Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 22
[7] Vgl. b.v. _Moriaen_ 4641-2: "Menestrele ende yraude mede || Ward daer gegeven grote rijchede"; _Lorr._ (Fragm. JONCKBLOET), p. 46, vs. 1342. _Torec_, vs. 2714-'5: "Daer quamen yraude ende spelmanne || Die hi alle gichte danne". Dat _menestreel_ verdietscht werd met _speelman_, zien wij in _Karlmeinet_, A. 287, vs. 12-13:
Hundert mynistrere, De wir nennen speleman.
[8] A.w. vs. 2753-'7. Eene eeuw later vermeldt WILLEM VAN HILDEGAERTSBERCH nog hetzelfde gebruik. In het stuk getiteld _Van Feeste van Heren_ lezen wij (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 195: Dan roepen die eerauden voort Den danc als die vrouwen ramen, Ende noemen overluut bi namen Wyet verdient nae wapen recht.
[9] Vs. 15259 vlgg.
[10] A.w. vs. 2087 vlgg. en KAUSLER'S mededeeling over den inhoud van het capittel: _De Electione notarii_.
[11] Vgl. mijne aanwijzingen daaromtrent in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_, bl. 52, 55. Over den roman _van Walewein_ vgl. het vroeger medegedeelde en vs. 19-21 van den proloog. Wat de _Lorreinen_ betreft, verwijs ik naar de door MATTHES uitgegeven fragmenten, p. 17, vs. 371-2; 28, 637-9; 30, 661; 32, 730-'4.
[12] Vgl. Dr. VAN BERKUM'S opmerkingen dienaangaande t.a.p. bl. LI vlgg.
[13] In de _Oudste Stadsrekeningen van Dordrecht_ (ed. Mr. CH. M. DOZY), p. 7 vindt men op het jaar 1284-'85: "Symoen vern Anesoeten sone van wine" etc. Ik dank deze mededeeling aan mijn vriend VERDAM. Bij nader onderzoek bleek mij dat er in de voorafgaande posten nog tal van dergelijke benamingen voorkomen, die duidelijk maken dat _ver_ in het laatst der 13e eeuw geene adellijke dame aanduidde. Zoo b.v.: "Thout Jan ver Haedwien sone"; "Van den mele Jan ver Diewien sone"; "Ysere Heyne ver Lisbetten sone" enz.
[14] _Eneide_, vs. 13107, 13159, 13196. VELDEKE gaat hier zijn eigen weg, zooals uit eene vergelijking met het Fransch (ed. SALVERDA DE GRAVE) blijkt.
[15] _Nat. Bloeme_, III, 2135. In afwijking van het _Mnl. Wdb._ vat ik hier _onghestade_ op als _ongedurig, zwervend_. Immers dan alleen gaat de vergelijking op met den gaai "die van bome te bome vliecht ende sprinct.... Noch gheduert in ghere stede."
[16] A.w. vs. 10514-6.
[17] _Alex._, V, 1041-7. In de _Alexandreïs_ op de overeenkomstige plaats, (V, 483):
Occurrunt lyricis modulantes cantibus odas Cum cytharis mimi:
[18] _Karlmeinet_ (ed. A. KELLER), A 287, vs. 11 vlgg.; ook nog 296_b_, vs. 48 vlgg.
[19] Vgl. o.a. _Mnl. Wdb._ i.v. III, kol. 592.
[20] A.w. II, vs. 5089, 6271.
[21] Proloog, vs. 3 vlgg.; 72-5.
[22] Eenige bewijsplaatsen uit vele: _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 124; _Flor. en Blanc._, 16; _S. Lutgart_, II, 3, 25, 912, 6854, 7769, 10047, 11393, 13817; III; 68, 2737; _Roel._, 210; _Merlijn_, vs. 545; _L.o.H._, vs. 17.
[23] Het spreekt vanzelf dat hier gelet moet worden op de vraag of de proloog van den dichter zelven is. Doch ik kan daarin hier niet dieper treden; dit deel onzer stof zou m.i., wel een afzonderlijk onderzoek verdienen.
[24] A.w. vs. 1233-'8. Naar het schijnt, niet in het Latijn aanwezig.
[25] II, 29408.
[26] Vgl. CREIZENACH, _Gesch. des neueren Dramas_, I, 380. Over het voordragen met "Stimmenwechsel" ald. 34, 160.
[27] Vgl. BREHM'S _Leven der Dieren_ (bewerking van HUIZINGA), II, 227-8.
[28] _Sp. Hist._, I, 280 (2e kol.): "Maer die scone bispele || Diemen gerne lesen hort"; _Bere Wiss._, 391: "daer ic vormaels ave las"; _Ferg._, 4509: "dus gedaen dinc hordic noit lesen"; _Rijmb._, 27099: "Ende diet dichte ende sullen lesen (de voorlezers) || Ende daerment leest bi sullen wesen" (de toehoorders).
[29] II, 168. Vgl. voorts _Mnl. Wdb._, IV, kol. 403-4.
[30] _Moriaen_, 2506-7: "Van soo vreseliken dinghen || En horde noit man lesen no singhen"; _Walewein_, 4994; _Troyen_ (Epis. ed. VERDAM), 4687, waar in het origineel staat: "Jamès hom _n'orra_ tel esforz"; _Leven v. S. Lutgart_, II, 3157, 5580, 7631.
Vgl. verder de opmerking van MARTIN in zijne ed. van den _Reinaert_, I, 2981 en _Mnl. Wdb._, IV, p. 392, 394, 395, 396.
[31] D.i.: zonder beschreven papier vóór zich, uit het hoofd.
Zie voorbeelden van deze staande uitdrukking in _Mnl. Wdb._, I, kol. 1337.
[32] Vs. 2197-8.
[33] Vgl. o.a.: _Reinaert_, 877, 1043, 2225, 2236, 2268, 2425, 2848 en pass.; _Aiol_, 25, 602, 615, 983; _Van Sente Brandane_, C. vs. 1, 5, 30, 1702; H. vs. 2014, 2026; _Moriaen_, 1688-90; _Lancelot_, II, 10-11.
Bij dit licht moeten ook verscheidene uitdrukkingen worden beschouwd, die VAN VEERDEGHEM in de Inleiding (XXXVI) tot zijn _Leven van S. Lutgart_ ten onrechte stoplappen noemt.
[34] Ik verwijs hier naar het uitnemend artikel van FRANCK over WILLEM VAN AFFLIGHEM en zijn werk in: _Neue Jahrbücher für das klassische Altertum_ etc., XIII Bd., 6. Heft.
[35] Tot die uitkomst is NYROP door zijn onderzoek geleid. Zie de Italiaansche vertaling van zijn werk door E. GORRA, bl. 288.
[36] Vgl. Fragm. uitgeg. door JONCKBLOET (_Kar. de Groote en zijne XII. Pairs_), bl. 35, vs. 987; misschien ook bl. 47, vs. 1354 vlgg.; bl. 74-75, bl. 76, vs. 63 vlgg.; Fragm. DE VRIES in _Tijdschr. v. N.T. en L._, III, bl. 49, vs. 5 vlgg.; vgl. verder nog Fragm. JONCKBLOET, bl. 131, vs. 1773 vlgg.; Fragm. DE VRIES, bl. 31, vs. 95 vlgg.
Met behulp der versierde hoofdletters en kleinere _rubricae_ is het misschien mogelijk het onderzoek in dezen verder te brengen.
[37] Vgl. vs. 8333 vlgg.; vs. 6772. Aanvang eener "lesse" in vs. 1867 en vs. 2842?
[38] Inleiding, p. XXXV.
[39] I, 2482; aan het eind van het boek trouwens een drietal "amen's"; in boek II kan vs. 868 een rustpunt hebben aangeboden; V, 1738; ook aan het slot; VI, 2234.
[40] II, 47-51.
[41] A.w. II, 10368-'72. Vgl. ook nog II, 165-7.
[42] _Epis._, vs. 6676-7.
[43] _Nat. Bl._, bl. 169, vs. 4029-4030.
TUSSCHENSPEL.
ONTKIEMING VAN HET NATIONALITEITSGEVOEL.
Maerlant. Ridderpoëzie. Heyn van Aken. _Hughe van Tabarien_; _Roman van de Roos_; _Roman van Limborch_. Jan van Heelu. _Slag bij Woeronc_. Lodewijk van Velthem. _Flandrijs_. _Vlaamsche Rijmkroniek_. _Brabantsche Yeesten_. Melis Stoke.
Op onzen weg door het verleden hebben wij tot dusver meermalen iets aangetroffen, dat, uit deze volken oorspronkelijk voortgekomen of onder hen opnieuw geboren, als het inheemsche tegenover het uitheemsche mocht worden gesteld.
In de bewerkingen der ridderromans zagen wij hier en daar wel gevoel voor het ridderwezen in zijn heroïek idealisme, zijn hoofschheid en fijnheid, doch vaker het burgerlijke tegenover het ridderlijke, het dorperlijke tegenover het hoofsche; uit gemis aan aesthetischen zin het aanschouwelijke en beeldende opgeofferd aan de eischen van fatsoen en zedigheid.
In den _Karel en Elegast_ bewonderden wij eenvoudig en zuiver gevoel, sober en met naïeve kunst verwerkt. Het gedicht _Van den Levene ons Heren_, de poëzie van WILLEM VAN AFFLIGHEM, vooral die van HADEWIJCH, toonden ons innigheid van godsdienstig gevoel in bevallige vormen en de hooge vlucht der ziel op sterke wieken des geloofs. Uit het verhaal _van den vos Reinaerde_ sprak brutale zinnelijkheid naast scherpe waarneming der werkelijkheid; daar vonden wij schalksche scherts en bitteren spot in dienst der hekeling van maatschappelijke toestanden.
Bij MAERLANT zagen wij onverschrokken waarheidszin en sterk rechtsgevoel; schoonheidszin onderdrukt door het verlangen om te onderwijzen en te stichten, doch bijwijlen zich uitend krachtig en bezield.
Men zou zulke eigenaardigheden en eigenschappen als het nationale tegenover het uitheemsche of het internationale kunnen stellen. Doch men zou zoo doende uit het oog verliezen, dat er in dezen tijd van het nationale in den vollen zin des woords eigenlijk niet gesproken kan worden, omdat uit de bewoners dezer landen nog niet eene natie, ééne natie, was ontstaan.
De eigenaardigheden en eigenschappen waarop wij het oog hebben, behoorden echter tot de elementen waaruit zich het Nederlandsch volkskarakter mettertijd zou vormen. Eer het zoover kon komen, moesten de onderscheiden volksgroepen hier te lande zich nauwer aaneensluiten. Dat kon weer niet geschieden, voordat in elk dier groepen een inniger samenhang ontstaan en het besef ontwaakt was van dien samenhang. Elke groep moest zich bewust worden, dat zij, tegenover de andere, eene eenheid vormde, eenheid van tongval, recht, zeden en gewoonten, kleeding; eenheid ook ten opzichte van den grond, waaraan zij allen eenig deel hadden, dien zij wilden verdedigen tegen indringers, waaraan zij gehecht waren door de kracht der gewoonte en doordat zij er zich thuis gevoelden.
MAERLANT is ook hier weer een vertegenwoordiger van zijn volk, dat hij onder de eersten zich bewust wordt van die gehechtheid aan den geboortegrond, die zulk een voornaam bestanddeel vormt van het nationaliteitsgevoel. Tot die bewustheid is hij niet uit zich zelven gekomen. GAUTIER DE CHATILLON heeft hem door zijne _Alexandreïs_ op die gehechtheid aan den geboortegrond opmerkzaam gemaakt; doch GAUTIER'S warme ontboezeming is door MAERLANT nagevoeld en op zelfstandige wijze weergegeven in deze verzen:
Owi, here God, hoe macht sijn Dat elken minsce int herte sijn So soete dunct sijns selves lant? Die Brabantsoen prijst Brabant Ende die Fransois Vrankerike, Die Duutsce dat Keyserrike, Die Baertoene [Zijnoot: Bretagners.] prisen Baertaniën, Die Tsampanoise Tsampaniën, Also mint die vogel dwout, Daer hi in hevet grote ghewout [Zijnoot: vrijheid.]. Al dademene in een waerme mute [Zijnoot: kooi.], Mach hi, hi vlieghet ute. Dus priset elckerlijc sijn lant. Maerlant seide dat hi noit en vant Also goet lant alse Bruxambocht [Zijnoot: het Vrije van Brugge.]. Ic waens hem daerbi heeft ghedocht, Omdat hiere in was gheboren[1].
Zooals men hier ziet, toont MAERLANT eene ruime opvatting van het begrip _geboortegrond_, waar hij over Frankrijk en Duitschland als het land van _de_ Franschen, _de_ Duitschers spreekt. Doch daarnaast zien wij eene beperkter opvatting, waar hij Champagne en Bretagne in één adem met zulke landen noemt. Met die beperkter opvatting strookt, dat hij Brabant als een land op zich zelf en het Vrije van Brugge als zijn geboortegrond voorstelt.
MAERLANT zal hier wel de opvatting van de meeste zijner tijdgenooten hebben weergegeven.
De dichter van den _Reinaert_ moge een enkele maal den blik laten weiden over het groote laagland "tusschen de Elbe en de Somme", HADEWYCH hare geestverwanten hebben gehad in Thuringen en Saksen, geestelijken en clercken als MAERLANT een deel van Europa hebben omvat met hun blik--de groote meerderheid des volks bleef naar lichaam en geest gevangen binnen den kring van de eigen stad of de streek, waar zij geboren waren. De blik der meesten werd beperkt door de grenzen van het graafschap of hertogdom, waartoe zij behoorden, en richtte zich betrekkelijk zelden op naburige landen en volken.
Het gevoel van gehechtheid aan den geboortegrond, zoo licht zich uitzettend tot trots op dien grond, dat wij omstreeks het midden der 13de eeuw in MAERLANT aantreffen, kunnen wij in het laatst dier eeuw en in den aanvang der volgende ook elders in deze landen waarnemen. In Limburg, Brabant, Vlaanderen, die landschappen dus, waar het letterkundig leven tot nog toe hoofdzakelijk zich had ontwikkeld, zien wij het volksgevoel ontwaken en zich uiten in den roman _van Limborch_ en den _Flandrijs_, in JAN VAN HEELU'S verhaal van den _slag bij Woeringen_, in het werk van VELTHEM en de Kroniek van MELIS STOKE.
Opmerkelijk, doch niet onverklaarbaar, is, dat wij in de meeste dezer werken het volksgevoel--of beter: het stamgevoel--verbonden zien met de verheerlijking van den adel, dat de vorm dier werken ons herinnert aan dien der ridderromans, dat de dichters dezer werken grootendeels in vrij nauwe betrekking staan tot den adel. Het zelfbesef der edelen, de ingenomenheid met eigen geslacht en de zucht om den roem van dat geslacht te verhoogen, vinden wij op groote schaal terug bij een ganschen stam. Zoo kwam een dichter er toe, de verheerlijking van een geslacht uit te breiden tot den stam, waarover dat geslacht regeerde.
Een staaltje van dergelijke uitbreiding vinden wij in een 14de-eeuwsch dichtwerk over den Grimbergschen oorlog, een strijd tusschen de machtige heeren van Grimbergen en de hertogen van Brabant. De bedoeling van den dichter was natuurlijk: eene verheerlijking van het geslacht van Grimbergen. Doch in die verheerlijking krijgt ook de gansche adel en het gansche Brabantsche volk deel, zoodat wij reeds in den aanvang vernemen, dat "die van Brabant" gekomen zijn "uut dien van Troyen[2]." Langs dien, ook later niet zelden gevolgden, weg verhief men een gansch volk tot den adelstand.
Wij worden in onze overtuiging van de juistheid dezer voorstelling versterkt, wanneer wij er op letten, hoe in de oorspronkelijke ridderpoëzie de liefde tot het eigen land zich reeds openbaart. Toont de onbekende dichter der _Chanson de Roland_ niet eene sterke liefde voor "dulce France"? Het zou geen wonder zijn, dat menig hoorder der Nederlandsche bewerking zich bewust is geworden van de liefde tot zijn geboorteland, waar hij ROELANT hoorde zeggen:
Dan wille God niet, dat ghesciet, Dat soete Vrankrike bi mi Sijn eere verliese, hets soe vri!
of waar hij dergelijke uitingen elders hoorde terugkeeren[3].
In geen, te onzent vertaalden of bewerkten, ridderroman echter vond ik de liefde tot een bepaald land en zijne inwoners zoo diep gevoeld, zoo uitvoerig in wezen en werking beschreven, als in den roman _van Lancelot_, in deze verzen:
Alsi ter zee quamen mettien, Begonste Lancelot dat lant besien, Daer hem in was menege ere Gedaen ende oec vele mere Dan oit daer vore was, sonder waen, Enegen riddere allene gedaen. Hem begonste lopen sere Die trane op sirie lire [Zijnoot: wangen.], Ende hi versuchte doe sware Ende weende sere daernare. Alsi aldus hadde gewesen Ene wile, hi sprac na desen Stillekine, so dat dese word Nieman en verstont dan Bohort: "Ay soete lant ende godertire "Ende mergelijc [Zijnoot: vreugdevol.] in alre manire, "Wel sittende ende blide mede, "Vol van alre geluckechede, "Daer min geest in blivet geellike [Zijnoot: geheel en al.] "Ende mine ziele dier gelike, "Gebenedijt moetstu talle stonde "Wesen van Jhesus Kerst monde, "Ende gebenediet soe sijn si "Dire in bliven selen na mi "Ende wonen selen in desen lande! "Sijn si mi vriende oft viande, "God mote hen pays geven "Ende met rasten [Zijnoot: rust.] doen leven!" ... ... Dit waren sine worde die hi sprac, Alsi uten lande van Logres trac. Hi sach ten landewaerd nadien, Alse lange als hijt conde gesien[4].
Hoe modern reeds schijnt ons dit afscheid van een land dat ons lief geworden is: die tranen langs de wangen, die zuchten, die gefluisterde zegenwensch, dat staren naar de wijkende kust! Hoe modern reeds, al hooren wij hier slechts een flauw voorspel van dergelijke poëzie in lateren tijd, wanneer CHILDE HAROLD zijn "native shore" vaarwel zal zeggen.
Den samenhang nu tusschen ridderlijke romantiek en een kiem van nationaliteitsgevoel, dien wij in het _Roelants-lied_ en den roman _van Lancelot_ kunnen opmerken, vinden wij ook in de meeste bovengenoemde Dietsche dichtwerken en dichters. De _Limborch_ en de _Flandrijs_ zijn ridderromans; HEYN VAN AKEN, dichter van den _Limborch_, toont ook elders sympathie voor het ridderwezen; de _Slag van Woeringen_ is half ridderroman half kroniek, de dichter van dat werk, JAN VAN HEELU, zal wel tot het gevolg van JAN I, hertog van Brabant, behoord hebben; de edelman LODEWIJK VAN VELTHEM zet wel MAERLANT'S _Spieghel Historiael_ voort, doch is tevens de samensteller van de Lancelot-compilatie. De _Vlaamsche Rijm-Kroniek_, de _Brabantsche Yeesten_ en MELIS STOKE'S _Rijmkroniek van Holland_ zijn zuiver-historische werken; doch men vergete niet, dat deze werken ten deele strekken moesten om de aanzienlijke afkomst der over die landen regeerende vorstenhuizen te betoogen, en dat de adel zelf grootendeels aan de historie zijn recht van bestaan ontleende.
De dichter van den _roman van Limborch_, HEYN VAN AKEN, was vermoedelijk in Brussel geboren en tijdens zijn leven pastoor van Corbeke bij Leuven. Wij kennen drie werken van hem; twee vertaalde: _Hughe van Tabarien_ en den roman _van de Roos_; een oorspronkelijk: den _roman van Limborch_. Het laatste is door hem waarschijnlijk geschreven tusschen 1291-1318; het middelste misschien omstreeks 1300 terwijl hij de bewerking van den _Limborch_ eenigen tijd liet rusten; de dagteekening van het eerste is onzeker. De dichter moet vóór 1330 gestorven zijn; zeker niet zoo heel lang na de voleindiging van den _Limborch_[5]. In den aanvang van het Tiende Boek immers stelt hij zich aan zijn publiek voor als een oud man: hij is versleten, het vesperklokje gaat voor hem luiden, zijn eenig genoegen "leit in de scotele ende in den nap"; voor de minne deugt hij niet langer, erover praten is al wat hij kan. Hij moge dan pastoor geweest zijn, aan het slot van zijn _Hughe van Tabaryen_ schreef hij:
Dit hevet ghedicht, te love ende theeren [Zijnoot: ter eer.] Allen rudderen, Heyne van Haken[6].
Daaruit blijkt wel, dat hij met den adel op goeden voet stond of wenschte te staan. Het oorspronkelijk gedicht _De l'Ordene de Chevalerie_ in 36 achtregelige strofen, bevat eene uiteenzetting van het ridderwezen en van de symbolische beteekenis der plechtigheden bij de ridderwijding. Evenzoo behelst de roman _van de Roos_, vooral in zijn eerste deel, eene uiteenzetting van het wezen der hoofsche liefde. Daarom is de tweede titel van dezen roman, dien wij in het werk zelf vinden: nl. _Spieghel der minne_, zooveel juister, omdat hij het wezen van het boek beter aanwijst. Naspeuren en uiteenzetten van het wezen der dingen--dat was de geest der burgerij, die misschien ook over een deel der edelen vaardig werd. Het kenschetst echter dit tijdvak van overgang, dat die geest zich hier richtte op de instelling van het ridderwezen en op den hartstocht die vooral door den ridderstand tot eene soort van eeredienst was verheven. Trouwens den ganschen opzet van den _Roman de la Rose_: een minnaar die eene roos (symbool der geliefde) wil machtig worden, maar daarin door zijne gevangenschap verhinderd wordt, vindt men reeds in den roman _van Lancelot_[7].
Doch er is in dit werk behalve den opzet nog meer gewichtigs, waarvan wij hier het een en ander moeten mededeelen.
Het oorspronkelijk gedicht dankt zijn ontstaan aan twee dichters: GUILLAUME DE LORRIS en JEAN DE MEUNG; het werk van den eerste dagteekent van omstreeks 1225-1230, en is omstreeks 1270 door den tweede voortgezet. Tusschen die beide dichters bestaat een groot verschil. GUILLAUME DE LORRIS, uit de school van CRESTIENS DE TROIES, is een elegant prediker der hoofsche liefde, een vereerder der vrouwen, een bevallig kiesch dichter, die voor edele heeren en hoofsche vrouwen schrijft--JEAN DE MEUNG is een geleerde met een scherp verstand, een open oog voor de werkelijkheid in al hare naaktheid, onbevangen, sceptisch, niet zelden cynisch, die de vrouwen minacht. GUILLAUME leert hoe men de vrouwen moet winnen, JEAN hoe men ze moet bedriegen. Ook JEAN is een begaafd dichter, maar zonder zelfbedwang of kieschheid. Geeft het eerste deel van den roman ons vooral eene "minnekonst"; in het tweede vinden wij de minne verbonden met allerlei anderslachtigs: wijsbegeerte, godgeleerdheid, natuurwetenschap, satire tegen de vrouwen, de geestelijke orden, de grooten, de koningen zoodat wij aan onzen MAERLANT gaan denken[8].
Van dien aard is het werk dat door HEYN VAN AKEN half bewerkt half vertaald is. Hij heeft vrij wat bekort, vrij wat weggelaten; bekort zijn de wijdloopige redeneeringen hier en daar, zoo ook eene beschrijving der kunstmiddelen van het vrouwelijk toilet, eene opsomming van voorschriften aangaande de wellevendheid. Weggelaten is de uitweiding waarin JEAN DE MEUNG zich verontschuldigt dat hij de vrouwen harde waarheden heeft moeten zeggen, de uitweiding over den strijd tusschen de Natuur en den Dood, vooral de 4000 verzen lange biecht der Natuur "de omni scibili", de mededeelingen over de kracht van het Medusa-hoofd, de uitval tegen de Dominicaner-orde[9]. Hier en daar vinden wij een eenigszins karakteristieke afwijking; zoo b.v. waar de bewerker spreekt van "al 't goet van Sassen", waar hij den Rijn in de plaats stelt van de Seine, of Poitou en Engeland in zijn gedicht brengt[10]. Doch overigens vertoonen zijne vrij goede en vloeiende verzen weinig dat het karakter van den bewerker of dat van zijn volk kenschetst.
Meer van hem zelven vinden wij in den _Limborch_, al kan dat werk slechts met aanzienlijke beperkingen oorspronkelijk worden genoemd. Dat tekort aan oorspronkelijkheid blijkt niet uit het telkens herhaald beroep op het Walsch. "Als ict in den Walsche las" en dergelijke uitdrukkingen dienden slechts om achtbaarheid aan zijn werk te geven of om hem aan een slot te helpen: "want dWalsch en seges mi nemmeer".
Er was hier een historische kern in de persoon van Hertog HENDRIK IV van Limburg die in 1227 keizer FREDERIK vergezelde op een tocht naar het Heilige Land. De dichter heeft dezen hertog echter verward met HENDRIK I die in 1206 te Constantinopel tot keizer werd gekroond en bovendien de geschiedenis zoodanig met sagen of eigen verdichtselen omhuld dat het geheel niet meer dan eene fabel kan geacht worden[11]. Hoofdzaak was voor den dichter de verheerlijking van het huis van Limburg door middel van een rijmwerk. Om dat rijmwerk te kunnen samenstellen, had hij stof noodig; die stof heeft hij uit zijne herinneringen aan vroegere werken samengebracht en op de gebruikelijke wijze verwerkt.
Zoo ontstond, niet uit het leven, maar uit boeken, dit doodgeboren kind van belezenheid en gunstbejag.
Menig dichter vóór hem had zijn werk vervaardigd ter eere eener jonkvrouw die hij liefhad, HEYN VAN AKEN blijft in dezen niet in gebreke. Doch hij weet zich niet te hoeden voor het gevaar, dat navolgers dreigt: hij tracht zijne voorgangers te evenaren, doch overschreeuwt hen. Hadden zij een enkelen keer gewag gemaakt van de schoone, ter wille van wie zij hun werk ondernamen, hij herhaalt zulke betuigingen door acht boeken heen[12]. Kwam zijne "joncfrouwe ongheveinst" misschien uit hetzelfde Walsch, waaruit hij zijn roman vertaalde? DIEDERIC VAN ASSENEDE had gezegd, dat de liefde slechts voor hoofsche lieden is weggelegd--HEYN VAN AKEN praat het hem na. Waar hij elders eene omschrijving der minne wil geven, bedient hij zich van een paar verzen uit MAERLANT'S _Eerste Martijn_ [13].
Allerlei motieven, toestanden, namen in zijn werk zijn aan vroegere werken ontleend; namen als SIBILLE, MORANT, JONET, EVAX, FROMOND vinden wij terug in het verhaal _van koningin Sibille_, in den _Lancelot_ en den _Merlijn_, in de _Lorreinen_, den _Lapidarius_ van bisschop MARBODEUS van Rennes. De verhouding tusschen den gravenzoon ECHITES en de gewaande dienstmaagd MARGRIETE VAN LIMBORCH is geheel dezelfde als die tusschen den koningszoon FLORIS en BLANCEFLOER, de dochter der Spaansche edelvrouw, die kameniersdienst moet doen; ook de toorn der moeder over die verhouding, de list, aangewend om een eind te maken aan die liefde, de redding van het meisje door haren minnaar op het hachelijkst oogenblik, zijn in beide werken gelijk. Trouwens ook in den _Lancelot_ vinden wij eene jonkvrouw "al naect in haer hemde gedaen" te midden eener menigte, die de "justitie" wil zien, totdat LANCELOT het meisje bevrijdt[14]. ECHITES werpt zijn vaders kok op het vuur, omdat deze niet doet wat hij gelast--iets dergelijks doet REINOUT in den roman der _Vier Heemskinderen_ [15]. Het gevecht met den draak herinnert aan dat met den vogel grijp in de _Lorreinen_[16]. Het koningspel hier doet denken aan iets dergelijks in SEGHER'S _Prieel van Troyen_[17]. Van dien aard zou meer te noemen zijn, doch het is onnoodig.