Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 33
De hier behandelde tweespraken en dialogische gedichten, de korte coupletten, waaruit het bundeltje _Van Zeden_ bestaat, kunnen dienen als voorbereiding op de didactische lyriek, die wij in een volgend hoofdstuk zullen leeren kennen. Zij zijn als schakels, die de leerdichten in epischen vorm verbinden met de didactische lyriek. Geen der in deze laatste bladzijden behandelde werken is daartoe zóó geschikt als het tot nu niet genoemde werk van zekeren JAN PRAET, dat men op grond van eene aanwijzing in den tekst _Leeringhe der Zalichede_ heeft genoemd[33]. Gedicht nu eens in verzen met overslaand rijm, dan weer in paarsgewijze rijmende verzen, die onderbroken worden door vier- en zesregelige coupletten, afgewisseld op hunne beurt door twaalfregelige "motetten", geeft dit rijmwerk ons een vermoeiend bonte afwisseling van dichtvormen te zien. Harmonie heerscht hier in zóóver, dat ook de inhoud een bonte verscheidenheid toont; doch die harmonie beperkt zich tot de oppervlakte, want de wisselingen van vorm beantwoorden niet aan wisselingen van inhoud of stemming, maar schijnen slechts voort te komen uit zekere onrust, misschien ook uit de zucht van den auteur om met zijne kunstvaardigheid te pronken.
Daar de aanvang en het slot van het werk ontbreken, kunnen wij ons uit de ongeveer 5000 overgebleven verzen geene volkomen voorstelling vormen van het plan des dichters. De aanvang van het fragment verplaatst ons in een lofzang op de H. Maagd. Hare deugden worden opgenoemd in verband met de letters van haar naam. Telkens begeeft de auteur zich in eene uitweiding, zoo b.v. over de wanhoop en de geschiedenis van THEOPHILUS. De voorstelling van het leven als een gevaarlijke zeereis wordt breed uitgewerkt: het lichaam is het schip, het hart de schipper, het gepeins het anker; het kompas, bestaande uit naald, zeilsteen en water, geeft een voorstelling van Verstand, Zin en Geheugen. Hoogmoed wordt gelaakt; zelfkennis aangeprezen; de verachtelijkheid van het lichaam met nadruk betoogd. Daarna wordt het beeld van het schip weer op den voorgrond gebracht. De auteur, die zich hier wel in de plaats zal stellen van den gewonen mensch, belijdt dat hij schuldig staat aan de zeven hoofdzonden; deze worden dan op de bekende middeleeuwsche wijze voorgesteld als een boom (hoovaardij) met zes takken (_arbor vitiorum_). Staaltjes van de wijze, waarop de hoofdzonden zich in het leven openbaren, worden medegedeeld; vooral de priesters moeten het hier ontgelden in hun wellust, luiheid en hebzucht. Een lang dispuut tusschen Hoovaardij en Ootmoed volgt; daarna een beschrijving van een strijd tusschen de deugden en de ondeugden (bekend uit PRUDENTIUS' _Psychomachia_); ten slotte wordt Hoovaardij berispt door Vrouwe Sapientia en JEZUS' leven uitvoerig verhaald.
Hoewel nergens blijkt dat een bepaald werk of een auteur door JAN PRAET gevolgd is, knoopt hij toch telkens nieuwe beschouwingen vast aan Latijnsche teksten of korte Latijnsche verzen, die niet zelden door hem worden uitgebreid. In die uitbreidingen, vooral in de lyrische gedeelten daarvan, toont deze auteur zich op zijn best. Zijn smaak was niet fijn--getuige zijne vergelijking van God, die zich van sommige priesters afkeert, bij een haas die de honden ontvlucht[34]--hij weet zich niet te beheerschen noch te beperken, toont zich niet zelden een gelijkvloerschen rijmelaar; doch, waar hij op zijn best is, weet hij ook aardige, gemakkelijk voortloopende coupletten te dichten, die zekere natuurlijke bevalligheid vertoonen. Zoo b.v. het "motet" dat aanvangt:
Bi rimes zucht [Zijnoot: nadeelige invloed van de rijp.] Verlieset vrucht Saen hare baten
of:
Hooren, peinsen, Zwighen, veinsen Ende wel voorsien, Dat zijn seden Van wijsheden Dies willen plien [Zijnoot: plegen.].
Ook de aanvang der lange passage, waar Vrouwe Hoovaardij aan het woord is, mag hier genoemd worden:
Ic doe tornieren, Ridders verfieren [Zijnoot: stouter worden.] Van haren zinne, Vrouwen pareren, Zinghen, baleren [Zijnoot: dansen.] Om ridders minne; Knapen [Zijnoot: schildknapen.] josteren [Zijnoot: strijden te paard in tweegevecht.] Ende breken speren Om roeme saken; Joncfrouwen vermoyen, Wempelen ployen Ende horne [Zijnoot: de horens van het middeleeuwsch kapsel.] maken.
Zulke stukken herinneren ons, dat er in de 14de eeuw eene bloeiende lyriek wordt aangetroffen. Met die lyriek zullen wij ons spoedig hebben bezig te houden. Eerst echter wacht ons een andere taak: na te gaan, wat er van den _Reinaert_ geworden is onder den invloed van de sterke didactische neigingen der burgerijen.
REINAERT II.
Een eeuw en het vierde eener volgende eeuw waren voorbijgegaan, sinds een Vlaamsch dichter de geschiedenis _van den vos Reinaerde_ aan zijn volk had verhaald.
Welken indruk dit dichtwerk op het publiek heeft gemaakt, kunnen wij wel vermoeden doch niet in bijzonderheden aantoonen. Moesten wij afgaan alleen op het ontbreken van handschriften uit de 13de en 14de eeuw, waarin het gedicht is bewaard, dan zou men moeten aannemen dat het weinig of niet bekend is geworden. Maar de afkeurende critiek van ernstige mannen als WILLEM VAN AFFLIGHEM en MAERLANT bewijst wel, dat de roodbaard in ruimer kring sympathie vond dan hun lief was. Duidelijk openbaarde zich die sympathie bij zekeren BALDWINUS, die omstreeks of eenigen tijd vóór 1280 aan ons gedicht de zeldzame eer eener vertaling in het Latijn bewees. Maar indien de _Reinaert_ daardoor al in de schatting ook der ernstige mannen gerezen is, dan toch waarschijnlijk alleen omdat hij ook nuttige lessen bevatte. Dat standpunt zien wij ten minste JAN BOENDALE innemen ongeveer een halve eeuw nadat de Latijnsche vertaling vervaardigd is. In zijn _Lekenspiegel_ zegt hij, sprekend "van Reynaerde ende Ysegrime, Brunen den bere ende den das":
Dat dese dinc vonden was, Was al om lere ende wijsheit[35].
Die opvatting bleef gelden ook bij anderen die na hem kwamen. Indien BOENDALE--wat niet waarschijnlijk is--nog heeft geleefd omstreeks 1375, dan heeft hij zijn hart kunnen ophalen aan een verhaal _van den vos Reinaerde_, dat waarschijnlijk wel genade zal hebben gevonden in de oogen der ernstige mannen van dien tijd. In dat jaar toch heeft een onbekend, geletterd dichter het oude verhaal opnieuw bewerkt in den geest der didactische dichters. WILLEM'S gedicht is door hem tot grondslag genomen eener nieuwe bewerking, bestaande uit: 1o het oude gedicht, doch met allerlei wijzigingen, invoegsels, toevoegsels en weglatingen; 2o eene voortzetting van het oude gedicht in den geest zijner bewerking van WILLEM'S gedicht. In zijn werk heeft hij tal van nieuwe dierfabels gelascht: wolf en merrie, man en slang, paard en hert, ezel en hond, wolf en kraanvogel, zieke leeuw en Reinaert als arts; deze zijn ontleend deels aan den _Esopet_ deels waarschijnlijk aan de Latijnsche fabelverzameling _Romulus_. Aan de voortzetting van het oude gedicht ligt waarschijnlijk eene Fransche bewerking van een deel der Reinaert-sage ten grondslag, doch de Nederlandsche bewerker heeft op dien grondslag zelf voortgebouwd.
De dichter van 1375 heeft uit den ouden _Reinaert_ vrij wat weggelaten doch er ook vrij wat aan toegevoegd; zijne bewerking van WILLEM'S gedicht heeft denzelfden omvang als dat gedicht zelf. Door de voortzetting die meer dan 4000 verzen bedraagt, verkreeg _Reinaert II_, zooals men het 14de-eeuwsch gedicht gewoonlijk noemt, echter meer dan den dubbelen omvang van _Reinaert I_.
Willen wij trachten _Reinaert II_ te leeren kennen en te kenschetsen, dan zullen wij dat werk voortdurend naast _Reinaert I_ moeten houden om de overeenkomst en het verschil tusschen beide te beter te zien[36].
Evenals in de 13de eeuw zien wij ook nu na de ridderpoëzie eene bewerking der Reinaert-sage verschijnen, doch verschillend in wezen van die der 13de eeuw en onder andere omstandigheden.
Het oude gedicht _Van den vos Reinaerde_ was, evenals het Fransche gedicht _Le Plaid_, ontstaan ten deele uit lust tot parodieering van ridderwezen en ridderpoëzie; de Vlaamsche dichter heeft die parodie op zelfstandige wijze met onmiskenbaar talent uitgewerkt en voortgezet. De parodie die in _Reinaert I_ reeds aanwezig was, is door den lateren dichter grootendeels behouden, doch, behalve de beschrijving van een tweekamp tusschen vos en wolf, heeft hij daaraan niets toegevoegd waaruit lust tot zulke parodie ook in hem blijkt. Wel zien wij op een enkele plaats dat hij het ridderwezen niet hoog stelt; hij zegt immers dat hij den strijd tusschen Reinaert en Isegrim liever zou zien dan dien "van twee riddren in een perc"[37]. Overigens moeten wij niet vergeten dat er voor zulk eene parodie omstreeks 1375 weinig reden meer bestond; het ridderwezen was niet meer wat het nog in de eerste helft der 13de eeuw was en de ridderpoëzie van de eerste helft der 14de eeuw was grootendeels namaak van de vroegere.
Voor een ander gedeelte was het oude gedicht geboren uit natuurliefde, welbehagen, in het wezen en leven der dieren, lust om het leven der dieren in de natuur met het menschenleven in- en buitenshuis te vereenigen en te verwerken tot een groot tafereel. Wat is daarvan in de bewerking der 14de eeuw overgebleven? Het natuurleven en dierenleven is er natuurlijk nog; doch als een tafereel, hier verbleekt daar overschilderd, dat menigen fijnen trek heeft verloren en nieuwe trekken vertoont die kwalijk passen bij den geest van het geheel. Wij zien in de latere bewerking niet de menigvuldige kromme paden in Reinaert's jachtveld; wij hooren den beer niet meer luid steunen en zuchten, wanneer hij, van zijn rampspoedigen tocht naar Malpertuis teruggekomen, vóór koning Nobel staat. Verdwenen zijn uit _Reinaert II_ de kinderen die den wolf een blinddoek voorbinden, verdwenen ook het aardige tooneel van Reinaert's vijanden bij de galg waaraan zij hem aanstonds hopen te hangen[38].
Het onvermijdelijk anthropomorphisme, door den ouden dichter, met natuurlijken takt binnen de grenzen gehouden, vertoont zich hier op hinderlijke wijze: koning Leeuw zegt: nimmer zal ik meer een zwaard aangorden of een kroon dragen; Reinaert vertelt den koning, dat vrouwe Hermeline heeft moeten zweren in den naam der drie koningen; de dieren dansen hofdansen op trompen en schalmeien, zelfs dragen zij "sproken ende stampiën" [Zijnoot: danslied.] voor; bij het beleg van Malpertuis bedienen zij zich van "donrebussen en bombaerden" [Zijnoot: kanonnen.] [39].
Zoo weinig schijnt de omwerker de dieren in hun wezen en gedrag te kennen, misschien ook geeft hij zoo weinig acht op zijne eigen voorstelling van het dierenleven, dat hij den leeuw laat "brieschen als een stier" en den vos zijne voetstappen dekken(?) met den mond [40].
Dat de omwerker op deze wijze door schrappen en toevoegen het oorspronkelijk werk in waarde deed dalen, behoeft ons niet te bevreemden. Zijn voorganger stond _in_, hij _buiten_ de dierenwereld. Duidelijk zien wij dat, waar hij, sprekend van eene woordenwisseling tusschen Reinaert en zijne vijanden, zegt: "nooit hoorde men feller aanklacht en beter verdediging dan daar, _ten minste van zulke wilde dieren_"[41]. Een dergelijke uitdrukking zou WILLEM nooit gebruikt hebben; die voelde zich daarvoor te zeer één met de dieren die hij voor ons doet optreden. De veertiend'eeuwer kent niet meer of gunt zich niet meer dat genot van zorgeloos gaan door een droomwereld, met de dieren te zwerven door bosschen en over heiden, ze na te gaan in hunne gangen, te beluisteren en te bespieden in hun omgang. Hij is een ontwikkeld man, een "clerc" die zijne geleerdheid gaarne lucht, die de wereld slecht vindt, haar wil waarschuwen, verbeteren, stichten. Het verhaal van Reinaert moet hem dienen als middel om dat doel te treffen. Reeds in den aanvang van zijn werk vestigt hij de aandacht op de "wijsheit" die hier besloten ligt; en als hij aan het eind gekomen is, klinkt het op nieuw:
so wie dit wel verstaet in 't lesen, al ist som boert, hi vinter in vroede leer ende goeden sin [42].
Om die "vroede leer" en "goeden zin" was het den auteur te doen; dat was de pit, de boert slechts de bolster. Telkens blijkt het dan ook, hoe weinig de auteur leeft in die fantastische dierenwereld; hoe zeer hij vervuld is van het heden. Over dat heden is hij slecht te spreken. Er loopen maar al te veel Reinaerts rond, al
dragen zij geen rooden baard; trouw en waarheid zijn verdreven; hebzucht, loosheid en afgunst met koningin Hoovaardij zitten nu op het kussen. De geestelijkheid moet menige veer laten: Losevont de prior, bisschop Prendeloor, Rapiamus de deken, de kardinaal Valoot met zijne concubine.
Op die wijs had vroeger ook JAN DE WEERT het mes gezet in de booze zweren van zijn tijd. Verwantschap met de leerdichters toont de omwerker van den _Reinaert_ ook, waar hij veel gewicht hecht aan "raet", "subtilen raet" en den invloed daarvan aan een hof; waar hij nu eens de vrouwen in een ongunstig licht stelt dan weer een zweempje van vrouwendienst laat blijken. Doch ook maar een zweempje; de lof der vrouwen wordt verkondigd door vrouw Venus "die duvelinne". Voor den rechten vrouwendienst zal deze auteur te kalm en nuchter-verstandelijk zijn geweest. Juist door die eigenschappen kon het hem gelukken, den mysticus te parodiëeren waar hij uit Reinaert's mond sprak van "een bloot niet", van "bescouwender contemplaciën" en "sonderlinghe graciën."[43].
Geen bedwelmenden nectar van mystiek maar het voedzame brood van practische levenswijsheid--dat was wat volgens hem de burgerij noodig had! Wijze lessen, kernspreuken deelt onze omwerker dan ook gaarne uit: zonder dwang gaat het niet goed met eene gemeente; de geleerdsten zijn dikwijls niet de wijsten; een trouw vriend is een sterke hulp; misdoen en zich beteren is menschelijk, zonder dat is het duivelswerk; soms komen de spreuken in een vlaag achtereen: het zwaarste moet het zwaarst wegen; in voor- en tegenspoed moet men maat houden; karaktervastheid voegt den heer, het lot is wisselvallig; prijs den dag niet eer het avond is; goede raad kan dikwijls baten[44].
Onze voorstelling zou eenzijdig, onze beschouwing onbillijk worden, indien wij slechts op deze karaktertrekken van Reinaert den Tweeden de aandacht vestigden; indien wij het deden voorkomen alsof het dezen auteur geheel ontbrak aan medegevoel voor het dierenleven. Dat gevoel was er wel, doch hij onderdrukte het ter wille van andere gevoelens; het bloed kroop, waar het niet gaan kon.
Op verscheidene plaatsen vinden wij toevoegsels van zijne hand, die wel in den geest van _Reinaert I_ zijn; zoo b.v. waar hij van de vermoorde kip Coppe zegt: "de beste, die ie [Zijnoot: ooit.] eier leide op neste."--"Kon de koning geen minderen bode vinden dan u?" laat hij Reinaert tot den dom-trotschen afgezant Bruin zeggen; en later, als deze, bebloed en bek-af na de mishandeling op LAMFROIT'S erf, op den oever eener rivier ligt te hijgen: "hebt gij iets vergeten daarginds? ik zal gaarne een boodschap voor u meenemen; smaakte de honing? ik weet er nog meer voor u tegen denzelfden prijs." Hoe goed ook zijn de kapriolen beschreven van de kleine vossen, die zoo'n pleizier hebben in de weerkaatsing van hun beeld in een spiegel, waar zij:
in plaghen te spieghelen ende voor te springhen, ende saghen hoe haer steertjens hinghen, ende hoe hem haer muulken stont[45].
Op meer dan eene plaats blijkt, dat de omwerker, waar hij voortzetter is van het oude gedicht, een levendigen stijl heeft, dat hij wel kan vertellen en beschrijven[46]. Vooral blijkt dat in het verhaal van Reinaert's bezoek bij de meerkat. "Tante," zegt Reinaert, "wat heb je mooie jongen! deus, hoe wel behaghen si mi!" En zij: "Reinaert, lieve neve, weest wellecome!" Zoo'n vriendelijke ontvangst, vertelt de vos later, verdiende ik al dadelijk door dat "tante". Toch verlaat hij het hol der apin zoo snel mogelijk, "omdattet na die wieghe daer rooc".
Zoo is er dus wel geestverwantschap tusschen den ouden dichter en den lateren; doch anderzijds dit groote verschil dat voor den oudere de schepping van zijn werk haar doel vond in zich zelve, terwijl voor den jongere het dichtwerk vooral een middel was tot verbetering zijner tijdgenooten. Was WILLEM een beeldend kunstenaar, die schiep uit scheppingslust en drang, zijn opvolger was een verstandelijk dichter, die de behandeling der behagelijke stof gewettigd achtte slechts door de nuttige leering die zij bevatte.
Dat verstandelijk element heeft er hem toe gebracht, het oude gedicht op menige plaats te wijzigen, met de bedoeling natuurlijk het te verbeteren en voor het logisch denkend verstand juister of aannemelijker te maken. _Reinaert I_ vertelt ons, dat Bruin, bij Reinaert's kasteel Malpertuis gekomen, de poort waarneemt waar Reinaert gewoonlijk uitgaat en dan vóór de "barbecane" [Zijnoot: ronden verdedigingstoren bij een kasteel.] op zijn staart gaat zitten. Let wel, zegt de omwerker, de poort was gesloten.--Alsof dat bij een middeleeuwsch kasteel niet vanzelf sprak!--Bruin, mishandeld door de dorpelingen, is in de rivier gesprongen, laat zich met den stroom afdrijven en kruipt eindelijk vermoeid op den oever.--Op den _anderen_ oever, zegt de omwerker. Hij heeft misschien gelijk, misschien niet; maar wat kan het ons schelen? "Ik liep uit een schuur," vertelt Reinaert ergens. "Door het gat waar ik wilde zijn"--wordt ons verduidelijkt. Koning Nobel en zijne gemalin gaan de terechtstelling van Reinaert bijwonen, vertelt WILLEM ons.--Het hof ging ook meê, haast zijn opvolger zich er bij te voegen.
Op die wijze voortgaand, heeft hij de bekoorlijk-vrije poëzie van het oude gedicht onder de plak van den schoolmeester gebracht[47]. Ordelijker heeft hij haar gemaakt, hier en daar ook ordentelijker. Van "verhoerd" maakt hij "verdoord" [Zijnoot: het hoofd op hol gebracht.], al past dat niet in het verband; "achterste" wordt "lijf", al gaat daardoor eene aardige tegenstelling verloren[48]. Op sommige plaatsen heeft de omwerker door zijne zucht om duidelijk, vooral duidelijk te zijn, het oude gedicht ernstiger beschadigd dan door bovengenoemde toevoegsels of wijzigingen.
De vos is ingebroken bij den pastoor en heeft een haan meegepakt; Martinet, pastoors zoon, heeft een strik voor het gat gespannen in de hoop den kippendief bij een volgend bezoek te vangen. De rampzalige Tibeert, gekomen om Reinaert met zich ten hove te voeren, wordt door Reinaert in den strik gelokt en staat droefelijk te miauwen. Martinet wordt wakker, vliegt op, steekt een stroowisch aan en schreeuwt tot de huisgenooten: "Er op af, hij is gevangen!" Dat "_hij_" zonder meer zal door zijn waarheid ieder treffen die weet wat men onder zulke omstandigheden pleegt te roepen. Den omwerker heeft het ook getroffen, echter niet door zijne waarheid; blijkbaar acht hij zijn voorganger ook ditmaal niet duidelijk genoeg en dus laat hij Martinet roepen: "Staat op, de dief is gevangen!" Doch welk een aardig trekje ging hier verloren[49].
Elders hooren wij den braven haan Cantecleer roemen op zijne vijftien kinderen die zijne echtgenoot, de wijze Rode, hem had geschonken "in één broedsel"; de omwerker maakt daarvan: die mijne echtgenoot, de wijze Rode, "zeer verstandig opvoedde". Ook al neemt men aan dat dit ironisch bedoeld is, wat is dan toch het warme leven van het oude gedicht door deze wijziging verkild[50].
Zit de omwerker eens op zijn praatstoel dan raakt hij er niet gemakkelijk af; zijne personages redeneeren en redeneeren... dat men soms niet meer weet wie aan het woord is. Vrouw Rukenau, de apin, houdt een pleidooi door 400 regels heen; een ingevoegd verhaal over eenige kostbaarheden heeft een omvang van niet minder dan 900 verzen.
Dat zulke uitweidingen de belangstelling verdeelen en verzwakken, behoeft evenmin betoog, als dat de eenheid van het geheel er door wordt verbroken[51].
Reinaert de Eerste heeft bij al zijne brutaliteit iets onbevangens; boef die hij is, heeft hij toch iets naïefs. Reinaert de Tweede toont zekere zelfverheffing in uitingen als: "ic weet so menighen loosen vont"[52].
Kortom, het is WILLEM'S dichtwerk onder de handen van den omwerker gegaan, zooals Reinaert onder die van tante Rukenau, de apin.
Reinaert moet in het krijt komen tegen zijn ouden vijand, den sterken Isegrim. Zonder list zal hij dezen niet kunnen overwinnen. Moei Rukenau weet raad. Zij scheert neef Reinaert glad tusschen hoofd en staart en smeert daarna zijn romp met olie in. Zóó zal de vijand geen vat op hem kunnen krijgen, want "hij was vet en wel gevoed." Bovendien moet hij dien avond veel drinken, doch den natuurlijken aandrang die daarvan het gevolg zal zijn, bedwingen. Komt hij onder het gevecht in nood, dan zich niet langer bedwongen; met zijn ruigen druipenden staart kan hij dan zijn vijands oogen verblinden. Met behulp van deze en andere listen gelukt het hem inderdaad de zege te behalen.
Maar hoe ziet hij er dan ook uit!
Ja, het is de vos nog; nog fonkelen de wilde oogen in den fijnen kop, nog heeft hij klauwen en tanden. Maar zijn sieraad, de ruige dichte pels, waarvan de vlokken zoo afstoven toen de honden hem te lijf gingen, is verdwenen. Ja, hij is welgevoed; zijn lijf staat bol van nuttige leering en zedelijke verbetering--maar hoe is de natuurlijke schoonheid van den prachtigen struikroover verdwenen. Nog bezit hij den zwaren fraai gevormden staart, doch die hangt neer, druipend... er is een luchtje aan.
Zoo uitgerust, was hij ongetwijfeld sterker in den strijd met den wolf der menschelijke ondeugd, doch wie ziet niet hoe hier de moraal de kunst heeft geschaad. Uit liefde, ongetwijfeld; maar, apenliefde.
AANTEEKENINGEN.
[1] Vgl. _Sp. der. Z._, vs. 16958 en _Bed. der M._ aan het slot; en VERWIJS, _Van Vrouwen ende van Minne_, XIV.
[2] _Lekensp._, I, c. 24, 57; c. 37, 127; II, c. 7, 102. _Dietsche Doctrinael_, III, 831; 1763; II, 2278. _Boec van der Wraken_, I, 262, 294, 1142 enz.
[3] _Dietsche Lucidarius_, vs. 38-40; ook vs. 335-6: "Van hem (God) en dorren wi niet bedieden || Te verre voor die leke lieden.
[4] _Der Mannen ende der Vrouwen Heimelijcheit_ (in: _Mnl. Ged._ ed. DE PAUW), I, 121.
[5] _Boec van der Wraken_ (ed. SNELLAERT), I, 1102-3; zijn betuiging van eerbied voor de priesters in het algemeen (II, 1222 vlgg.) is daarmede niet in strijd.
[6] Bl. 288.
[7] I, c. 25, vs. 79 vlgg.
[8] Vgl. de inleiding van VERDAM, XLIII.
[9] Over de uitgaaf van _Die cracht der Mane_ zie TE WINKEL en PETIT. Daarbij komen nu een paar andere uitgaven in DE PAUW'S _Mnl. Ged._, I, 203 vlgg. en 219 vlgg. naar hss. der 14e eeuw. De uitgaven van no. 2 en no. 3 bij TE WINKEL en PETIT; de klacht over "die onghetrouwe merkaren" in no. 2 (vs. 360) wijst ook op de 14e eeuw. no. 4 is uitgegeven door W. DE VREESE in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XI, 63 vlgg.
[10] Over de uitgaven van beide werken vgl. TE WINKEL i.v. Voorts en vooral: _Studiën über das deutsche Volksbuch Lucidarius...._ van KARL SCHORBACH. Strassburg. TRÜBNER. 1894. Aankondiging van dat werk door TE WINKEL in _Museum_, 1895, bl. 17.
[11] Uitgeg. door SNELLAERT in: _Nederlandsche Gedichten uit de veertiende eeuw_. De hier aangehaalde verzen I, 648 vlgg.
[12] Over de uitgave vgl. TE WINKEL i.v.
[13] Over de twee eerste vgl. TE WINKEL i.v. Van den _Nieuwen_ _Doctrinael_ gaf J. KOOPMANS een boeiend overzicht en goede karakteristiek in _Tweem. Tijdschr._ van Jan. 1901.
Voor den _Spiegel der Zonden_ verwijs ik naar de uitgave van VERDAM, (BRILL, Leiden, 1900) die voorzien is van eene voortreffelijke Inleiding.
[14] VERDAM a.w. II, XLV.
[15] Een degelijk overzicht daarvan danken wij aan VERDAM; vgl. a.w. II, LI vlgg.
[16] Vgl. vs. 5645 vlgg.; 11563 vlgg., 11683, 11964; 12159 en voorts de plaatsen door VERDAM aangewezen in zijne Inleiding, bl. XLIX.
[17] Vs. 1614 vlgg. en 1996 vlgg.
[18] Vgl. de uitvoerige mededeelingen daaromtrent bij TE WINKEL, bl. 387 vlgg.
[19] Ed. DE VRIES. Bij de opgave der hss. van TE WINKEL, bl. 392 moeten gevoegd de _Baseler Fragmente_ waarover zie: _Germania_, XXXVII, 410. Karakteristiek van den inhoud door J. KOOPMANS in: _Tweem. Tijdschr._, 1899.