Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 3
[18] Zie den Catalogus der boekerij van Egmond medegedeeld in VAN WIJN'S _Huiszittend Leeven_ en, in veel beter uitgaaf, in _Archief voor Ned. Kerkgesch._, II, 147 volgg. door wijlen Prof. KLEYN.
[19] A.W. WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, bl. 78-79.
[20] MOLL, t.a.p. II, 2, 239.
[21] In het _Itinerarium_ van dien pelgrim, dat ik leerde kennen uit MATTHAEI _Veteris Aevi Analecta_, II, 26-33 b.v.: "Natales fines et arva dulcia linquentes" (_Ecl._, I, 3); aan het slot: "et tunc demum quae passi fuimus periculorum meminisse juvabit" (_Aen._, I, 203). Vgl. ook de naar klassieke voorbeelden gevolgde beschrijving van den storm op p. 31.
In de Kroniek van ALPERTUS, _De Diversitate Temporum_ (ed. DEDERICH) o.a.: uit Juvenalis: "Intolerabilius nihil est quam foemina dives."
[22] MOLL, t.a.p. I, 367. Dezelfde gedachte reeds bij HIERONYMUS. Zie FRANCK en VERDAM in hunne uitgave van MAERLANT'S _Stroph. Gedichten_, bl. LXXVIII.
[23] Ik maakte bij dit overzicht gebruik vooral van EBERT'S _Allgem. Geschichte der Literatur des Mittelalters im Abendlande_, van MOLL's _Kerkgeschiedenis_ en een enkele maal van HOFMAN PEERLKAMP'S _Liber de vita_ etc.
MILO'S gedichten zijn het best uitgegeven door L. TRAUBE in _Poetae Latini Aevi Carolini_, III, 557 seqq.
[24] Over deze laatste heiligenlevens vgl. MOLL, I, 367 volgg.
[25] Vgl. over de poëzie van RADBOUD: EBERT, t.a.p. III, 184. H. PEERLKAMP, p. 11. De _Versus de hirundine_ medegedeeld in _Zeitsch. f.d. Alt._ N.F. 7, 388 flgg. Zijne Antiphonen op S. Maarten in _Kerkhistor. Archief_, III, 213 volgg.
[26] Zie voor het medegedeelde MOLL'S _Kerkgesch._, I, 275 volgg. en ALPERTUS' Kroniek _De Div. Temporum_.
[27] _Der Lobgesang auf den heiligen Anno_ (ed. GOLDMANN), Leipzig und Altenburg, 1816. Voor verdere bijzonderheden zie men _Grundriss der Germ. Phil._, II, 1, 251; en PIPER'S _Spielmannsdichtung_, II, 1. Gedateerd op 1077-'78; door sommigen op 1105-1110.
[28] De Kroniek van ALPERTUS: _De diversitate temporum libri_ II, is van ongeveer 1022 (ed. DEDERICH, Münster, 1859). Vgl. MOLL, _Kerkgesch._, II, 2, 343 en BLOK, I, 130. Over de Kroniek van GALBERTUS vgl. RUDOLF HENNING, _Nibelungen--Studiën._ Strassburg. 1883.
[29] _De Div. Temp._, II, 5.
[30] R. HENNING in het aangehaald werk.
[31] Ik heb mij hier bediend van E. VOIGT'S voortreffelijke uitgave van den _Ysengrimus_, (Halle a.S., 1884). In zijne _Etude sur l'Ysengrinus_, (Gand, 1895) komt L. WILLEMS tot eenigszins andere voorstellingen dan VOIGT. W., stelt den tijd van ontstaan 1151-1152; V.c. 1148. W. gelooft dat een "flamand gallicant" uit de buurt van Lille de dichter is geweest en dat deze niet uit de mondelinge overlevering maar uit de verhalen der trouvères heeft geput. Het eerste is door W. m.i. niet aangetoond; het tweede is niet te bewijzen. Zie over WILLEMS' boek ook het oordeel van Dr. J.W. MULLER in _Museum_ (1897) waarmede ik mij in hoofdzaak kan vereenigen.
[32] VOIGT, _Einl._ LXIII.
II.
De Kruistochten. De "lage landen bij de zee" als grensland tusschen Frankrijk en Duitschland. Fransche en Duitsche literatuur. Heinric van Veldeke (_Leven van Sint Servaes_, _Eneïde_, liederen). Vertaling van het Nibelungen-lied. Speelmanspoëzie (_Van den bere Wisselau_; _Van Sente Brandane_). Losmaking van Duitschland.
Toen het gevreesde jaar 1000 voorbij en de wereld niet vergaan was, ademden ook de bewoners dezer landen op.
Niet alsof met die 11de eeuw een tijd van ongestoorden vrede en rust aanbrak! Integendeel, ook in deze en de volgende eeuw, wij hebben er reeds staaltjes van gezien, was er nog allerwege verdeeldheid; soms schijnt het alsof ieders hand tegen allen is opgeheven. Zeker, tegenover de verdeelende stonden verbindende krachten: de kerk, het leenwezen, eene zelfde of ten minste gelijke taal, dezelfde zeden en gewoonten. Maar voorshands is de eenheid van elk dier onderscheidene kleinere volksgeheelen hier te lande (Friesland, Holland, Vlaanderen, Brabant en andere) weinig hecht; er is te nauwernood sprake van één band die ze onderling vereenigt.
Geen verschijnsel heeft in deze eeuwen zoo krachtigen invloed geoefend op onze volkswording als de kruistochten!
Onder de eerste deelnemers aan die grootsche tochten, toen "het Westen zich op het Oosten wierp, onder den kreet: God wil het!" vinden wij ook onze voorouders. Reeds omstreeks 1030 zien wij een graaf van Holland ter kruisvaart trekken en aan zijne zijde een lid dier stoute ARKELS, welke de latere graven van Holland zoo dikwijls tegenover zich zouden zien[1]. Na hen treffen wij onder de kruisvaarders in deze en de volgende eeuwen graven van Holland, Gelder, Vlaanderen aan; zonen van oud-adellijke geslachten als de BREDERODE'S, BORSELEN'S, VAN LYNDEN'S; Friesche edelen uit den stam van GALAMA en BOTNIA. Nog lang na den tweeden kruistocht, die in 1147 voorviel, wezen latere kruisvaarders elkander den palmboom op het graf van den dapperen Frieschen aanvoerder HENDRIK ULVINGA in de nabijheid van Lissabon. Niet alleen ridders, ook aanzienlijke burgers, gewone poorters, lijfeigenen trokken naar het Heilige Land. Waarschijnlijk waren er maar weinig ridders onder die Antwerpenaars, Hollanders en Friezen, die volgens hun eigen getuigenis acht jaren in de Middellandsche zee van roof op de heidenen hadden geleefd en in 1097 op hunne schepen, welker masten met goud waren beslagen, het leger der kruisvaarders in Cilicië te hulp kwamen[2].
Zeker, behalve zuivere godsdienstige geestdrift zullen er voor deze tochten beweegredenen zijn geweest van minder gehalte; de naam "groote aflaat" dien men in de 13de eeuw aan een kruistocht gaf, wijst reeds op iets anders dan op liefde tot God om Gods wil. En dat vooral bij degenen die slechts geld, niet zich zelven, gaven ten behoeve dezer tochten. Ook bezwaardheid van geweten zal wel tot de beweegredenen hebben behoord; ook drijfveeren van minder allooi zal men niet mogen voorbijzien: lust naar avonturen, strijdlust, zucht om buit of roof te behalen.
Dat alles moge waar zijn, maar desniettemin zien wij hier in de ontwikkelingsgeschiedenis van ons volk dit belangrijk verschijnsel, dat voor het eerst zij die zóó lang verdeeld waren gebleven: Vlamingen, Friezen, Hollanders, Gelderschen en zoovele anderen, in het besef hunner éénheid als Christenen, gezamenlijk optrekken tegen één vijand in verre gewesten.
De groote invloed dier tochten op de ontwikkeling ook van ons volk is bekend. Nu eerst deden de Nederlanders hun "intocht in de Kerk waardoor zij inderdaad vereenigd werden met het groote lichaam, waarvan zij vroeger leden heetten, maar niet waren"[3]. Handel en nijverheid, ook de kunsten ontwikkelden zich. De trage verbeelding der bewoners van deze lage landen kreeg een schok, werd opgewekt, geprikkeld. Welk een indruk moet het Zuiden, moeten die landen der zon met hun geheimzinnig achterland, hebben gemaakt op de ruwe maar ontvankelijke gemoederen dezer zonen van het Noorden, die zich voor het eerst verplaatst zagen buiten de enge grenzen van hun gouw of graafschap!
Maar niet minder gewichtig dan dat alles is de invloed geweest, dien de aanraking met andere volken moet hebben geoefend op het onze. Door dat herhaald en langdurig samenzijn en samenwerken met andere volken of volksdeelen, moeten onze voorouders voor het eerst ten deele bewust zijn geworden van zich zelf. Nu eerst wordt hun de gelegenheid gegeven om door vergelijking met anderen zich zelven te leeren kennen; nu eerst begint door den morgennevel der naïeveteit heen het beeld der eigen persoonlijkheid flauw voor hen op te schemeren. Ook van het volk, waarvan zij nog een deel uitmaakten en waaraan zij zich het nauwst verwant gevoelden: de Duitschers, moeten zij zich reeds onderscheiden hebben gevoeld in taal en karakter. Welk een aanzienlijk verschil bestond er reeds omstreeks 1171, toen HEINRIC VAN VELDEKE zijn _Sint Servaes_ dichtte, tusschen Middelnederlandsch en Middelhoogduitsch! Dat verschil kan natuurlijk eerst langzamerhand zoo gewichtig zijn geworden.
Uit staatkundig oogpunt gezien, behoorden verreweg de meeste dezer lage landen tot Duitschland; hunne ligging in Europa maakte ze tot een schakel tusschen Germaansche en Romaansche landen. Langzamerhand zullen wij den band met het overig Duitschland losser zien worden en ten slotte feitelijk wegglijden, al blijft hij in schijn nog lang zichtbaar, al wordt hij later wel eens opnieuw aangeknoopt.
Dat de bewoners dezer landen tusschen Duitschers en Franschen in woonden; dat, in de Zuidelijke Nederlanden, het Dietsch onmiddellijk paalde aan het Fransch, was oorzaak dat Fransche taal en letterkunde te onzent gemakkelijk ingang konden vinden.
Dien aanwas van zelfstandigheid tegenover Duitschland, waarbij de invloed van Frankrijk zich doet gevoelen, zullen wij nu in de geschiedenis, onzer letterkunde gaan beschouwen.
De eenheid dezer landen met het overig Nederduitschland vertoont zich ook in die scharen van Vlaamsche en Hollandsche kolonisten, welke in de 11de en 12de eeuw een deel van Nederduitschland bevolkt en er zeker toe bijgedragen hebben daar het gevoel van eenheid met de bewoners der lage landen levendig te houden. Echter moet dat gevoel van eenheid te onzent sterker geweest zijn in het zuiver Germaansche Noorden dan in het Zuiden, dat een tweetalig land was. Dit verschil tusschen Noord- en Zuid-Nederland moeten wij hier al aanstonds op den voorgrond brengen.
Zuid-Nederland was verdeeld in Dietsche en Waalsche gewesten of zulke die Dietsche en Waalsche elementen in zich vereenigden. Vlaanderen, Brabant, Limburg waren in hoofdzaak Dietsche gewesten; Artois, Kamerijk, Henegouwen, Namen en het land van Luik bijna uitsluitend Waalsche. Echter deed zich in Vlaanderen de politieke invloed van Frankrijk sterk gelden; Brabant hing nauwer met Duitschland samen; Limburg had wel het meest recht op den naam van: grensland.
Tegenover de Fransch (Walsch) sprekenden voelden de Dietsch-sprekenden zich één. Reeds in VELDEKE'S _Leven van Sint Servaes_ worden "Dutschen ende Walen" tegenover elkander gesteld[4], Maar niet zóó scherp stonden zij tegenover elkander, of de meerdere geestesbeschaving en kunstzin van het Fransche volk oefenden hare bekoring en haren invloed op de minder ontwikkelde bewoners dezer grenslanden, voorzoover zij Fransch verstonden. Ook in de literatuur zal dat blijken. Terwijl te onzent, zooals wij gezien hebben, nog geene nationale letterkunde bestond, had de kunst van het woord in Frankrijk reeds tal van voortreffelijke of belangwekkende werken voortgebracht. Kort vóór of na den eersten Kruistocht waren de oudste _Chansons de geste_ reeds gedicht: de grootsche _Chanson de Roland_, de indrukwekkende _Lorreinen_, barbaarsch als de Roodhuiden, de bloedige _Raoul de Cambrai_, _Girart de Roussillon_, een deel van den _Guillaume d'Orange_, de _Aiol_. De aanvang der 12de eeuw bracht het ontstaan van het hoofsche ridderdicht ("épopée courtoise") en dat der lyriek. Vóór het midden dier eeuw waren de meeste verhalen, die de onderscheidene "branches" van den _Roman du Renart_ vormen, reeds voor de eerste maal opgesteld[5].
Ook de Duitschers konden, lang vóór het ontwaken der literatuur te onzent, op menig werk van beteekenis wijzen; behalve de vroeger genoemde dichtwerken hadden zij reeds: het Walthari-lied, EZZO'S lied over de Wonderen van Christus, een gedicht over Koning ROTHER. Die nationale literatuur, in hoe menig opzicht ook zelfstandig en oorspronkelijk, kon zich echter niet onttrekken aan den invloed der Fransche literatuur, die toen reeds den toon aangaf. De _Alexander_ van PFAFFE LAMBRECHT en het _Rolands-lied_ van PFAFFE KONRAD waren reeds in de eerste helft der 12de eeuw uit het Fransch vertaald; in de tweede helft dier eeuw zou de vertaling eener branche van den _Roman du Renart_ volgen en de Fransche lyriek de ontwikkeling der Duitsche bevorderen.
Het is waarlijk niet vreemd dat wij dezen invloed van Frankrijk op Duitschland kunnen waarnemen ook in het land, dat meer dan eenig ander een schakel tusschen hen vormde: Limburg. Omstreeks 1170 werd binnen of bij de grenzen van dat land de bekende geschiedenis van FLORIS en BLANCEFLOER bewerkt in een dialect, dat misschien oorspronkelijk zuiver Limburgsch geweest is of althans met evenveel recht tot het Nederlandsch als tot het overige Nederduitsch kan gerekend worden[6]. Het is den schrijver dezer bewerking, die een Fransch voorbeeld volgde, blijkbaar slechts om het verhaal te doen geweest; reflexie is, naar het schijnt, afwezig. Zijn verhaaltrant is uiterst beknopt en zaakrijk, sober maar droog; van de aandoening die dit liefelijk verhaal in latere dichters zou wekken, is hier weinig te bespeuren. Taal en stijl van dit gedicht zijn nog onbeholpen; de korte zinnen, en de hortende verzen waarin dalingen niet zelden ontbreken, met hunne onzuivere rijmen, wijzen op geringe technische vaardigheid.
Veel duidelijker dan in dit gedicht vertoont zich de invloed der literaturen van Frankrijk en Duitschland op de ontwikkeling der onze in het werk van HEINRIC VAN VELDEKE.
In de poëzie van dezen Limburgschen edelman uit de buurt van Maastricht vinden wij de onderscheiden elementen vereenigd, welke wij hier achtereenvolgens hebben leeren kennen: hij legt den band tusschen de Latijnsche literatuur en de nationale door zijne omwerking van een Latijnsch heiligenleven tot het Limburgsch _Leven van Sint Servaes_; uit het Fransch vertaalt hij een riddergedicht over ENEAS in zijne moedertaal, waaruit het weer in het Middelhoogduitsch wordt overgebracht (_Eneît_); in het Limburgsch dicht hij, onder den invloed der Fransche (Provençaalsche) lyriek een dertigtal minneliederen die eveneens in het Middelhoogduitsch worden vertaald. Zoowel zijne _Eneïde_ als zijne minneliederen hebben groote beteekenis gehad voor de ontwikkeling der Middelhoogduitsche epische en lyrische poëzie.
Van zijn leven is ons weinig bekend. Hij schijnt op een of andere wijze in betrekking te hebben gestaan tot den geestelijken stand en het klooster van SINT SERVAES; blijkbaar kende hij behalve de Fransche ook de Latijnsche literatuur, o.a. de _Aeneïs_, de _Metamorphosen_ en het epos van STATIUS[7]. Hij ondernam c. 1171 de bewerking der _Vita_ van den H. Servatius op verzoek van gravin AGNES VAN LOON en van zekeren kanunnik HESSEL, "die doen der costeryen plach." Hij heeft in Duitschland gereisd, was omstreeks 1175 aan het hof van Kleef en gaf zijn onvoltooide _Eneïde_ daar te lezen aan gravin MARGARETA, de bruid van LODEWIJK III, landgraaf van Thüringen. Zijn handschrift werd hem ontstolen en eerst veel later terug bezorgd, zoodat de voltooiing der _Eneïde_ waarschijnlijk kort vóór 1190 heeft plaats gehad. In Duitschland zal hij kennis gemaakt hebben met de daar bestaande nationale literatuur, o.a.: het _Anno-lied_, LAMPRECHT'S _Alexander_, KONRAD'S _Rollands-lied_; ook de Duitsche sagen van dien tijd kunnen hem niet vreemd zijn gebleven. Zijne minneliederen dagteekenen misschien uit denzelfden tijd als zijne _Eneïde_. Ook heeft hij nog een gedicht van "Salomon en de Minne" geschreven, dat ons slechts uit eene aanwijzing van een Duitsch dichter bekend is[8].
Indien "meyster HEINRIC" begonnen ware met minneliederen te dichten, vervolgens de hand geslagen had aan een ridderroman waarvan de minne schering en inslag is, en daarna, ouder en ernstiger geworden, getracht had door middel van een heiligenleven goed te maken wat hij misdreven had met het dichten dier wereldsche poëzie--dan zou hij gedaan hebben, wat na hem door tal van andere Nederlandsche dichters gedaan is. Die gang van zaken zou bovendien in overeenstemming zijn geweest met wat de gewone levenservaring ons leert. Naar het schijnt, heeft het tegenovergestelde plaats gehad: is hij begonnen met de bewerking van een heiligenleven, om zich daarna tot minnepoëzie en ridderverhaal te wenden. Zoolang deze voorstelling niet door nieuwe feiten aangetast is, zullen wij ons er aan moeten houden.
Daar zoowel _Sinte Servatius Legende_ als de _Eneïde_ bewerkt zijn, de eene naar een Latijnsch, de andere naar een Fransch voorbeeld, komt het er bovenal op aan, het karakter dezer bewerkingen te leeren kennen. Over het algemeen volgt VELDEKE zijne Servatius-legende, die hij telkens aanduidt als "die vite", op den voet[9]. De letterkundige waarde dezer bewerking is gering en herinnert ons dat wij bij den aanvang van de ontwikkeling onzer literaire kunst staan. De gebrekkige uitdrukking, de afgebroken zinbouw, de stootende verzen met hun drietal heffingen doen ons denken aan de oude volkspoëzie. In eene periode als:
Alle die vergaderinghen Al weynende dat sij songhen Met luder stemmen: Osanna! Doen was vroude ende yamer da,
meent men een nagalm te hooren van deze verzen uit het Lodewijkslied:
Joh alle saman sungun "Kyrieleison". Sang was gisungan Wig was bigunnan. Enz.
Beelden en vergelijkingen zijn schaarsch en over het algemeen onbeduidend. In een paar dier vergelijkingen bespeuren wij eenige aandoening. Zoo b.v. in deze uit het eerste boek:
Daer nae sprack der heilighe man, --Die salighe diet ghemercken can-- "Men mach in menghen synnen "Gods heerscapie bekennen, "Sijne ghenade ende sijne ghewalt. "Ghij siet wale wie der wynter kalt "Die eerde bevroret "Ende haer vrocht testoret "Ende tewrijvet ende verkeert; "Ende als hij dan henne veert, "Ende der somer aen gheyt, "Dien alle die werelt gherne ontfeyt, "Ende daer toe alle creatueren, "Eyn yeghelijck nae sijnre natueren, "Verhoghen sich ende vervrouwen. "Allen die Gode ghetrouwen "Ende doer hem lijden arbeit, "Dien gheeft hij grote rijcheit, "Woninghe in hiemelrijck "Ende vroude ewelijck."
Maar wanneer wij een blik in VELDEKE'S voorbeeld slaan en daar op de overeenkomstige plaats lezen: "en", ait "quomodo verna temperies redit post hiemem, sic post mortem orietur beatis requies", dan zien wij dat VELDEKE'S verdienste hierin bestaat, dat hij een dichterlijk onderdeel van zijn voorbeeld op zelfstandige wijze heeft uitgebreid[10].
Ook waar wij elders verwachten, dat eenige stijging van aandoening zich in den stijl en de verzen zal openbaren, zooals b.v. in de visioenen, wordt die verwachting niet vervuld[11].
Toen VELDEKE zijn _Leven van Sint Servaes_ bewerkte, gevoelde hij zich een armen zondaar, die behoefte had aan de voorspraak van den heiligen man bij God; die hoopte dat zijn werk ter eere Gods zou strekken[12]. Maar de levensgeschiedenis van den heilige moge hem hebben gesticht, zij heeft noch zijn gevoel noch zijne verbeelding kunnen treffen. Anders was dat met de geschiedenis van ENEAS, zooals zij door een onbekend Fransch dichter omstreeks 1170-'75 is verwerkt tot een ridderroman[13].
Wat dit gedicht opmerkelijk maakt, is vooral de wijze waarop hier de liefde tusschen de beide seksen als dichterlijk motief is gebruikt en de groote plaats die de ontleding van het gansche gemoedsleven, van de hartstochten en vooral van de liefde hier inneemt. Deze opvatting der liefde was iets nieuws in de toenmalige literatuur. Aan de klassieken viel die niet te ontleenen. Het is bekend, dat zoowel de toestand der vrouw als de verhouding der beide seksen in de Oudheid gansch anders was dan in de nieuwere tijden; er waren weinig dingen die TACITUS in de Germanen sterker troffen dan juist hun achting voor de vrouwen, hun eerbied voor het huwelijk, dat kuischheid bij hen in eere was en dat de vrouw in het huwelijk stond als eene gelijke tegenover den man. Door de opkomst van het ridderwezen, eene Germaansche instelling, was dit gevoel van eerbied jegens de vrouwen nog sterker geworden en had het zich, vooral in Zuid-Frankrijk, onder den invloed der galanterie verfijnd.
In het Fransche gedicht is de ontleding van den hartstocht bij uitnemendheid reeds vrij ver voortgezet en, voor dien tijd, fijn. Het is een van VELDEKE'S verdiensten dat alles nagevoeld en in eigen trant het eerst in onze taal te hebben gezegd. Doch al heeft hij een voorbeeld gevolgd, hij was geenszins louter vertaler. Hij heeft heel wat gewijzigd of veranderd, weggelaten of toegevoegd; meestal geschiedde dat om de juistheid der uitdrukking te verhoogen of den gang van het verhaal te verduidelijken; ook wel eens om de eischen van eigen kieschheid of eigen smaak te bevredigen[14]. Verscheidene didactische uitweidingen, overtollige beschrijvingen en mededeelingen heeft hij laten vervallen. Desondanks telt zijn werk ongeveer 3000 verzen meer dan het oorspronkelijke. Die grooter omvang is toe te schrijven vooral aan de wijdloopigheid van den bewerker, die zich openbaart o.a. in het uitspinnen van monologen en van gevechten, ook in de beschrijving van zielstoestanden. Waar hij beschrijft, ook naar het uiterlijk, toont VELDEKE menigmaal wel talent, maar een onontwikkeld talent, terwijl zijn smaak en zijne kunstvaardigheid nog gering blijken. Zoo b.v. waar hij ons de Sibylle beschrijft, die ENEAS "toe Icônjen in her hûs" bezocht. Een viertal verzen van het oorspronkelijk gedicht zijn in de bewerking uitgedijd tot een 34-tal, zoodat men hier met recht van VELDEKE'S werk mag spreken:
grôt ende grâ was her dat hâr end harde verworren-- dat wir wale spreken dorren-- alse eines perdes mane. die frouwe hadde ane vele onfrouwelîch gewant. ein boech hade sî an der hant. dar ane sach sî ende las. doe schoude sî Enêas. He marcde sî rechte. dat mies [Zijnoot: mos.] lockechte hiene her ût den ôren. sî enmochte niet gehôren, et enwâre, dat man riepe. her ougen stonden er diepe onder den ouchbrâwen, langen ende grâwen, die dâ vore hiengen-- end her ter nase giengen, grouwelîch was her lîf: hem enwart nie wîf alsô wonderlich kont. swart ende kalt was her der mont. sî sat in den gebâre, alse er leven wâre ân alre slachte wonne. die tande stonden er donne [Zijnoot: dun (geplant).] end wârn her lanc ende gele. her was der hals end die kele swart end gerompen [Zijnoot: gerimpeld.]. sî selve was geskrompen in bôsen gewande. her arme end here hande waren âdern ende vel[15].
Belangwekkend is op deze plaats de worsteling van een naïef kunstenaar met zijne stof. De dichter is blijkbaar wel onder den indruk en tracht dien zoo goed mogelijk weer te geven; er is wel goede grondstof, er zijn wel goede deelen van een beeld, maar hoe zonderling liggen zij dooreen. Telkens springt hij van de afzonderlijke trekken op het geheel over of wordt zijne eigen voorstelling hem te machtig, zoodat hij zich lucht moet geven. Na de aardige vergelijking van het haar bij verwarde paardemanen--de vergelijking raakt volgens VELDEKE blijkbaar de grens der kieschheid--een blik op het onvrouwelijk gewaad; zij had een boek in de hand; nu weer de détails: vlokken mos (haar) hingen haar uit de ooren, diepliggende oogen onder laag afhangende grijze wenkbrauwen; dan plotseling een blik op het geheel: gruwelijk was haar lichaam; daarna terugkeer tot de détails: de mond was zwart en koud; weêr een algemeene indruk: hare houding gaf te kennen dat zij geenerlei vreugde kende; zoo gaat het voort.
Kunst als deze, hoe onvolkomen ook, doet ons betreuren dat VELDEKE'S invloed op de Nederlandsche dichters van later tijden naar het schijnt zoo gering is geweest, want aanleg had hij zeker.
Duidelijker nog dan in zijne _Eneide_ blijkt die aanleg in het dertigtal minneliederen, door hem onder den invloed der Fransche hoofsche lyriek gedicht.
In gevoelens en stemmingen, in keuze van voorstellingen en uitdrukkingen blijven deze liederen binnen den kring van den conventioneelen vrouwendienst, die zich in Frankrijk had ontwikkeld en zich daar en elders deed gelden, zoowel in eene min of meer kunstmatige werkelijkheid als in de poëzie.
De verhouding van den minne zoekenden man tot de vrouw die hij wenscht, wordt voorgesteld als een _dienst_: zij is de meesteres, hij de dienaar. Telkens is ook in deze liederen sprake van _dienen_ en _dienst_. De minne wordt verheerlijkt:
Von minne kumet uns allez guot: diu minne machet reinen muot. Waz solte ich sunder minne dan?[16]