Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 27

Chapter 273,785 wordsPublic domain

Opmerkelijk is hier, dat de vertaler zelf ons verzekert dat het oorspronkelijk Latijn door hem "van woorde te woorde" verdietscht is. Opmerkelijk is ook wat hij er bijvoegt om zijn standpunt in dezen aan te geven: "Maer men sal weten dat ic desen bouc niet en begheere te rimene, omdat icker no af no toedoen ne wille van den ghenen dat ic vand in lattine; ende ooc so en es men gheen helighe scriftuere sculdich te rimene, want in den rijm en es gheen ander voordeel dan dat den hooren gheeft soeten luut, ende metten rimene so wert alle helighe scriftuere gheconfondeert"[19].

Misschien hebben wij hier de verklaring van het feit, dat wij, naast sommige rijmwerken over geestelijke stoffen, prozabewerkingen dierzelfde stoffen aantreffen. Waarschijnlijk echter zal men hier rekening moeten houden ook met den aanwassenden lust tot literaire werkzaamheid onder menschen die toch niet allen de kunst van verzenmaken meester zullen zijn geweest. Tot de wonderverhalen van dezen tijd behooren waarschijnlijk ook een paar geschiedenissen van mirakelen, door SINT JAN BAPTIST verricht[20]. Van den bekenden bundel _Vitae patrum_ waren de beide eerste boeken waarschijnlijk reeds in de 14de eeuw in het Nederlandsch vertaald[21].

Van heiligenlevens en wonderverhalen op het _Leven van Alexander den Groote_ schijnt naar de hedendaagsche opvatting een groote sprong. Voor de middeleeuwsche denkwijze bestond die sprong niet. Immers men vindt de historie van ALEXANDER gewoonlijk ingevoegd tusschen de boeken van het Oude Testament, geheel in overeenstemming met de toenmalige opvatting, volgens welke de geschiedenis van het Joodsche volk de kern der wereldgeschiedenis vormde. Wij kennen twee proza-bewerkingen der Alexander-sage, die beide waarschijnlijk omstreeks het midden of in de eerste helft der 14de eeuw zijn ontstaan. De eerste, die eenigszins vrij en grillig maar beknopt is, berust vooral op Latijnsche bewerkingen: het zoogenaamd _Epitome_ uit den tijd van KAREL DEN GROOTE en de _Historia de praeliis_ uit de 10de eeuw. De tweede, die ordelijker en geregelder is, bevat eene verdienstelijke paraphrase van Boek IV van MAERLANT'S _Spieghel Historiael_, aangevuld met eenige hoofdstukken uit de _Historia Scholastica_ en MAERLANT'S _Alexander_. De literaire waarde van beide bewerkingen is gering[22].

Verwantschap met legenden en mirakelverhalen heeft de Alexander-sage bovendien door de wonderen waarvan wij reeds bij eene vroegere gelegenheid melding maakten. Men verbaasde zich over die wonderen van het verleden trouwens weinig in een tijd, toen geloofwaardige priesters thuis kwamen met verhalen van de wonderen die zij in het Oosten hadden gezien of voor zeker hooren vertellen. De paleizen en kasteelen der Keltische romans waren niet zooveel wonderbaarlijker dan "paep JOHANS woninghe ende palaes" in Edessa, waarvan de Utrechtsche priester JOANNES WITTE DE HESE ons vertelt in een Latijnsch reisverhaal dat misschien in 1398 in het Nederlandsch is vertaald[23].

Bijzondere literaire verdiensten heeft het verhaal noch de vertaling, maar beide zijn van belang voor wie den geest des tijds er uit wil leeren kennen. Hoe is Palestina voor de menschen van toen met recht "het _heilige_ land"; hoe leeft het bijbelsch verleden daar voor hen op! In Hermopolis ziet DE HESE "een hof daer hadde onse lieve vrouwe in ghewoent" en eene fontein waar zij "haer dinghen in plach te wasschen"; den steen waaruit MOZES water deed springen, den bitteren stroom dien MOZES door een roedeslag zoet maakte, eene fontein waaraan S. PAULUS en S. ANTONIUS gezeten hadden. DE HESE moge vrij wat ontleend hebben aan andere reisverhalen, zijne mededeelingen vonden daarom niet minder gretig geloof. Vooral het paleis van "PAEP JAN" (naar het schijnt, een tot het Nestorianisme bekeerde Mongoolsche Khan) zal toentertijd indruk gemaakt hebben. Dat paleis rust op negenhonderd pilaren; alle nachten wordt het door duizend gewapende mannen bewaakt; men gaat vijfhonderd treden eener trap op, voordat men aan de eerste verdieping komt; op elke trede staan levende leeuwen die elken ongeloovige of heiden die er op komt verscheuren; op de eerste verdieping wonen de profeten, op de tweede de patriarchen, op de derde de heilige jonkvrouwen enz. In de eetzaal van "paep JOHAN" is eene tafel van zoodanigen aard, dat indien er vergiftige spijs op wordt gezet, die spijs niemand zou hinderen. Er is een klok die, wanneer zij geluid wordt, alle booze geesten doet vluchten, zoodat bezetenen indien zij haar hooren, hun verstand herkrijgen; er zijn vaten waarin de spijs altijd zuiver blijft en haren smaak behoudt. Het gansche paleis kan omgedraaid worden als een rad en het is rond gewelfd gelijk de hemel. In de zoldering van het gewelf staan kostbare steenen die het paleis des nachts verlichten "recht of die sonne daer in scheen des middaghes". In paep JOHANS slaapkamer eindelijk is o.a. een reus die zwaargewapend is "ende men seghet, ginghe enich quaet mensche of viant daer in na der sonnen onderghanc, soe soude hem die roese ter stont doet sclaen". Die reus is gegoten van metaal en versierd met edel gesteente.

Daar kon zelfs het paleis van koning WONDER niet tegen op!

De tot dusver behandelde proza-werken worden in belangrijkheid en schoonheid overtroffen door het proza, dat, meer dan het overige, diende tot uitstorting van eigen en opbouw van anderer gemoedsleven. Evenals in de overige landen der Westersche Christenheid, ontwikkelde het godsdienstig gemoedsleven zich te onzent onder den invloed van de geschriften der kerkvaders. Hoe zou het ook anders? In de werken van AUGUSTINUS, zijne tijdgenooten en hunne opvolgers was zooveel diepe gedachte en fijn gevoel, zooveel vernuftige allegorie en verheven symboliek, zooveel schoonheid ook van vorm, dat de Nederlandsche geestelijken dier dagen wel kortzichtig zouden zijn geweest, indien zij met dat alles niet hun voordeel hadden gedaan. Bewondering leidde ook hier tot overneming en navolging. Vele preeken en andere stichtelijke geschriften der 14de eeuw bestaan, naar het schijnt, hoofdzakelijk uit aaneengeregen gezegden der kerkvaders, oudere en jongere, onder wie vooral S. BERNARDUS op den voorgrond komt[24].

Maar naast den invloed der kerkvaders moet die der Duitsche mystiek worden genoemd, waar sprake is van de ontwikkeling van het Dietsche proza als uiting van het godsdienstig gemoedsleven. Echter is hier niet alleen sprake van geven, doch ook van nemen. Het is vooral Meester ECKHART op wien wij hier het oog moeten richten, want de twee andere groote mystieken der 14de eeuw, SUSO en TAULER, waren beiden zijne leerlingen, al gingen zij ook eigen wegen.

Meester ECKHART, "wien God niets verborg," zooals een schrijver van lateren tijd het uitdrukt, was in menig opzicht de grootste en zeker de diepzinnigste der Duitsche mystieken. Zijne opvatting, beschouwing en uiteenzetting van het wezen Gods en het wezen der ziel, die twee assen, waarom zijn stelsel draait, zijn even stout als verheven en goeddeels oorspronkelijk, al dankt ook hij veel aan de geschriften der kerkvaders. Waar ECKHART spreekt van het _wezen_ bedoelt hij datgene, dat alle dingen nog ongedeeld in zich omsloten houdt, waarin alle dingen nog eene stille kracht zijn; de duisternis, waaruit het licht nog niet geboren is; den baaierd, rijke bron van alle kracht en macht, onbewegelijk, niets voortbrengend. God heeft zich geopenbaard in den Zoon, als uitstraling van Zijn Wezen, die voortdurend zich hernieuwt en eeuwig zal blijven bestaan. Het eerst, wat de engelen zagen, nadat zij geschapen waren, was het Wezen des Vaders en hoe de Zoon uit het hart des Vaders te voorschijn brak als een groene loot uit een boom. In den Heiligen Geest erkennen beiden hun wezen; "Vader en Zoon hebben éénen wil, dat is de Heilige Geest". De mensch, door God geschapen, is bestemd ééns boven de engelen te stijgen, daar de menschelijke ziel met God één zal worden. Daarom moet de ziel streven naar eene volslagen ledigheid en lijdelijkheid; immers eerst wanneer zij die bereikt heeft kan zij van God vervuld worden. Om dat hooge doel te treffen moet de mensch alle vleeschelijke lusten en begeerten in zich dooden; dan eerst wordt de mensch waarlijk mensch. In overeenstemming met die beschouwing is, dat wij in ECKHART'S werk overal het innerlijke tegenover en boven het uiterlijke geplaatst zien, dat hij met instemming het woord van DIONYSIUS AREOPAGITA aanhaalt "de hel dat is: gescheiden zijn van God, en het hemelrijk: Gods aangezicht"; voor ECKHART is er eene opstanding slechts der ziel en het Laatste Oordeel zal slechts hierin bestaan, dat het eigenlijk wezen van ieder mensch wordt onthuld.

Maar hoe ook geneigd tot afdalen in de diepten zijner rijke ziel om van daar het edel erts zijner mystiek opwaarts te brengen, toch stelt hij het werkende leven boven het schouwende leven. "Want al ware de mensch ook in eene geestesverrukking als die van PAULUS en wist hij ergens een zieke wien hij met een soepje kon helpen, dan zou hij veel beter doen door uit liefde te scheiden uit zijne verrukking en den behoeftige te dienen uit meerder liefde"[25].

Toen ECKHART deze en dergelijke dingen begon te schrijven, was RUUSBROEC nog maar een knaap; met zijne geschriften konden onze voorouders hun godsdienstig gemoedsleven nog niet opbouwen. HADEWYCH'S werk was blijkbaar niet geheel onbekend en werd ook in de 14de eeuw nog wel gelezen, maar was toch niet toereikend om de behoefte aan mystieke lectuur te bevredigen[26]. Het is dus begrijpelijk, dat ECKHART'S werken hier opgang maakten. In handschriften, deels uit de eerste deels uit de tweede helft der 14de eeuw, vinden wij verscheidene zijner tractaten, sermoenen en exempelen vertaald; zijne eigenaardige terminologie treffen wij voor een deel ook in Middelnederlandsche werken van dien tijd aan. Al ontbreekt het in die vertaalde werken niet aan bespiegelingen zooals b.v. in het tractaat _Diu zeichen eines warhaften grundes_, zoo schijnen toch vooral de exempelen en verhalen met practische strekking hier in den smaak te zijn gevallen. Ik heb het oog op verhalen als dat van S. BERNARD en "een bruer in sinte bernardus clooster die altoos gheerne in syn celle alleen was" en die op S. BERNARD'S vraag naar zijne bezigheden antwoordt: "In den eersten heb ic een wilde beeste te temmen... die wilde beeste zijn myn vyf wilde sinnen, die costen my groote arbeydt te temmen." Op het stichtelijk exempel "van eenen devooten vraukin" dat vertelt van haar werk op Dinsdag: "als ic mijne voghelen antiere" [Zijnoot: zich bezig houden met.]. Die vogels zijn namelijk hare vijf zinnen en zij bepeinst dan: "dat ic se meer ter werelt ghekeert hebbe dan tot Gode ende dat ic myne ooghen so qualic bewaert [Zijnoot: gepast heb op.] hebbe."

Ook bespiegelingen over de "godlike mynne" zullen wel in den smaak zijn gevallen der geestverwanten van WILLEM VAN AFFLIGHEM en HADEWYCH.

Het is er echter verre van, dat ECKHART'S geschriften hier te lande louter instemming zouden hebben gevonden. Immers ook in Duitschland waren vooral onder de geestelijkheid velen, wien zijne leer aanstoot gaf omdat zij haar in strijd achtten met de leer der Kerk. Meer dan eens heeft hij dan ook terecht moeten staan voor de Inquisiteurs en al heeft hij zich kunnen vrijpleiten, zoo blijkt toch wel dat zijne leer naar den mutsaard rook. Het karakter der mystiek in het algemeen en dat van ECKHART'S mystiek in het bijzonder die den mensch ten slotte tot God liet worden, maakt die beschuldiging van ketterij licht verklaarbaar. Doch bovendien werd ook door deze mystiek het middelaarschap der priesters tusschen God en den mensch in den wortel aangetast en heeft menig geschrift, van hem of aan hem toegeschreven, de strekking om te doen zien, hoeveel hooger geestelijke volkomenheid kon bereikt worden door leeken dan door geestelijken. Van dien aard is b.v. een verhaal van eene ontmoeting tusschen een doctor in de godgeleerdheid en een arm man, die, gekwetst, "sonder cousen ende baervoets" vóór de kerk zit. De doctor staat verbaasd over de diepe gedachten, godsvrucht en vroomheid van den armen man en vraagt hem ten slotte: Wat creature sijdij ende van wat gheslachte? De man seyde: Ic ben een conync.--Conync, seyde die meester, hoe muecht ghij een conync ghesijn, anghesien u aermoede ende waer es u conyncrijcke? De man seide: Mijn siele, dats mijn rijcke, als ic die dueren sluute van mijnen vyf sinnen ende soucke mijnen alder liefsten Jhesum Christum duer 't ghelove, alle eertsche saken achter latende. Oec vyndic Gode int diepe van mijnre sielen duer sijn gracie, ende also, mijn vrient, ic segghe hu inder waerheit, dit conincrycke passeert ende gaet te boven alle de rijcken die up eerderijc sijn; want tes een conyncrijcke dat nemmermeer hende nemen en sal.

Zoo is het dan niet vreemd dat in zeker tractaat de leeken gewaarschuwd worden tegen "eggardus sermone"; noch dat ECKHART bij sommigen doorging voor den vader van de kettersche secte der Vrije Geesten; noch dat JAN VAN LEEUWEN, de kok van RUUSBROEC'S klooster Groenendaal, vóór 1355 "een boecxken van meester ECKAERT'S leere" schreef om den meester van dwaling te overtuigen. Indien men weet dat dit "boecxken" aanvangt met: "Het was een duvelijc mensche, hiet meester ECKAERT", dan verwondert men zich niet over uitdrukkingen als: "meester ECKAERT hadde alsoe vele ghewaregher oeffeninghen alse die padde steert heeft ende ooc alsoo vele als die duvel in caritaten ende in minnen leeft." Wel heeft de kok zijne beschuldigingen in een later geschrift herroepen, doch zijne eerste indrukken blijven er even merkwaardig om[27].

Leerling van ECKHART, toonde HEINRICH SUSO, een tijdgenoot van RUYSBROECK, zich vooral in zijn eene hoofdwerk: _het Boek der Waarheid_, waarin de speculatieve mystiek tot de erkentenis van Gods wezen tracht door te dringen. Het is opmerkelijk, dat, naar het schijnt, niet dit werk van SUSO, maar slechts zijn andere voorname geschrift: _Horologium aeternae sapientiae_ (c. 1337), op het eind der 14de eeuw in het Nederlandsch is overgebracht. Dit werk namelijk is een voortbrengsel der practische mystiek. Geboren uit een oneindig verlangen naar een hoogste goed, dat de ledigheid der ziel zal vervullen met duurzamen vrede, behandelt het vooral het lijden van CHRISTUS. De idealen der eeuwige waarheid, goedheid en schoonheid zijn door SUSO samengevat in het begrip der eeuwige wijsheid. In den vorm van een gesprek tusschen CHRISTUS, die de eeuwige wijsheid is, en een dienaar, ontvangen wij hier schilderingen van de heerlijkheid dier wijsheid, van de goddelijke minne, de hemelweelden, het lijden van CHRISTUS en MARIA. De weg tot een leven met en in CHRISTUS wordt dan aangewezen en het geschrift besloten met eene verheerlijking van God.

Vooral in dit werk toont deze "Minnesinger in Prosa" eene innigheid en diepte van gevoel en eene hooge opvatting der geestelijke minne, die wel indruk moesten maken op een Nederlandsch publiek, dat de lyriek van HADEWYCH en MAERLANT en een werk als dat van WILLEM VAN AFFLIGHEM geheel of ten deele kende. Het kan kwalijk anders of ook onze landgenooten moeten onder den indruk zijn gekomen van het verhaal van SUSO'S bekeering, van eene wonderfraaie passage daaruit als deze: "Doen gheviel op enen dach dat ic ongheduerich was van moede, ende sach al omme ende sochte een stat om mi te rustene in die scaduwe, want ic scuwen woude die middach hitte; daer sach ic op enen hogen berch alse ene scone edele veltbloeme, die lusteleken was aen te siene ende scoen sceen sonder ghelike allen den bloemen die ic ghesien hadde. Doen ic mi haeste dese bloeme te siene, doen wert si verwandelt [Zijnoot: veranderd.] ende en sceen niet meer bloeme, maer si scheen ene godinne alre scoenheit voir mi staende. Si roedde [Zijnoot: bloosde.] alse ene roede rose; si blicte [Zijnoot: schitterde.] alse snee ende si scheen claerre dan die sonne ende hair sprake was vol scoenheden. Dese godinne hadde in hare alle dat men begheren mochte, ende van hair soe ghinc zoeten roke verre ende wide, daer si mede toech [Zijnoot: trok.] tot hare minnen alle die ghene die den roke ghevoelden."

Deze godin blijkt de "moeder der scoenre minnen" te zijn; zij bemoedigt hem en hij spreekt haar toe.

Anderzijds verwondert het ons niet, bij een kenner der mystiek de onderstelling te vinden, dat SUSO de geschriften van THOMAS VAN CANTIMPRÉ en JACOB VAN VITRY heeft gekend. De levensgeschiedenissen der ecstatische vrouwen, ons door JACOB VAN VITRY verhaald, komen ons weer in de gedachte, als wij hooren van SUSO'S bijna bovenmenschelijke zelfpijnigingen tusschen zijn 18de en 40ste jaar: het haren onderkleed met ijzeren nagels, die in zijn vleesch drongen; zijne handen geboeid, opdat het ongedierte vrij spel zou hebben op zijn lichaam; het kruis met spijkers, waar hij op lag; de deur, waarop hij sliep; honger, koude, dorst, geeselingen ten bloede--totdat zijn lichaam gezwollen, vol zweren en litteekens, en zijne sidderende handen hem waarschuwen, dat zijn leven gevaar loopt.

Misschien ook heeft SUSO persoonlijke betrekkingen aangeknoopt met Nederlandsche geestverwanten, toen hij, evenals ECKHART, van ketterij beschuldigd, in 1335 voor het Provinciaal Kapittel van 's-Hertogenbosch moest terechtstaan[28].

Meer zekerheid dan omtrent SUSO'S betrekking tot de Nederlandsche mystiek geeft ons een bericht aangaande den derden der groote Duitsche mystieken: JOHANNES TAULER, evenals SUSO een tijdgenoot van RUYSBROEC, doch met dezen bekend en zelfs een zijner bewonderaars. In een geschrift van dezen tijd lezen wij: "Dese Tauweler hadde den prior Jan van Ruysbroeck in groter ende sonderlingher reverenciën. Daer om dat hi en oec dick te visiteren plach... navolghende, als een oetmoedich discipel des prioers, syns meesters voetstappen, welcke leere hi oec te menighen steden heeft doen vloyen als een rivier, comende ut Ruysbroecs boecken[29]."

Het mag alweer eene bijdrage heeten tot kenschetsing der Nederlandsche mystiek, dat wij haar in nauwe betrekking zien juist tot dien Duitschen mysticus, bij wien het zedelijk godsdienstige en de praktijk van het zedelijk leven op den voorgrond stonden. RUYSBROECK'S invloed bepaalt zich niet tot TAULER. Wij weten, dat zijn werk hooggeschat werd ook onder de zoogenaamde "Gottesfreunde" van Straatsburg en dat hun hoofd, RULMAN MERSWIN, nog in zijne laatste levensdagen RUYSBROECK'S _Chierheit der geestelijker Brulocht_ voor de broeders vertaalde.

In RUYSBROECK'S verhouding tot de Duitsche mystiek kunnen wij hier niet dieper treden; wij moeten dat uitstellen, totdat wij hem zelven en zijn werk gaan beschouwen. Eerst hebben wij nog te spreken over andere mystieke geschriften. Ik heb hier het oog vooral op de zoogenaamde _Limburgsche Sermoenen_ waarin zich de invloed der Duitsche mystiek op de Nederlandsche vertoont. Deze bundel bevat 48 preeken, waarvan twee derde stellig en de overige vermoedelijk vertaald zijn uit het Hoogduitsch. De vertaler was waarschijnlijk afkomstig uit de buurt van Maastricht of Tongeren; zijn werk schijnt te dagteekenen uit de jaren tusschen 1320 en 1350. Verscheidene dezer preeken zouden, ook al waren zij oorspronkelijk, van geringe beteekenis voor de literatuurgeschiedenis zijn, omdat zij, evenals andere vroeger aangeduide, bestaan hoofdzakelijk uit aaneengeregen citaten. Doch andere zijn van meer beteekenis[30]. Dat deze preeken uit de kringen der mystiek afkomstig zijn, mag men aannemen op grond van den inhoud, die in menig opzicht verwant is met dien van andere mystieke preeken der 14de eeuw[31]. Zoo b.v. de opvatting der "minne" in de preek van "negenrehande minne", die zich onder den invloed van SINT BERNARD schijnt te hebben gevormd[32]. In "dboec vanden boegarde" vinden wij de allegorie en het niet zelden spitsvondig vernuft waarvan de mystieke predikers van dezen tijd zich gaarne bedienen[33]. Op menige plaats in dezen bundel worden wij getroffen door eene innigheid van gevoel en eene hoogte van vlucht, zooals wij ze slechts bij de mystieken vinden.

Ik wijs op de plaats waar van een God minnende ziele gezegd wordt: "Susdans [Zijnoot: zoodanig.] menschen wort ende werc ende al sin leven es onder anderen liden [Zijnoot: lieden.] een bloyende paradis van dogeden ende van lichten levene"[33]. In de preek "van seven maniren van minnen" lezen wij: "Sulke stont [Zijnoot: soms.] geschiet dat die minne sutliken in der sielen verweckert [Zijnoot: aangewakkerd.] wert ende blidelike op versteet ende har selver berurt int herte sonder enech tuduen [Zijnoot: toedoen.] van menscheliken werken. Ende wert dan therte so morweliken gerenen [Zijnoot: inniglijk beroerd.] in minnen ende so begerliken getrect, so hertelic bevaen in minnen, so liflic behelst in minnen, dasse altemalen verwonnen wert metter minnen. Hirin gevulse eenre groter naheit te Gode ende ene gestelike clarheit ende wonderlike verwentheit [Zijnoot: weelde.] ende ene edele vriheit ende een groet bedwanc van starker minnen ende ene overvludege volheit van groter genugden; ende dan gevultse dat al har sinne sin [Zijnoot: zijn.] in der minnen ende al har wille es worden minne, ende dasse so dipe es versonken ende verswolgen in minnen ende selver al es worden minne. Die schonheit des minnen hefse geschoent, die cragt der minnen hefse vertert, die sutheid der minnen hefse versonken, die geregtheid der minnen hefse verswolgen, die edelheit der minnen hefse behelst, die purheit der minnen hefse geschirt [Zijnoot: gezuiverd.], die hogheit der minnen hefse boven getrect, ende in hare geënget [Zijnoot: vereenigd.], soe dasse altemale mut sin der minnen ende anders nit en mach plegen."

Een eind verder in diezelfde preek is sprake van de ziel voor wie het leven op aarde "groote ellende en zware gevangenis en hevige kwelling" is, die verlangt naar het "zoete gezelschap van de geesten daarboven, die overvloeien van minne"; de prediker vervolgt dan aldus: "Har wille es dar boven onder die geste [Zijnoot: geesten.] ende har begerlike wandelinge, ende meest onder die bernende seraphine; ende in die grote Gotheit ende in die hoge Drivuldecheit es har liflicste rastinge [Zijnoot: rust.] ende har genuglicste woninge. Si suctene in sinre majesteit, si volgt hem dar ende siten ane [Zijnoot: ziet hem aan.] met herten ende met geste. Si kenten, si minten, si begerten, soe dasse en can gagten [Zijnoot: achten.] heilgen noch engle, menschen noch creaturen dan met gemeinre [Zijnoot: gemeenschappelijk.] minnen in heme, darse al mede mint; ende heme allene hefse verkoren in minnen boven al ende onder al ende binnen al."

Hier en daar toont dit proza in het werken met tegenstelling en parallellisme, ook in het bouwen van lange zinnen, eene kunstvaardigheid zooals die tot dusver in ons proza niet gezien was. Door de samenspraak weten de schrijvers dezer preeken soms eene hooge mate van levendigheid te bereiken. Zoo b.v. in _Dbuec van Heren Selfarts [Zijnoot: egöist.] regelen_ in passages als deze: "Wie [Zijnoot: hoe.] sal ic mi selver bekennen?--Ic segt di. Met vif dengen. Dirste es daste arm best; dander daste cranc best; terde daste quaet best; tfirde daste vel sculdech best; tfifde daste onscoen best.--Du hefs mi seer gescouden [Zijnoot: berispt.]; es dit waer, so bennic sere bedrogen an mi selver. Want ic waende ric ende scoen wesen, starc ende dogentlic. Nu berigt mi: war ombe ben ic arm?--Die nit guts en heft, es di arm?--Ja er [Zijnoot: hij.].--So beste arm. Dun hefs [Zijnoot: gij hebt niet.] cleder noch spise, penninch noch penwert [Zijnoot: ter waarde van een penning.] van di selver. Pruve [Zijnoot: overweeg.]: wat brechste here [Zijnoot: bracht gij hier.], ende wat sauste hen vuren? Alt gut daste hefs, dat hefste van Gode: sin est [Zijnoot: het is van Hem.], hi gevet, hi nemet. Nu seg ochte [Zijnoot: of gij.] arm sis.--Dat weet God, ja ic! ic ben arm. Nu sege mi: war ombe ben ic cranc?" enz.