartepunt ligt in de geestelijke lyriek van dien tijd: MARIA neemt de voornaamste plaats in. Het is haar "opvaert", hare "vijf pinen", hare "claghe"; wij vinden "bedinghen" tot haar, een "lof van Maria", "Ave Maria," "Salve Regina" en hoe die stukken verder heeten mogen. Vele daarvan toonen meer vroomheid dan eigenaardig karakter of talent van den dichter. Sommige andere verdienen op den voorgrond gebracht te worden.

Zoo vinden wij drie meesters: ALBRECHT VAN KEULEN, HEYNRIC FROMATOR en JACOB VAN MERLANT, "een edel clerc ende wide becant" in een soort van wedstrijd bezig met den lof der Moedermaagd te zingen; MAERLANT'S lofspraak wordt de schoonste geoordeeld. Een enkelen keer treffen ons onder de gebeden tot MARIA fraaie stukken; zoo b.v. dit couplet:

O maghet, o moeder, o godlijc wijf, O zoete, o reyne, o leytsverdrijf, O lieve, o werde, o zalighe vrouwe, O advocate der zonden kijf [Zijnoot: op wie de zonden kwaadaardig zijn.], O onser, ellendigher, biblijf [Zijnoot: toeverlaat.]; O roze, vul van 's hemels dauwe, O troost in node, o heils beclijf, O wech der dolender, even stijf [Zijnoot: zeer betrouwbaar.], O bloeyende minne, o vloeyende trouwe, O moederlic herte, o maechdelic lijf, O licht voor thelsche ongherijf, Com, los mijn herte uut allen rauwe[44].

Opmerkelijk is een stuk getiteld _Onser Vrouwen Claghe_ om den geest der vroegere volkspoëzie, dien het ademt. Zoo vinden wij hier meer dan eens dat spreken der personen zonder aankondiging:

Tote Adame dat hi quam: "Adam, du ne wet min no mee ...

Ook de epische herhaling van vraag en antwoord en de deelneming van den dichter, die zich lucht moet geven midden in zijn verhaal met een: "Ay, hoe node dat hi (Adam) 't dede!"[45].

Naast deze gedichten op MARIA vinden wij andere _Op het lyden Christi_, _ons liefs Heren passie_, _de seven ghetide van onsen here_. Hindert ons hier soms dezelfde platheid, die wij vroeger in de ridderpoëzie aantroffen, waar een dichter zich niet ontziet te schrijven

Dat Jhezus naect hinc als een rent [Zijnoot: rund.] An den cruce moedernaect[46].

Anderzijds treffen wij hier een fraai staaltje van geestelijke volkspoëzie aan in een stuk, dat den naam draagt _Van Jhesus Mynnen, een scoen ryme_. Men oordeele zelf:

O edele ziele mijn, en was die trouwe niet groot, Dat Jhesus Christus, Marien Sone, om u vercoes di doot?

O edele ziele mijn, nu sijt hem onderdaen, Want hi wilt noch anders met u spelen gaen.

O edele ziele mijn, staet op, maect u ghereet, Doet uwen mantel ane, der hogher minnen cleet. O edele ziele mijn, doet ane u scone juweel, U brugom wilt gaen meyen met u in sijn prieel.

O edele ziele mijn, hets daer zuete meyen gaen: Den wijn der melodiën wort u daer opgedaen[47]. enz.

Voorts vinden wij nog lofdichten op S. JAN BAPTIST, eene paraphrase van het _Miserere_, van het _Pater Noster_. Het oude geloof, dat voor het Christendom had moeten wijken, openbaart zich in een tooverformulier, dat wel gekerstend is, doch waar het oude geloof nog uit opduikt als een duiveltje uit een verlucht getijdenboek. Want dit is wel het oud-nationaal geloof:

... ... dat my gheen dinghen en moghen vellen Noch gheen tonghe en moge quellen, Noch yser noch stael my sniden noch slaen.

Maar onmiddellijk daaraan vooraf gaat een bede tot "den heyligen kerst" en op den laatsten hier medegedeelden regel volgt:

Dat seder ghesmeedt waert Dat Christus gheboren waert.

Opmerkelijk is ook, hoe de onharmonische vermenging van oud-nationaal en Christelijk geloof zich hier openbaart in het gemis aan samenhang en harmonie van het gansche stuk[48].

Vonden wij hier den mensch vooral tegenover MARIA en JEZUS, een enkelen keer tegenover God, in andere gedichten staat niet het godsdienstige, maar het zedelijke op den voorgrond. Die gedichten zijn veel en veel talrijker dan de weinige eigenlijk gezegde geestelijke gedichten. Meer en meer zien wij ook in de poëzie, dat de burgerij zelf de ontwikkeling van haar zedelijk leven ter hand neemt, al blijft zij de priesters nog erkennen als middelaars tusschen haar en God.

De burgerlijke dichters, die zich hier als woordvoerders der gemeente tot de gemeente richten, kiezen daartoe gaarne den weg van het verstandelijk betoog, de redeneering, de uiteenzetting, de waarschuwing.

Het verwondert ons niet, bij deze neiging tot didactiek ook hier een paar maal het vaderlijk "lieve kindre" aan te treffen, dat wij vroeger in de leerdichten aanwezen, noch dat het _debat_ en daarmede verwante vormen hier vaak voorkomen. Juist die dichtvorm immers gaf gelegenheid, eene zaak door onderscheidene sprekers van verschillenden kant te doen beschouwen, vragen te stellen tot de hoorders om hen langs dien weg te brengen tot het vinden van de waarheid of ten minste van eene overtuiging. Vandaar dat men aan het slot van sommige dezer stukken uitdrukkingen leest als: "Nu mach elc vroet man merken" of "Nu gheraet hier naer"[49].

Met het verstandelijk karakter dezer poëzie strookt ook wel de lust tot allegorie, die hier zich zoo krachtig openbaart. De roman _van de Roos_ moge invloed geoefend hebben op de ontwikkeling der allegorie ook te onzent, eene dergelijke neiging van den menschelijken geest kan toch niet alleen uit een boek worden afgeleid. Allerlei menschelijke eigenschappen en hoedanigheden, gevoelens, neigingen, toestanden, worden door de dichters belichaamd, treden voor ons op om, redeneerend en disputeerend, te leeren, te vermanen of te stichten. Het zijn Vrouw Ere, Vrouw Minne, Trouw, Milde; meester Baraet [Zijnoot: bedrog.] van Lozane en zijn vennoot Visevase; de edele vrouwe Gerechtigheid, op jacht met hare honden Hope en Troost, komt den jager Onrecht tegen met zijne honden Wankelmoed, Loosheid en Logenaar. In een gedicht van Heer ERENTRYCK treden o.a. Heer Hoeffscaert en Heer Mildriaen op[50]. Ootmoedigheid disputeert tegen Wereldsche Eer, Rijkdom tegen Armoede, Solaes tegen Penitentie.

Een der oudste stukken van dezen aard, dat nog uit het laatst der 13de eeuw dagteekent, is "een abel dinc ende een edel leere: _van der Zielen ende van den Lichame_. Het is eene bewerking van den Bijbeltekst: _de geest strijdt tegen het vleesch en het vleesch strijdt tegen den geest_, die in zijne aangrijpende kernachtigheid het zedelijk leven der meeste menschen samenvat[51]. Verwant met dit stuk zijn andere als "een edel exempel", waarin een gestorven mensch, in zijn graf liggend, waarschuwend en vermanend, spreekt tot hen, die over zijn graf gaan: ik was jong, schoon, bloeiend--nu ben ik zwart, verrot, de wormen eten mij; wat ik ben, zult gij worden; let dan op het eeuwige, geef aalmoezen enz. Ook "een figure" van een zondaar, die in de hel zijne zonden beweent en zijne medemenschen waarschuwt, en een drietal tweespraken tusschen een levenden en een dooden koning[52].

Verder vinden wij een A.B.C. gedicht ter gelegenheid van het nieuwe jaar, vol allerlei zedelijke opwekking; een uitleg van het woord _liden_ volgens de onderscheidene letters, die elk weer een afzonderlijke beteekenis hebben; eenige droomen en visioenen. De allegorie ontbreekt ook hier niet; zoo wordt ons b.v. verhaald van het paard dat "de menschelijke nature" voorstelt; dat paard wordt geregeerd met den breidel van "redelic verstaen"; in dien trant is de allegorie verder uitgewerkt[53].

Wat al deze stukken gemeen hebben, is eene stichtelijke of zedelijke strekking; doch de dichters bedienen zich tot den opbouw van het zedelijk gemoedsleven hunner tijdgenooten van allerlei materiaal. De tweespraak is geliefd; behalve de bovengenoemde, vinden wij er een tusschen den Zomer en den Winter over elks meerdere voortreffelijkheid; een andere over de vraag, wat beter en machtiger is: geluk of geld? weer een ander maakt er eene "questie" van: of iemand zijn lam zal hoeden tegen een wolf dan wel zijne vrouw tegen een belager. Andere stukken geven rechtstreeksche opwekkingen tot zelfkennis, het bewaren zijner eer, bescheidenheid jegens zijne meerderen; zij waarschuwen tegen "baraet en reinaerdie", hoovaardij, afgunst, boosheid. Zij houden ons het beeld voor "van den IX besten", de beste vorsten die geleefd hebben: HECTOR, ALEXANDER, CESAR, ARTUR en anderen; zij vertellen ons van "een geestelijken boomgaard"; van den hemel, voorgesteld als een schoone zaal met vele woningen, waarin God de waard is; van een ridder die zijn zoon de eigenlijke beteekenis van het woord _wapen_ leert; van de raadslieden die een vorst tot zich moet roepen; van twaalf soorten van dienaren.

Het is begrijpelijk dat dichters die er op uit waren hunnen hoorders of lezers praktische levenswijsheid mede te deelen, zich gaarne bedienden van spreuken of spreukachtige verzen. Hunne gedichten zijn dan ook vol spreukenwijsheid, die men vindt samengevat in een refrein, in een slotregel of aan het begin van een stuk als tekst; verzen als:

Gherne soud se visschen, die catte, Maer node steec se den poot in 't natte.

Die wel doet, darf gheenen wisch ute steken [Zijnoot: goede wijn behoeft geen krans.].

Vele onderwinden en was noit goet.

Swigen brinct vele rusten in.