Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 23

Chapter 233,743 wordsPublic domain

Dat in een gedicht, bestemd voor een Limburgsch publiek, niet alleen Fransche, maar ook Duitsche dichtwerken op cijns gesteld werden, is licht verklaarbaar. Zoo vinden wij hier dan ook de namen van het zwaard Mimminc, van den smid WILANT, van den koenen held WEDEGE (WITTICH); eene herinnering aan de Nibelungen (de "drie meerwiven"), misschien ook aan TANNHÄUSER en zijn verblijf in den Venusberg[18].

HEYN VAN AKEN mocht al beweren, dat zijn held ECHITES ROELANT en OLIVIER overtrof en aan zijne reuzen ongeloofelijke afmetingen geven--zijn werk kreeg daardoor niets van het heroïeke of ideale, dat echte ridderpoëzie toch altijd eenigermate bezit. Een ridder, die uitgedaagd wordt tot een tweegevecht, vraagt uitstel, om in dien tijd schermen te leeren! Is dit bedoeld als een grap? Dan nog blijft die grap kenschetsend. MARGRIETE VAN LIMBORCH vergelijkt den jongen graaf ECHITES bij een ouden hond, en dat nog wel terwijl zij van minne spreken. Wanneer ECHITES in een tournooi de overige ridders voor zich uitdrijft, wordt HEYN VAN AKEN warm; een beeld ontstaat uit dien gloed: ECHITES is gelijk den stroom, die turven stroomafwaarts voert[19].

In de lange gebeden zijner ridders kon de samensteller van den _Limborch_ andere romandichters wel navolgen, doch hij vermocht niet die te bezielen met de naïeve vroomheid die den _Karel en Elegast_ zoo aantrekkelijk maakt. Maar in geleerdheid overtrof hij de meeste zijner voorgangers; de lauweren van JEAN DE MEUNG lieten hem blijkbaar geen rust. Hij kent VENUS, JUNO, PALLAS, de drie Parcen, CUPIDO met fakkel en speer; hij is ver in aardrijkskunde, hij weet van Narcissus, van Ulysses en Penelope, hij onthaalt ons op een staaltje van de allegorie waarmede de _Roman van de Roos_ zoo vervuld is[20].

Ja, indien geleerdheid de waarde van poëzie verhoogde en andermans veeren zoo goed waren als eigene, dan zou HEYN VAN AKEN met zijn _Limborg_ eer hebben ingelegd. Echter, niet zoozeer dat hij zijne stof van anderen ontleende, komt in zijn nadeel; doch dat hij die ontleende stof niet tot zijne eigene heeft weten te maken, dat zijn rijmwerk weinig of niets eigens vertoont.

Dat geldt ook van den _Slag bij Woeringen_.

De strijd tusschen JAN I VAN BRABANT en REINOUT VAN GELRE om het bezit van Limburg, in 1288 beslist door eene overwinning der Brabanders, werd omstreeks 1291 verheerlijkt door een rijmer die misschien JAN VAN HEELU heette en wel een van hertog JAN'S menestreelen kan zijn geweest[21].

Meer nog dan de _Limborch_ was dit gedicht er op berekend, de roemzucht van den adel te streelen en te prikkelen. Voortdurend deelt de schrijver ons mede, dat hij gewag maakt van deze of gene ridders, opdat men "hare daden ewelike gedincken sal." Elders heet het: "zoo groote condicheit" (stoutheid) werd nooit gezien als voor Woeronc; meer dan eens verontschuldigt hij zich dat hij niet alle ridders bij name kan noemen; ook van dappere vijanden verzwijgt hij de namen niet. Geen wonder dat het aantal namen hier legio is en nog--zegt de auteur--verzwijg ik de namen van velen die even dapper in den strijd waren of nog dapperder dan de genoemden[22].

Wat HOMERUS niet kon: poëzie maken van een catalogus, kon ook deze schrijver niet. Wat HEYN VAN AKEN kon: slaafs overnemen van anderen, dat kon ook hij. Dat hij bij de samenstelling van zijn werk onder den invloed was zijner lectuur, blijkt o.a. in den aanvang van het Tweede Boek, waar hij zegt dat de daden der Maccabeën, van "Roelant ende sine gesellen", van WALEWEIN, PERCHEVAEL en ALEXANDER niet zoo grootsch en indrukwekkend zijn geweest als de daden in den slag bij Woeronc bedreven. De wijze waarop de schrijver van dit rijmwerk den aartsbisschop van Keulen doet optreden, herinnert hier en daar levendig aan het gedrag van bisschop TULPIJN in het _Roelands-lied_; op een andere plaats blijkt dat bisschop TULPIJN hem onder het schrijven inderdaad voor den geest stond[23]. Poëzie is in dit verhaal nergens te vinden, wel herhaalde uitingen waaruit blijkt dat de stof den rijmer overweldigde. Tevergeefs heeft hij getracht aan zijne verzen hier en daar door een vergelijking meer verheffing te geven[24].

Het verhaal van den _Slag bij Woeringen_, schreven wij hierboven, is half ridderroman half rijmkroniek. Die beide dichtsoorten vinden wij eveneens, doch onvermengd, in LODEWIJK VAN VELTHEM'S werk. VELTHEM zette MAERLANT'S _Spiegel Historiael_ voort op verzoek eener aanzienlijke Antwerpsche edelvrouw, MARIA VAN BERLAER, en voor loon. Wij vinden in zijne kroniek de geschiedenis van Holland, Brabant, Vlaanderen, ook die van zijn eigen tijd, ten deele volgens hetgeen hij zelf gezien of van ooggetuigen vernomen had. Voor de kennis van de ontwikkeling onzer literatuur is dit geschiedwerk van geringe beteekenis. Slechts een paar maal, zooals b.v. in het verhaal van den Leuvenschen kampvechter en in dat van een mirakel dat te Velthem gebeurd zou zijn, vinden wij in de levendigheid en natuurlijken eenvoud van stijl iets dat naar literaire kunst zweemt. Een paar andere groene plekjes zijn die waar hij, den lof der Heilige Maagd zingend, verzen schrijft die voortvloeien met zekere natuurlijke bevalligheid[25].

Tien jaar later, in 1326 namelijk, voltooide VELTHEM, in MAERLANT'S voetspoor tredend, een ander werk: het _boek van koning Artur_, dat zich bij den _Merlijn_ aansluit. Vertaling van een Fransch _Livre du roi Artus_, bevat het de verdere geschiedenis van ARTUR en MERLIJN en hoe de machtige toovenaar ten slotte, verstrikt in zijne liefde tot de fee VIVIANE, door haar met zijn eigen tooverkunsten gebannen wordt binnen een toovercirkel in het woud van Broceliande[26].

Het eenige dat opmerking verdient in deze vertaling, is de indruk dien MERLIJN'S geschiedenis op VELTHEM ten slotte heeft gemaakt; indruk dien hij weergeeft in deze regels:

Wat mach men daer meer af seegen dan? Negeen dinc, so help mi God, Dan dat hi was een fijn sot; Al heet hi vroet ende conde vele, Nochtan heeften een wijf bij horen spele Datsi hem toende menechfoude, Bracht in 't nette daer si woude.

Wat zou DIEDERIK VAN ASSENEDE wel gezegd hebben van zulk eene opvatting der liefde?

Over VELTHEM als compilator van de in den _Lancelot_ vereenigde ridderromans spraken wij vroeger reeds. Zoolang wij de samengevoegde werken niet in hunnen oorspronkelijken vorm kunnen vergelijken met dien waarin zij hier voorkomen, kan over VELTHEM'S werk in dezen geen afdoend oordeel worden geveld. Doch zóóveel kunnen wij ook nu reeds zien: dat de onderscheidene verhalen zijn aaneengeschakeld zonder eenige kunst met een: "nu doet d' aventure verstaen," d' avonture seget hier ter steden" of dergelijk tusschenvoegsel. Ook dat de compilator weinig op den samenhang van zijn werk gelet schijnt te hebben, daar hij in het Derde Boek PERCHEVAL doet optreden, nadat deze in het Tweede Boek overleden was. Op een paar plaatsen blijkt, dat de "clerc" VELTHEM zich bezwaard gevoelde over het berijmen van "alle dese wereltlike daden", waarvoor hij God en MARIA om vergeving bidt[27]. Geen werk eindelijk is er in dezen tijd aan te wijzen, dat zoo krioelt van stoplappen als deze compilatie; in dat opzicht wordt VELTHEM misschien door niemand onder de Dietsche rijmers der middeleeuwen overtroffen.

Wat HEYN VAN AKEN voor de Limburgers had gedaan, werd in het eerste kwart der 14de eeuw door een onbekend auteur voor de Vlamingen verricht met de bewerking van den ridderroman _Flandrijs_. Indien men ten minste, wat mij hoogst waarschijnlijk voorkomt, dezen naam moet vertalen met _Vlaming_ en dat werk als eene, zij het ook zwakke, uiting beschouwen van het Vlaamsch nationaliteitsgevoel[28]. Evenals de _Limborch_ is ook de _Flandrijs_ een gebrekkig samenstel van allerlei bestanddeelen, grootendeels ontleend aan vroegere ridderromans: _Ferguut_, _Walewein_, _Moriaen_, _Torec_, _Historie van Troyen_. Ook hier vinden wij bedreigde en verloste jonkvrouwen, den zoon van een gastheer gedood, gevechten met roofridders en reuzen enz. Het godsdienstig gevoel in den _Flandrijs_ schijnt sterker dan het gevoel voor het ridderwezen. Een ridder, doormidden gehouwen "zooals men het een varken doet," brengt ons naar den slagerswinkel; de aanprijzing van het Christendom hier en daar en een lang gebed geven het werk iets stichtelijks, wat men niet kan zeggen van FLANDRIJS, die door het teeken des kruises een gebraden kapoen van de tafel doet opvliegen.

Van Vlaanderen is sprake in een rijmkroniek, die ongeveer ter zelfder tijd als de _Flandrijs_ werd vervaardigd en hier slechts om dat nationale element even vermeld kan worden[29].

Gewichtiger is MELIS STOKE'S _Rijmkroniek van Holland_, aangevangen waarschijnlijk in het laatste twintigtal jaren der 13de eeuw, voortgezet en voltooid in het jaar 1305.

STOKE'S werk ontstond uit dezelfde beweegredenen als de andere in dit hoofdstuk behandelde werken, doch die beweegredenen zijn hier samengesteld op eigenaardige wijze. Verheerlijking van het regeerend gravenhuis was een dier beweegredenen. Vandaar dat het eerste deel zijner kroniek is opgedragen aan Floris V, het voltooide werk aan graaf Willem III, wiens "armen clerc" (secretaris) hij zich noemt. Vandaar dat hij aantoont en met nadruk verzekert, dat het Hollandsche gravenhuis "van edelen tronke begonde". Maar, in tegenstelling met JAN VAN HEELU, onthoudt hij er zich van, de roemzucht des adels te prikkelen, door hen bij name te noemen. Daar zien wij misschien weer het verschil tusschen "menestreelen" en "clercken". Hij verklaart openlijk, dat hij niet bij name wil noemen:

Die van den stride was de bloeme Of de quaetste of de beste

uit vrees dat men hem mocht beschuldigen van afgunst, van winzucht; uit vrees ook--het kenschetst den tijd--dat hij vervolgd en doodgeslagen zou worden[30]. Liefde voor zijn land dat hij verdedigt tegen de aanmatiging der Henegouwers, belangstelling in de geschiedenis van dat land en zijne bewoners behooren evenzeer tot zijne beweegredenen[31].

De beide eerste boeken en misschien een deel van het derde bevatten weinig meer dan eene vertaling van het _Chronicum Egmundanum_; het overige deel van het werk berust, naar het schijnt, hoofdzakelijk op mondelinge overlevering en op hetgeen hij zelf had bijgewoond. Van poëzie is ook bij STOKE weinig sprake, maar toch meer dan bij HEYN VAN AKEN of HEELU. Waar STOKE warm wordt, vergelijkt hij ten minste geene ridders bij turven. Eerbiedige bewondering voor SOPHIA, gravin van Holland, en voor JAN VAN BRABANT ontlokt hem verdienstelijke verzen als deze:

Haer herte was een grondeloos wael [Zijnoot: bron.] Van miltheit ende van ontfarme, Van soeticheit op de Gods arme, Van wakene, van pinen in ghebede

en:

Ja! hoech man was hi, weet men wale, Beide in der daet ende in de tale[32].

Maar het beste brok van zijn werk is zeker het verhaal van FLORIS DE VIJFDE'S gevangenneming en dood. Daar hooren wij oprecht gevoel zich met naïeve warmte uiten in eenvoudig-zuivere taal. Treffend is b.v. de ontzetting van des graven "arme clerc" over het feit, dat men de hand heeft durven slaan aan een zoo hoog heer:

Deus, here God, wat hi dochte, De des eerst ghewaghen durste, Dat men also groot een vurste Soude vanghen of verslaen!

Ook zijne klachten en verwijten tot de samengezworenen:

Ay Herman! bi wat zaken Wilstu der quader name ontfaen? Was di niet ghenoech ghedaen? ... Ende du Gheraert, felle man, Droeghes oec sine cleder an, Du hads van kinde met hem ghewesen.

Zijn medelijden met den graaf die al te goed van vertrouwen, was:

Hi waende, hem sijn volc ghemene Ghetrouwe waren, groot ende clene. Ay lasi! hi ne mocht niet weten, Dat hi van binnen was beseten. ...

Zijne naïeve bewondering van de trouw, door FLORIS' jachthonden betoond aan het lijk van hunnen meester[33].

Deze en dergelijke verzen maken AMELIS STOKE niet tot een dichter van beteekenis, neen zeker! Maar zij vermogen toch in den nacht der vergetelheid een flauw lichtglansje te verbreiden om den naam van den eersten Hollander die zich met bewustheid Hollander heeft gevoeld, den eersten ook die in de geschiedenis onzer letterkunde den naam van Holland heeft doen opklinken.

Hollander gevoelde STOKE zich, doch vooral Hollander die min of meer vijandig gezind was jegens de bewoners van andere graafschappen of hertogdommen in het Dietsche land. Hoe stelt hij zijn volk reeds tegenover het Vlaamsche volk, waar hij beweert dat de Vlamingen, anders dan de Hollanders, nooit hun verlies willen erkennen:

Verliesen wi, wi gheliën [Zijnoot: ten volle erkennen.] wale; Die Vlaminc hevet ander tale: Verliest hi, hi ne liëts [Zijnoot: erkent.] niet ... ... Het is der Hollanders maniere: Verliesen si drie manne ofte viere, Si seggen liever meer dan min-- Die Vlaminc messaect [Zijnoot: loochent.] int beghin[34].

Zijn afkeer van de Vlamingen is zeker niet verminderd door hun inval in Holland die eerst bij het Manpad gestuit werd.

Niet veel vriendelijker is STOKE gezind jegens de Friezen en Saksen, voor hem één volk (immers "die Nederzassen heten nu Vriesen"). In den aanvang zijner Kroniek spreekt hij minachtend over het "onbeschaamde Friesche volk dat niets van historie weet"[35]. STOKE'S tijdgenoot, MAERLANT, denkt evenzoo over de "wilde Saksen" en "ruwe Friezen"[36]. Een eeuw later zal de Hollander WILLEM VAN HILLEGAERSBERCH nog in denzelfden geest spreken[37]. En hoeveel wrok en minachting open baren zich in deze woorden van den "clerc uten lagen landen" waar hij in zijne Kroniek gewaagt van de Friezen bij het lijk van den gesneuvelden Roomsch-Koning WILLEM II van Holland: "dese Vriesche honden en wisten niet dathet coninc WILLEM die edel man was... ende liepen over hoop daeromme staen als beesten."

Maar hoe geminacht ook door de Hollanders, de Friezen verdedigden hun vrij land daarom niet minder krachtig tegen elken indringer. Telkens doen de Hollandsche graven pogingen zich van Friesland meester te maken, doch gewoonlijk trekken zij aan het kortste eind. WILLEM IV sneuvelt met de bloem van zijn edelen bij Stavoren. Een halve eeuw later komt Graaf ALBRECHT die nederlaag wreken: bij Schoterzijl worden de Friezen overwonnen. Zonder genade woedt het gevecht, geen losprijs wordt geboden, geen lijfsbehoud gegeven: alles wat den Hollanders in handen valt, wordt meedoogenloos over de kling gejaagd; in het heetst van den strijd valt ook de dappere Friesche aanvoerder, de vermaarde edelman JUWINGA, die, als koning SAUL weleer, een hoofd boven de anderen uitstak[38].

Toch was de uitslag van dien tocht gering; de Friezen werden niet tot gehoorzaamheid gebracht. Zij bleven naijverig op hunne zelfstandigheid en ongezind vreemde machthebbers van welken aard ook te erkennen. Getuigenis daarvan gaven reeds vroeger (1327) die parochianen van Bolsward, die weigerden een hun uit Utrecht gezonden rector der Kerk te ontvangen en te erkennen, omdat hij geen Fries was[39].

Eene verdeeldheid als die tusschen Brabanders en Gelderschen, Vlamingen en Hollanders, Hollanders en Friezen zag men ook elders in deze "lage landen". Het meervoud in dezen bekenden naam verdient aandacht, want inderdaad bestond er nog niet één land dat _Nederland_ heette. In naam bestond het wel. In een allegorisch gedicht uit de tweede helft der 14de eeuw wordt gezegd, dat de knapen van zekeren HER ERENTRIJC waren

... al van eenen gheslachte Gheboren al ut Nederlant.

Ook als strijdleus vinden wij dien naam daar gebezigd:

Daer mochtmen die tyene horen Lude roepen: "Nederlant!"[40]

Doch het was slechts een naam. Landseenheid berustend op volkseenheid, lag nog ver af, als een kust die men over de wateren ziet blauwen. Maar toch niet zóó ver, of men kon er een paar vooruitstekende punten van onderscheiden: wordende eenheid van taal en wordende betrekking tusschen volk en landsheer.

De verdeeldheid tusschen de onderscheidene volksdeelen hier te lande spiegelde zich af in het verschil van tongvallen of "tongen", zooals men toen zeide. Men voelde zich Vlaming, Brabander, Hollander, Zeeuw; een enkele besefte ook dat er verschil was tusschen de talen in die onderscheidene deelen des lands gesproken. In zijn _Leven van Sint Franciscus_ zegt MAERLANT:

Men moet om de rime souken Misselike [Zijnoot: onderscheidene.] tonghe in bouken: Duuts, Brabants, Vlaemsch, Zeeus[41].

Met _Duuts_ zal hier wel _Hollandsch_ bedoeld zijn in den eigenlijken zin des woords.

In den _Spieghel Historiael_ lezen wij:

Int ander jaer dat Karel de jonge, Die grouf [Zijnoot: (grof) dik.] hiet in somege tonge. ...

Echter, indien MAERLANT het verschil van tongvallen besefte, hij was er zich tevens van bewust, dat er tegenover of boven die tongvallen een algemeen Dietsch bestond. In zijn _Naturen Bloeme_ stelt hij op meer dan een plaats het Vlaamsch of "_ons_ Dietsch" tegenover _het_ Dietsch[42]. Een tijdgenoot van RUUSBROEC, Heer GERAERT, prior van een Karthuizer-klooster spreekt van "brabantsch dietsch" en zelfs van "brusselsch dietsch" in deze opmerkelijke woorden: "Oec is te merken dat dese boeken (van RUUSBROEC) ghemaect sijn in onvermingheden bruesselschen dietsche, soe datter luttel latijnscher ofte walscer woerden ofte van enighen anderen tale in sijn ghesaeit. Ende oec is dat selve brueselsche dietsche volcomenre hier in gheset dant daer die lieden ghemeinlic spreken, in dien dat si dicwile in hare tale vernieuten ofte minderen haer pronominael artikelen bi desen exempelen: Als si souden seggen _dat ierste, dat anderde, dat derde, dat vierde_, soe laten si ghemeinlic after die twie letteren van dien artikele _dat_, ende segghen: _dierste, dandere, derde, tfierde_, ende des ghelijcs in noch anderen silleben ende woerden"[43]. Opmerkelijk noemde ik deze woorden, omdat men er tevens uit ziet, dat men eenig verschil ging waarnemen tusschen de gesproken en de geschreven taal.

MAERLANT en de prior GHERAERT waren niet de eenigen die de eenheid van het Dietsch beseften, al of niet in tegenstelling met het Walsch. JAN VAN HEELU spreekt van:

Alle die yeesten [Zijnoot: geschiedenissen.] die nu sijn In dietsche, in walsche, in latijn[44].

In BOENDALE'S rijmwerk _Van den derden Edewaert_ lezen wij:

Want tkerstenheit es gedeelt in tween: Die Walsche tongen die es een, Dandre die Dietsche al geheel[45].

En er zweeft reeds een adem van volksgevoel en volkseenheid door deze regels van BOENDALE over den zeeslag bij Sluis (1340):

Van deser hoger victoriën Die eeuwig blijft in memoriën, Werden blide ten selven male Alle die spreken Dietsche tale[46].

Naarmate er meer letterkundige werken van beteekenis in het Dietsch geschreven werden, rees die taal in de achting dergenen die haar spraken. Een blijk van die achting voor de taal zien wij in het feit dat JAN VAN HEELU zijne rijmkroniek zond aan MARGRIETE VAN ENGELAND, verloofd met den zoon van Hertog JAN VAN BRABANT, opdat zij er "dietsch in leeren" mocht. Langzamerhand ontwikkelde zich dit gevoel van zelfstandigheid, zich openbarend in eerbied voor de moedertaal. Eerst nadat het, vooral langs den weg der literaire kunst, bij de individuën zich had ontwikkeld, kon het zóó krachtig worden, dat Overheid en Regeering volgden waar de onderdanen waren voorgegaan. Het oudste ons bekende charter in de landstaal dagteekent van 1249 en is opgesteld door de schepenen van Bochoute (tusschen Gent en Oudenaarde). Daarna komen er tal van charters en keuren in de landstaal in Vlaanderen, Brabant, Holland.

De Hollandsche graven zijn de eersten die in hunne staatsstukken het Latijn door het Dietsch vervangen. Hun voorbeeld wordt langzamerhand door de andere landsheeren gevolgd, al kunnen de graven van Vlaanderen in de 14de eeuw en later hunne voorliefde voor het Fransch niet geheel opgeven. Gelderland komt achteraan; het Latijn handhaaft zich daar nog in de staatsstukken der 14de eeuw, maar wordt toch ook reeds in die eeuw door het Dietsch overvleugeld[47]. Ook in de rechtsbediening zien wij dat streven naar eerbiediging der moedertaal.

Paus ALEXANDER IV stond den burgers van Gent hun verzoek toe, dat zij niet gedwongen zouden worden recht te gaan zoeken bij de geestelijke rechtbanken van Doornik of, in tweede instantie, te Reims, omdat dan tot hen gesproken zou worden in een taal die zij niet verstonden[48]. In 1290 werd bepaald, dat in Vlaanderen alle burgerlijke rechtsgedingen in het Vlaamsch zouden behandeld worden[49]. Die maatregel was zeker niet naar den zin van den Franschen koning FILIPS DE SCHOONE, die omstreeks dienzelfden tijd het gerechtshof te Gent had gedwongen, een door hem gezonden prevôt toe te laten. Telkens, wanneer die koninklijke prevôt aanwezig was, moest er Fransch gesproken worden[50].

Op heel wat lager toon zong zijn opvolger KAREL VI, die in 1385 in eene vredes-onderhandeling voor 150 Gentenaren een geleide-brief in het Vlaamsch deed opstellen[51].

Maar tusschen 1290 en 1385 liggen dan ook de Sporenslag en de leus: "Schild ende Vriend."

Daar klonk voor het eerst de stem van den Vlaamschen Leeuw!

Toen de Franschen in 1301 Vlaanderen binnenrukten, scheen de nationale zaak geene verdedigers meer te hebben; de adel en de rijke burgers verwelkomden de indringers, maar de gemeenten waakten. In Kortrijks velden werd het Vlaamsche volk zich voor het eerst van zijne kracht bewust; daar werden hun zelfgevoel en hun volksgevoel verhoogd, toen zij in den strijd voor vrijheid en voor recht, onder eigen leiders, eene roemrijke overwinning behaalden op een buitenlandschen vijand, die hun volksbestaan bedreigde.

Doch al was die vijand overwonnen, hij was niet machteloos gemaakt. De gansche 14de eeuw door moet Vlaanderen zijne onafhankelijkheid tegenover Frankrijk blijven handhaven; het is daarin geslaagd, maar ten koste van de Waalsche deelen des lands. Voortaan is Vlaanderen, dat vroeger tweetalig was, een zuiver Dietsch land. Voortaan zijn de Nederlanden onafhankelijk van Frankrijk, zooals zij het inderdaad reeds van Duitschland waren. Toen de graven van Henegouwen ook het graafschap Holland verwierven, werd het Dietsche element in de Zuidelijke Nederlanden versterkt en een eerste, nog zwakke, band geknoopt tusschen Noord en Zuid.

De graven van Vlaanderen hadden niet zelden gemeene zaak gemaakt met de gemeenten. Deze begrepen niet, dat het den graaf slechts te doen was om de patriciërs te kortwieken; doch toen de patriciërs steun zochten bij Frankrijk, ontwaakte onder de gemeentenaren het nationaliteitsgevoel en verdedigden zij hun eigen onafhankelijkheid en die van hun graaf tevens. Die gelijkheid van belangen versterkte den band tusschen volk en landsheer[52]. Iets dergelijks was vroeger gezien in Holland. Graaf FLORIS V, "der keerlen god", lag overhoop met den adel. Toen eenige samengezworen edelen den graaf hadden opgelicht en gevangen gezet, ontstond er eene algemeene verbijstering in het land. Geen der edelen snelde toe om den graaf te bevrijden. Maar in dreigende drommen komt het volk opzetten: Kennemers, Friezen, Waterlanders, "tghemene diet" van Noord-Holland, de poorters uit Zuid-Holland--alles trekt naar het kasteel aan de Vecht

Ende segghen, dat si verliesen Willen beide lijf ende have, Of si wreken haren grave[53].

Den moord op den graaf hebben zij niet kunnen verhinderen, maar met des te meer liefde hebben zij zijne nagedachtenis in eere gehouden. Dat bleek, toen acht jaar later de Vlamingen Holland binnendrongen, overstroomden, aan zich onderwierpen. Slechts achter de muren van een drietal steden: Zierikzee, Dordrecht, Haarlem, werd nog tegenweer geboden; het scheen gedaan met Hollands onafhankelijkheid. Maar hoe herleefde de moed des volks, toen WITTE VAN HAEMSTEDE, onechte zoon van FLORIS V, te Zandvoort geland, op den Blinkert de banier van Holland liet wapperen en de poorters uit Haarlem en van elders toestroomden om hem te verwelkomen. In hem immers zagen zij den zoon van FLORIS en hij verzuimde dan ook niet partij te trekken van zijne afkomst. MELIS STOKE heeft ons de heugenis bewaard van dat tooneeltje op den Blinkert, van die ontmoeting, ook van dat woord en weerwoord: