Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 31
[8] _Dboec van den Houte_ is uitgeg. door J. TIDEMAN. (Leiden. 1844). Hs. H. door TIDEMAN tot grondslag gelegd voor zijne uitgave, staat volgens een later onderzoeker W. MEIJER niet zoo dicht bij het vermoedelijk origineel als Hs. S. (Vgl. Inl., XX--XXI; en: _Abh. der Kön. Bayer. Akad. der Wiss._, I, Cl. XVI B. II Abth. (1881). Een uitvoerig stuk over de Kruis-sage van J. KOOPMANS in _Taal en Letteren_, VII, 321 vlgg. Een fragment uit de 14e eeuw met eenigszins afwijkende lezingen uitgegeven in _Germania_, XV, 360 flgg.
[9] Uitgeg. door Dr. L. WIRTH in: _Bibl. van Mnl. Lett._ (Groningen. WOLTERS). Afl. 49. Vgl. de critiek dezer uitgave door Dr. STOETT in _Museum_, 1893, 104.
[10] Vgl. daarover Inl., bl. 14 vlgg.
[11] _Theophilus_ uitgeg. door BLOMMAERT, (Gent, 1858) en later door VERDAM; _Beatrijs_ door JONCKBLOET (met _Carel en Elegast_); Over het, eerst eenige jaren geleden ontdekte, verhaal _van Jonitas en Rosafiere_ zie: _Tijdschr. v. N.T. en L._, IX, 170 vlgg.; het geheele werk later uitgeg. door N. DE PAUW in zijne _Mnl. Ged._, afl. 3, bl. 487 vlgg.
VERDAM heeft in zijne Theophilus-uitgave ongeveer 260 verzen van den door BLOMMAERT gepubliceerden tekst geschrapt als geïnterpoleerd. Ik kan mij met deze handelwijze niet vereenigen.
1o. Omdat het onbeholpene of gebrekkige van vele verzen voor mij niet bewijst dat zij geïnterpoleerd moeten zijn.
2o. Allerlei uitweidingen, die door V. beschouwd worden als interpolaties, vindt men ook in de door hem als echt erkende deelen.
3o. Eigenaardigheden van den bewerker, als het herhalen der slotwoorden van een vers in den aanvang van een volgend vers, vindt men zoowel in de verworpene als in de voor echt erkende deelen.
4o. Legt men den door V. gebruikten maatstaf aan andere deelen van het gedicht, door hem voor echt gehouden, dan moet er nog veel meer geschrapt worden.
[12] Ed. VERDAM, vs. 74-6, 95-116, 319-340.
[13] Uitgave van H. SUCHIER, (Paderborn 1899), 6, 24 vlgg.
[14] Ook ROSAFIERE blijft gedurende haar zondig leven tot MARIA bidden.
[15] Vgl. CREIZENACH, _Gesch. des neuern Dramas_, I, 147. Ook in de geschiedenis der "verduldige Helena van Constantinopel".
[16] Vgl. PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 260 en LEGRAND D'AUSSY, IV, 121.
[17] In Boek VI eene geschiedenis van eene koningin die naar SINT JACOB wordt gebracht en vlucht naar Venetië.
[18] De twee laatste gedrukt achter de uitgaven der gelijknamige dichtwerken door TIDEMAN en VERDAM. Het proza-verhaal van S. KUNERA in KIST'S _Kerkhist. Archief_, II, 1-48; door STALLAERT vergeleken met het rijmwerk in _D. Warande_, 1891, 28-36.
[19] Uitgeg. in BLOMMAERT'S _Oudvlaemsche Ged._, II, 31 vlgg. Zie ook: _de Handschriften van Jan van Ruusbroec's Werken_ door W. DE VREESE, I, 145. Voorts: _Visio Tnugdali...._ A. WAGNER, Erlangen, 1882. MUSSAFIA zegt van de Nederl. bewerking o.a.: "con una certa inclinazione a dilavare alquanto il dettato" (_Sitzungsber. der Wiener Akad. phil.-hist._, Cl. Bd. 67, 157-206). Met het oog op de verklaring van den Nederl. bewerker komt mij dat niet waarschijnlijk voor.
Eene uitvoerige en goede karakteristiek van _Tondalus Visioen_, uit een algemeen oogpunt beschouwd, gaf J. KOOPMANS in het _Tweem. Tijdschrift_ van 1901.
[20] _Rumbeeksche Avondstonden_, p. 16 vlgg. Het eene mirakel is gedagteekend: 28 Sept. 1399.
[21] DE VOOYS, _Mnl. Legenden_, p. 15.
[22] Vgl. _Proza-bewerkingen van het Leven van Alexander den Groote...._ door S.S. HOOGSTRA. ('s-Grav. M. NIJHOFF. 1898). Een enkel aardig trekje in de eene bewerking vermeld op p. LVII.
[23] Uitgeg. door Dr. M. DE VRIES in _Versl. en Meded. der Vereen. voor oude Ned. Lett._, II, 5-32. Vgl. voorts TE WINKEL a.w., bl. 569-572.
Over het Latijnsche origineel PENON'S aanwijzing in _Feestbundel aan M. de Vries opgedragen_, p. 103. Over "PAEP JAN" vgl. _Zeitschr. f.d. Alt._, N.F. XXI.
[24] Vgl. _Stemmen uit den Voortijd...._ door F.H.G. VAN ITERSON, p. 140 vlgg., 162, 164-5 (ik ontleende deze voorbeelden aan de hss. door VAN ITERSON als 14e eeuwsche genoemd).
[25] Vgl. over ECKHART'S leer: PREGER'S _Gesch. der deutschen Mystik_, I, 309 vlgg. Het kwam mij ondoenlijk voor, met de hier geboden beknoptheid, een overzicht van ECKHART'S gansche stelsel te geven; daarom heb ik slechts eenige voorname trekken daarvan aangeduid.
[26] ECKHART leefde van 1260-1327; zijn eerste werk volgens PFEIFFER van c. 1307. PREGER schijnt het nog iets vroeger te stellen.
Een paar uittreksels uit de _Epistolae Haywigis_ in een hs. van 1360-'70; vgl. _Handschr. v. J. v. Ruusbroec's Werken_, I, 425.
[27] Dit overzicht van ECKHART'S verhouding tot de Nederlandsche mystiek berust vooral op de artikelen van Dr. DE VOOYS in _Ned. Archief voor Kerkgesch._, N.S., 3e deel en in _De XXe Eeuw_, IX Jaarg. Vgl. voorts: _De Handschr. v. J. v. Ruusbroec_, II, 642.
Er valt hier nog vrij wat te onderzoeken (misschien meer voor theologen dan voor literatoren), ook omdat men voorzichtig moet zijn met de teksten van ECKHART zooals ons die vroeger zijn medegedeeld. Vgl. daarover de Inleiding op: _Meister Eckhart und seine jünger...._ herausgeg. von FRANZ IOSTES. Freiburg. 1895.
[28] Vgl. over dit alles: PREGER a.w. II, 309 vlgg. JOSTES a.w. _Einl._, XIV. DE VOOYS, _Mnl. Leg._ p. 325.
[29] _Ned. Archief voor Kerkgesch._, N. Serie, III, 54. Over TAULER vgl. PREGER a.w. III, 90 vlgg.
[30] _De Limburgsche Sermoenen_ (uitgeg. door Dr. H. KERN). Weinig of geen citaten vindt men in: VI, VIII, XVI, XVII, XXII, XXV-XXVII, XXIX, XXX, XXXIX, XLI-XLIV; ook in de 1e helft van XI. Over het verschil tusschen de preeken onderling vgl. FRANCK in _Taal en Letteren_, Jaargang VIII.
[31] Vgl. PREGER a.w. II, 3-246. Het in de _Limb. Sermoenen_ voorkomend _buec vanden Palmboeme_ is blijkbaar hetzelfde als het door PREGER, p. 52-53 vermelde _der Palmbaum; Dboec vanden boegarde_ doet denken aan _den Baumgarten_ waarover vgl. PREGER, p. 48 vlgg.
[32] Vgl. vooral p. 569, 9 vlgg.
[33] Vgl. p. 440 vlgg.; ook p. 538 vlgg.
[34] Ter Prov. Bibl. van Friesland berust een hs., naar het schijnt, der 14e eeuw, dat aanvangt: "Hier beghint die prologus van desen boke als der geesteliker gracien. Ende dit is machteldus (sic) eerste boec van haren visioenen."
In den aanvang der 15e eeuw waren "Machteldis revelacien" te onzent nog in trek. De zusters van St. Barbara te Delft bezaten ze in een dubbel exemplaar en een hs. van den aanvang der 15e eeuw bevattend een groot aantal "stichtige woorde genomen uut den boeck der revelacien der heiligher maghet Mechteldis" behoorde voormaals aan "die susteren van der derde oerde" van FRANCISCUS te Heusden in N.-Brabant. MOLL, _Boekerij v.h. St. Barbara-Klooster_, p. 32-33.
In diezelfde boekerij vond men een boek _van Maria van Ogines_ (t.a.p. bl. 53), blijkbaar MARIA VAN OIGNIES. Het zal wel haar levensbeschrijving van de hand van THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijn geweest.
Ook hieruit blijkt weer hoe lang de mystieke literatuur in trek bleef. Het hs. ter Prov. Bibl. te Friesland verdiende wel een afzonderlijk onderzoek.
[35] Ik ontleen mijne kennis hier aan de belangrijke artikelen van Dr. DE VOOYS (in: _De XXe Eeuw_, 9e Jaargang) die o.a. over den "goeden kok van Groenendaal" nieuw licht hebben doen opgaan.
[36] Uitgave zijner werken door Prof. DAVID (Reeks: Vlaemsche Bibliophilen) 1856-'69. Voornaamste werk over hem van Dr. A.A. V. OTTERLOO, (Amsterdam, BRINKMAN, 1874). Eene tweede uitgave daarvan is bezorgd door Dr. J.C. VAN SLEE in 1896. Vermelding verdienen voorts: de _Bijdragen tot de kennis van het leven en de werken van Jan van Ruusbroec...._ door Dr. W.L. DE VREESE, (Gent, A. SIFFER, 1896); _Jan van Ruusbroec's Taal en Stijl_ door Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A. SIFFER, 1894); wat over R. gezegd wordt in BÖHRINGER'S _Deutsche Mystiker_, II, 3; over RUYSBROEK'S verhouding tot de Nederduitsche mystiek o.a.: PRIEBSCH, _Deutsche Hands._, I, 66; _Jahrbuch des Vereins f. niederd. Spr._ 1884.
Eene vertaling van _De Chierheit der geesteleker Brulocht_ gaf MAURICE MAETERLINCK (_L'Ornement des noces spirituelles_); eene bloemlezing van in 't Fransch vertaalde stukken gaf ERNEST HELLO: _Rusbrock l'Admirable_, (Paris, 1902).
[37] Ten deele naar VAN OTTERLOO, ten deele naar de mededeelingen van "broeder GHERAERT" bij DE VREESE a.w. bl. 7 vlgg.
[38] Afbeelding en beschrijving dezer miniatuur in _Oud-Holland_, XIIe Jaargang (1894) door Dr. S.G. DE VRIES.
[39] VAN OTTERLOO, (1e uitgaaf), bl. 168-9; DE VREESE'S _Bijdragen_, bl. 8, 13.
[40] Dezelfde als de bovengenoemde? Dat is bezwaarlijk uit te maken; evenzoo de vraag of eene dezer Clarissen de voorname vrouw was, "die RUYSBROECK dikwijls twee mijlen ver op bloote voeten kwam bezoeken" en te Keulen in de orde van S. Clara trad. (VAN OTTERLOO, bl. 136). Vgl. overigens: DE VREESE a.w. bl. 13, 16; VAN OTTERLOO, bl. 156 en 166 en Editie DAVID, III, 235.
[41] Ik nam hier VAN OTTERLOO'S overzicht, eenigszins gewijzigd, over. Ook dat der volgende boeken en het overzicht van RUYSBROECK'S stelsel is hoofdzakelijk aan zijn werk ontleend.
[42] Eene andere voorstelling van het _Innige Leven_ bij RUYSBROECK wordt door VAN OTTERLOO uiteengezet op bl. 265-269.
[43] VAN OTTERLOO, bl. 128.
[44] ECKHART spreekt van _istigkeit, entgeisten, weiselos_; RUYSBROECK van: _istegheit, ontgeesten, wiseloos_. Beiden gebruiken de uitdrukking _Funken der Seele, vonke der sielen_, zij het misschien niet in geheel dezelfde beteekenis. Uitdrukkingen van RUYSBROECK (waar van God sprake is) ais: _die donkere stille, de wilde woestine, de grondelooze zee_ doen aan dergelijke van ECKHART denken.
[45] Uitgave DAVID, VI, 173.
[46] Reeds opgemerkt door VAN OTTERLOO a.w. bl. 148, noot 2. VAN OTTERLOO gaat m.i. echter wat ver, indien hij beweert dat RUYSBROECK'S werk desniettemin geheel oorspronkelijk is. 1o. heeft RUYSBROECK voor de beschrijving des tabernakels het een en ander ontleend aan RICHARD'S _Expositio tabernaculi foederis_ (MIGNE, _Patrol._, T. 196, p. 211 seqq.); 2o. heeft hij vrij wat ontleend aan HUGO'S _de Archa Morali_ (MIGNE, Tom. 177, p. 115 vlgg.). Vgl. vooral de hoofdstukken: de ciconiae natura; de ibe; de caladrio (p. 48) en de charadrio (p. 77); de upupae natura. Doch een afzonderlijk onderzoek zou hier noodig zijn.
[47] Vgl. o.a. Editie DAVID, I, 2, p. 119, 121-2, 178-9; IV, 83-4, 108 vlgg.
[48] A.w. I, 2, p. 146; III, 198.
[49] Vgl. Ed. DAVID, VI, 37; IV, 68; IV, 273; IV, 35; V, 167-8.
[50] A.w. IV, 189; III, 23; I, 51; III, 212; VI, 74 en 256-7 (geestelijke dronkenschap); III, 133; VI, 81.
[51] A.w. V, 21; IV, 97 (vgl. ook III, 208-9; IV, 104); VI, 230.
[52] Vgl. o.a. I, 61; I, 71; III, 8 (10 zinnen met "ende" verbonden); IV, 241 (40 zinnen). Opsomming o.a. III, 57-8; 250.
[53] Vgl. I, 133; I, 103; III, 44, 184.
[54] VI, 166; I, (2), 181; III, 169; ook nog: I, (2), 10; III, 26, 48, 116.
[55] I, 248-9. Vgl. ook III, 59-60: "En daer an en leghet niet allene" enz.
[56] Deze plaats is te vinden V, 20. Een voorbeeld van alliteratie III, 121. Voorbeelden van eindrijm zijn talrijk; vgl. o.a.: VI, 246; I, 49, 50, 60, 96; 133, 143, 151; II, (2), 222, 240-1. Vgl. andere voorbeelden in _Jan van Ruusbroec's Taal en Stijl_ door Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A. SIFFER, 1894) en in _Ned. Museum_, 1891, (H. MEERT). Rijmende verzen o.a.: III, 201; IV, 4.
[57] Daarover is uitvoerig gehandeld door E. NORDEN in zijn werk: _Die antike Kunstprosa_ (van de 6e eeuw vóór Chr.--Renaissance), vgl. _Museum_, 1899, no. 9.
[58] I, 67.
[59] Vgl. CLAEYS a.w. bl. 38-9; _Werken_, I, 136; IV, 190; VI, 71; vgl. ook nog V, 71 (fontein).
[60] _Werken_, IV, 74; I, 134; V, 174; CLAEYS a.w. bl. 14; _Werken_, VI, 61; III, 61; 104.
[61] Vgl. V, 58; V, 13; VI, 149; II, 47, 92; III, 156-7.
[62] V, 57-9.
[63] CLAEYS a.w. bl. 33.
[64] Vgl. IV, 15.
Het is opmerkelijk dat VOLTAIRE, die wel niet veel in RUYSBROECK zal hebben gelezen, zegt: "L'amour-propre est un ballon gonflé de vent, dont il sort des tempêtes quand on lui a fait une piqûre".
[65] IV, 111.
[66] III, 151.
[67] VI, 82.
[68] Vgl. over deze vertaling het degelijk bewerkt proefschrift van Dr. C.H. EBBINGE WUBBEN: _Over Middelnederlandsche Vertalingen van het Oude Testament_. ('s-Grav. NIJHOFF. 1903).
[69] A.w. bl. 73.
[70] Vgl. over dat alles de prologen en de hoofdstukken in de Eerste Afdeeling II, 1 en 3, bl. 127.
[71] Zie bl. 87-88.
[72] Bl. 70; ook bl. 75: "Nu bidde ic elken die hierin lezen sel ende tijtcortinghe doen"; bl. 85: "meniger zaliger zielen, diere in lesen moeten".
[73] Bl. 127.
POËZIE DER GEMEENTEN.
(VERVOLG).
1. Het Leerdicht.--Reinaert II.
2. Verhalende en lyrische poëzie.
Leerdicht, dierfabel en dier-epos, de berijmde novelle, het lied--dat waren de wegen in het rijk der literatuur, waarop wij de gemeentenaren in de 13de eeuw hebben aangetroffen. Op die wegen vinden wij hen ook in deze volgende eeuw, doch hoeveel verder zijn zij daarop gevorderd.
De hoogere ontwikkeling die de burgerij in hare voortbrengselen van dezen tijd toont, had zij zeker voor een deel te danken aan den omgang met en het voorbeeld van adel en geestelijkheid. Den invloed dier beide standen zullen wij dan ook op meer dan één plaats in de poëzie der gemeenten aantreffen. Doch tevens zal blijken, dat de burgerij, in den omgang met de beide overige standen haar geestelijk wezen aanvullend, ontwikkelend en verfijnend, daardoor slechts te onafhankelijker tegenover die beide standen kwam te staan.
Dien gang van zaken zullen wij al dadelijk waarnemen in
1. HET LEERDICHT.
In hun streven om de godsdienstige en zedelijke ontwikkeling des volks te bevorderen, trekken de leerdichters ééne lijn met de geestelijkheid. Onder de makers van leerdichten zien wij burgers, ons bij name bekend: den chirurgijn JAN DE WEERT, den schepenklerk JAN BOENDALE, naast ongenoemden uit den geestelijken stand: den "simpelen clerc", die den _Spiegel der Zonden_ samenstelde; den "armen pape", die de _Bediedenis der Misse_ berijmde.
Evenals vroeger geestelijke dichters met bewustheid hunne poëzie stelden tegenover de door hen gelaakte ridderpoëzie, zoo zien wij nu den samensteller van het didactisch werk _Sidrac_, dat in 1329 werd voltooid, in zijn proloog te velde trekken tegen de verhalen daar weinig nut in steekt en die slechts van "vechten en vrouwen minnen, van het veroveren van landen en steden" weten te spreken[1].
Men mag wel aannemen dat de leerdichters bij de samenstelling van hun werk het oog hadden vooral op de niet-geleerden, wier grootste deel uit gemeentenaren bestond. Echter vindt men slechts bij een enkele hunner het bewijs, dat hij zich daarvan bewust was. In den proloog van zijn _Lekenspiegel_ zegt BOENDALE:
... want dat leke is die sake [Zijnoot: oorzaak.] Daer omme ic dit boecskijn make.
In overeenstemming met het onderwijzend karakter dier werken is de vorm van een gesprek tusschen "Meester" en "Clerc", zooals wij dat in den _Lucidarius_, tusschen vader en zoon, zooals wij het in _Seneka leren_ aantreffen; ook het dialogisch karakter van werken als de _disputacie van Rogier ende Janne_ en de _Melibeüs_. Dat deze dichters hunne lezers of hoorders van tijd tot tijd aanspreken met "lieve kindre" of "lieve liede" was dan ook in hun mond alleszins gepast[2].
Op vrijwillige medewerkers aan de volksontwikkeling als deze leerdichters schijnen de priesters weinig gesteld te zijn geweest, even weinig als op den Bijbelvertaler van 1360. Blijkbaar beschouwden zij zulke geschriften als pijlen, waarmede onder hunne duiven geschoten werd, en de schrijvers als stroopers in een veld, waar de Kerk "eigen jacht" had. Een dezer leerdichters eerbiedigt de grenzen, waarbuiten men voor leeken niet gaan mag: omtrent God zal de meester zijn leerling onderrichten
Also verre voirt als den leeken lieden Gheoorloft is te bedieden[3].
Een ander is dat met hem eens, doch voegt er bij:
Ende oec ontsie ic der papen treken Dat sijs mi mochten spreken lachter [Zijnoot: schande.] [4].
Een derde zegt: Zou ik de gansche waarheid bekennen, de priesterschap zou mij vervloeken[5]. Dat BOENDALE het met zulke uitingen eens was, spreekt vanzelf voor wie zich zijne beschouwing van leeken en geestelijken uit een vroeger hoofdstuk herinnert[6]. In zijn _Lekenspiegel_ stelt hij zich nog eens tegenover de priesters, waar hij den ongehuwden staat en het huwelijk vergelijkt. Ongehuwden staat en maagdelijkheid acht hij hoog--wanneer zij gepaard gaan met een rein hart "van ghepeinse ongeknaecht"; doch dat komt maar al te zelden voor. Als hij daarna den lof van een goed huwelijk heeft verkondigd, voegt hij er aan toe: Ik weet wel, dat "liede van gheesteliken abite" zich aan dezen lof zullen ergeren en mijne woorden berispen... maar hoe zouden zij aan kost en kleeren komen, indien de gehuwde lieden niet voor hen zorgden[7]?
Tegenover dit drietal kiest slechts een dezer leerdichters de partij der geestelijken. Het is begrijpelijk dat hij zelf tot hen behoorde. De "simpele clerc", die den _Spieghel der Zonden_ samenstelde, tracht de schuld van de simonie van de geestelijken op de leeken te schuiven: "Si sijn soekers eerst daervan." Dat er priesters zijn die een slecht leven leiden, geeft hij toe; maar nochtans moeten wij ze eeren, omdat God Almachtig hen gezonden heeft[8].
Vergelijken wij het leerdicht van dit tijdvak bij dat van het voorafgaande, dan treft ons dat het godsdienstig en vooral het zedelijk element veld hebben gewonnen op het zuiver wetenschappelijke. Met groote werken als die van MAERLANT en VELTHEM kon men vooreerst zijn begeerte naar kennis der geschiedenis bevredigen; BOENDALE moge in zijne _Brabantsche Yeesten_ deels MAERLANT'S werk overnemen, deels de geschiedenis van zijn eigen tijd verhalen--meer en meer kiest de historiographie den vorm der proza-kroniek. Algemeene natuurkennis vond men voldoende in _der Naturen Bloeme_; doch voor sommige onderdeelen viel wel iets te doen, vooral voor een betere kennis van den mensch.
Dat verklaart het ontstaan van rijmwerkjes als: _Die Cracht der Mane_ van zekeren HEINREC VAN HOLLANT, _Der Vrouwen Heimelicheit_, _Der Mannen ende der Vrouwen Heimelicheit_ en eenige fragmenten van een leerdicht dat, voorzoover men kan zien, over de physiologie en de psychologie van den mensch handelt. Van literaire kunst is in deze populair-wetenschappelijke werkjes nog minder sprake dan in de meeste overige leerdichten. Opmerkelijk is slechts, hoe zich in het tweede en het vierde werk op zonderlinge wijze de invloed der hoofsche poëzie vertoont. Zoo goed als de menestrelen van vroeger, heeft ook de bewerker van het laatste physio-psychologische werkje eene "jonkvrouw, die (z)ijn herte heeft ghewont." Het tweede werk, eene handleiding voor vroedvrouwen, was door den bewerker vertaald uit het Latijn van ALBERTUS MAGNUS ter wille zijner "lieve joncfrouwe", waarschijnlijk eene vroedvrouw wier hart hij door deze obstetrische hulde hoopte te winnen. Doch zijne hoofsche verzuchtingen passen bij zijne practische wetenschap als riddersporen aan de hielen van een dorpsbarbier[9].
Voor het godsdienst-onderwijs werd op de in aantal toenemende scholen langzamerhand beter gezorgd. Toch voelden eenige leerdichters zich geroepen om dat onderwijs aan te vullen en uit te breiden. Zoo ontstonden werken als _die Bediedenisse der Missen_ en de berijmde zoowel als de proza-bewerking van den _Dietschen Lucidarius_. De inhoud van het eerste werk wordt voldoende door den titel aangewezen. De berijmde _Lucidarius_ was een vrije bewerking, hier bekort daar uitgebreid, van het _Elucidarium_, door HONORIUS AUGUSTODUNENSIS in het begin der 12de eeuw samengesteld als een dogmatisch handboek ten dienste van theologen. De _Lucidarius_ in proza, voorzien van een berijmde voorrede, was een getrouwe vertaling van een Duitschen catechismus van het geloof en de wetenschap dier dagen, bestemd tot onderricht der leeken. Het Duitsche origineel dagteekent uit het eind der 12de eeuw; de Dietsche bewerking, naar het schijnt, uit den aanvang der 14de. Het Nederlandsch rijmwerk schijnt vóór 1353 reeds verbreid te zijn geweest[10].
Dicht bij deze catechetische werkjes staat het _Boec van der Wraken_, omstreeks het midden der 14de eeuw gedicht; dit geschrift bevat een aantal voorbeelden van Gods wrekende gerechtigheid, zichtbaar in allerlei gebeurtenissen uit vroeger en later tijd. Opmerkelijk is hier vooral de voorstelling dat Gods hardheid en haastigheid zijn afgenomen, sinds Hij mensch geworden was:
Aldus haestich ende dus hart Was God eer hi mensche wart; Maer sint dat hi die menscheyt kinde, Ende God die menscheyt minde, En heeft hi so haestelike Niet ghewroken op aertrike[11].
Ook het sterk Duitsch getinte rijmwerk van _Die X Plaghen ende die X. Ghebode_, dat een allegorischen uitleg der Tien Plagen van Egypte geeft. Egypte is b.v. de duisternis der zonde, die der ziel schade doet en de zinnen des menschen verblindt. Overigens vindt men hier een groot aantal aaneengeregen uitspraken, aan den Bijbel, de apocriefe boeken en de kerkvaders ontleend[12].
Tegenover dit achttal geschriften van wetenschappelijken of van theologischen aard plaatsen wij een dozijn andere, die een opvoedkundig-zedelijk karakter dragen. In aantal, maar meer nog in omvang en beteekenis, overtreffen de laatstgenoemde die der eerste soort.
Het algemeen karakter van deze werken der tweede soort leeren wij al dadelijk kennen uit dit drietal: _Dietsche Doctrinael_, in 1345 door een onbekend dichter te Antwerpen voltooid; _Nieuwe Doctrinael_, samengesteld, misschien in 1351, door JAN DE WEERT, chirurgijn te Yperen; _Spiegel der Zonden_, het werk van een Westvlaamsch dichter der 14de eeuw[13]. Alle drie zijn leerboeken van practische zedekunde; zij geven eene uiteenzetting der onderscheidene deugden en ondeugden, van de middelen waardoor men de deugden kan aankweeken en de ondeugden tegengaan; de twee laatste lichten dat alles gaarne toe met voorbeelden, zij wijden zich zoowel aan den opbouw van het persoonlijk zedelijk leven als aan dien van het huiselijk en burgerlijk leven. Dit karakter spreekt zich uit ook in de titels dezer werken: een _doctrinael_ is een leerboek, inzonderheid van practische moraal; _Spiegel der Zonden_ spreekt voor zich zelf. JAN DE WEERT noemde zijn werk in den tekst: "_Spieghel der Zonden of Doctrinael_", en de middeleeuwsche titel vóór den aanvang luidt: "Hier beghint een goet boec van den VII. doetsonden ende van den X gheboden."
Van denzelfden aard als dit drietal moet het verloren werk zijn geweest van den dichter der _Dietsche Doctrinale_, dat getiteld was _Exemplaer_ en handelde over de "IIII. doeghden cardinale."
Wat deze werken gemeen hebben is, dat zij, evenals verreweg de meeste dezer leerdichten, uit het Latijn vertaald of althans naar het Latijn bewerkt zijn; voor een deel bestaan zij "uit los aaneengeregen aanhalingen uit gewijde schrijvers, apocriefe zoowel als canonieke, uit kerkvaders en voor een klein deel ongewijde schrijvers" [14]. Echter moet men hier eene uitzondering maken voor al die plaatsen, waar de auteurs over hun eigen tijd spreken en waar zij, zooals vooral JAN DE WEERT doet, hunne uiteenzetting of hun betoog toelichten met voorbeelden, door hen aan de werkelijkheid ontleend.