Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 34

Chapter 343,801 wordsPublic domain

Over den, in den _Lekenspiegel_ opgenomen, _Sidrac_ vgl. TE WINKEL a.w. bl. 396. Bij de daar vermelde literatuur-opgave is te voegen eene mededeeling van W. DE VREESE in _Tijdschr. voor N.T. en L._, X, 33 vlgg.

[20] Vgl. I, c. 40, vs. 50 vlgg.; I, c. 44; I, c. 16; III, c. 10.

[21] Vgl. I, c. 16, c. 15, c. 2, c. 5; II, c. 39, 251 vlgg. te verg. met RUYSBROECK I, 41: "Dese heilege Kerke, dat sijn alle goede minschen met Gode verenecht, ende te gadere geroepen iegewelc met al den anderen."

[22] Met DE VRIES en TE WINKEL geloof ik, dat de _Teesteye_ nà den _Lekenspiegel_ is bewerkt. Zie de plaatsen pro en contra vermeld bij TE WINKEL, bl. 397. De _Teesteye_ werd uitgegeven door SNELLAERT in zijne: _Ned. Ged. uit de 14e eeuw_.

[23] Vgl. _Teesteye_, 393, 812; _Lekensp._ B. II, c. 35, 17-18; vooral ook de Inleiding op MAERLANT'S _Strophische Gedichten_ (edd. FRANCK en VERDAM), bl. LXXXVII.

[24] _Lekensp._, II, c. 38, vs. 103 vlgg.

[25] _Lekensp._, B. III, c. 20-22.

[26] _Lekensp._, B. II, c. 35, vs. 109 vlgg.

[27] B. I, c. 21, vs. 93-100.

[28] Wat SNELLAERT in de Inleiding zijner _Ned. Ged. uit de 14de eeuw_, bl. XXV heeft medegedeeld over de gelijkenis tusschen _Teesteye_, _Boec van der Wraken_ en _Melibeus_, is zeker niet voldoende om ons te overtuigen dat deze drie werken van één maker moeten zijn; doch geeft voldoende reden om een afzonderlijk onderzoek in te stellen. Daarbij zou ook het overige werk van BOENDALE moeten geraadpleegd worden. Immers bij de door S. medegedeelde plaatsen kan men alvast een paar verzen uit den _Lekenspiegel_ voegen (III, c. 3, vs. 237-8) die teruggevonden worden in _Meliboeus_, vs. 2266-7.

Een nauwkeurig onderzoek van de taal zou de vraag heel wat verder kunnen brengen.

Opmerkelijk is voorts, dat ook CHAUCER eene proza-bewerking gaf van _The tale of Melibeus_. Staat deze bewerking in verband tot het Mnl. gedicht?

[29] Uitgeg. in KAUSLER'S _Altniederl. Gedichte_, II, 14 vlgg. Vgl. o.a. vs. 210 vlgg.; 482 vlgg.; 522 vlgg.

[30] Nieuwe uitgaaf van Dr. W.H.D. SURINGAR. Leiden. Gebr. V.D. HOEK. 1895.

[31] Uitgeg. in KAUSLER'S _Altn. Ged._, III, 177-181. Het is vertaald uit het Fransche "_Doctrinal d'un rimeur nommé Sauvage_"; vgl. PETIT DE JULEVILLE'S _Hist. de la Litt. Franç._, II, 185, waar het "banal et confus" wordt genoemd. no. 2 en no. 3 eveneens uitgeg. door Dr. SURINGAR (Leiden, V.D. HOEK, 1891 en 1892); no. 2 ontleend aan drie Latijnsche werkjes waarvan één door den bewerker op den voet is gevolgd (vgl. bl. XXII vlgg.). no. 3 eene vertaling van den Latijnschen _Facetus_, echter geen woordelijke vertaling. Vgl. ook _Ned. Spect._, 1891, no. 41; 1893, no. 1. Over andere derg. geschriften vgl. TE WINKEL, bl. 405.

[32] Vgl. no. 28, no. 2. _Die Bouc van Zeden_ behelst dergelijke gegevens als _Van Zeden_.

[33] Uitgave van J.H. BORMANS (_Speghel der Wijsheit of Leeringhe der Zalichede_). Brussel. 1872.

[34] Vs. 2065-6.

[35] B. III, c. 15, vs. 190-3.

[36] Ook _Reinaert II_ is voortreffelijk uitgegeven door MARTIN. In M's _Einleitung_, XLIX-LI vinden wij eene parallel als boven bedoeld wordt, in hoofdzaken aangegeven. Eene uitvoerige vergelijking van beide bewerkingen gaf Dr. J.W. MULLER in _De oude en de jongere bewerking van den Reinaert_. (Amsterdam. 1884).

[37] Vs. 7068-'71. Vindt men in vs. 3181: "Ic heb minen dume uut sinen monde" misschien eene herinnering aan een tooneel uit den roman der Heemskinderen? (Vgl. _Volksboek_ ed. MATTHES, bl. 141).

[38] Vgl. I, 505 en II, 530-1; I, 990 en II, 1013; I, 1582-'98 met II, 1611; I, 1947-'60 en II, 1977 vlgg.

[39] Vgl. II, 1022-'3; 2314-'5; 3486-'7 (ook in het Fransch; vgl. MARTIN, _Einl._, XLI); 3499; 3745 vlgg.; 4827-'9. Van dat alles is in _Reinaert I_ niets te vinden.

[40] II, 3622 en II, 2417 verg. met I, 2393-'5. (Het mogelijk verkeerd lezen van _moude_ (stof) voor _monde_ doet hier niets af).

[41] _Reinaert II_, vs. 1899.

[42] Vgl. vs. 40-44, 7769 vlgg. Over het vertoon van geleerdheid vgl. MARTIN, _Einl._, XLIX-L.

[43] Vgl. _Reinaert II_, vs. 7654 vlgg.; 2959 vlgg.; 4534 vlgg.; 4595; 1413-'29; 3821 vlgg.; over de vrouwen vgl. MULLER'S dissertatie, bl. 122, 187, doch ook hier vs. 5541-'5; de mystiek vs. 4130 vlgg.

[44] II, 2335, 3613, 4098, 4422, 4770, 4848, 7393, 7408 en de op deze volgende verzen.

[45] Zie deze en andere plaatsen in _Reinaert II_, vs. 488, 604-'8. 961 vlgg., 2228-'9, 2916, 3030, 3210, 3842-'3, 4450-'9, 5896-5901, 6581 (in vergelijking met de overeenkomstige plaatsen van _Reinaert I_).

[46] Vgl. MULLER a.w. bl. 191-2.

[47] Vgl. deze en andere plaatsen I, 520 vlgg. met II, 544 vlgg.; I, 842 en II, 881; I, 960 en II, 985; II, 1047; I, 1550 en II, 1587-'8; II, 1595 (ingevoegd); II, 2027-'30; I, 2064 en II, 2076; II, 2307-'13; I, 2829 en II, 2820.

[48] I, 73 en II, 83 (in verband met vs. 105); I, 1929 en II, 1961.

[49] Vgl. I, 1235 met II, 1259.

[50] Vgl. I, 331-2 met II, 359-360. Vgl. voorts het echt epische in I, 643 vervangen door het didactische in II, 692-3; het ironische in I, 1663 door het rechtstreeksche in II, 1677; de mindere levendigheid in II, 616 vlgg. vergeleken bij I, 562 vlgg.

[51] MULLER a.w. bl. 161-163, 166.

[52] Vgl. vs. 2053, 3182 en 2053.

2. VERHALENDE EN LYRISCHE POËZIE.

_a_. Boerden en sproken, _b_. Liederen. Muziek en zang. Geestelijke liederen. Minneliederen en drinkliederen. Historische Liederen, _c_. Geestelijke, stichtelijke en didactische lyriek, _d_. Minnepoëzie.

Vonden wij in de 13de eeuw nog maar weinige berijmde novellen, hoorden wij het lied slechts hier en daar als schuchter kweelen der vogels bij den komenden morgen--nu zien wij ons geplaatst voor eene menigte van verhalende en lyrische gedichten, zoo rijk in verscheidenheid, dat het moeilijk valt in die warreling het gelijke of verwante te onderkennen en te groepeeren. Die moeilijkheid ontslaat ons echter niet van de taak om te pogen, ook deze stof te beheerschen door haar te verdeelen.

Wij zijn gewoon verhalende gedichten van komischen aard _boerden_ en van ernstigen aard _sproken_ te noemen; doch wij mogen niet voorbijzien, dat het hedendaagsch en het vroeger spraakgebruik elkander hier niet volkomen dekken. Een komisch gedicht wordt ook wel "ene boerde" genoemd, al bevat het niet juist wat wij een verhaal noemen en een verdicht verhaal wordt wel met "boerde" betiteld, al heeft het niets komisch[1].

Het woord _sproke_ heeft een zeer ruime beteekenis; zoo wordt een "bedinghe" _van onser Vrouwen_ aan het slot genoemd: "desen _sproke_", en dat is niet het eenige voorbeeld van dien aard; elders treffen wij eene "sproke up den wijn" aan[2]. Daarentegen heet menig verhalend gedicht, met min of meer stichtelijke of didactische strekking, niet _sproke_, maar _exempel_ of _bispel_[2].

Doch anderzijds blijft het waar, dat de meeste korte verhalende gedichten _boerde_ worden genoemd, indien zij van komischen, _sproke_ indien zij van ernstigen inhoud zijn. Wij mogen ons dus gerechtigd achten deze gedichten tot eene afzonderlijke groep te vereenigen. Een tweede groep valt te onderscheiden in de muzikale lyriek: de liederen, in tegenstelling met de boerden en sproken, bestemd te worden gezongen niet gezegd; doch evenals deze ontstaan uit zuiverder lust tot dichterlijke uiting des harten en beelding der stof, dan wij over het algemeen in een derde groep waarnemen. Die derde groep omvat uitingen van het godsdienstig gemoedsleven, zoowel als stichtelijke en didactische stukken, bestemd tot vermaning, waarschuwing, opwekking en leering; het karakter van vele dezer stukken blijkt reeds ten deele uit vooral hier voorkomende benamingen als _bedinghe_, _disputacie_, _questie_, _notabel_. Het spreekt vanzelf, dat ook tegen deze groepeering bezwaren bestaan; ook hier ontsnapt het leven op meer dan een plaats aan de banden eener altijd min of meer schoolsche indeeling. Doch mogen de groepen hier en daar ineenvloeien, wat nood, indien daardoor het besef harer onderlinge eenheid wordt versterkt?

_a_. BOERDEN EN SPROKEN.

De honderden korte verhalen, welke wij vroeger leerden kennen, waren nog springlevend. Zij zwierven nog van mond tot mond en van het eene handschrift in het ander. Hen volgen op al hunne gangen is ons onmogelijk; wel kunnen wij zien: dat verscheidene hunner op hunne omzwervingen trekken van elkander overnemen, dat zij zich wijzigen naar het volk waaronder zij vertoeven, en dat de verhalen uit het menschenleven den voorrang krijgen op de dierfabels.

Ook bij de Nederlanders der 14de eeuw vonden zij een gunstig onthaal. Tal van stoffen, die ook in andere middeleeuwsche literaturen verwerkt zijn, werden hier geboetseerd tot berijmde verhalen van komischen of ernstigen aard, die gewoonlijk van twee- tot driehonderd verzen tellen, doch ook wel eens grooter of kleiner omvang hebben. De komische stoffen, hier tot _boerden_ verwerkt, vindt men bijna alle terug in de Fransche literatuur; doch, hoewel de wijze van bewerking niet zelden gelijk is, zijn er weinig of geen sporen van navolging aan te wijzen. Onze boerden maken in hoofdzaak den indruk, dat zij oorspronkelijke bewerkingen zijn van mondeling overgeleverde stoffen. Sommige zullen uit Frankrijk hierheen, andere uit Brabant of Vlaanderen naar Frankrijk gekomen zijn. Om te zwijgen van onze literaire betrekkingen in dit opzicht tot Duitschland, Engeland en andere landen.

De sproken zijn zeker voor een deel, voor het grootste deel misschien, afkomstig uit middeleeuwsche bronnen als _Vitae Patrum_, _Gesta Romanorum_, _Dialogus Miraculorum_, _Liber Apum_, _Legenda aurea_; voor een ander deel zeker ook door mondelinge overlevering verbreid. Met den invloed der Fransche literatuur zal men ook hier rekening moeten houden[3].

Hier en daar vinden wij in deze boerden en sproken aanwijzingen omtrent den weg, waarlangs het verhaal den verteller had bereikt; uitdrukkingen als b.v.: "Ic quam eens daer men mi sede" of: "Ic vant ghescreven ende las"; doch zulke aanwijzingen zijn schaarsch en niet alle duidelijk[4]. Duidelijk is daarentegen het streven van sommige dichters de verhalen te localiseeren; de stukken heeten te spelen, zijn misschien soms ook werkelijk zóó of ten naastebij zóó gebeurd, "in 't lant van Loon," "te Hasselt in die goede stede," "te Dordrecht in de poort," "Tantwerpen in die coperstrate"[5]. Zooals men kon verwachten, worden wij hier vaker naar het Zuiden dan naar het Noorden dezer landen verplaatst.

Waarvan vertellen ons de boerden? In welke wereld verplaatsen zij ons? Op een paar uitzonderingen na behandelen zij gevallen van minne, van zinnelijken lust, van overspel; zij vertellen ons van overspelige mannen of vrouwen, die gefopt of gestraft worden, van minzieke vrouwen of meisjes, clerken of nonnen, een enkelen keer ook van mannen die in de kroeg zitten of boeven die een vroegeren kameraad bestelen. Maar de lusten des vleesches vormen toch het hoofdmotief, dat voor de middeleeuwsche dichters en niet voor de Dietsche alleen, blijkbaar een komisch karakter had[6].

Wij worden verplaatst naar de kroeg, onder de "goede gezellen die lange in 't drinchuus duren" en vrouwen die hare mans uit de kroeg halen; wij komen in gezelschap van een waard, die bedrogen wordt door de waardin en haar minnaar; van reizende "clercken", die het hun verleend nachtlogies aan de vrouw en de dochter des huizes vergoeden in liefde, aan den huisheer in kostelooze vuistslagen bij nacht; van een kostelijk gekleeden, langharigen Don Juan te Dordrecht; van een koopman, die zijne al te dartele vrouw voor den gek houdt.

Slechts een paar malen verkeeren wij, zooals in de laatstgenoemde gevallen, in de huizen van rijke burgers. Gewoonlijk zijn wij onder de kleine burgerij, waar men slaapt in één vertrek, meelpap eet en "stoppelen sonder hout" brandt of groen elzen hout; waar het 's nachts donker is of een vetpotje ("lichtvat met smoute") een flauw schijnsel geeft. De koe staat dicht achter de woonkamer, ook in een burgerhuis; in de boerde "van de gestolen zijde spek" zijn wij op het land ten huize van een voormaligen boef, die zich bekeerd heeft en eene boerendochter getrouwd. Elders komen wij op het erf van een visscher, aan de oevers der Seine. Ook de koopman, die ons wordt voorgesteld als een rijk man--hij heeft mooie kleeren en juweelen en speelt schaak met zijne vrouw--, toont in zijne manieren een buitengewone grofheid; zijne vrouw, die een handelsman uit de Oostzee-provinciën te gast heeft en waant door dezen bedrogen te zijn, wreekt zich op dien gast door hem spijs op zijne kleeren te storten, tegen hem te vloeken en hem heimelijk tegen de schenen te schoppen.

Dat zijn de maatschappelijke kringen, dat de levensomstandigheden, welke de stoffen leverden tot de dichterlijke verhalen die onder en naast het verhalend ridderdicht opgekomen en bestemd waren die ridderpoëzie te verdringen. De rijke koopman uit een dezer boerden, die "gheleerst, ghespoort, ghegort wel vaste" zijn huis binnenkomt, toont ons dat het zwaartepunt in de maatschappij dier dagen zich had verplaatst.

In de boerde, getiteld _Wisen raet van vrouwen_, worden wij in een "huys met hoghe mure" gebracht; blijkbaar een dier huizingen zooals de rijke burgers ze in navolging van den adel bouwden. De eigenaar van het huis houdt daar achter slot en grendel zijne dochter die hij hoopt uit te huwelijken aan een ridder of jonkheer, maar wat kan hij tegen de Min?

Al sluiten Hem buiten Met grendel en boom Benagelde poorten ...

hij raakt er binnen in de gedaante van een jonkman, blijkbaar een burger, tot wien zij haar goedgeloovigen biechtvader als liefdebode weet te zenden.

Komt deze burger die blijkbaar hoogerop wil, er bekaaid af, op meer dan een plaats wordt in deze boerden op spottenden toon gesproken over het ridderwezen. De vrouw van een drinkebroer die thuis grimmend en grommend haar man zit af te wachten, zegt:

Ic woude ic met hem op een pleyn Mijn leven mochte setten in waechscalen[7].

Zooals de brave ELEGAST vroeger tegen den schelmschen EGGHERIC VAN EGGHERMONDE!

Van heer GOBERT die 's nachts aan het vechten raakt met een der "clercken" wien hij nachtlogies heeft verstrekt, heet het:

Men sach noit so wel tornieren Sonder wapene ende sonder corieren [Zijnoot: maliënkolders.] [8].

De dichter die ons met blijkbaar welgevallen de onbeschaamd-dartele boerde _Van den tanden_ verhaalt, stelt ons zich zelven voor, op zijn paard Morele buiten Brussel rijdend. Dien naam _Morele_ droeg eertijds het ros van ridder AMELANT in den roman _van Lancelot_; dien naam ook het ros van den dapperen TOREC, dat meer waard was dan eene stad[9].

In gansch andere kringen der maatschappij leiden ons de sproken binnen.

Hier verkeeren wij onder "verweende" [Zijnoot: hoovaardig.] keizers en koningen, heeren "van groten bloede", prinsen, graven, ridders, edele vrouwen en jonkvrouwen. Het is waar, dat het ridderlijk tweegevecht ook hier wordt afgekeurd en zelfs min of meer belachelijk gemaakt. Zeker keizer die den vrede lief had en wijs en rechtvaardig zijn land regeerde, maakte korte metten met de veete tusschen een paar zijner voornaamste edelen. Hij ontbood de beide "helden" en trachtte ze te verzoenen. Te vergeefs! Toen deed hij ze beiden ontkleeden "totter brouc", bracht ze in een vertrek, gaf elk een dolk en zeide: gaat nu maar dapper aan 't werk; gij krijgt geen eten of drinken, vóórdat een van beiden gedood is. Onmiddellijk waren zij het eens. Zóó moesten meer vorsten doen, zegt de dichter, dan zou er heel wat minder onschuldig bloed vergoten worden [10]. De ernstige toon en het beroep op den Almachtigen Rechter aan het slot toonen wel dat, indien sproke en boerde hier al één lijn trekken, hun punt van uitgang toch verschillend is. In een ander verhaal wordt een rijk en gierig ridder op onzachte wijs voor den gek gehouden door zijn medeminnaar, een dapper maar arm edelman. De wijze waarop de gierigaard 's nachts door zijn medeminnaar bewerkt wordt met een hazelaarstwijg, is weinig hoofsch, en ook de verdere inkleeding doet hier en daar denken aan de boerden; doch dit verhaal is dan ook het eenige waar men twijfelt of men het tot de sproken dan wel tot de boerden zal rekenen [11].

Overigens echter wordt in de sproken het ridderwezen met eerbied bejegend en er is nog gevoel voor de ridderlijke idealen. Zoo zien wij in een sproke een hooggeboren rijke maagd aan een dapper arm oud ridder de voorkeur geven boven een jongen "mooyaert" [Zijnoot: fat.], die den ouden krijger bespot wiens gelaat met zwaarden geteekend is [12]. Het fraaie verhaal: _de mantel van eren_, wil toonen, hoe verkeerd het is, goud hooger te stellen dan riddereer [13].

Zijn wij niet aan hoven of in ridderlijke huizingen, dan brengen de sproken ons in klooster of kluis, in gezelschap van monniken en kluizenaars, nonnen en bagijnen. Van dien aard is o.a. het verhaal van het _Baghijnken van Parijs_, een aanzienlijk meisje dat in een bagijnhof wenscht te worden opgenomen; dat van de non die met haren meester haar klooster ontvlucht; van het jonge monnikje dat telkens een deel van zijn eten aan het beeld van MARIA brengt; van de edelvrouw die terwijl zij haar minnaar afwacht, door de geesten der afgestorvenen voor wie zij placht te bidden, wordt bekeerd en in een klooster gaat.

Verwant met deze sproken van geestelijken inhoud zijn andere, die ons verhalen van eene jodin die bekeerd wordt tot het Christendom, een jodenmeisje dat Christin wil worden en door haar vader vermoord wordt; weer andere behelzen algemeen bekende korte verhalen die men overal terugvindt, zooals dat van Hansken met de ganzen; het ouderpaar, dat door hun kind teruggebracht wordt van de slechte behandeling van hun ouden vader; de rechtgeaarde zoon, die niet op het lijk van zijn vader wil schieten. In eene enkele sproke treedt de koopmansstand op: het verhaal van een paar trouwe vrienden, een koopman uit Brugge en een uit Baldac (Bagdad), die zich voor elkander willen opofferen. Het verhaal van Pyramus en Thisbe, "twee kinderen die droeghen eene sterke minne," leende zich natuurlijk beter tot een sproke dan tot een boerde; de oudheid zette aan deze stof eene achtbaarheid bij, die het verhaal wel doet passen bij de ridderverhalen en die uit het leven der geestelijken, beide toch nog altijd op hooger plan gelegen dan het leven van burgers en plattelanders[14].

Dat de sproken alle een zedelijk karakter vertoonen, kan ons niet verwonderen. Een dezer sprookdichters blijkt zelfs zoo nauw van geweten, dat hij het noodig acht zijne toehoorders gerust te stellen omtrent zeker gemis aan waarheid dezer verdichte verhalen. De sproke _van eenen verwaenden coninc_ vangt aan met deze regels:

Exempel vertrect [Zijnoot: vertelt.] men hier ende daer, Niet om dat si alle zijn waer, Maer om dat mer bi verstaet Ondersceet tusschen goet ende quaet[15].

In een enkel geval is de moralisatie bijna even groot als het verhaal zelf. Elders is in een sprookdichter de lust tot het mededeelen van zedekundige waarheden of bespiegelingen zóó sterk, dat hij ook de personages, die in zijn verhaal optreden, met dien lust bezielt. Een paar ridders "van quaden levene" komen tot hun meester om hem te zeggen, dat zij berouw gevoelen over hunne misdaden en hun leven willen veranderen. Op eene vraag van hun meester, op welke wijs zij dat denken te doen, antwoorden zij:

.... Wi merkent bi Alexanderen Die grote coninc, dat hem en mochte Die daet ghehulpen die hi wrochte, .... Hine moeste der doot doen een ghemoet[16].

In overeenstemming met dezen lust tot moraliseeren is dan ook, dat wij zelden eene sproke aantreffen zonder een nuttige les of stichtelijke opwekking: trouw gaat boven al; hovaardij is zonde boven al; hooren, zwijgen en ziende blind // dat's dat nu de wereld mint, enz. Elders worden de hoorders opgewekt, onzer Vrouwe getijde en vigiliën voor de dooden te lezen; hoovaardij, hebzucht en afgunst te schuwen[17].

Opmerkelijker dan dit stichtelijk karakter der sproken is, dat ook in de meeste boerden een zedelijke of didactische strekking niet te miskennen valt. De boerde van de dartele koopmansvrouw met den "Oosterlinc" vangt aan met een paar spreukmatige regels, die in het daaropvolgend verhaal worden toegelicht:

Tgoede wijf maect den goeden man Ende de goede man maect tgoede wijf.

Aan het slot dezer boerde lezen wij dan ook: "Elc vrouwe neme hier exempel an." In den aanvang der boerde van de twee "clercken" en heer GOBERT wordt ons gezegd, dat men uit sommige gedichten "vroedschap en dwaasheid" te weten komt[18].

Ook in andere boerden vinden wij dergelijke uitdrukkingen. In eene boerde, zóó plat-realistisch als die _van den visscher van Parijs_, wordt, wat de middeleeuwsche dichters huichelarij achtten in minzieke vrouwen, op onbarmhartige wijze bespot en de moraal der boerde _van Heile van Berseele_ is samengevat in eene waarschuwing tegen den omgang met lichte vrouwen. Waar geen eigenlijke zedeles of wat daarop gelijkt, in het verhaal voorkomt, voelen de boerdendichters zich toch verplicht iets in dien geest te geven door een zegenwensch als: "God gheve ons ter zielen bate" of: "God bringhe ons ten eweghen paradise"[19].

Het is waar dat de vrouwen en meisjes, vooral de getrouwde vrouwen, in deze boerden voorgesteld worden als in hooge mate weelderig en onkuisch. Doch men moet niet vergeten dat deze voorstelling rust op theologischen grondslag en dat de middeleeuwsche dichters, voorzoover zij geen aanhangers van den vrouwendienst waren, er steeds op uit zijn de vrouwen als EVA'S dochters te doen zien. EVA'S val immers was de bron van zoo groote rampen voor het menschelijk geslacht geworden niet alleen hier op aarde maar ook nog in een later leven[20]. Ook dragen de boerdendichters er zorg voor dat men hen goed begrijpe: niet op "hoofsche vrouwen" hebben wij het gemunt, zeggen zij; en, bij een andere gelegenheid: geen goede vrouw behoeft dezen schoen aan te trekken[21].

Die goede en hoofsche vrouwen vinden wij in de sproken: een jong rijk meisje dat bagijn wordt; eene edelvrouw die zich bekeert en in een klooster gaat; een jonge non die zich neus en lippen laat afsnijden om hare kuischheid te redden; eene adellijke dame die zich nieuwe kleeren en sieraden ontzegt om haar man te kunnen bijstaan in zijn strijd tegen de ongeloovigen; THISBE die den dood van haren minnaar niet overleven wil.

Een dezer sprookdichters is zijn tijdgenooten zelfs zóóver vooruit, dat hij in de bres durft springen voor vrouwen die een misstap begaan hebben. Een adellijk meisje heeft eene liefdesbetrekking aangeknoopt met een jonkman van geringen stand. Hare magen zijn vergramd, want, al was de jonkman haar knecht niet, zulk een misstap was erger dan overspel. Haar broeder, een groot heer, heeft medelijden met haar en verdedigt haar in een gesprek met eene hooge bloedverwante die hem zijne zachtmoedigheid in dezen verwijt.--Ik zelf heb vijf onechte kinderen, antwoordt de edelman; zal ik een ander dan dingen verwijten die ik zelf heb begaan?--De hooge vrouwe herneemt: zoudt gij mannen en vrouwen in zoo iets willen gelijkstellen? Men zal u voor onwijs houden.--Hij weer: de schande der mannen zal in Gods oogen duizendmaal grooter zijn, want zij zijn de aanleggers, het is alles hun schuld.

Deze opvatting, zooveel rechtvaardiger en menschelijker dan de gewone middeleeuwsche, zullen wij eerst in veel later eeuwen en in onzen tijd opnieuw aantreffen[22].

Tot dusver hebben wij, boerden en sproken karakterizeerend in hun onderling verschil, gelet vooral op inhoud en geest dezer beide genres. Wij kunnen er nu bijvoegen dat dit verschil zich slechts ten deele in den uiterlijken vorm openbaart. De sproken zijn, op _het Baghijnken van Parijs_ na, gedicht in doorloopende verzen, paarsgewijze rijmend of met overslaande rijmen; de boerden, luchtiger van karakter en stemming, hebben in een paar gevallen den luchtiger gang van het verhalend in coupletten afgedeeld lied. Verscheidene dezer ernstige of komische verhalen zijn in allen eenvoud goed verteld,