Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 32
De _Dietsche Doctrinale_ beperkt zich in hoofdzaak tot eene uiteenzetting van deugden en ondeugden; de _Nieuwe Doctrinael_ verbindt met zijne beschouwing van doodzonden en geboden eene scherpe zedenhekeling van alle standen; de _Spiegel der Zonden_ staat dichter bij den _Nieuwen_ dan bij den _Dietschen Doctrinael_, doordat hij waarschijnlijk berust op eene Latijnsche verhandeling over de zeven doodzonden en met die stof zedenhekeling verbindt; anders echter dan JAN DE WEERT heeft de "simpele clerc" zijne waarschuwingen en raadgevingen toegelicht door tal van "exempelen", "ware of verdichte verhalen, waaruit iets te leeren viel," die in de geschiedenis der wereldliteratuur zulk eene belangrijke rol hebben gespeeld [15]. Echter richt ook de bewerker van den _Spiegel der Sonden_ zijn blik niet zelden op zijne omgeving en op misbruiken, die hij zelf moet hebben waargenomen. Zoo b.v. waar hij te velde trekt tegen de weelde, tegen den adel die de boeren verdrukt, tegen de drankzucht en de kwartjesvinders dier dagen:
die schanienisse Vanden speelre [Zijnoot: spelers.] ende die verradenisse, Als si noden om drinken of eten Den ghenen dien si bi ghelde weten, Ende vake maken si onder hem drien Of vieren verbond te rovene dien[16].
Voor een betere kennis van het maatschappelijk leven dier dagen zijn deze leerdichten van veel belang. Echter zal men bij een werk als _de Spiegel der Zonden_ nimmer uit het oog mogen verliezen dat het de bedoeling van den samensteller was: _slechts_ de zonden te doen zien en dat JAN DE WEERT vooral een hekeldichter is. Wij mogen hem geen geloof weigeren, waar hij ons vertelt van den vraat die zijn vinger in de keel placht te steken om daardoor zijn volle maag te ontledigen en opnieuw aan het schrokken te kunnen slaan. Belangrijk voor de kennis van het bijgeloof zijn ook zijne mededeelingen over het "werken met toverringhen" om daarmede vrouwen of iets anders machtig te worden, over het betooveren van koeien en andere beesten. Doch men moet zich wachten voor het vormen van een algemeen oordeel, louter op grond van zulke plaatsen.
Zoo zal ook JAN DE WEERT'S oordeel over de dartelheid der toenmalige meisjes: "waren zij niet bang voor de gevolgen, men zou er tenauwernood ééne maagd onder vinden", zeker wel waarheid maar niet de waarheid bevatten.
Niet alleen het zedelijk en maatschappelijk leven, ook het godsdienstig gemoedsleven van de Nederlanders der 14de eeuw, kan men door deze leerdichten beter leeren kennen. Zoo vindt men in den _Nieuwen Doctrinael_ dezelfde verlichte opvatting omtrent de beteekenis van beelden die wij reeds vroeger hebben aangewezen en eene uitvoerige beschouwing van de verhouding tusschen den berouwvollen, boetaardigen zondaar en God[17].
In den _Dietschen Doctrinael_ en den _Spiegel der Zonden_ wordt gehandeld over de "caritate" en de verdere verhouding tusschen God en den mensch. Toch houden deze leerdichters den blik niet bij voorkeur op het godsdienstig gemoedsleven gericht. Hoofdzaak is voor hen, wat RUYSBROECK samenvatte onder den naam van het _Werkende Leven_. Waar een hunner een enkele maal over het _Schouwende Leven_ spreekt, daar is hij er blijkbaar mee verlegen, hoe hij het zal plaatsen tegenover het Werkende Leven. Er is veel over getwist, schrijft de samensteller van den _Dietschen Doctrinael_, welk dier twee het best zou zijn. Zelf is hij blijkbaar geneigd het Werkend Leven hooger te stellen; immers dat is "vele meerre arbeit"; de schouwer doet niets anders dan dat hij "zijnen Schepper liefheeft". Wat hem echter weerhoudt aan het Werkend Leven den voorrang te geven is, dat degelijke geleerden het Schouwende Leven hooger gesteld hebben; bovendien, CHRISTUS zeide immers van MARIA, dat zij het beste deel gekozen had; zoo komt de auteur van den _Doctrinael_ niet tot eene slotsom. In overeenstemming met de geringe plaats, door het Schouwende Leven ingenomen, is ook, dat deze leerdichters slechts zelden over Gods wezen en het wezen der ziel spreken. In den _Dietschen Doctrinael_ vinden wij een hoofdstuk "Van der Godheit" en "noch subtijlre van Gode", in _der Leken Spieghel_ een paar hoofdstukken "van Gods wesene" en "van den wesene der zielen", doch wat beteekent dat viertal tegenover de honderde hoofdstukken van anderen aard?
De rijkdom aan gegevens, dien deze leerdichten bieden aan den onderzoeker van de zedelijke ontwikkeling onzer voorouders, mag ons oog niet verblinden voor hunne doorgaans geringe waarde als literaire kunstwerken. JAN DE WEERT moge wel eens zekere levendigheid en gloed vertoonen, de samensteller van den _Spiegel der Zonden_ aardige woorden maken of althans gebruiken als "slaeplief" (concubine), "die beeste-mensche" of "die mensche-beeste" (la bête humaine), over het algemeen kan hier van schoonheid zelden sprake zijn. Noch in den bouw der werken, noch in het verband der deelen, noch in de uitwerking der onderdeelen valt doorgaans--want er zijn uitzonderingen--eenige kunst te bespeuren. Het mag de vraag heeten of deze dichters in staat waren tot het voortbrengen van belangrijke literaire kunst, maar zeker hebben zij er niet naar gestreefd.
Het leerdicht der 14de eeuw vindt zijn meest typischen vertegenwoordiger in den Antwerpschen "scepenclerc" JAN BOENDALE, die waarschijnlijk in het laatste kwart der 13de eeuw geboren is. Onder den invloed van MAERLANT begint hij met een paar geschiedkundige werken: de _Brabantsche Yeesten_ en _Van den derden Edewaert_, dat den krijgstocht van den Engelschen koning EDUARD III tegen Frankrijk behandelt is[18]. Maar verreweg zijn gewichtigste werk levert hij daarna in _der Leken Spieghel_, een leerdicht dat tusschen 1325 en 1330 is samengesteld[19]. In dit volksboek vond de leek ongeveer alles bijeen wat hij noodig had om zich als christen, mensch en burger te ontwikkelen. Het werk sprak eerst over God, den hemel, de goede en kwade engelen, het heelal, de planeten, de aarde, de hel. Daarna kwam het op den mensch, op zijne geschiedenis en op die van het Joodsche volk, Gods uitverkorenen; als aanhangsel der Joodsche geschiedenis werd ook iets van de geschiedenis der Romeinen medegedeeld. Na zoo, evenals de mystiek, van God tot den mensch te zijn afgedaald, maakt de dichter zich gereed weer tot God op te klimmen; maar lang is de weg. De mensch kan slechts tot hooger ontwikkeling komen doordat God op aarde is afgedaald. Gods menschwording wordt dus medegedeeld, het leven van JOZEF en MARIA, JEZUS' kindsheid en geschiedenis; een overzicht van de geschiedenis der door Hem gestichte kerk sluit zich daarbij aan. Nu plaatst de schrijver den mensch in zijne verhouding tegenover God, leert hem hoe hij zijn persoonlijk zedelijk leven kan ontwikkelen, hoe hij zich te gedragen heeft in het huwelijk en bij de opvoeding zijner kinderen; wat de plichten zijn van een goed landsheer, van een rechter; wat men te denken hebbe over de waarde en het wezen van kunst en wetenschap, over minne, vriendschap, mildheid, maagschap, voeding en dergelijke belangen. Hij besluit zijn werk met een groot toekomstbeeld: de Antikrist zal op aarde komen en het volk verleiden; de Heer zal zijne twee getrouwe knechten HENOCH en ELIA tegen hem uitzenden, de Antikrist zal hen dooden, doch de "gadoot" [Zijnoot: plotselinge dood.] zal hem zelven van Gods hand treffen. Dan zullen er teekenen geschieden: de zee zal zich verheffen, zeegedrochten zich vertoonen en angstwekkend huilen, dan aardbeving, opstanding der dooden; hemel en aarde zullen in brand staan--zóó zal de Dag des Oordeels worden aangekondigd. Op de wolken zal dan de rechter komen, die in het dal van Josaphat de menschen zal oordeelen, de goeden met zich voeren, doch de boozen ter helle verwijzen.
Dat is de kern der omvangrijke stof die in bijna 22000 verzen, nochtans beknopt en zaakrijk, behandeld is. Zeker was daarin veel waarmede de leeken hun voordeel konden doen. Zij vonden er nuttige kennis en dingen die hunne algemeene ontwikkeling konden bevorderen naast lessen voor de practijk des levens; zoo wekt BOENDALE de landsheeren op tot zorg voor het algemeen welzijn; de poorters tot onderlinge eendracht, te waken tegen zelfverheffing, hunne kinderen op hun zevende jaar naar school te zenden om lezen en schrijven te leeren[20]. Doch sterker invloed nog zal hij geoefend hebben door zijne verheffing van het geestelijke boven het stoffelijke. Hoe forsch pakt hij de overmoedige zinnelijkheid dier opkomende burgerij aan, waar hij haar voor oogen houdt dat de "arme menschelichede" het zwakste en onreinste zou zijn dat bestaat--ten ware dat de ziel haar door hare gratie bestierde en sierde. Onder een geslacht dat afzonderlijke woorden bezigde voor te veel eten en drinken ("overate" en "overdranc") is BOENDALE een matigheids-apostel geweest die hun voorhield, dat éénmaal eten: geestelijk is, twéémaal: menschelijk, driemaal: beestelijk. Hij komt op tegen de voorstelling van God als een mensch: "God is altemale gheest; tegen afbeeldingen van engelen met menschenlichaam en vleugels; tegen de voorstelling van de kerk als een huis, zooals RUYSBROECK dat evenzeer had gedaan[21].
De vraagstukken van maatschappelijken aard die hier behandeld zijn, vindt men, met eenige andere vermeerderd, terug in een tweede, veel kleiner, leerdicht van BOENDALE, dat getiteld is _Jan's Teesteye_ [Zijnoot: overtuiging.] [22]. Nieuw is hier o.a. BOENDALE'S overtuiging: dat de menschen, vergeleken bij de vroegere, eer vooruit dan achteruit zijn gegaan, al heeft de adel onder den invloed der boozen geleden; dat de boeren en kooplieden zulke nuttige leden der maatschappij zijn; dat de vrouwen zoo vele en zoo groote gebreken hebben. Ook over dichters vinden wij hier eenige uitlatingen die niet zonder belang zijn, doch die wij liever elders zullen behandelen.
Vooral in de _Teesteye_ zien wij, welk een sterken invloed MAERLANT op BOENDALE heeft geoefend. Zijne beschouwing van de "edelhede" is geheel die van MAERLANT, soms vinden wij zelfs woordelijke overeenkomst. MAERLANT'S _Martijn's_, zijn _Spieghel_, zijn _Rijmbijbel_, zijn roman _van Troyen_ zijn door BOENDALE blijkbaar gelezen; gelezen en bewonderd, want meer dan eens verkondigt hij den lof van "JACOB, die dichter hoghe"; in zijn _Lekenspiegel_ noemt hij hem zelfs "'t hooft van alle Dietsche poëten"[23]. MAERLANT heeft in BOENDALE die liefde tot de waarheid gewekt of versterkt, die hem den moed gaf zich zoo onbeschroomd tegenover de priesters te uiten, die hem ook aan een dichter den eisch deed stellen, "dat hi uter waerheit niet en kere"; doet hij dat, dan is hij den naam van dichter onwaardig[24].
Toch is er tusschen den meester en zijn bewonderenden leerling een aanmerkelijk verschil.
MAERLANT was een idealist. In zijn jonge jaren hadden de idealen van het ridderwezen zijn hart wel niet onverdeeld bezeten, maar er toch weerklank gevonden; de vereering der vrouwen had het in gloed gezet, die gloed was langzamerhand gezuiverd van rook en walm, de moedermaagd had al die romanheldinnen verdreven, den stralenden afglans van het vuur zijner jeugd zien wij in zijn _Land van Overzee_ en zijn _Kerken Claghe_; daar heeft de lezer en vertaler van ridderromans zich ontwikkeld tot een "miles Christianus".
BOENDALE heeft ook wel eens van dien eerbied voor de vrouwen gehoord. De "edelhede", zegt hij in zijn _Teesteye_, gebiedt dat men over vrouwen en jonkvrouwen slechts hoofsche dingen spreke. Maar zich zelven acht hij blijkbaar aan dat gebod niet gebonden. Een paar hoofdstukken verder in datzelfde gedicht geeft hij eene karakteristiek van de vrouwen die aan duidelijkheid niets, aan hoofschheid alles te wenschen overlaat; hij zal er maar "een luttel" van zeggen: vrouwen zijn van nature loos, vrekkig, begeerig, twistziek, ongestadig, wraakzuchtig, zonder genade voor wien zij haten, hoovaardig, kinderachtig, onwetend, lichtgeloovig... men zou zeggen dat het zóó wel kon, doch het hoofdstuk geeft nog meer van dezen aard, er volgt een ander dergelijk dat getiteld is "noch van den wiven" en daarop nog een "exempel". Een geluk is er echter: "dat de vrouwe des mans dienstwijf is", wat men hieruit kan zien dat de vrouw het kind, door den man gewonnen, moet dragen en groot brengen; een taak waarvan de man terecht is vrijgesteld, omdat hij "heer en voogd van het aardrijk" is.
Men zou BOENDALE onrecht doen, indien men verzweeg dat hij zelf zijn best heeft gedaan om niet misverstaan te worden; op deze hoofdstukken heeft hij een ander laten volgen dat handelt "van den goeden wiven"; daarin maakt hij onderscheid tusschen "vrouwen" en "wiven": al het kwade geldt slechts van de "wiven", zegt hij; van de "vrouwen" weet hij allerlei liefelijke en goede dingen te vertellen: een goede vrouw is haar mans schat, zij draagt zorg voor haar mans eer, voor zijn leven, zijn goed; zij is hem trouw tot in den dood; zij is dikwijls wijs, geeft goeden raad, houdt vrede met haar man, zij troost hem als hij verdriet heeft; een goede vrouw gaat zilver en goud te boven en purperen staatsiekleederen en saffieren... aldus stelt BOENDALE het goede tegenover het kwade.
Het feit dat drie hoofdstukken aan de "wiven" gewijd zijn en slechts één aan de "vrouwen" behoeft hier niet zwaar te wegen. Doch ook al ware hij even uitvoerig geweest over de goede als over de kwade vrouwen, dan nog zou men terecht mogen beweren, dat een dichter die de fouten en zonden der vrouwen zóó breed kon uitmeten, weinig sympathie kan hebben gevoeld voor het hoog en zuiver idealisme, dat, vermengd met elementen van minder waarde, in den middeleeuwschen vrouwendienst gevonden werd. Ja, ook MAERLANT heeft in zijn roman _van Troyen_ wel eenige verzen vertaald waarin gebreken der vrouwen worden opgesomd, doch wie het _vóór_ en het _tegen_ de vrouwen in MAERLANT'S werken onderling vergelijkt, zal toch moeten instemmen met de slotsom van MAERLANT'S vriend MARTIJN:
Jakob, du best den vrouwen hout [Zijnoot: genegen.], Du gheves den mannen al de scout [Zijnoot: schuld.].
Ook elders toont BOENDALE zekere nuchterheid en bezadigdheid, die hem afkeerig maakt van wat buiten de middelmaat valt; "middelheit houden over al", dat moet iemand doen die zich zelven mint. Een ander minnen is goed, maar ieder minne een ander zóó, "dat hi sijns selfs scade niet en doe", want doet hij dat niet, dan heeft hij een ander liever dan zich zelven--en, wie zóó liefheeft, leeft "onwijslijc". Zoo moet men arme brave bloedverwanten wel helpen, doch zóó dat men er zelf de minste schade bij lijdt [25].
MAERLANT'S idealisme maakte hem pessimist, gelijk zoovele idealisten vóór en nà hem. De werkelijkheid ontstemt, bedroeft, ergert hem; om zijn geloof aan de menschheid te kunnen behouden, vlucht hij ermee naar een droomland in een ver verleden waar alles rein en goed was; bij de toestanden uit die gouden eeuw vergeleken, is al wat hem op deze aarde omringt, gebrekkig, leelijk, zondig.
BOENDALE is het hier geenszins met zijn voorganger eens. In zijn _Lekenspiegel_ sprak hij de overtuiging uit, dat de menschen tegenwoordig even goed zijn als vroeger. In zijn _Teesteye_ neemt hij die stelling in het eerste hoofdstuk reeds weer op, gaat na hoe het komt dat wij het voorgeslacht zoo prijzen, betoogt de waarheid zijner stelling met voorbeelden uit het Oude en het Nieuwe Testament, en hangt daarna een zóó verlokkend tafereel op van de braafheid en vroomheid zijner tijdgenooten dat men een oogenblik aan ironie denkt; doch uit het gansche werk blijkt dat men den dichter ook hier moet houden aan zijn woord. Deze verheerlijking van zijn tijd komt in een eigenaardig licht te staan, indien men haar naast den proloog van het werk plaatst. BOENDALE heeft zijn _Teesteye_ opgedragen aan een machtig en invloedrijk edelman, ROGIER VAN LEEFDALE, kanselier van Brabant en burggraaf van Brussel. Heer ROGIER was blijkbaar een MAECENAS voor BOENDALE. De dichter verzekert dat hij zijne dichtkunst wil stellen ten dienste en ter eere van zijn hoogen beschermer en diens gemalin AGNES VAN CLEVE. Hoog verheft hij beider lof, zelfs hunne namen deelen daarin: wie kan mooier namen bedenken dan: ROGIER EN ANGENEESE? Één ding hoopt hij nu slechts: dat Heer ROGIER in dit werk niets vinden moge dat hem mishaagt. Vroeger is hij vaak in vreeze geweest, wanneer hij zijn beschermer eenig dichtwerk zond, of het hem wel bevallen zou; daarom is hij nu voortaan op zijn hoede, want Heer ROGIER ziet scherp en heeft hem wel eens berispt over zijne poëzie.
Blijkbaar had BOENDALE in een vorig gedicht (welk?) te stout en te scherp gesproken, waarschijnlijk over maatschappelijke misstanden en moest de aanvang der _Teesteye_ Heer ROGIER weer in een goed humeur brengen. Maar een idealist, een echte, doet zulke dingen toch niet.
MAERLANT sprak een stout woord voor dien tijd, toen hij, het eerst in de volkstaal, neerschreef dat de ware adel in de deugd gelegen is. BOENDALE volgt hem daarin slechts na. MAERLANT zwijgt over de democratische beweging zijner dagen, die opkwam toen hij reeds bejaard was; doch hij heeft er zich toch niet vierkant tegenover geplaatst zooals BOENDALE.
MAERLANT bewerkte den _Rijmbijbel_; BOENDALE voegde bij het werk van zijn voorganger slechts het een en ander uit de apocriefe evangeliën[26].
MAERLANT was geen hervormer maar toch een vernieuwer en een voorganger; BOENDALE een verdienstelijk volger en behouder.
MAERLANT eindelijk was een dichter die, ja, ter wille van zijn volk veel berijmd proza heeft geschreven, maar in wiens werk toch op menige plaats echte poëzie te zien valt als groene loten tusschen het dorre hout. BOENDALE'S poëtisch vermogen was blijkbaar gering. In zijne voorstelling van den naderenden
Oordeelsdag zijn hier en daar elementen van grootsche verhevenheid die doen denken aan het Oudhoogduitsche _Muspilli_; doch waarschijnlijk heeft hij ook deze aan een of andere Latijnsche bron ontleend; indien hij al iets van deze verhevenheid hebbe beseft, dan is hij er toch niet in geslaagd het ons te doen zien.
In zijn beste werk, _der Leken Spieghel_, kan men slechts op een paar plaatsen wijzen die zich boven het gelijkvloersche verheffen. De eene is die waar hij spreekt over de roeping van den dichter; de andere, eene uiting van verlangen naar de paradijsweelde van JEZUS' liefde, bevat misschien de beste verzen die hij geschreven heeft:
O edele minne, wanneer seldi Volkomenlike comen in mi? Of dat ic uwes ghesmake iet! Had ic u, mine ghebrake niet [Zijnoot: mij zou niets ontbreken]", Al mijn vernoy [Zijnoot: verdriet]" ware verdreven. Ay heere! wilt mi gheven U vaderlike minne daer toe: So blivic eeuwelike vroe [Zijnoot: blijde]"[27].
_Jans Teesteye_, het werk van BOENDALE, waarin MAERLANT'S invloed zich het duidelijkst vertoont, is geschreven in den vorm eener samenspraak tusschen een paar vrienden, WOUTER en JAN; echter niet in regelmatige afwisseling van vraag en antwoord verdeeld over afzonderlijke coupletten, maar zóó dat verreweg de meeste hoofdstukken aanvangen met een vraag van WOUTER die door JAN wordt beantwoord. Misschien moeten wij dit dialogisch karakter toeschrijven aan den invloed van MAERLANT'S _Martijns_, doch, zooals wij reeds in den aanvang van dit hoofdstuk zagen, het leerdicht koos gaarne dezen vorm.
Wij vinden den dialoogvorm nog in een drietal leerdichten die wij nu zullen behandelen.
_Meliboeus_ een "boec van troeste ende van rade" is eene vertaling uit het Latijn van ALBERTANUS VAN BRESCIA en werd in 1342 door een te Antwerpen wonend dichter voltooid. Het zou worden opgedragen aan den hertog van Brabant en de hier aangeboden troost en raad waren dan ook voornamelijk gericht tot landsheeren, zooals ons in den proloog wordt medegedeeld. In een onregelmatig dialogischen vorm geeft het gedicht allerlei opmerkingen ten beste over de wijze waarop een man zich heeft te gedragen in den strijd o.a. met het vleesch, de wereld en den duivel; verreweg de meeste plaats wordt echter ingenomen door een breedvoerige behandeling van vragen als: of en wanneer een man rekening moet houden met den raad zijner vrouw, wat men schuwen moet in het raadplegen, hoe men zal onderzoeken of een raad nuttig is, dat men aan jongere menschen geen raad moet vragen enz.
Mogelijk is ook dit werk van BOENDALE'S hand, al zal eerst voortgezet onderzoek deze mogelijkheid tot zekerheid of hooge waarschijnlijkheid kunnen brengen[28].
Den invloed van MAERLANT'S _Martijns_ dien wij in BOENDALE'S _Teesteye_ opmerkten, zien wij eveneens in _Eene disputacie van Rogiere ende van Janne_, door den Yperschen chirurgijn JAN DE WEERT gedicht, nadat hij den _Spiegel van Zonden_ had voltooid. Evenals in den _Meliboeus_ wordt ook hier de strijd van den mensch met zijne drie vijanden: het vleesch, de wereld en den Booze behandeld. Wij hebben deze voorstelling reeds leeren kennen uit RUYSBROECK'S _Werkende Leven_; ook andere deelen daarvan vinden wij in deze _Disputacie_ terug, zoo b.v. de rol die Gods gratie vervult in dezen strijd van den mensch met zijne vijanden; de vergelijking van den mensch bij eene stad waarin de vrije wil koning is[29].
Toen JAN DE WEERT dit werk schreef, stond MAERLANT'S beeld hem voor oogen; MAERLANT'S naam wordt door hem dan ook meer dan eens genoemd, de _Martijns_ vermeld en de trant dier werken nagevolgd. Maar het talent van den navolger schoot te kort; de dwang van MAERLANT'S kunstig gebouwde strophe belemmert hem voortdurend in het voorwaartsgaan en hij was zich daarvan wel bewust, toen hij schreef:
Mijn conste en es niet also groot Als Jacops hier te voren.
Toch is hier nog in het kiezen van dien vorm een streven naar kunst.
Dat streven valt tenauwernood te ontdekken en is bijna schuil gegaan achter het nuttigheidsbeginsel in de samenspraak tusschen vader en zoon, die onder den titel _Seneka leren_ eene vertaling bevat van een aan SENECA terecht of te onrechte toegeschreven werkje _De Remediis Fortuitorum_[30]. De Dietsche vertaling bevatte een menigte welgemeende terechtwijzigingen, verstandige voorschriften en lessen van levenswijsheid, in zuivere taal uitgedrukt. Door dat karakter sluit dit werkje zich aan eenerzijds bij den _Dietschen Catoen_ uit vroegeren tijd en bij eenige andere gelijktijdige: het _Doctrinael savage_, _die Bouc van Zeden_ en _Van Zeden_[31].
Evenals de meeste overige leerdichten, zijn ook deze werkjes wel niet zonder belang voor de geschiedenis der literatuur--immers, zooals men de literatuur toen beschouwde--maar toch belangrijker voor de zedengeschiedenis. De twee laatste werkjes vooral zijn gewijd aan de verfijning van manieren en gedrag in het dagelijksch leven. Men ziet eruit dat ook de burgerij prijs gaat stellen op uiterlijke beschaving en tevens dat die beschaving nog geen hoogen trap had bereikt. Dat laatste blijkt wel, wanneer men in het oog houdt wat de Dietsche vertaler van het laatstgenoemde geschrift zijnen lezers en hoorders al zoo voorhoudt: eet en drink niet tegelijk; soppen in een nap gaat aan, in den mond niet; bijt niet in een stuk dat gij (daarna) in den schotel wilt leggen; gebruik het tafellaken niet om er uwe tanden, tranende oogen of uw neus mede te vegen; vat den beker niet bij den rand aan; wijs niet met den vinger naar iemand over wien gij spreekt; komt gij voor iemands deur, val dan niet met de deur in huis, maar geef een of ander teeken door kloppen, hoesten of spreken. Andere voorschriften echter waren berekend niet zoozeer op het te keer gaan der oorspronkelijke ruwheid als wel op het verhoogen der reeds aanwezige beschaving. Zoo b.v.: lach niet te veel; lach ook niet in u zelven, want dat is een teeken van boosheid en geveinsdheid; spreek niet minachtend over vrouwen; zit gij in gezelschap van uwen meerdere, sla dan het eene been niet over het ander; moet gij slapen in één bed met uw gelijke of uw meerdere, vraag hem dan aan welken kant hij wil liggen.
Door raadgevingen als die over de drie vijanden van den mensch houdt het bundeltje _Van Zeden_ verband met _Meliboeus_ en JAN DE WEERT'S _Disputacie_, anderzijds beseft de bewerker wel dat hij iets geeft dat in den _Dietschen Catoen_ niet gevonden werd[32].