Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 35

Chapter 353,801 wordsPublic domain

onderscheiden zich door zuiver zacht gevoel en naïeve kunst, door vluggen lossen gang en eene soms onweerstaanbare komische kracht. Zoo hoog als sommige Oudfransche fabliaux staan onze boerden niet, maar op zich zelf beschouwd staan zij hoog. Een gevoelig en mooi stuk is de sproke _van het Baghijnken van Parijs_ dat ons in zijn dialogisch karakter en zijne wendingen telkens aan de oudere epische volkspoëzie herinnert. Zoo b.v.:

Sy ghinck voor haer moeder staen Ende badt haer door (haer) houde [Zijnoot: om der wille harer genegenheid.], Dat syse door haer edelheyt Baghyne maken woude.

Sy seyde: lieve dochter mijn, Soo ghinck aen [Zijnoot: begon.] mijnen rouwe; Ghy zijt van haven [Zijnoot: bezittingen.] alsoo rijck, Ghy meucht wel sijn een vrouwe.

De moeder tracht hare dochter te behouden voor de wereld, doch te vergeefs:

Die dochter keerde haer omme Ende ghinck al te hant Totten Baghijnkens hove, Daer sij de meestersse vant.

Sy viel neder op haer kniën, Ootmoedelyck dat syse booch Ende werp den rooden mantel Ter aerden dat hy vlooch.

Dat afvliegen van den rooden mantel is in zijn suggestieve kracht voortreffelijk.

Naïeve volkskunst vinden wij ook in de sproke _van Pyramus en Thisbe_. Te vergeefs zou men hier zoeken naar de fijnheid en berekende juistheid van uitdrukking, den tact, de smaakvolle zelfbeperking, ook de beeldende kracht van het Ovidiaansch verhaal, welks omvang nog geen vierde der Dietsche bewerking bedraagt. Maar deze wint het in natuurlijkheid en eenvoud; hare waarheid van gevoel onderscheidt zich gunstig van het hier en daar opgeschroefde der Latijnsche bewerking. Zij weet hare gemoedelijke breedheid aardig af te wisselen door levendigheid van alleenspraak en tweespraak, te nationalizeeren o.a. door het beeld van den vermoeiden pelgrim

Die lange moede heeft ghesijn, Ende dan een luttel rasten [Zijnoot: rust.] heeft, Ende [Zijnoot: wanneer.] hi weder gaens dan pleecht, Es hi moeder dan hi was eer.

door de vermelding dat THISBE sliep met andere jonkvrouwen

Die se van scake souden hoeden Also als noch doen die vroeden.

Hoe aardig is b.v. ook dat trekje, waarin ons geteekend wordt hoe de aandoening PYRAMUS overmeestert:

Daer hi Tysbee roepen soude, Tusschen "Tys" ende tusschen "bee" Versuchti vijfwerf ofte mee [Zijnoot: meer.].

Zoo zou er meer zijn te noemen, o.a. uit de sproke _van den ouden ridder ende den jonghen_, waar wij een staaltje vinden van de in onze middeleeuwsche literatuur schaarsche ironie, hier omschreven met de uitdrukking "ghevensde [Zijnoot: geveinsd.] tale". Doch wij kunnen noch willen alles noemen, en ook in de boerden is zooveel dat verdient even naar voren gebracht te worden.

Hoe vlot en aardig wordt het verhaal van heer GOBERT en de beide "clercken" verteld en hoe herinnert GOBERT'S vrouw, in hare bezorgheid over haar naakt-vechtenden man, aan vrouw JULOCKE uit _Reinaert I_. Hier als elders openbaart eene krachtige zinnelijkheid zich gaarne in schertsende beeldspraak, in half-omsluierde uitdrukkingen, ontleend aan het dorschen, het bespelen van een snaren-instrument, het ambacht van den kuiper. De monnik en de non, die, midden in de vreugd, op één bed door den duivel in het koor worden gebracht, waar alle nonnen vergaderd zijn, herinneren ons HEPHAISTOS' wraak, zooals zij ons in de Odyssee door dien meester-verteller voor oogen is gebracht. In het verhaal van de gestolen zijde spek worden wij op meer dan een plaats herinnerd aan de grappen en dubbelzinnigheden uit _Uilenspiegel_ en dergelijke volksboeken; ik heb het oog o.a. op den boef, die, opkijkend naar een bij de schouw hangende zijde spek, langs zijne wang wrijft en tot zijn gezel zegt: vóór morgen moet hij er af; ook de wijze, waarop zij elkander telkens het stuk spek ontstelen, doet hier en daar aan de kluchtboeken denken.

Voortreffelijk is het tooneeltje, waar de domme oude LACARIJS, wien zijne vrouw en een verliefde priester hebben wijsgemaakt dat hij dood is, onder een lijkkleed toegedekt, den amoureuzen paap in zijn bedrijf waarneemt. "Loop liever naar het bordeel!" roept hij toornig; "als ik maar leefde, zooals gisteren, dan zoudt gij het duur betalen."--"Lacarijs!" zegt de paap, "houd je oogen maar stijf dicht, lig stil als een molensteen; zóó doet men als men op de baar ligt; je zou ons nog bang maken."

En niet minder voortreffelijk is een tooneel uit de boerde _van Heile van Berseele_. HEILE, een lichte vrouw, heeft afspraak gemaakt met een drietal minnaars, die achtereenvolgens bij haar zullen komen; maar de afspraak loopt in de war, en zoo is een hunner, WILLEM HOOFT, nog bij haar, als zijn medeminnaar, ook weer een priester, komt aankloppen. WILLEM wordt inderhaast in een ruimen bak gestopt, daarin opgeheschen tot aan de zoldering en het touw vastgemaakt. Uit zijn kraaiennest is hij nu getuige van het onderhoud tusschen HEILE en den pape. HEILE heeft den priester stilletjes beduid, wie daarboven te luisteren zit. Deze begint nu een verhaal van den Zondvloed; zóó plastisch weet hij het stijgen van het water voor te stellen, dat WILLEM het al benauwder krijgt; nog steeds hoort hij van het stijgende water... de angst wordt hem te machtig, hij snijdt het touw door en roept:

Nu wouds God ende goed gheval [Zijnoot: Nu zij het aan God en het geluk bevolen.] Of Willem Hooft iet [Zijnoot: ook (soms).] zeilen zal.

Zóó gaat deze Noach in zijn ark onder zeil.

_b_. LIEDEREN.

De kruistochten hadden ook het Dietsch sprekend volk in het Zuiden van Europa en in Oostersche landen gebracht. Een der gevolgen van die reizen was een krachtige ontwikkeling der muziek. De Grafelijkheids- en Cameraars-rekeningen der 14de eeuw weergalmen "van sanghe ende van vedelspele." Ook naar de lage landen bij de zee komt Orfeus om er de onbeteugelde krachten en lusten te bedwingen en te temmen.

Wij vinden hier allerlei zangers en zangeressen, die liederen zingen soms alleen, soms in koor, onder of zonder muzikale begeleiding.

Tot de reizende volksdichters en volkszangers, hetzelfde volkje dat ook met gedresseerde beren, geiten en apen rondtrok, behooren blijkbaar zangers en zangeressen, als de man die den teekenachtigen naam van "die wilde vos" droeg, "die sanc ende dichte voir minen here" (nl. den graaf van Holland); "te Berghen in Henegouwen eenen man die vedelde, sinen wive diere op sanc ende eene gokelaer," "'t Scoenhoven eenen menestreel die op een harpe speelde, daer een wyf op sanc," "te Nyerborch enen wive, die op de liere speelde ende sanc," "Heerkin die mitten cornemusekin speelde ende daerop sanc."

Andere zangers behooren blijkbaar tot de menestrelen die in vasten dienst waren bij een of ander edelman; tot deze zou ik rekenen: het "sangherkin dat bi hertoghe Aelbrecht was", "Hansel tshertogen sanger van Gelre", "Hannekin die zangher van Apcoude", "Herman den sangher die miins heren (van Blois) paedse plach te wesen", misschien ook "Jacop vander Lucht, den zangher" en "Willem den zanger" die van den Graaf van Blois "twee ellen groens en twee ellen roods" krijgt, blijkbaar ter voorziening in zijne kleedij.

Wij zagen uit de bovenstaande rekening-posten dat een menestreel soms alleen zingt, soms met een vrouw. Wij vinden ook wel zangers en zangeressen die met of zonder begeleiding, éénstemmig of met hooge en lage stem, zingen. Uit de schrale aanwijzingen is natuurlijk niet altijd met zekerheid op te maken of wij hier al dan niet reizende beroepszangers vóór ons hebben. Genoemd worden ons o.a.: "een wijf die op die ghisterne speelde ende twee ghesellen diere op songhen", "twee zanghers die een dicht zonghen van mevrouwen doot van Hollant"; "vier wiven die voir minen here speelden op een psalterie ende op ene quinterne ende daerop songhen", "drie sanghers die voer minen here gesongen hadden alst kermiss in den Haghe was". Soms zou men meenen een hedendaagsch a-capella koor aan te treffen, als men gewag gemaakt vindt van zangers of zangers en zangeressen die onder een met name genoemden leider zich laten hooren: "Wigant ende sine ghesellen die (te Mechelen) songhen voor minen jonchere Jan", "Meeu sijn ghesellen ende haer ghesellinnen die mit hem pleghen te singhen". In dit laatste geval hooren wij, evenals hiervoor een enkelen keer, _wat_ er gezongen werd; want op dien post aangaande MEEU volgt deze andere: "Item den selven noch ghegheven opten Jaersdach, want si dat nuwe jaer songhen in der sale voir den deken, proefst ende kanoniken die doe staet helden." Tot de concurrenten van WIGANT en MEEU behoorde ook "HEYN VAN CALES de sangher mit sinen ghesellen."

Dit zingen in koor toont dat de wereldlijke muziek zich naast de kerkelijke moet hebben ontwikkeld. Voor een deel was die ontwikkeling zeker te danken aan de meistreel-scholen waarvan wij in het Noorden en het Zuiden dezer landen melding zien gemaakt. Zoo treffen wij in eene Cameraars-rekening van 1364 de "meysteryels van der vedelen" aan, "die do haer schole to Deventer ghehoelden hadden". Dat zij er welkom waren blijkt wel uit het feit, dat Raad en Schepenen hen op een gastmaal onthaald en nog een geschenk in geld gegeven hadden. In een rekening van 1388 wordt een som gelds geboekt, die gegeven is aan den "coninc van de pipers van Oestervant, om mede te riden tot Berghen daer hi scoel soude houden van pipen."

Waarschijnlijk zullen ook in de 14de eeuw, zij het eerst in de tweede helft, de menestrelen van eene stad zich wel tot een gilde vereenigd hebben. Daar elk gilde een patroon of patrones had en gewoon was den dag van dien patroon feestelijk te vieren, zullen ook zulke muziekgilden wel tenminste eenmaal 's jaars een feestelijke samenkomst hebben gehouden. Op zulk eene samenkomst brengen ons, naar ik vermoed, een paar liederen van dezen tijd: eenige leden van een gezelschap, dat, naar 't schijnt, _het Maria-roosken_ heet, zijn bijeen; een hunner zingt eene opwekking tot feestvreugd, den lof der muziek en dien van MARIA; de overigen "die van muziken geerne horen", zingen blijkbaar in koor een refrein[23].

Naast of tegenover zulke wereldlijke muziek-vereenigingen zou men de scholieren kunnen plaatsen, die op Allerkinderen-dag een bisschop uit hun midden plachten te kiezen en met dezen aan het hoofd naar het koor kwamen om daar te figureeren en mede te zingen[24].

Een wijder strekkend en dieper doordringend onderzoek van muziek en zang te onzent in de middeleeuwen blijve de taak der beoefenaars onzer middeleeuwsche muziekgeschiedenis. Hier moge dit weinige volstaan als inleiding tot hetgeen onze taak is: een overzicht en eene voorstelling van de liederen, die in de 14de eeuw in deze landen werden gezongen.

GEESTELIJKE LIEDEREN.

Niet talrijk zijn de liederen van dezen aard, welke met voldoende zekerheid tot de 14de eeuw gebracht kunnen worden.

Het half Latijnsche half Dietsche lied: "In dulci jubilo singhet ende weset vro" uit dezen tijd is vooral van belang, omdat wij er door herinnerd worden aan den samenhang der geestelijke Dietsche lyriek met de Latijnsche hymnen en kerkliederen[25]. Opmerkelijker om zijn inhoud is "eyn devoet lietgen van den heilighen kerste", een kerstliedje, kinderliedje, dat aanvangt:

Sy namen dat kindekyn metten teenen [Zijnoot: bij de toonen.] Sussoe nynnoe Der heylighe kerst wil onser ghedencken Sussoe nynnoe Als wy suelen van ertrijc sceiden Sussoe nynnoe.

Op dezelfde wijze worden dan de "verssen" [Zijnoot: hielen.] daarna de "enckelen" in het lied gebracht en zoo beurtelings alle ledematen van het Christus-kind als met vroom-eerbiedige hand aangeraakt.

Het zou mij niet verwonderen indien wij hier een geestelijke omwerking van een wereldlijk lied vóór ons hadden; immers dergelijke kinderliedjes in den trant van ons "kinne-, kinnewipje", aanbrengers van vroegste zelfkennis voor het kind, zooals zij nog te onzent en in andere landen van West-Europa in den volksmond leven, zullen wel overoud zijn[26].

Twee andere liederen hebben naar alle waarschijnlijkheid betrekking op een bedevaart. Het eene verplaatst ons bij zonsopgang naar bergen en bosschen, smeekt de bescherming van het heilig kruis af op dezen tocht, roept de hulp der heiligen in tot het vinden van een goede herberg en beveiliging tegen roovers en moordenaars te land en te water[27].

Het andere is een geestelijke romance ter eere van SANTE GHEERTRUUT, de patronesse der reizigers. Een volksdichter heeft waarschijnlijk op dien tocht voor het overig "gezelschap" dat "tot onsen here god voer" het verhaal gezongen van den ridder die, ter wille van de schoone heilige al zijn goed had verteerd, die zijn ziel aan den duivel verkocht om weer rijk te worden en op het beslissend oogenblik door SANTE GHEERTRUUT wordt verlost uit de klauwen van den Booze. Er is poëzie in dit lied, hoe weinig geoefend ook de hand was die haar verwerkte: de eenvoudige droefheid bij het afscheid van den ridder en zijne geliefde; de naïeve verzuchting: had ik het maar geweten van te voren! het dwalen op een duisteren avond langs de wilde heide, de plotselinge verschijning van den Vijand, het "roode bloed" waarmee het contract wordt geschreven, de plastiek bij het drinken van den beker van SINT-GEERTEMINNE:

Hi nam den nap op sijnre hant, Hi sette hem voor sinen mont, Hi en hadde den wijn ooc niet gespaert, Hi dranc hem uut al tot den gront[28].

Deze en dergelijke trekken maken het wel begrijpelijk, dat een sprookspreker als Meester WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG geen weerstand heeft geboden aan den lust om de stof dezer geestelijke romance op zijne wijze te bewerken.

MINNELIEDEREN.

Zoo schaarsch als de geestelijke liederen zoo talrijk zijn de minneliederen van dezen tijd. In een handschrift van het laatst der 14de eeuw, dat misschien was aangelegd voor een edelman uit het Brugsch geslacht Van Gruythuyse, zijn ons bijna anderhalfhonderd liederen bewaard die ons een beeld geven van het minnelied dezer tijden. Voor een deel zijn die liederen misschien gedicht door zekeren jonker JAN VAN HULST, doch het komt mij voor dat ook andere handen in deze liederen vallen te onderscheiden[29]. Misschien hebben Duitsche dichters tot het ontstaan van dit handschrift medegewerkt; in allen gevalle worden wij al dadelijk getroffen door de Duitsch-getinte taal of het mengsel van Duitsch en Nederlandsch waarin ettelijke dezer liederen zijn geschreven. Het Beiersche gravenhuis had het Duitsch hier te lande in zwang gebracht, Duitsche dichters en zangers kwamen in het gevolg der graven en edelen in deze landen; het is begrijpelijk dat velen hunner getracht hebben aan hunne taal een Nederlandsche kleur te geven zooals de Fransche trouvères der 13de en 14de eeuw, in het Noorden van Italië rondtrekkend, de Fransche ridderpoëzie in veritaliaanscht Fransch voordroegen.

Misschien zijn er ook Nederlandsche dichters geweest, die getracht hebben aan hunne taal een Duitsche tint te geven; het is niet gemakkelijk uit te maken welke der beide mogelijkheden men in bepaalde gevallen vóór zich heeft[30].

Herinneren vele dezer liederen ons door hun vorm aan Duitschland, hun inhoud toont in menig opzicht verwantschap met de hoofsche Duitsche minnepoëzie dier dagen. De opvatting van de liefde als een dienst, die wij reeds vroeger in dit verhaal hebben leeren kennen, treffen wij ook hier aan; ook hier zijn de rollen omgekeerd: het sterke geslacht zucht, treurt, klaagt en weent of vleit--het zwakke is mannelijk en fier; zij is de "princesse", de "keyserinne"--hij de "dienaer" of de "lijfeigene". De liefde is hier eerbiedig, bescheiden, het zinnelijke wordt onderdrukt; heimelijk smachten naar haar bijzijn, dat staat hoog; wordt de "stedicheit" van den minnaar ook niet beantwoord, toch blijft hij trouw. Hoofsch is deze opvatting der liefde in hooge mate; een dorper kan zich dan ook niet daartoe verheffen: "een kerel ghert der vreughden gheyn." Het is niet vreemd dat wij in dezen zelfden bundel een fraai lied aantreffen, dat van diepe minachting voor de "kerels" vervuld is.

Een tegenstelling met deze liederen, gedicht onder den invloed eener internationale opvatting der liefde, vormt een veertigtal andere die in taal, gevoel en voorstelling zuiver nationaal mogen worden genoemd.

Hier geen hoofschheid, neen waarlijk niet! Hier krachtig realisme en onbedwongen zinnelijkheid; maar ook welk een dartele levenslust en onbezorgde vroolijkheid, welk een helder opklinkende lach!

Niet zóó scherp noch zóó volstrekt echter moet men zich deze tegenstelling denken, alsof alle Duitsch-getinte liederen tegenover de zuiver-Vlaamsche konden worden geplaatst als idealisme tegenover realisme. Want eenerzijds komen er onder die Duitsch-getinte liederen een paar voor die in dubbelzinnig schertsende beeldspraak over het minnespel denzelfden trant houden als sommige zuiver-Vlaamsche liederen[31]. Anderzijds zijn sommige zuiver-Vlaamsche stukken gedicht in den geest der hoofsche minnepoëzie; doch opmerkelijk is, hoe het nationaal realisme dan op sommige plaatsen door het idealistisch vernis heen komt kijken[32]. Overigens vindt men hier verscheidene genre's vertegenwoordigd: liederen over de droefheid van het scheiden, waarvan er een doet denken aan de later uitvoeriger te behandelen "wachterliederen"; nieuwjaarsliederen die waarschijnlijk bestemd waren om aan de liefste gezonden te worden, evenals andere die ter begeleiding van een bloeienden meitak zullen hebben gediend; weer andere hebben een meer verstandelijk karakter en handelen over de "stede" (trouw), over vriendschap, afgunst en nijd. Een enkel behelst klachten over de "niders"[33].

Aan de verscheidenheid van inhoud beantwoordt een rijke verscheidenheid van vorm; sommige liederen bestaan uit slechts een enkel couplet, de meeste uit meer coupletten; de gewone vierregelige strophe komt maar een enkelen keer voor en dan nog met een kunstiger rijmstelsel dan de gewone overslaande rijmen (no. 136); de omvang der coupletten zwelt soms, misschien onder den invloed eener bestaande melodie, aan tot het buitensporige. Maar ook, hoe menig fraai lied is hier te vinden! Daar is dit lied op het scheiden:

Sceiden, onverwinlic leit, Onvreuchdelyc es dijn beghin, Dat nemic waerlic up myn heit [Zijnoot: eed.]: Ten brinct gheen dinc meer lidens in. Sceiden, du dwinx herte ende zin, So langher tyt, so meer verdriet, Sceiden, du ne ghenouchs [Zijnoot: behaagt.] mi niet.

Het aardige lied op den leeuwrik, dat aanvangt:

Aloëtte, voghel clein! Dyn nature es zoete ende rein, So es dyn edel zanc; Daer dienstu met den here allein Te love om sinen danc.

Het lied tegen de kwellende gepeinzen, die den minnaar rust noch duur laten, en het klaaglied over het lot van den ongelukkigen minnaar, met dit aardig couplet:

Trueren, waken, Magher caken, Selden sonder toren [Zijnoot: verdriet.], Breken, maken, Niet gheraken, Achter meer dan voren-- Dit moeter al toe horen Ende al den tijt verloren[34].

Wij vinden hier ook meer dan een mooien beurtzang, hetzij tusschen ridder en jonkvrouw, minnaar en meisje, hetzij tusschen twee gezellen of twee speelnootjes. Als proeve kunnen hier slechts een paar coupletten worden medegedeeld van den beurtzang tusschen een paar gezellinnen, waarvan de eene aan de andere een droeve bekentenis doet:

Ghespele, in caent gheswighen niet, Nu wilt mijn overzwaer verdriet In trauwen helpen helen. Doe ic lesten van u sciet [Zijnoot: laatst afscheid van u nam.], Doe addi mi allein bespiet Ende ic ginc mettem spelen. Ghespele, wilt beraden mi, So dat mijn ere behouden zi Bi wizen rade; Ic wane in comme hem nemmer bi. Wat sal ic doen! o wach, o wi! Het es te spade!

Die ander sprac: op minen heit [Zijnoot: eed.], Dat es mi waerlic alzo leit, Ghespele, ic wil u claghen. Waer es dijn zuver ommecleit [Zijnoot: de reinheid waarin gij gekleed waart.]? Nu moestu dinen aerbeit [Zijnoot: zwangerschap.] Lange alleine draghen. Waer es dijns hertzen toeverlaet? In can di, leider! genen raet Ghegheven-- Wint up dijn haer [Zijnoot: maagden lieten het haar los hangen.], dijn guldin draet, Waer es dijn vruechdenrijc ghelaet Ghebleven!

De realistische minneliedjes en beeldjes uit het volksleven zijn niet minder fraai. Het manke liefje met één oor en zwarte handen, dat knort als een varken, bereidt ons reeds voor op de groteske figuren van Breughel, en hoe gaarne zou men weten hoe het afloopt met den kapelaan van Hoedelem, dien wij 's morgens met den koster achter hem ter mis zien gaan. Maar slechts de aanvang van dat lied is ons overgebleven. Dan is er TUTEBIER, de marskramer, met zijn vroolijken straatroep:

Naelden, spellen, trompen, bellen, Ic wil mijn merse hier nederstellen, Laet zien of ic vercopen can!

die aangeroepen wordt door een lachend mooi meisje, dat zoo'n moeite heeft om een speld van het juiste formaat te vinden:

"Merseman," seidesi, "lieve geselle, "Ic hebbe een cleine cokerkijn, "In vinde hier in no naelde no spelle [Zijnoot: speld.], "Die wel voughen soude daer in. "Hier sijn grote ende daer so cleine, "Maer ic ne vinde niet dat ic meine." --"Joncfrauwe, wat spellen wildi dan? "Naelden, spellen, trompen, bellen, "Ic wil mijn merse" enz.

"Joncfrauwe, ic hebbe een spellekijn, "Dan es niet aldus cleine." --"Cnape, wel moeti comen sijn, "Ghi weit wel wattic meine. "Wildi de spelle vercopen niet, "So leen se mi of ghijt ghebiet [Zijnoot: indien gij wilt.], "Ic salt u lonen, bi sinte Jan-- "Naelden, spellen, trompen, bellen, "Ic wil mijn merse hier neder stellen, "Laet zien of ic vercopen can!"

Daar is verder de "maecht in vrueghden rijck" die zoo gaarne op de "bonghe" [Zijnoot: trom?]" wil leeren spelen; Heer WOUTER, oud en koud, die LYSKEN te na komt en op zijne kaken geslagen wordt; het avondfeestje in de schuur tusschen zuster LUTE en broeder LOLLAERT, waaraan zulk een onverwacht eind komt--altemaal uitingen eener krachtige zinnelijkheid die wel eens uit den band springt en grof wordt, doch die in zijn dartelen moedwil ook zulk een volheid van leven toont, zulk een natuurlijke bevalligheid en lossen zwier[35].

De hierboven genoemde "bonghe" was een der vele muziekinstrumenten die na onze kennismaking met het Zuiden en het Oosten ook hier werden ingevoerd en gebruikt.

Naar het schijnt, werd de "bonghe" ook wel "bom" genoemd en bediende men er zich van ter begeleiding van een zanger of zangeres[36]. Het _rondeel_, een der lyrische dichtvormen die in de 14de eeuw in zwang kwamen, werd toen ook wel gezongen met muzikale begeleiding. Een rondeel van amoureuzen inhoud vinden wij in een gedicht "_van den wilden man_" dat uit deze eeuw dagteekent; begrijpelijker wijze wordt het rondeel, als voor den zang bestemd, hier "liedekijn" genoemd:

Nu hoert hier dliedekijn, dat hi sanc met luder stemmen eer iet lanc: "Ic was wilt, ic ben ghevaen "ende bracht in mintliken bande; "dat heeft ene maghet ghedaen. "Ic was wilt, ic ben ghevaen; "Al mochtic, in woude haer niet ontgaen, "des settic mine trouwe te pande. "Ic was wilt, ic ben ghevaen "ende bracht in mintliken bande"[36].

Ook elders bleven ons nog minneliederen bewaard in eene Brabantsch-Limburgsch gekleurde taal, doch in zóó gebrekkigen toestand, dat men er zich geen juist oordeel over kan vormen. Zooveel is echter wel zeker, dat zij tot de hoofsche poëzie moeten worden gebracht. Op meer dan een plaats immers wordt gesproken over _dienst_ en _vrouwe_, b.v. in eene uiting als deze:

Lijfs ende sins is hi versaeght, Die dlijf [Zijnoot: het lief(je).] mint die sijn dienst meshaeght.

Elders herkennen wij in "dier verreder ghevensde tale" de klachten over de "niders" waarvan de hoofsche minnepoëzie vol is. Hier en daar hooren wij een couplet of een paar verzen die ons een goeden dunk van het geheel geven. Zoo b.v.:

En mach verberghen in gheen hol Hem lief vor lief, die liefs es vol.

of:

Liefs troest eest beter niet ghenieten, Dan na liefs troest liefs troest mesnieten [Zijnoot: ontgelden, boeten.],

of dit deel van een couplet: