Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 25

Chapter 253,639 wordsPublic domain

Nochtan so nes niement vroeder [Zijnoot: geen verstandig man.], De dat verwijt iement goeder, Dat sijn maech hevet misdaen[19].

De Antwerpsche stadssecretaris JAN BOENDALE stelt in zijn _Lekenspieghel_ de vraag: of men magen en vrienden moet helpen en ondersteunen. Een wijs meester antwoordt daarop: ja, indien uwe magen arm zijn, in het ongeluk geraakt en brave menschen. Doch zijn zij dwaas en slecht, doorbrengers of deugnieten, laat ze dan links liggen; 't is toch boter aan de galg gesmeerd[20].

Deze Zuidnederlander durft al heel wat verder gaan dan de Hollander STOKE; maar ook hier zal het Noorden het Zuiden volgen.

In een merkwaardig stuk _Van drierehande lyden_ heeft de Noordnederlandsche dichter WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH ons een man geschetst, wien het slecht vergaat, omdat hij zich van zijne magen afzondert. Hij is trotsch als een baron, hoewel hij slechts "maet van goede" is. Zijne magen ergeren zich daaraan, maar hij geeft niet om hun raad. Nu moet hij alleen zijn weg gaan en dat bekomt hem slecht:

Misdede ic yet, ic wort ghesleghen, Ic most den menighen verdreghen Entaer toe lyden mit hem allen. Soe wye sijn maghen worden tieghen, Die moet van des ghelijcke pleghen, Hem sel veel te lyden vallen[21].

Het is waar dat HILLEGAERTSBERCH hier waarschuwt tegen het losmaken van den band der maagschap, doch uit die waarschuwing zelve blijkt, dat de dichter dezen nieuwen trek in het volksleven had opgemerkt en gewichtig genoeg achtte om er de aandacht van zijn publiek op te vestigen.

Verwant met dezen trek is het individualisme, dat zich, zij het slechts op een paar plaatsen, in de keuze der kleeding openbaart. De hekeldichter JAN DE WEERT deelt ons in zijn _Nieuwe Doctrinael_ mede:

Elc wil draghen of hebben dat niemen En heeft of draghet, can hijt gheraken[22].

en de auteur van een ander 14de-eeuwsch leerdicht _Spiegel der Zonden_ zegt evenzoo:

Elk zoect om vremde ghedane In zinen clederen....[23].

Dit individualisme, zich nu nog maar openbarend in iets uiterlijks, zullen wij gaandeweg, doch uiterst langzaam, zich zien ontwikkelen in een later tijdvak.

AANTEEKENINGEN

[1] Vgl. BLOK, _Gesch. v.h. Ned. Volk_, II, 24 vlgg., 222.

[2] SCHOTEL, _Abdij van Rijnsburg_, bl. 90-92.

[3] DE LANGE VAN WIJNGAARDEN, _Gesch. van Gouda_, I, 137, 141, 154. BUSKEN HUET geeft een aardig beeld van Graaf JAN in zijn handel en wandel in Deel I van _Het Land van Rembrand_.

[4] BLOK a.w. II, 42-3, 165-6.

[5] A.w.B. III, c. 26.

[6] SCHOTEL, _Abdij van Rijnsburg_, bl. 76; PIRENNE a.w. II, 20; _Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Gen._, XXIII, 60.

[7] A.w. (ed. SNELLAERT in _Nederl. Gedichten uit de veertiende eeuw_), bl. 252.

[8] Vgl. hierover VANDERKINDERE'S _Siècle des Artevelde_ o.a. p. 185, 112, 126-130; BLOK a.w. II, 8 vlgg.; PlRENNE a.w. II, 407; S. MULLER FZ. in _De Gids_ van 1897 (Juni).

[9] _Ged._, bl. 211, vs. 344-5.

[10] _Vad. Mus._, I, 76.

[11] In zijne _Brabantsche Yeesten_, V, 415 vlgg.

[12] Vgl. _Siècle des Artevelde_; het "papegoy schieten" ao 1361 in de _Cameraars-Rek._, III, p. 15; _Nieuwe Doctrinael_, 793-5, 1720-4; EBBINGE WUBBEN, _Over Mnl. Vertalingen van het O.T._, p. 105 (ao 1360). Mr. S. MULLER FZ., _Registers en Rekeningen van het Bisdom Utrecht_, I, 481, 488, 467 vlgg., 474-5.

[13] _Siècle des Art._ p. 404; ROBERT FRUIN'S _Verspr. Geschr._, I, 155; MULLER, _Reg. en Rek._, I, 480; 527 vlgg.

[14] Vgl. _Siècle des Art._, p. 260; CANNAERT, _Bijdragen tot de kennis van het oude strafrecht_, bl. 69; MOLL a.w. II, 4, bl. 146-7.

[15] _Belg. Mus._, X, 104 vlgg.; _Cam.-Rek._, I, 134, 199; _Oud-Utrechtsche Vertellingen_ door Mr. S. MULLER FZ., bl. 43.

[16] PlRENNE a.w. II, 33.

[17] _Jehan Froissarts Cronycke van Vlaenderen_ in de vertaling van GERRIT POTTER VAN DER LOO (ed. N. DE PAUW), p. 5.

[18] _Cyromanchie van den pape van den Hamme_ in N. DE PAUW'S _Mnl. Ged._, I, 270.

[19] IV, 1305-'9.

[20] A.w.B. III, c. 22.

[21] _Gedichten_, bl. 127, no. 66.

[22] Vs. 859-860.

[23] Vs. 11605 vlgg.

RIDDERPOËZIE IN VERVAL[*]

[*] Voor de tijdsbepaling vgl. de Aanteekeningen achter dit hoofdstuk.

1. Baerte metten breden voeten, Ridder metten Zwane, Cassamus, Loyhier ende Malaert, Borchgravinne van Vergy.

2. Ogier, Malegijs, Huge van Bordeeus, Valentijn en Nameloos.

3. Borchgrave van Couchi. Seghelijn van Jerusalem.

De ontwikkeling van het ridderwezen spiegelt zich af in die der ridderpoëzie. Voor een deel wordt het oude leven ook hier voortgezet: er wordt, als vroeger, vertaald uit het Fransch; als vroeger zelfstandige bewerkingen van in het Fransch bewerkte stoffen gegeven; als vroeger oorspronkelijke romans--voorzoover daarvan hier sprake kan zijn--samengesteld. Er is echter verschil op te merken in dit opzicht: de aanwas van zelfstandigheid onder deze volken openbaart zich hierin, dat het aantal vertaalde werken geringer is dan dat der zelfstandig bewerkte.

Vertaald werden de romans: _van Baerte metten breden voeten_, _de Ridder metten Zwane_, _Cassamus_, _Loyhier ende Malaert_ en _de Borchgravinne van Vergy_; de laatste zelfs in twee bewerkingen. Van den _Loyhier ende Malaert_, die waarschijnlijk uit het Fransch vertaald is, kan kan men echter geen Fransch origineel aanwijzen. Van de twee eerstgenoemde werken hebben wij slechts onbeteekenende, van de twee volgende grootere fragmenten over; het laatstgenoemde werk is tot ons gekomen in eene volledige en eene onvolledige bewerking[1].

Zelfstandige bewerkingen van poëtische stoffen, ook door Fransche dichters behandeld, doch kwalijk als vertalingen te beschouwen, brengen ons de romans _van Ogier_, _van Malegijs_, _van Huge van Bordeeus_ en _van Valentijn en Nameloos_, alle in fragmentarischen toestand tot ons gekomen. In hoever ook de _Loyhier en Malaert_ tot deze groep kan worden gebracht, is moeilijk uit te maken, zoolang wij het Fransch origineel niet bezitten[2].

De romans _Van den borchgrave van Couchi_ en _van Seghelijn van Jerusalem_ eindelijk mag men onder voorbehoud oorspronkelijke werken noemen[3].

Het eerste der hier genoemde werken geeft reeds dadelijk een denkbeeld van hetgeen ons in de overige wacht.

BERTE "metten breden voeten" is de dochter van FLORIS en BLANCEFLEUR en huwt koning PEPIJN van Frankrijk. Eene dienstmaagd MARGISTE doet hare dochter ALISTE BERTE'S plaats in het bruiloftsbed innemen. BERTE wordt na eene valsche beschuldiging ter dood veroordeeld. Zij brengt er het leven af, zwerft rond in de bosschen, komt bij den "foreestier" SYMON en blijft daar, totdat zij door den koning wordt teruggevonden en in eere hersteld. Later wordt zij moeder van KAREL DEN GROOTE. Door dit werk toont ADENET LE ROI zich in zijn karakter van "remanieur"; aanknoopend bij een vroeger literair werk eenerzijds, bij de persoonlijkheid van CHARLEMAGNE anderzijds, tracht hij door eene verwarrende veelheid van avonturen de aandacht te prikkelen.

LOYHIER, in den roman van dien naam, wordt ons voorgesteld als een zoon van CHARLEMAGNE. Hij is een middeleeuwsche Don Juan. Op aandringen der hooge edelen van het hof verbannen, trekt hij met zijn trouwen vriend MALAERT naar het Oosten, wordt keizer van Constantinopel en beleeft nog tal van avonturen. De roman van _den Ridder met den Zwaan_ is eene poging om de eigenlijke geschiedenis van den Zwaanridder HELIAS te verbinden met die van GODFRIED VAN BOUILLON. De onbeduidende fragmenten, die wij van de Dietsche bewerking over hebben, verplaatsen ons naar een schitterende wapenschouwing over GODFRIED'S vazallen, die indruk moest maken op de toehoorders als op den Sarraceenschen koning CORNUBRANT, die haar vermomd bijwoont. De _Cassamus_ behelst eene der bewerkingen van de _Alexander-sage_ en spreekt vooral van hoofschheid en van minne. De _Borchgravinne van Vergy_ is een bevallig maar droef verhaal van de liefdesbetrekking tusschen deze edelvrouw en een Bourgondisch ridder, op wien ook de hertogin van Bourgondië verliefd is. De ijverzuchtige hertogin brengt eerst de burggravin, daarna den ridder tot zelfmoord en wordt zelve met den dood gestraft door haren gemaal, die dan als Tempelridder naar Palestina trekt. Deze berijmde novelle vormt den overgang tusschen den ridderroman en de riddersproke.

De sage van OGIER, een der dappere "genooten" van KAREL DEN GROOTE, was hier te lande waarschijnlijk reeds vroeg behandeld. Men mag dat vermoeden op grond eener vermelding in _Van den Levene ons Heren_ (vs. 10). Doch het is weinig waarschijnlijk dat daar gedoeld wordt op deze Dietsche bewerking, die niet terug te brengen is tot een der bekende Fransche bewerkingen. Zoo hebben ook de _Malegijs_, de _Huge van Bordeeus_ en de _Valentyn en Nameloos_ met de Fransche bewerkingen dier stoffen weinig meer gemeen dan eenige namen en voorname feiten. MALEGIJS is de uit den roman van _de Heemskinderen_ bekende toovenaar; HUGE VAN BORDEEUS: een leenman van CHARLEMAGNE, die onwetend des keizers zoon doodt, daarvoor gestraft wordt met de opdracht om den baard en vier tanden van den soudaan van Babyion te gaan halen en allerlei avonturen gelukkig te boven komt door hulp van den tooverkoning OBERON. _Valentyn en Nameloos_ behelst eene bewerking der zelfde sage, die in het latere Fransche volksboek van VALENTIJN en OURSON wordt gevonden: de talrijke bonte avonturen van een broederpaar, jong gescheiden, waarvan de een door eene berin (wolvin) gezoogd is en door den ander, een volmaakt ridder, overwonnen wordt, waarna zij als wapenbroeders de wereld rondtrekken. VALENTIJN wordt ten slotte koning van Frankrijk, NAMELOOS koning van Hongarije.

Het verhaal _van den Borchgrave van Couchi_ behandelt voornamelijk COUCHI'S liefde tot BEATRIJS, echtgenoote van den Heer van Famweel en zijn strijd met den bastaard MASEBROUC om het land van Ardennen. Meer dan eens ook worden wij verplaatst aan het hof van koning KAREL DEN KALE, tot wiens vazallen COUCHI behoort.

SEGHELIJN van Jeruzalem eindelijk is de zoon van een heidensch vorst; zijne moeder heet BLANSEFLEUR. Hij wordt opgevoed door een visscher, helpt CONSTANTIJN DEN GROOTE de overwinning behalen, huwt diens dochter FLORETTE, wordt keizer van Rome en later paus. Vóór dien tijd heeft hij de gelegenheid waargenomen bij zeven koninginnen de latere zeven vroeden van Rome te verwekken; op deze wijze--natuurlijker en eenvoudiger kon het niet!--heeft de dichter, zekere LOY LATEWAERT, zijn werk verbonden met den naar de Zeven Vroeden genoemden roman.

Vergelijken wij deze ridderpoëzie met die uit ons Eerste Boek, dan blijkt wel dat wij van verval mogen spreken.

Daar was nog gevoel voor het ridderwezen in zijn idealisme, zijn heroïsme, zijne fijnheid van omgangsvormen; hier is daarvan weinig of niets over. Zeker, ook het dorperlijke en onaesthetische vertoont zich daar, doch tegenover die schaduw is er vrij wat licht. Maar hier? Wat is er geworden van het gevoel voor het ridderwezen, van de ridderlijke idealen? Ja, er wordt nog gestreden ook tegen de heidenen, maar de bezieling is verdwenen. Avonturen en nog eens avonturen, wonderen het een nog wonderbaarlijker dan het andere, moeten dat gemis vergoeden. De _Limborch_ en de _Flandrijs_, die wij in het Tusschenspel leerden kennen, mogen in dit opzicht beschouwd worden als schakels tusschen de oudere en de jongere ridderpoëzie.

Staaltjes van gemis aan ridderlijk gevoel, dorperlijke opvatting, die wij vroeger slechts hier en daar vonden, zijn hier maar al te rijkelijk aanwezig. In geen der vroegere werken wordt het ridderwezen door lage boert en platte grappen zoo naar beneden gehaald en onteerd als hier niet zelden geschiedt. In het gedicht _van den Grimbergschen Oorlog_ dat wij in het _Tusschenspel_ even vermeldden, moedigt Heer ARNOUT VAN OYENBRUGGE de zijnen aan door hen indachtig te maken dat zij in hun eigen land zijn, de vijand daarentegen op vreemd gebied moet strijden. Hij bedient zich daarbij van deze vergelijking: een hond durft op zijn eigen mesthoop veel beter dan een vreemde. Elders in dat gedicht lezen wij, dat een schild wordt gekloofd als een raap[4]. Den dapperen OGIER laat men struikelen over erwten, om hem zoo ten val te brengen[5]. In de _Couchi_ wordt eene veete bij een zwerende puist vergeleken. Ridder SEGHELIJN zegt van zich zelven:

Ende so ic ben een quade sprute, So moet die pust breken ute.

Zijn ros Glorifier eet gebraden kapoenen. Als het dan staat te likkebaarden, zegt zijn meester lachend tot het ros: dat is uwe ouders nooit gebeurd, maar gij verdient het wel!" Nadat SEGHELIJN vijftien jaar lang gevangen heeft gezeten op water en brood in een donker hol, doet God een wonder aan hem: nu ziet hij er weer zoo goed uit, "alsof hij zich had liggen mesten"[6].

Maar de _Malegijs_ spant hier de kroon.

MALEGIJS doet door zijne tooverkunsten een aantal ridders naakt een rondedans uitvoeren en later onder groot gelach der omstanders op den grond tuimelen; de dwerg SPYËT vermaakt zich daar kostelijk mede en geeft den raad om ze als vogelverschrikkers in het koren te zetten. MALEGIJS' oom, meester YVERT, lacht als REINAERT: "mi dochte dat ic spleet". Beyaert, het edele ros der Heemskinderen, wordt door MALEGIJS voor een kar met wijn gespannen. Dat was erger dan, met molensteenen aan de pooten, in de Oise verdronken te worden! ROELANT spreekt smalend tot CHARLEMAGNE over diens "grote coenheide"; gaat gij ons voor in het gevecht, zegt ROELANT, dan vechten wij mee; maar vlucht gij, dan vluchten wij ook[7].

Evenals de _Limborch_ en de _Flandrijs_ zijn ook deze werken slechts voor een gering deel uit het leven ontstaan, doch grootendeels uit herinneringen aan wat de vervaardigers elders gehoord of gelezen hadden.

De _Seghelijn_ is op-en-top een compilatie; vele bewijzen daarvan zijn reeds vroeger bekend gemaakt en zij kunnen nog vermeerderd worden; ook met den _Huge van Bordeeus_ en den _Valentijn en Nameloos_ is dat het geval. In de overige werken kunnen wij eveneens telkens namen of toestanden aantreffen die reeds in vroegere werken worden gevonden en het beroep op "ouden jeesten" in den roman van _Couchi_ begrijpelijk maken[8].

Doch waarin ook de ridderpoëzie van dezen tijd moge achterstaan bij die van een vroeger tijdperk, niet in stichtelijkheid. In de onderscheidene fragmenten van _Valentijn en Nameloos_ en in den _Malegijs_ vertoonen zich telkens godsdienstige of op godsdienstigheid gelijkende invoegsels. De voltooier van het gedicht op den Grimbergschen Oorlog betreurt het zelfs, dat deze strijd gevoerd is tusschen Christenridders: hadden zij gezamenlijk de Sarracenen bestreden, zegt hij, dan zouden wij hen mogen prijzen. Aan het slot van zijn werk richt hij tot den edelman, voor wien het werk bestemd was, een bespiegeling over de broosheid des levens en een waarschuwing, dat hij rekenschap zal moeten afleggen van zijn doen en laten[9]. Maar eerst in den _Seghelijn_ viert de stichtelijkheid hoogtij! Allerlei wonderen worden verricht door onderscheidene reliquieën van CHRISTUS: den geesel, het "vergulde vat", waar JEZUS azijn met gal gemengd uit dronk, de doornenkroon en de spijkers van het kruis. De gebeden zijn hier uitermate lang; andere stichtelijke passages niet zeldzaam. Als SEGHELIJN honger heeft, daalt een soort manna voor hem uit den hemel. Op zijn wensch krijgt dat brood daarna den smaak van een kapoen en later zelfs van wijn. De stichtelijkheid komt hier gevaarlijk dicht bij het sprookje van "tafeltje dek je"! SEGHELIJN zelf wordt als een soort van Graalridder voorgesteld: als hij nadert laat een geesel met vijf knoopen, waarmede JEZUS gegeeseld is, droppels bloed vallen; zelfs de speer uit de Graal-sage wordt hij waardig gekeurd[10].

Wel strooken met deze begeerte tot stichten de vermaningen en moralisaties, die in den _Ogier_ zijn gevlochten, en het didactisch element in dat werk en den _Seghelijn_. In den laatsten roman vinden wij een tooneel, waar de held door zijne moeder BLENSEFLUER gekust wordt. Verraders, die de verhouding der koningin tot den jongeling niet kennen, beschuldigen SEGHELIJN in des konings tegenwoordigheid van ongeoorloofde verstandhouding met de koningin. "Schurk," zegt SEGHELIJN, "men omhelst en kust elkander dikwijls in eer en deugd. Wat overigens de kussen betreft, er zijn vier soorten: "van moeder, van lieve, van peise en van grieve." Deze scholastieke indeeling en de elders voorkomende "questiën" met de daarbij behoorende antwoorden verplaatsen ons naar het trivium en het onderwijs in de dialectiek.

Het geringe gevoel voor de ridderlijke idealen, de neiging tot stichtelijkheid en didactiek hebben reeds het vermoeden kunnen wekken, dat de literaire waarde dezer werken niet groot zal zijn. Het compilatorisch karakter alleen zou voor dat vermoeden te weinig grond geven; want ook al heeft men dat vastgesteld, dan blijft altijd nog ter beantwoording deze vraag: Wat hebben de dichters van de door hen ontleende stoffen gemaakt?

Maar ook op die vraag kan men bezwaarlijk anders antwoorden dan: weinig moois of verdienstelijks. De _Cassamus_ en vooral de _Borchgravinne van Vergy_ zijn vloeiend, hier en daar bevallig, vertaald; doch naar het schijnt hebben deze vertalingen overigens weinig eigens. De meer zelfstandige werken verheffen zich soms tenauwernood boven het middelmatige en blijven niet zelden daarbeneden. In den _Couchi_ vindt men wel eens aardige verzen; zoo b.v. deze:

Daer so hadde een worm ghebeten Diepe in ziere rosen blat, So dat nemmermeer dat gat Conde heelen noch genezen.

In den _Malegijs_, die overigens vooral in den versbouw een ongeoefende hand verraadt, vindt men hier en daar niet onverdienstelijke minne-lyriek[11]. Doch over het algemeen is de oogst van het goede of verdienstelijke uiterst schraal. Hoe zou dat ook anders kunnen zijn, waar de dichters van de beide minst afhankelijke werken telkens toonen hoe weinig zij _in_ hun verhaal zijn. Den vervaardiger van den _Seghelijn_ zien wij telkens het oog afwenden van zijn verhaal en zijne personages, om het op zijn eigen tijd te richten; gewoonlijk wordt hij daartoe gedreven door het verlangen om te waarschuwen, te vermanen of te berispen. Hij handelt dan over de trouweloosheid en de kijfzucht der vrouwen, de wellustigheid der mannen; ontraadt zijn publiek, een dief van de galg te bevrijden; hij wekt den dommen mensch op, God te erkennen in Zijne kracht en Hem steeds te dienen[12]. In den roman _van Couchi_ vinden wij evenzoo b.v. een uitval tegen het ridder worden zonder den ridderslag; over den ootmoed, die de vrouwen past; eene bespiegeling over "een crudekijn, heet nijt", in den geest, waarin later WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH zal spreken "van enen cruut ende hiet selve".

Niet bij toeval komt, aan het eind van dit overzicht der ridderpoëzie in verval, de naam van een Hollandschen spreker, die de gemeenten vertegenwoordigt. Die naam is een vingerwijzing naar de dingen die komen. De ridderschap als instelling had uitgeleefd, maar niet vergeefs geleefd. Trouw aan den heer; eergevoel, dat geen smet op het blazoen duldde; vereering der vrouw; toewijding, die met mannenmoed desnoods het leven op het spel zette, waar een der ridderlijke idealen te verdedigen viel; begeerte om het leven ook door de kunst schooner en aangenamer te maken--naar zulke dingen had de ridderschap gestreefd. En al heeft zij die slechts gedeeltelijk bereikt, al waren hare handelingen dikwijls in openbaren strijd met hare beginselen, desniettemin hebben die idealen, door haar voor het eerst verkondigd en voorgestaan, als een zuurdeesem ook in het leven dezer volken gewerkt en zijn zij dat blijven doen.

AANTEEKENINGEN

TIJDSBEPALING.

De Fransche roman van _Berte aus grans piés_ is door ADENET LE ROI omstreeks 1275 gedicht, de Mnl. bewerking kan dus hoogstens uit het laatst der 13de eeuw dagteekenen. (Vgl. _Les Epopées françaises_ III, 7). De Fransche roman van _Le Chevalier au Cygne_, waarop wij hier het oog hebben, dagteekent uit de 14de eeuw. Zie _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 253. Onze vertaling dus ten minste evenzeer. Over den tijd der vervaardiging van _Cassamus_ vgl. ed. VERWIJS, Inl. XXVIII; het Fransche gedicht dagteekent van omstreeks 1312; zie: HOOGSTRA, _Proza-bewerking van het Leven van Alexander den Groote_, Inl. p. XX; de volledige bewerking der _Borchgravinne van Vergy_ is van 1315; zie vs. 1119 vlgg; de Fransche _Lohier et Mallart_ moet uit de 14de eeuw zijn: zie _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 266; de overige werken: _Ogier_, _Malegijs (Maugis d'Aigremont)_, _Huon de Bordeaux_ behooren in de Fransche literatuur tot het tijdvak der décadence van de ridderpoëzie (laatst der 13de en aanvang der 14de eeuw) en moeten dus in hun Dietschen vorm ook tot de 14de eeuw gebracht worden; trouwens de geest der bewerkingen zelve wijst ons ook naar dien tijd. Het is ook opmerkelijk, dat b.v. in den _Malegijs_ verscheidene vreemde woorden voorkomen, die men uitsluitend of vooral in werken der 14e eeuw aantreft, zooals: athoer, bolle, calant, tfaliant, fardeel, rabat, respons, mastijn en andere op p. 193, 201, 203, 205, 207. De _Seghelijn van Jeruzalem_ dagteekent van omstreeks 1333-1350 (zie: Inleiding ed. VERDAM, IV). _Van den Borchgrave van Couchi_ wordt door DE VRIES m.i. terecht in het tweede vierdedeel der 14de eeuw geplaatst; (zie _Tijdschr. v. N.T. en L._, VII, 129-131). De roman _van Valentijn en Nameloos_ vertoont in opzet, samenstelling en bewerking zooveel overeenkomst met de hierboven genoemde, dat ik meen hem tegelijk met de overige hier te moeten behandelen.

[1] no. 1 afgedrukt achter MOLTZER'S _Floris ende Blancefloer_, bl. 131 vlgg., no. 2 in _Mnl. Ep. Fragm._, XIII; no. 3 uitg. VERWIJS in: _Bibl. van Mnl. Lett._, 2e afl.; no. 4 _Mnl. Ep. Fragm._ en _Tijdschr. v. N.T. en L._, XII, 241 vlgg.; no. 5 uitg. STOETT in: _Klassiek Lett. Pantheon_. (Zutphen. W.J. THIEME EN Co).

[2] Ik bediende mij voor no. 1 van de uitgave door MATTHES in _Taal- en Letterbode_, VI, 241 vlgg.; no. 2: _Madelghijs' Kintsheit_ ed. N. DE PAUW; nieuwe fragmenten in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XV en XX en _Romania_, 1897; no. 3-4 in _Mnl. Ep. Fragm._, XI-XII; nieuwe fragmenten in _Tijdschr._, XVII en XI (daarbij te verg. XI, 229 vlgg.).

[3] De _Couchi_ is uitgeg. door DE VRIES in: _Tijdschr. v. N.T. en L._, VII, 97-250. DE VRIES hield dit werk voor eene vertaling uit het Fransch en meende zelfs dat dit "nauwelijks aanwijzing behoefde." Wat hij aanvoert als grond voor zijne meening, is echter zwak (_Tijdschr._, VII, 124). Alleen de vele hier voorkomende Fransche woorden schijnen grond te geven; inderdaad kunnen zij dat niet doen; in den _Limborch_, _Flandrijs_, _Seghelijn_, _Leven van Sint Amand_ en menig ander, _niet_ uit het Fransch vertaald werk van dezen tijd, komen eveneens vele Fransche woorden voor. Daarentegen wijzen de naam _Masebrouc_ en de verklaring van dien naam door den dichter (II, 371-374) er op, dat wij hier een oorspronkelijk Dietsch werk hebben. Ons verhaal behelst eene gansch andere geschiedenis dan die van den _Châtelain de Coucy_ en nergens blijkt dat er nog eene andere Fransche bewerking is geweest. Indien men let op de meerdere zelfstandigheid bij de bewerkers van ridderromans uit dezen tijd, die blijkt o.a. uit _Limborch_, _Flandrijs_ en _Seghelijn_, ook uit de andere in den tekst genoemde romans; op de vermenging van verdichting en quasi-historische werkelijkheid, die ook in den _Limborch_ wordt aangetroffen, en op het didactisch karakter van het bewuste werk--dan zal men het met voldoenden grond voor een Nederlandsch werk mogen houden.

Bovendien schijnen nog tot de 14e eeuw te moeten worden gebracht: 1o. een roman _van Cesar_, uitgeg. door N. DE PAUW in _Mnl. Ged._, III, 530 vlgg., naar het schijnt uit het Fransch vertaald; 2o. een roman _van Octaviane_, door BOENDALE vermeld in _Der Leken Spieghel_, III, c. 15, vs. 125.

[4] II, 1681-5; 3017-'9.

[5] _Taal- en Letterbode_, VI, 261.

[6] _Couchi_, II, 248-250; _Seghelijn_, vs. 640-2; 3134 vlgg.; 5934.

[7] _Fragmenten_ (ed. DE PAUW), bl. 69, 71, 75, 81, 85, 129, 133.