Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 28

Chapter 283,649 wordsPublic domain

Wij weten niet of dit proza in ruimen kring verbreid is geweest; maar ook binnen een beperkten kring van hoorders en lezers kan het allicht eenigen invloed ten goede hebben geoefend op de ontwikkeling van het Dietsche proza.

De betrekking tusschen de Duitsche en de Nederlandsche mystiek wordt gekenschetst niet alleen door wederzijdsch geven en nemen maar ook door het voorkomen van gelijke of gelijksoortige uitingen en vormen. In de Opperduitsche Dominicaner-nonnenkloosters van de eerste helft der 14de eeuw wordt het mystieke leven, zooals wij dat vroeger onder de Cisterciënser-nonnen leerden kennen, voortgezet. Tal van adellijke vrouwen en meisjes laten zich in die kloosters opnemen om daar de wereld en zich zelve te leeren verloochenen. Al deze nonnen, onder wie ELISABETH STAGEL, SUSO'S vriendin, en CHRISTINA EBNER tot de meest bekende behooren, streven onder ontbering en zelfkastijding naar éénheid met JEZUS. Extatische toestanden en visioenen zijn dagelijksch brood voor haar; de meesten zijn ontwikkeld, eenige hebben mededeelingen uit haar eigen en anderer leven te boek gesteld.

Naar het schijnt, hebben wij een, met die geschriften verwant, Nederlandsch werk in het boek _van machteldis visioenen_. Voorzoover ik heb kunnen nagaan, bevat dit geschrift geene vertaling der werken van de begijn MECHTHILD VAN MAAGDEBURG, die wij vroeger leerden kennen[34].

Zeker hebben wij met zelfstandige Nederlandsche uitingen te doen in het merkwaardig geschrift van een onbekenden leek dat omstreeks 1333 schijnt te zijn ontstaan en in de werken van "den goeden coc van Groenendaal" JAN VAN LEEUWEN, over wien wij reeds spraken[35].

Het geschrift van den onbekenden leek, die misschien in Noord-Nederland leefde, heeft den gewonen vorm van een samenspraak tusschen den auteur (die ook wel een vrouw kan zijn geweest) en Meester EGGAERT, die in den aanvang "een uutgenomen licht van hemelscher wijsheit" wordt genoemd.

Wat ons in deze samenspraak al dadelijk treft, is het gevoel van zelfstandigheid tegenover de priesters. Niet tegenover de priesterschap op zich zelve; hij zou wel eerbied voor hen hebben, indien zij waren wat zij moesten zijn: "lichtdraghers der heiligher kerken." Maar dezulken schijnt hij niet te kennen. Over het algemeen heeft hij van priesters en kloosterlingen geen hoogen dunk. Hun geestelijk "habijt" boezemt hem weinig eerbied in, omdat hij er door heen zooveel wereldschgezindheid ziet, zooveel hoogmoed, eerzucht, zinnelijkheid en laagheid. Een goed mensch is meer monnik voor de oogen Gods dan die het "habijt" draagt en ongeestelijk leeft. Wee allen, die zijn "apostelen in die tonge ende rabaude in die oefeninghe [Zijnoot: schurken in de practijk.]" roept hij uit. Hij oefent critiek op beweringen van priesters, "meesters in de vrië consten," die hij gehoord heeft; hij stelt hunne laatdunkendheid tegenover de leeken aan de kaak.

Zijn gevoel van zelfstandigheid openbaart zich niet minder in zijne opvatting van geloof en kerkleer. Welk eene stoutheid van denken vinden wij in dezen middeleeuwer, die durft schrijven: "Die salighe minnende siele is godliker op haer bedde dan in die kerc!" Soms vervoert die stoutheid van denken hem tot vragen, waarvoor hij zelf terugschrikt. Een oogenblik twijfelt hij aan de Drie-eenheid. Hij schroomt niet, Meester EGGAERT de vraag voor te leggen: "Plach God te lieghen, dat Hij Moyses niet en liet dat lant, dat Hij hem belooft hadde?" Doch als hij vraagt: "Meester Eggaert, hemel en aarde hadden een begin, en God is eeuwig. Waar was God dan vóór de schepping?" dan is het antwoord: "Al daer en betaemt geen leec na te vraghen, noch om te peysen."

Ook tegenover ECKHART weet hij zijne zelfstandigheid te bewaren, want visioenen stelt hij lager dan deze; hij gelooft, dat ze meerendeels het werk zijn van booze geesten. Met de overdreven MARIA-vereering kan hij zich niet vereenigen, evenmin met die van apostelen en heiligen; allen zijn zij Gods schepselen, "God es die fonteyne van alre doecht." Dat sterke besef van God als de bron van alle goed brengt hem tot de schijnbaar ongerijmde, maar juist daardoor zoo sterk sprekende uiting: "Ik zou liever met God in den afgrond van de hel zijn, dan met Maria en alle heiligen en alle engelen in den hemel zonder God." Ook voor mirakelen en het aanbidden van beelden gevoelt hij weinig. De goede "verlichte" menschen zoeken geen mirakelen. Slechts onverlichte menschen, zwak van geloof, aanbidden heiligenbeelden. Hij gaat zelfs zoover van te zeggen: "Eer ik één goed mensch van honger liet sterven, zou ik een vuur maken van alle beelden te Aken, te Aardenberg en te Katwijk en er voor hem eten op koken."

Hier hoort men ander vuur knappen dan dat van den mutsaard, waarop de ketters verbrand werden! Hier gloeit reeds een sprank van het vuur dat later zal uitslaan in de Hervorming. Een anderen sprank van dat vuur zien wij in zijne ergernis over de vervolging, waaraan beggaarden en begijnen toentertijd blootstonden vanwege de geestelijke inquisiteurs. Levendig is reeds in hem het besef: God moet men gehoorzamen boven alle menschen en boven alle prelaten. Ook de paus, al is hij een aardsch god, heeft geen recht iets te bevelen, dat in botsing komt met wat God geboden en verboden heeft.

Hier is reeds de godsvrucht die geen menschenvrees kent en zich afhankelijk gevoelt van God alleen; nu nog maar aanwezig in een enkele, doch die gaandeweg zal aanwassen en zich uitbreiden over duizenden bij duizenden.

Het verrast ons niet, bij een man, zoo onafhankelijk van geest als deze leek, de opvatting van _adel_ en _dorper_ terug te vinden, die wij vroeger door MAERLANT hoorden verkondigen. Zijn oog blijft dan ook niet gesloten voor zoovele maatschappelijke misstanden, voor het onrecht in de verhouding tusschen rijken en armen; en zoo hij aan boeren en ambachtslieden onderwerping predikt, het is in bitterheid des harten.

Toch is het niet vooral op deze wereld, dat hij den blik gericht houdt; als elk waarachtig christen, heeft hij een heimwee naar hooger, reiner leven: "Siet, wij sijn al pelgrims... ende wij gherne waren tot ons vaders lande, daer wij toe ghemaect sijn."

Datzelfde heimwee vinden wij in de geschriften van den goeden kok van Groenendaal, waar hij verzucht: "Rechts [Zijnoot: volkomenlijk.] es hier mijn leven ende mijn daghelijcsche ghevoelen, als een armen ghevanghenen te moede es, die droeve ende serich leghet, ya al vol rouwes in eenen aleyndeghen [Zijnoot: ellendig.] kerkere des lichamen bevaen [Zijnoot: omvangen.] ende besloten."

En dit is--begrijpelijkerwijze--niet het eenig punt van overeenkomst tusschen deze twee tijdgenooten. Ook JAN VAN LEEUWEN ergerde zich aan het schreeuwend verschil tusschen leer en leven van zoovele geestelijken, aan de hebzucht, gulzigheid en wellust van vele prelaten; "die duvel regneert nu onder dat gheestelijke volc"--aldus vat hij ergens zijne indrukken van hun handel en wandel samen. Ook bij hem vinden wij die neiging tot terugkeer naar den apostolischen eenvoud en het christelijk communisme. Ook bij hem een ruimer en hooger opvatting van vroomheid dan in die dagen het deel der meesten was. Hier en daar weet hij die opvatting weer te geven met treffende levendigheid en gezonde luim. Zoo b.v. waar hij spreekt over de trouwe kerkgangers die telkens weer in zonden vallen, maar genoeg wanen te doen door eens in het jaar ter biecht te gaan. "Soe seggen si: "Here, ic hebbe gheloghen ende ghesworen. Ic en weet niemeer. Vraecht mij voert.... Ende dan seit die pape [Zijnoot: priester.] ter selver stont--ende es also droncken als een hont--"Absolvo te!" dats in dietsche: "Ic ontbinde oft ic absolvere di." Ende dan seit die pape: "Joffrouwe, gaet thuuswert; sijt onverveert. Vallen ende opstaen es menschelijc." JAN VAN LEEUWEN heeft ook dien waarheidszin die hem doet schrijven: "Want ic bin der waerheyt meer sculdech dan alre menschen of oec enechs menschen hulde [Zijnoot: genegenheid.] te houdene, daer ic de waerheyt yet verswighen soude. Omme sterven of oec omme leven en sal men der waerheyt niet afgaen, maer wy selen rechte doerliden [Zijnoot: doorgaan.] voor de oghen Gods, sonder yemene [Zijnoot: iemand.] te spaerne om gheniets [Zijnoot: voordeel.] wille, noch arme noch rike, noch vriende noch maghe."

Echter blijft hij zich wel bewust van de grenzen die hij hier moet in acht nemen: "van den alder quaetsten willic swighen". Hij heeft niet de onafhankelijkheid van geest, waarmede de onbekende leek zich tegenover kerk en priesters durft plaatsen; hij wil of durft zich niet zoo uitlaten als deze over Mariadienst, mirakelen, heiligenbeelden, vervolging om den geloove. Visioenen zullen wel in eere zijn geweest bij hem, die zich bevoorrecht gevoelde door de "gracie Gods" die hem het "scouwende leven" deelachtig had gemaakt.

In dat alles was "de goede kok" een man van zijn tijd, een middeleeuwsch Katholiek; den onbekenden leek mag men "een middeleeuwsch Protestant" noemen.

Dat JAN VAN LEEUWEN was zooals hij was, moet zeker goeddeels worden toegeschreven aan den invloed van zijn prior, van den man dien hij vereerde meer dan een heilige, die voor hem was "een seraphin in hemelrike, den hoechsten enghelen ghelike", die zijne "edele gloriose leringhe al eertrike dore ghesaeit ende ghespraeit" had--van JOHANNES RUYSBROECK, wiens werk hier reeds meer dan eens even zichtbaar is geworden, zooals een kerktoren bij eene nieuwe kromming van den weg.

Zijn leven maar vooral zijn werk gaan wij nu beschouwen.

RUYSBROECK[36].

Het verhaal van zijn uiterlijk leven is ras gedaan. Hij werd in 1294 geboren in het dorp Ruysbroeck, dat ten zuiden van Brussel aan de Senne ligt. Zijn vrome moeder wilde hem gaarne bij zich houden, maar zucht naar kennis en ontwikkeling dreef den knaap op zijn elfde jaar uit haar huis. Heimelijk gaat hij naar Brussel en wordt opgenomen bij een bloedverwant die kanunnik was aan de kerk van Sinte Goedele. Hij wijdt zich nu met grooten ijver aan de studie, vooral aan de theologie; de begeerte om tot een schouwend leven te komen wast steeds in hem. Zelfs het genot van zijne moeder te zien en te spreken ontzegt hij zich. Op zijn 24ste jaar wordt hij priester, daarna kapelaan aan de kerk van St. Goedele. Meer en meer trekt hij zich terug in eigen zieleleven.

Met het klimmen zijner jaren moet het verlangen naar bevrijding van ambtsbezigheden en stadsleven sterker in hem zijn geworden. Op zijn 60ste jaar legt hij zijn ambt neer en gaat met Heer FRANK VAN COUDENBERGHE, kapelaan van St. Goedele als hij, in het Soniën-bosch wonen. Daar stichten zij in een dal dat Groenendaal genoemd werd, voor hen beiden "eene matelycke habitacie", op de plek waar vroeger de kluis van een kluizenaar gestaan had.

RUYSBROECK ware wel gaarne met Heer FRANK alleen gebleven; maar deze "begheerde die minne Gods te vermeeren in vele personen." Zoo voegden zich dan eenige leeken en religieusen bij hen. Allen namen daarna den regel en het "habijt" der regulieren van SINT AUGUSTINUS aan. Onder Heer FRANK als proost werd RUYSBROECK prior. In dit klooster heeft hij, zijn ambt waarnemend en overigens ook het geringste werk niet versmadend, zich eerst recht aan de oefening in het werkend en schouwend leven kunnen wijden. De roep van heiligheid, uitgaand van zijn leven en zijne werken, bracht talrijke bezoekers uit Dietsche en Duitsche landen, ook wel eens uit Parijs, naar Groenendaal. TAULER en GEERT DE GROOTE behooren tot de beroemdsten onder hen. Zijnerzijds gaat RUYSBROECK soms te voet, al viel het hem moeilijk, naar bevriende kloosters, waar men aanstoot had genomen aan eenig geschrift van zijne hand en voorlichting van hem begeerde. De Karthuizer-broeder GERAERT, die hem bij zulk eene gelegenheid heeft gezien en gesproken, weet ons te vertellen "van sinen ripen ende bliden aensiene, van sinen goedertieren ende oetmoedighen spreken." Zoo vloeit zijn leven rustig voort. Dan gaan zijne gezellen hem begeven o.a.: zijn leerling, de kanunnik WILLEM JORDAENS, en de goede kok JAN VAN LEEUWEN.

RUYSBROECK'S oogen beginnen te verduisteren; als hij de mis opdraagt, kan hij de hostie niet goed meer onderscheiden. Steeds heeft hij den psalm op de lippen: "mijn ziele dorst naar God, de levende bron; wanneer zal ik komen en verschijnen voor het aangezicht van mijn God." Heugenissen der kindsheid komen op in zijn geest; het beeld zijner moeder verschijnt hem, zij onderricht hem van zijn sterfdag. Die dag kwam in December 1381. Met den blos des levens op het gelaat, scheidt hij uit dit leven[37].

Op een miniatuur, kort na RUYSBROECK'S overlijden vervaardigd, zien wij hem in het Soniën-bosch bezig met het opstellen van een geschrift. De grijze prior zit onder een boom op den grond; op zijn knie rust een met groen was bestreken schrijftafeltje, zijne rechterhand grift letters in het was; boven zijn hoofd zweeft een duif, symbool van den Heiligen Geest, onder wiens inspiratie hij werkt. Tegenover hem zit een jonge kloosterbroeder, met bruin haar en blozende wangen, aan een schrijflessenaartje; links van hem ligt een beschreven was-tafeltje, vóór hem een vel perkament; den wijsvinger der linkerhand houdt hij bij het in was gegrifte woord, dat hij juist bezig is op perkament over te brengen. Dat is de jonge priester, die Heer JAN als "notarius" diende, gelijk Broeder GHERAERT ons heeft verhaald[38].

Naar alle waarschijnlijkheid hebben wij hier eene betrouwbare voorstelling van de wijze, waarop menig werk van RUYSBROECK is ontstaan. De mystieken hadden behoefte aan afzondering, om zich ongestoord in eigen zieleleven te kunnen verdiepen. Waar konden zij die behoefte beter bevredigen dan op een eenzame plaats buiten? Gedurig buiten vertoevend in bosschen en velden of aan het werk in den kloostertuin, leerden zij de natuur kennen en liefhebben als openbaring Gods. Welk een innige verhouding tot de natuur zien wij in Sint FRANCISCUS, die alle schepselen Gods als zijne broeders en zusters beschouwt en in zijn _Cantico del Sole_ blijk geeft van een innig samenleven met de gansche natuur, zooals wij dat eeuwen daarna bij dichters als GOETHE en SHELLEY, maar ontkerstend, zullen terugvinden. Ook in HADEWYCH'S poëzie merkten wij een levendig natuurgevoel op. Zoo is dus de voorstelling van RUYSBROECK, zijne werken dichtend in het Soniën-bosch, geheel overeenkomstig de algemeene verhouding tusschen mystiek en natuurleven.

Waarschijnlijk is een groot deel zijner werken ontstaan in en bij het klooster Groenendael. Maar niet alle werken. Immers broeder GHERAERT vertelt ons, dat RUYSBROECK te Brussel begon eenige zijner boeken te maken, en zijn voornaamste werk, de _Chierheit der geesteleker Brulocht_, was reeds in 1350 voltooid, vier jaar voordat hij de "habitacie" ten Groenendale betrok. Van de chronologie zijner werken is ons overigens tot dusver weinig bekend; slechts weten wij, dat zijn _Spieghel der ewigher Salicheit_ in 1359 geschreven is en dat het tractaat _vanden Rike der Ghelieven_ zijn eerste werk was[39].

De oude "verluchter", die op zoo naïeve wijze RUYSBROECK'S werk voorstelde als ontstaan door "ingheestinghe", toonde daardoor wel de juistheid van zijn inzicht. Toch mag men niet voorbijzien, dat de in den vromen prior schuilende scheppingskracht meer dan eens te werk is gesteld door een oorzaak buiten hem. Zoo werd de _Spieghel der ewigher Salicheit_ geschreven op verzoek eener non van St. Clara, "die hem langhe daerom ghebeden hadde". _Dat Boec vander hoechster Waerheit_ werd geschreven ter verklaring van zijn eerste werk en op verzoek van broeder GHERAERT en de zijnen. Een derde geschrift: _Vingherlinc [Zijnoot: vingerring.] of het blickende steentje_, vloeide voort uit een gesprek met een kluizenaar "van gheesteliker materien" en werd op verzoek van dezen te boek gesteld. Ook het _Tractaet van Seven sloten_ is waarschijnlijk geschreven op verzoek eener Clarisse[40].

Behalve de reeds genoemde werken schreef RUYSBROECK nog: _Van den gheestelijken Tabernacule_, het omvangrijkste van alle; _Van den Twaelf Dogheden [Zijnoot: deugden.] _, dat, zoo al niet door hem, dan toch zeker geheel in zijn geest is geschreven; _Van seven Trappen_; _Van den Kerstenen Ghelove_; _Van den vier Becoringhen_; _Van den twaelf beghinen_.

Zijn deze titels alle van RUYSBROECK zelf afkomstig? Van een viertal, reeds door broeder GHERAERT genoemde, (_Rike_ _der Ghelieven, Van der hoechster Waerheit, Brulocht_ en _Tabernakel_) acht ik dat wel waarschijnlijk; de overige zouden ook van afschrijvers kunnen zijn. Al deze titels houden natuurlijk in meerdere of mindere mate verband met den inhoud der werken, doch in bijna al deze werken vinden wij, behalve hetgeen door den titel wordt aangewezen, ook deelen van RUYSBROECK'S mystieke levensbeschouwing, telkens in ander verband en met meerdere of mindere volledigheid, terug. Daarom moet men bij eene beschouwing van RUYSBROECK'S werk niet zoozeer letten op de, door verschillende titels onderscheiden, deelen ervan, als wel op het geheel dat zij samen vormen.

Een kort overzicht van de _Chierheit der gheesteleker Brulocht_ kan ons eenigermate een denkbeeld geven van den bouwtrant van RUYSBROECK'S werk. De _Brulocht_ bestaat uit drie deelen, overeenkomend met de drie trappen, welke de mysticus in zijn streven naar volmaaktheid heeft te bestijgen: het werkende, het innige en het schouwende leven. Aan het geheel is ten grondslag gelegd deze tekst: "Ziet, de bruidegom komt, gaat uit, hem te gemoet." De vier deelen van dezen tekst worden nu achtereenvolgens op elk der trappen toepepast, telkens in dieper zin. _Ziet_, d.i.: de mensch moet zich telkens weer richten op God; _de bruidegom komt_: God komt den op Hem ziende tegemoet; _gaat uit_: de mensch handelend in zijne betrekking tot God; _Hem tegemoet_: de ontmoeting van God en mensch[41].

Weinig werken van RUYSBROECK vertoonen in hun bouw eene zoo strenge symmetrie als dit; toch kunnen wij in de meeste wel iets daarvan terugvinden. Het _Boek van den Tabernakel_ geeft eene voorstelling van het mystieke leven of van "den loop der minnen", gesymbolizeerd in den Tabernakel en zijne talrijke onderdeelen. _Van den twaelf Dogheden_, eer eene zedekundig dan een mystiek geschrift, geeft eene beschouwing der Christelijke deugd, welker grondslag de ootmoed wordt genoemd. In _Spieghel der ewigher Salicheit_ ontvangen wij beschouwingen over het kloosterleven, het Avondmaal en de soorten van avondmaalgangers. In het _Tractaet van seven Sloten_ worden de kloosterplichten uiteengezet; doch, evenals in de bovengenoemde en nog te noemen geschriften, telkens weer in verband met het gansche mystieke leven en hier inzonderheid met het schouwende leven. De _Vier Becoringhen_ [Zijnoot: verzoekingen.], bedoeld in het geschrift van dien naam, zijn: onbedwongen natuur waaruit zinnelijkheid en wellust voortkomen; schijnheiligheid; begeerte om met het natuurlijk verstand alle dingen te willen verstaan, hetwelk tot geestelijken hoogmoed leidt; bij de vierde "becoringhe" had RUYSBROECK het oog op de kettersche secte der Broeders en Zusters van den vrijen geest, die, innerlijke en uiterlijke goede werken versmadend, hunne ziel ontledigd van alle andere dingen en slechts met God vervuld achtend, waanden geene zonde te kunnen doen, omdat God immers alles in hen werkte. Het _boek van den twaelf beghinen_ is gewijd vooral aan de Beschouwing. Aanvangend met eene samenspraak tusschen twaalf begijnen over de liefde tot JEZUS, handelt het voorts over het Avondmaal, de vereischten voor de beschouwing, de dwalingen der ketters, de schepping der wereld, de bedorven natuur van den mensch enz. De stof moge hier rijk zijn, de samenhang der deelen laat veel te wenschen over. In _Vingherlinc_ wordt, aanknoopend bij een bijbeltekst uit _de Openbaring_ waar gesproken wordt van een "blickend [Zijnoot: schitterend.] steenken", met kunstige symboliek aangetoond dat met dit in een ring gevat steentje CHRISTUS bedoeld is.

Bestaat er dus wel verband tusschen de titels en den inhoud van RUYSBROECK'S werken, anderzijds zal gebleken zijn hoe telkens naast en boven dit bijzondere het algemeene zich vertoont. Dat algemeene zullen wij trachten beknopt samen te vatten.

Uitgaande van het Wezen Gods, daalt ook RUYSBROECK'S mystiek af tot den mensch en klimt weer op tot God.

God is het absolute praedicaatlooze Zijn, het "overwesen", de "onghebeelde blootheit" [Zijnoot: ledigheid zonder beelden (vormen).]. _Wat_ God is, gaat boven het begrip aller schepselen; doch _dat_ Hij is, getuigt Natuur en Schriftuur en alle Creatuur. Uit Gods eenheid vloeit Zijne drieheid voort; de geboorte van den Zoon heeft voortdurend plaats, Gods wijsheid weerspiegelt zich in den _Zoon_; uit beider ontmoeting ontspringt hunne minne: de Heilige Geest. Ook deze wordt voortdurend herboren: steeds is er een nieuw "uutgheesten", een nieuwe vloed van eeuwige minne. Al kunnen wij God niet volnoemen noch volspreken, toch kunnen wij als zijne voorname eigenschappen onderscheiden: almacht, wijsheid en liefde, overeenkomend met Vader, Zoon en H. Geest. Tegenover de eeuwige schepping: het ideëel vóórbestaan der dingen in God, staat de schepping in den tijd, die eene vrijwillige daad van Gods liefde is. In zijne voorstelling dier tijdelijke schepping neemt RUYSBROECK PTOLEMAEUS' wereldstelsel over, volgens hetwelk de aarde middelpunt des heelals is. Tegenover de stoffelijke schepping staat de geestelijke: engelen en menschen. De mensch, kroon der schepping, geschapen niet uit Gods wezen doch uit niets, is bestemd de plaats in te nemen die de engelen verloren hebben, terug te vloeien tot zijn oorsprong: God. Doch eerst langzamerhand zal het hoogere in hem het lagere kunnen overwinnen, onderwerpen, beheerschen. De krachten der menschelijke ziel zijn te verdeelen in vier lagere "vee-gelijke", en drie hoogere; de lagere zijn: toorn, begeerte ("beestelicke" krachten), redelijkheid die mensch van dier scheidt, en vrijheid van wil. De drie hoogere: memorie, verstand en wil; met deze drie krachten komen overeen deze eigenschappen: "onghebeelde blootheit", "overste redene" en "vonke der ziele", d.i. de aangeboren neiging der ziel tot haren oorsprong. Door deze eigenschappen staat de ziel in betrekking tot God en kan zij tot Hem opklimmen. De mogelijkheid tot vereeniging met God is van eeuwigheid af in onze ziel gelegd, doch de werkelijke vereeniging met God komt tot stand eerst in het mystieke leven. In zijn streven naar die verwerkelijking wordt de mensch belemmerd door de zonde. Zonde is niet: geneigdheid tot het kwade, doch afwezigheid van strijd tegen het kwade. In zijne leer aangaande den zondeval, de zegepraal over dood en duivel en onze loskooping staat RUYSBROECK op het standpunt der Roomsch-Katholieke kerk. Echter beslaat CHRISTUS' verlossende werkzaamheid weinig plaats in zijn stelsel. CHRISTUS, de mensch, is hem vooral, toonbeeld van het mystieke leven.

Zoo wordt uit het Goddelijk Wezen alles afgeleid, met dien verstande dat het Goddelijk beeld overal bewaard blijft. Tegenover en naast het, uit opeenvolgende momenten bestaande, menschenleven wordt het transcendente begrip van tijdeloosheid, het "ewigh nu" in God en Gods werken gehandhaafd. Worden en bestaan, komen en vergaan zijn slechts vluchtige vormen van het eenige, eeuwige Zijn; de altijd wisselende eb en vloed van de diepe en eeuwig ruischende zee der Godheid. De eeuwige bestaansvorm der Godheid vertoont zich overal in dit grootsche stelsel als de spitsboog in een kathedraal.

Op dezen grondslag van speculatieve mystiek heeft RUYSBROECK het gebouw zijner practische mystiek opgetrokken. In die vereeniging van theorie en practijk ligt voor een deel het eigenaardige en de verdienste zijner mystiek.