Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 30
Een gewone karaktertrek van het middeleeuwsch proza, het veelvuldig zinsverband met "ende", zooals men het nog kan opmerken bij elk kind dat iets vertelt, vertoont zich ook in dit proza. Niet zelden ook bedient RUYSBROECK zich van de, hiermede verwante, eenvoudige opsomming; zoo b.v. in: "Want willen wi verduldich sijn ghewaerlic, soe en sal ons gheen dinc moghen ontsaten [Zijnoot: onrustig maken.], noch verlies van den ertschen goede, noch van vrienden, noch van maghen, noch van siecte, noch scande, noch doot, noch leven, noch vaghevier, noch duvel, noch helle[52]." Soms geeft hij regelmaat aan zijn proza door een deductieven schrijftrant, als in: "aldaer verliesen wi ons selven in die woeste idelheit [Zijnoot: leegte.], ende al verliesende ons selven vinden wi die salecheit, ende al vindende verkiesen wi, ende al verkiesende werden wi vercoren" enz.[53]. Elders zien wij hem parallellisme en tegenstelling aanwenden om meer kracht en scherpte te bereiken: "Hi arbeit sere in minnen, want hi siet sine raste. Hi is pelgrim ende hi siet sijn lanscap. Hi stridet in minnen om victorie, want hi siet sine crone." Sprekend van het afkoopen der zonden voor geld zegt RUYSBROECK: "Ende aldus heeft ieghewelc dat hi begheert: de duvel de siele, de bisscop dat ghelt, de dore [Zijnoot: dwaze]" mensche sine corte ghenoechte." Tegenstelling vinden wij b.v. in: "Hi heeft hem ghenedert ende ons ghehoecht, hem ghearmt ende ons gherijct, hi heeft hem versmaet ende ons gheëert. Maer al heeft hi hem ghenedert, hi en heeft hem niet ontedelt[54]."
Zoo leerde RUYSBROECK, waar sterke aandoening hem dreef tot schrijven, die aandoening beheerschen en haar verklanken tot breedgolvende zinnen als deze over JEZUS' dood: "doen verdonkerde die locht, want die roedekene worden te broken [Zijnoot: verbroken.], die edele speciboem wart ontwe [Zijnoot: doormidden.] ghescoert, die overste crachten sijnre zielen worden ghesceden van den nedersten, sine sinne verghinghen, sine ziele sciet van den live, die doet bevinc dat leven, dat leven verwan die doet, die Apostelen hadden hare licht verloren, die oude wet [Zijnoot: geloof (der Joden).] verloes oec hare licht, die sonne liet hare scinen ende die locht was vol nevels der onbekinnessen [Zijnoot: onverstand.]--maer onse dach ginc op daer wi eweleke inne ghesien[55]."
Welk een indruk maakt hier, na die opsomming der verschijnselen van duisternis en vernietiging, dat juichende slot.
Onder de eigenaardigheden van RUYSBROECK'S stijl moet ook het rijmend proza genoemd worden.
Het beginrijm of de alliteratie schijnt in zijn werk niet vaker voor te komen dan de aard onzer taal met zich brengt; doch het eindrijm is zoo veelvuldig, dat wij hier wel aan opzet moeten denken. Het eindrijm vertoont zich zoowel aan het slot van opeenvolgende zinnen als van opeenvolgende woorden, zoowel in: "ende soe hi hem selven naerre _bekint_, so hi hem in der waerheit meer te versmadene _vint_," als in: "kinneloos ende minneloos," "verstout ende verout". Op menige plaats (vooral in _Spieghel der Salicheit_ en _Rike der Ghelieven_) vinden wij rijmende verzen tusschen het proza in, doch hunne aanwezigheid kan bezwaarlijk verklaard worden uit eene verheffing van stemming, uit meer innigheid of gloed. Soms zelfs wordt de neiging tot rijmen RUYSBROECK tot last; aan het slot van een berijmd gedeelte van zijn werk immers zegt hij:
Nu moet ic rimen laten bliven Sal ic scouwen clare bescriven[56].
In dit aanwenden van parallellisme, tegenstelling en rijmklanken zal RUYSBROECK waarschijnlijk ten deele het voorbeeld hebben gevolgd, hem gegeven door de kerkvaders, wier werken hij kende. Immers in het proza b.v. van S. BERNARD, van BONAVENTURA, van de beide VICTORS vinden wij die eigenaardigheden evenzeer; waarschijnlijk ook wel in dat der oudere kerkvaders, die hun stijl hadden gevormd onder den invloed der klassieke schrijvers[57].
Zijn RUYSBROECK'S verzen ook meerendeels zwak, in zijn proza toont hij zich een waarachtig dichter. Zijn levendig en fijn gevoel, zijn vlugge en sterke verbeelding, zijn gave van waarneming en voorstelling, de schoonheid zijner taal geven hem alleszins recht op dien eerenaam. Het is niet vreemd, dat hij, die in het lagere slechts een verschijningsvorm van het hoogere ziet, gedurig van het lagere tot het hoogere opklimt, of dat lagere verheft door eene gelijkenis.
Een enkele maal doet hij daartoe een greep in den R.-K. eeredienst, liefst ontleent hij zijne voorbeelden aan de natuur of aan het dagelijksch leven. De tabernakel, die in middeleeuwsche kerken op het altaar placht te staan en diende ter bewaring van de hostie, gaf RUYSBROECK aanleiding tot eene breed uitgewerkte symbolische voorstelling. Met een onuitputtelijk geduld en een liefdevolle uitvoerigheid, die aan de miniatuurschilders herinneren, met eene hooge mate ook van subtiel vernuft, heeft hij alle deelen en onderdeelen, alle onderdeeltjes en deelen van onderdeeltjes van het sacramentshuis geestelijk verklaard: de tabernakel moet staan "in een kerckhof", "dat es een sedelec leven van buten met al dien dat daer toe behoort"; om dat kerkhof moeten staan zestig kolommen: "bi den colummen verstaet men starke begerte tot allen den gheboden Gods ende tot allen den seden ende der oefeninghen diere [Zijnoot: welke.] men pleghet in der heileger kercken". Deze kolommen moeten bedekt worden met zilveren platen, "dat es met goeden levene ende met eersamer wandelingen" enz. enz. Het behoeft geen betoog, dat deze voortgezette symboliek op den duur voor een hedendaagsch lezer vermoeiend eentonig en daardoor vervelend wordt; doch voor RUYSBROECK'S tijdgenooten zal de beschrijving en verklaring van een zoo kostelijk sacramentshuis zeker onderhoudend en aantrekkelijk zijn geweest.
Kostelijke tabernakels zooals de hier beschrevene gaf de werkelijkheid tenauwernood, gaf het eenvoudig klooster te Groenendale zeker niet te zien; doch een stap buiten de muren bracht den prior in den kloosterhof, waar hij zoo menigmaal aan het wieden was, al trok hij in verstrooidheid de heilzame kruiden wel eens mede uit, en rondom het klooster lag Gods vrije natuur in rijke verscheidenheid en stille pracht. In den boogaard en op de mossige glooiingen, onder de wuivende kruinen van het Soniën-bosch, zal wel menigmaal een bloem, een plant of een dier RUYSBROECK'S verbeelding gaande hebben gemaakt. Zoo heeft hem de zonnebloem getroffen in haar volgen van de zon: "Alse die sonne opgeet in oriënten, soe ontpluct hare [Zijnoot: ontsluit zich.] de goutbloeme jegen die raeien [Zijnoot: stralen.] der sonnen, ende keret hare altoes omme al neighende jegen de hitte der sonnen, tote in occidenten. Ende in der nacht luuct si hare toe, ende verberget hare varuwe ende ontbeidet weder der sonnen opganc. Alsoe gelikerwijs sele wi, overmids ghehoersamheit, onse herte ontpluken jegen dat inscinen der gracien Goeds, ende oetmoedichlike al nigende sele wi der gracien Goeds volgen, alsoe lange als wi die hitte der minnen ghevoelen. Ende alse dat inscinen der gracien sijn nuwe beroeren ophoudet ende wi hitte van minnen lettel ochte niet gevoelen: dat es die nacht, dat wi onse herte selen toe luken jegen al dat ons becoeren [Zijnoot: in verzoeking leiden.] mach; ende alsoe sele wi die goutvarwe der minnen in ons beluken ende ontbeiden enen nuwen opganc der sonnen, met nuwen lichte in nuwen beroerne[58]."
Elders vergelijkt hij CHRISTUS' deugden bij de leliën van dale; de natuur die den geest volgt, is vrij, gelijk de vogel in het woud en dartelt in de minne als de visch in het water. God is "uutstortende ende vloeyende ghelijc der wilder see, met onbegripeliker weelden in alle die ghene die sijns ontfanclijc sijn ende weder ebbende is ende intreckende in die wilde see sijner enicheit." Als een heete bron "alsoe ghelikerwijs werct dat inwendighe vier des heylichs Gheests. Het drivet, ende stoket ende jaghet dat herte ende alle die crachte der sielen tot den walle [Zijnoot: koken.] dat is Gode te dankene ende te lovene." Een mensch die zich "wel regeeren" wil, moet doen als de wijze bij: "si woent in der enicheit, met vergaderinghen haerre gheselscap, en vaert ute, niet in storme, mer in stillen ghesaten wedere, in schinen der sonnen, op alle die bloemen daer men soeticheit in vinden mach. Si en rust niet op ghene blome noch op ghene scoenheit ofte soeticheit; mer si trect daer ute honich en was, dat is soeticheit en materie der claerheit, en voeret in die vergaderde enicheit, op dat sy vruchtbaer werde tot groter nutticheit." Zoo moet ook de wijze mensch doen en "niet rusten op ghene bloemen der gaven, maer al gheladen met danke en met love weder vlieghen in die enicheit, daer si met Gode rusten en wonen wilt"[59].
Menigmaal ook vindt RUYSBROECK stof voor zijne gelijkenissen in eigen omgeving en het dagelijksch leven.
De oefening in deugd vergelijkt hij bij een penning van fijn goud; doch ieder moge onderzoeken of zijn goud van goed allooi is en het volle gewicht heeft en aan weerszijden wel gemunt. In ons deugdzaam leven moeten wij allerhande sier van deugden weven, zooals vogelen en bloemen en gulden sterren geweven staan in de gordijnen van den tabernakel. De reinheid des harten "ghelijct men der lampten bernender oliën, die hare vlamme gheeft opwert te hemele: alsoe doet die suvere herte die beneden besloten is yeghen die werelt ende boven open die gracie Gods t'ontfane."
CHRISTUS' beeld moeten wij drukken in ons hart en onze zinnen, in ons lichaam en onze ziel, zooals men een zegel drukt en vormt in het was. De gratie Gods in de ziele is gelijk eene kaars in een lantaarn of glazen vat, want zij verlicht en verklaart en doorschijnt het vat, nl. den goeden mensch. Als God zich van ons afwendt, dan doet hij met ons: "recht alsof een mure stonde ghemaect tusschen hem ende ons."
Welk eene kracht ontwikkelt RUYSBROECK'S beeldende zinnelijkheid, waar hij zijn hoorders voor oogen wil brengen, hoe groot Gods genadevolle vergevensgezindheid is: "al waer alle die werelt een gloet van viere ende dat midden in dat vier een vese [Zijnoot: vezel.] van een linen cleet laghe, soe en ware die vese niet alsoe bereet te aensteken, als God bereet is den sondaer sijn sonden te vergheven, als hem sijn sonden ghewaerachtich leet sijn[60]."
Het valt bezwaarlijk te ontkennen, dat deze prozadichter, waar hij zijne gelijkenissen aan het dagelijksch leven ontleent, voor ons gevoel soms de grenzen der kieschheid te buiten gaat, doch men moet daarbij in het oog houden dat tusschen het hoogere en het lagere, vooral tusschen het hemelsche en het aardsche, in de middeleeuwen niet zulk een afstand lag als thans. RUYSBROECK vergelijkt iemand die waant één te zijn met CHRISTUS bij een slapenden hond "dien droomt dat hi heeft een stucke vleeschs in sinen mont" en "alse hy ontwaket, soe en heeft hi niet." Die vergelijking zou men desnoods ook met ons gevoel van kieschheid in overeenstemming kunnen brengen door te wijzen op het minderwaardige van hem die slechts _waant_ met CHRISTUS één te zijn. Doch tenauwernood zal nog één hedendaagsch lezer behagen scheppen in die talrijke andere beelden en gelijkenissen die ons naar de keuken en den refter (eetzaal) verplaatsen. De tekst: "dit is mijn vleesch en mijn bloed" en de hostie als symbool van CHRISTUS gaven, trouwens niet aan RUYSBROECK alleen, gereede aanleiding tot het vormen van beelden en gelijkenissen. Zoo zegt JEZUS tot den mensen:
Myn vleysch is wel gebraden Aent cruce om uwe ghenaden.
"De edele tarwebloem, d.i. JEZUS, is ons gegeven door MARIA; God heeft de olie zijner barmhartigheid in MARIA uitgestort; de Heilige Geest heeft dat tarwemeel en die olie samengekneed en voor ons gemaakt en gebakken het zoetste brood dat ooit bestond, spijze der engelen en der menschen. Dit brood is gebakken in den oven, dat is in het lichaam der zuivere maagd MARIA, die wel doorheet was met het vuur der caritate." De zachtmoedige lijdzaamheid van CHRISTUS vergelijkt RUYSBROECK bij "den cleinen oesteren die in sculpen ligghen also cleine als eens menschen naghel". CHRISTUS wil ons geheel in zich opnemen, zijn honger is onmatig groot, "want hi is een ghierich slockaert [Zijnoot: begeerige schrokker.] ende heeft den mengherael" [Zijnoot: geeuwhonger.]
Konden wij slechts zien, welk een gretige begeerte CHRISTUS heeft naar onze zaligheid, "wi en mochten ons niet onthouden [Zijnoot: weerhouden.], wi en souden hem in die kele vlieghen." Hier schijnt de auteur zelf beseft te hebben dat hij de grens der kieschheid ook voor dien tijd had overschreden, want hij verontschuldigt zich eenigszins door te zeggen: "al luden mine worde wonderlike, die mynnende die verstaen my wel"[61].
Gelijkenissen als deze zijn in verhouding tot alle overige niet talrijk; zoo is ook de toon van RUYSBROECK over het algemeen zacht en waardig, doch een enkele maal klinken er forscher klanken: "arme rasende mensche", "verscoven [Zijnoot: verstooten.] ende verblinde mensce", "onwaerdich boeve", "onverstandich esel"[62].
Wij zouden noch het een noch het ander willen missen, want wij krijgen daardoor RUYSBROECK'S beeld vollediger te zien. En ook, doordat hij zich van tijd tot tijd laat gaan, toont deze Nederlander die zich zoo gaarne uit de wereld in het innerlijk zieleleven terugtrok, toch niet misdeeld te zijn van dien volkshumor dien wij in den _Reinaert_ en andere Dietsche werken genieten.
Hoe aardig drijft hij den spot met de hoovaardij der rijke vrouwen: "si maken ane hare hoefde bulte van hare, dat sijn des duvels neste daer si in sculen. Maer dunct hen dat si edel sijn van gheboerte, so moeten se hebben ane hare anschine cromme hoerne alse gheiten, daer si den duvel mede gheliken. Ende dan gaense hen spieghelen ochte si scoen ghenoech sijn den duvel ende der werelt te behaghene"[63]. De geveinsden en hoovaardigen vergelijkt hij bij de blaas "die vol is van losen winde; als men se duwet ende perst, so gheeft si enen luud die ongracelic is te hoirne"[64]. Nonnen die zich opsieren met zilveren gordels en allerlei rinkeltuig doen hem denken aan "ene hinne [Zijnoot: hen.] met bellen"[65].
Uit denzelfden volksgeest die dezen lichten spot voortbracht, werd echter ook eene vergelijking geboren als deze: "wanneer een groot coninc oft een wijs lantshere varen wilt in pelgrimagien, in verren lande, soe roept hi sine ghenoten [Zijnoot: pairs.] te gader, ende beveelt hem sine lant, sijn volc, sijn kynder ende sine familie, dat si al dat regeren ende bewaren in payse ende in vreden tote dier tijt dat hi weder comt in sijn lant. Alsoe ghelikerwijs Christus, die ewighe wysheit Gods, coninc der coninghen ende heer alre heren, doen hi sine pelgrimagie gedaen hadde in dese ellendighe werelt, doen woude hi varen in sijns Vaders lant ende ten lesten daghe weder comen ten ordele. Ende hier omme, voir dien dach dat hi sterven woude, doe stichte hi ene grote feeste dat was een avonteten. Ende daer toe node hi die meeste princen der werelt, dat waren sine Apostelen...."[66].
Dat is dezelfde geest waaruit vijf eeuwen vroeger het Oud-saksisch heldendicht _Hêliand_ was voortgekomen.
Wat ons dan ten slotte in RUYSBROECK het sterkst treft, dat is het ruime van zijne persoonlijkheid en zijn werk. In beide is "nederlant" en "overlant", al woont hij liefst op de tergen, waar de zonne der gerechtigheid schijnt. Hij ziet de huurlingen en knechten, maar ook de vrienden en zonen Gods. Zijn blik omvat de zonnebloem, den slapenden hond die van vleesch droomt, de bij die beladen van bloem tot bloem vliegt, maar ook een groot koning en de wilde zee en de zon in haar loop door de ongemeten ruimten. Hij schuwt de menschen, doch blijft ze liefhebben; zijne menschenkennis heeft zijne menschenliefde niet uitgedoofd, al openbaart die liefde zich op eigenaardig-middeleeuwsche wijze. Hij kent het gevoel van geestelijke ellende, maar ook het zwijgend wegsmelten van innerlijke weelde.
RUYSBROECK is de eerste Nederlander, die in de volkstaal een ideaal levensgeheel heeft ontworpen, dat slechts paste voor kloosterlingen, doch dat ook voor hen, die in de wereld bleven, veel goeds, edels en schoons bevatte. Tegenover den toenemenden drang naar verlichting des verstands heeft hij de ontwikkeling van het zedelijk en godsdienstig gemoedsleven gesteld; tegenover het "kennen" het "minnen", zooals reeds kort na zijn dood door een zijner vereerders werd getuigd; tegenover het "mate is goet t' allen spele"--het "wiselose", het bovenmatige, den hartstocht, zij het ook slechts in het streven der ziel naar éénheid met God. Hij heeft zijn levens-ideaal niet opgetrokken tot één grootsch gebouw, doch het verwerkt tot een aantal grootere en kleinere taalmonumenten, die ons niet zelden treffen door schoonheid van lijn en fijnheid van uitvoering. Ook in dat taalwerk is "nederlant" en "overlant": het vlakke, dat wel eens plat wordt; de liefelijk opwaarts glooiende landen; de hooge toppen, waar de auteur zich in de nevelen verliest: de "hoge materiën", waarvan hij beseft dat een schrijver ze slechts kan "voirt bringhen met woorden also verre als ment woorden mach"[67].
Dozijnen bij dozijnen handschriften zijner werken bewijzen welk een invloed zijne mystiek moet hebben geoefend. Die invloed beperkte zich niet tot de grenzen van het Dietsche taalgebied, noch tot des schrijvers taalgenooten, maar strekte zich uit tot Neder- en Opper-Duitschland en was krachtig nog in de 16de eeuw, toen zijne werken veelvuldig in de kloosters werden gelezen en in eene Latijnsche vertaling toegankelijk gemaakt ook voor hen, die geen Dietsch verstonden.
In RUYSBROECK heeft de Dietsche mystiek haar voornaamsten vertegenwoordiger gevonden. Ja, HADEWYCH is hem vóór geweest. Maar, is HADEWYCH de leeuwrik, de "hemellawerke" opwaarts wiekend op de vleugelen van haar lied en vaak zich verliezend in het blauwe--RUYSBROECK is de nachtegaal, immers ook een zanger van "minne", zijn smeltend lied, zijn storm van geluid orgelend in de stilte van het Soniën-bosch.
Het werk van RUYSBROECK is een der hooge toppen in het land onzer literatuur en dus zou het begrijpelijk zijn, indien wij daarmede dit deel van ons werk besloten. Wij hebben echter goede reden het niet te doen, want: meer dan RUYSBROECK is hier.
Omstreeks 1360 werd een groot deel van het Oude Testament in de volkstaal te boek gesteld[68].
De vertaler was blijkbaar een niet-geordend geestelijke, misschien een Vlaming, zeker een vroom man; ook een ontwikkeld man, wien de brieven van PAULUS, eenige kerkvaders, MAERLANT'S _Spieghel_ en _Rijmbijbel_ bekend waren, en die zijne vertaling kon toelichten met behulp der _Scolastica_ en van andere werken. Vroeger had hij reeds eene Dietsche overzetting geleverd van het _Passionael_ (de "Legenda aurea").
Van het karakter zijner vertaling valt weinig te zeggen, zoolang wij niet weten, welke redactie der _Biblia Vulgata_ door hem gebruikt werd. Echter deelt de vertaler zelf in den proloog ons mede dat hij voornemens is, het Latijn "ghetrouwelic te dietschen... die lettere houdende van woorde te woorde ofte van zinne te zinne of van beyden onderminghet, so dattet die liede verstaen moghen na den sede van onsen lande"[69]. Bovendien vallen er in of naar aanleiding van zijn werk andere dingen op te merken die vermeldenswaard schijnen.
De vertaler was een man van orthodoxe vroomheid die meer dan eens verklaart, dat hij niet van zins is iets te doen "dat jeghen Gode ofte jeghen die heilighe kerke zi." Maar juist daarom vervulde hem het onbetamelijk en onzedelijk gedrag van vele priesters en leeken met des te meer droefheid. Hij ergert zich aan de leeken die, op feestdagen nog wel, in de taveernen spelen, dansen en reien; aan de priesters die in plaats van het volk te leeren, ook door hun voorbeeld, het volk door hun kwaad voorbeeld verderven, die "amiën" houden en argelooze vrouwen ten val brengen. Daarom was het hem "langhe in 't herte geweest", het "fundament van der scrifture" te verdietschen, in de hoop dat menig ongeleerde er zijn voordeel mede zou doen. En ook, hij acht zich niet gerechtigd het talent dat God hem geschonken heeft ongebruikt te laten. Zoo heeft hij dan het werk ondernomen met vreezen en beven, in het diepe besef van de zwaarheid der taak; en hij zou haar misschien niet voleindigd hebben, indien zijn vriend JAN TAY er niet op had aangedrongen[70].
Onder de mystieken van dien tijd zal men dezen vertaler wel niet moeten zoeken. Ware het zoo, dan zou dat toch uit zijn spraakgebruik moeten blijken, en dat is niet het geval. Toch moet er wel eenige geestverwantschap tusschen hen en hem hebben bestaan. Het Hooglied en de Openbaring, twee Bijbelboeken, bij de mystieken in eere, worden ook door hem hoog gesteld[71]. Tegenover de priesters toont hij dezelfde onbeschroomde vrijmoedigheid als JAN VAN LEEUWEN en RUYSBROECK. Zijn wantrouwen in de geestelijke leiding der priesters brengt hem tot het verdietschen van het Oude Testament, dat hij den leeken in handen wil geven, opdat zij daar mogen vinden wat de priesters hun onthouden[72]. Een streven naar ontwikkeling van een zelfstandig godsdienstig gemoedsleven ziet men immers ook bij de mystieken, al mag het de vraag heeten of RUYSBROECK den Bijbel in de handen der leeken zou hebben gewenscht.
Wat ons in dezen vertaler ten slotte treft, is het rustig zelfvertrouwen, waarmede hij spreekt over de ontvangst, die hem en zijn werk wacht van de zijde der geestelijkheid. Hij beseft zeer wel, dat het sommige "clercken" zal ergeren "dat men die heymelicheit der scrifturen den ghemenen volc ontbynden soude"; dat zijn werk zal worden "benijd en beknaagd door dolle honden"--maar God kent de bedoelingen, waarmede dit werk ondernomen is, en daarom zal hij met DAVID hopen op God en niet ontzien wat de menschen hem aandoen[73]. Hier spreekt een dergelijk vertrouwen op God en het eigen geweten, als wij vroeger opmerkten bij den onbekenden leek en als later in de dagen der Kerkhervorming zoo menigmaal zal gehoord worden.
Het is wel opmerkelijk, dat van deze Bijbelvertaling, naar het schijnt, geen enkel afschrift der 14de eeuw is overgebleven, terwijl er dozijnen afschriften der 15de eeuw bestaan. Mag men aannemen, dat de geestelijkheid het werk onderdrukt heeft? Zoolang daarvoor geen enkel bewijs bestaat, natuurlijk niet. Doch in allen gevalle blijkt uit de afschriften, dat deze Bijbelvertaling ter kennisse van anderen is gekomen, zij het waarschijnlijk van slechts weinigen. Daarmede was een edele kiem in de ziel van ons volk gelegd, die er zich zou ontwikkelen met de langzaamheid die groote zaken past.
AANTEEKENINGEN.
[1] _Der Ystoriën Bloeme_ in de uitgave van A.C. OUDEMANS SR. Het tweede werk is als _Fragment van een oud berymd passionael_ uitgegeven door WILLEMS in _Belg. Museum_, IX, 418 vlgg.
Vgl. _Der Ystoriën Bloeme_, vs. 2229-'30, 3554; _Belg. Mus._, IX, 424, vs. 184.
[2] _Van Sinte Lutgart_ uitgeg. door BORMANS in _Dietsche Warande_, III--IV. _Van Sinte Christina_ eveneens door BORMANS. Vgl. over de hss. ook: _Tijdschr. v. N. T. en L._, IX, 161 vlgg. _Leven van Sint Amand_ uitgeg. door BLOMMAERT. Over de bronnen van dat werk TE WINKEL a. w. bl. 279. Over het hs. nog _Tijdschr. v. N. T. en L._, X, 158. Het _Leven van S. Kunera_ in _Middeln. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 247 vlgg.; het hs. schijnt uit de 15e eeuw, de taal en de rijmen wijzen naar de 14e eeuw.
[3] Over broeder GERAERT'S werk vgl. _Willem van Afflighem's Leven van Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM), Inl., XVII, XXXVIII-XXXIX.
[4] Vs. 1341 2.
[5] I, 5135 vlgg. Wereldlijke koningspelen (waarin vooral "questiën van minne" behandeld werden) vindt men o.a. in den _Limborch_, XI, 67 vlgg. en _Cassamus_, vs. 1368 vlgg. (Aant., bl. 80). Vgl. voorts II, 1331 vlgg.; 1709; 1903 vlgg.; 4809.
[6] In vs. 630 wordt gesproken van S. KERSTINE'S "lenden ende ander haer lede", waar het Latijn _nates_ heeft.
[7] Vgl. over de vermoedelijke bron van dit werk TE WINKEL a. w. bl. 283.