Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 21

Chapter 213,683 wordsPublic domain

In ontwikkeling zullen de "clercken" over het algemeen wel boven de menestrelen hebben gestaan. Echter behoeft men daarom aan deze laatsten niet alle ontwikkeling te ontzeggen. De bewerker van den _Partonopeüs_ b.v. was blijkbaar een man van zekere ontwikkeling en beschaving; hij zal wel niet de eenige zijn geweest[12]. Dat mogen wij vermoeden ook met het oog op eene reeds vermelde plaats uit den _Spieghel Historiael_. MAERLANT neemt daar uit zijn voorbeeld eene waarschuwing over tegen de wereldsche "clercken" die een wit voetje bij vrouwen en jonkvrouwen trachten te verkrijgen. VINCENTIUS' schets van het uiterlijk dezer "petits abbés" geeft hij in zijn Dietsch aldus terug:

Dese setten al haer doen (Om) haer surcoet [Zijnoot: tabbaard.] ende haer caproen, Hoe hare gescoyte [Zijnoot: schoeisel.] ten besten staet; Om specie ende mossceliaet [Zijnoot: parfums.], Dat si wel rieken van den crude; Nuwe scoen met behagelen hude, T'haer gelu enten crooc [Zijnoot: krullende lokken.], Met vingerlinen verciert ooc: Si gaen rechts of si pleyen [Zijnoot: dansen.] souden.

Zeker, MAERLANT spreekt hier, in navolging van zijn voorbeeld, over wereldschgezinde geestelijken; doch hij besluit deze beschrijving met het vers:

Dit en sijn niet clerke, maer menestrele.

Dat had hij toch niet kunnen doen, indien het uiterlijk van sommige menestrelen hem daartoe geen recht had gegeven. Blijkbaar trachtten dezulken hunne adellijke meesters te evenaren in voornaamheid van kleeding, voorkomen en gang. Zijn er te onzent, behalve HEINRIC VAN VELDEKE, adellijke menestrelen geweest? Dat de bewerker van den _Willem van Oringen_ door MAERLANT: "Claes _ver_ Brechten zone" wordt genoemd, geeft ons daarvan geen voorbeeld, want _ver_ wordt in de 13de eeuw reeds van burgervrouwen gebezigd[13].

Doch zoo er al geen scheiding zij geweest tusschen edel en onedel--zeker is er wel onderscheid geweest tusschen de menestrelen onderling: in maatschappelijke positie, in uiterlijke en innerlijke beschaving; onderscheid ook tusschen hen die, verbonden aan den dienst van één heer, als gezeten menestrelen gesteld mogen worden tegenover hunne rondzwervende kunst-broeders. Ook die "gezeten" menestrelen zullen wel eens van heer gewisseld, doch niet als de rondzwervende van de hand in den tand hebben geleefd. Zoo althans stel ik het mij voor; onze bronnen vloeien hier te schaarsch om met zekerheid te kunnen spreken. Op die rondzwervende menestrelen moet VELDEKE het oog hebben, waar hij, afwijkend van zijn voorbeeld, ter bruiloft van ENEAS en LAVINE "die speleman end die varende diet" laat verschijnen en rijkelijk beloonen[14]. Op hen zal ook MAERLANT'S uitdrukking doelen: "menestrele || Die altoes zijn onghestade"[15].

Tot deze mindere klasse zullen behoord hebben de "speelman" en het "speelwijf", waarvan de bewerker van den _Partonopeus_ (niet zijn voorbeeld) in vs. 466 melding maakt; tot hen ook "alle die singen broet om Gode", die door HEYN VAN AKEN in zijne vertaling der _Rose_ genoemd worden, waar het Fransch ze niet noemt[16].

Dat onze voorouders bij het woord _menestreel_ in de eerste plaats dachten aan een _muzikant_, een "_speelman_" zooals zij zeiden, blijkt ook uit eene plaats in MAERLANT'S _Alexander_. Een paar verzen der _Alexandreïs_ waarin over _mimi_ gesproken wordt, geeft hij aldus weer:

Die menestrele quamer mede Vor dien coninc in die stede Ende loofdene met haren sanghe. Daer was menich trompe langhe, Vedelen, haerpen ende sijmphonien, Cystolen die wel leren vrien, Salterien, orghelen ende sciven[17].

Wanneer hij dan echter op den laatsten regel laat volgen:

Men speelder met sweerden ende met kniven

dan zien wij hoe rekbaar het begrip _speelman_ was en dat het in de middeleeuwen ook allerlei kunstenmakers omvatte. Nergens zien wij dat zoo duidelijk als op eene plaats in de Nederduitsche compilatie _Karlmeinet_ die omstreeks 1300 uit Nederlandsche romans is samengesteld. Daar wordt ons een overzicht gegeven van de kunst en de kunsten van

Hundert mynistrere De wir nennen speleman.

Dezen bespelen allerlei muziek-instrumenten: de vedel, den hoorn, de harp, het salterie; genen kunnen spreken van wapenen, van avonturen en van minne; anderen goochelen onder den hoed, vangen bekkens (blijkbaar draaiende) met stokken op, tuimelen en springen, dansen met honden, eten vuur, zingen als een nachtegaal, schreeuwen als een pauw[18].

Hier zien wij duidelijk de afkomst van ons reizend kermisvolk, die paria's en nomaden der hedendaagsche samenleving. Trouwens hunne middeleeuwsche voorgangers stamden weer rechtstreeks af van de Romeinsche "mimi." In deze kringen, waarin ook niet zelden zwervende klerken (goliarden, vaganten) werden opgenomen, zullen wij waarschijnlijk de dichters hebben te zoeken die onzen _Bere Wisselau_, misschien ook de reize _van Sente Brandaen_ hebben vervaardigd.

Van de dichters komen wij tot de wijze waarop zij hun werk aan het publiek mededeelden en tot dat publiek zelf. Alle poëzie, en zeker het grootste deel van het proza der middeleeuwen, was in de eerste plaats bestemd, te worden voorgedragen en aangehoord. Tallooze plaatsen ook in onze middeleeuwsche literatuur kunnen daarvan getuigen. Ik heb het oog op uitdrukkingen als: "Nu hoort....", "dat u te hoorne dunket zoete", "hoort er naer", "nu hoort vort van deser dinge" enz.[19]. Bij de voordracht van ridderromans zal het publiek, ten minste aanvankelijk, wel voornamelijk uit edelen of ten minste aanzienlijken hebben bestaan. Het publiek wordt daar gewoonlijk aangesproken met: "gi heren ende gi vrouwen"; de hoofsche WILLEM VAN AFFLIGHEM zegt ook wel: "gi vrouwen ende heren"[20].

Soms wordt deze benaming afgewisseld met: "gi goede liede"; doch men moet hierbij in aanmerking nemen dat deze uitdrukking eene beleefdheidsformule was: "een goet man" is wat wij noemen: een fatsoenlijk man, een man van eer. De dichter van _Floris ende Blancefloer_ spreekt bepaaldelijk niet tot dorpers, maar tot lieden van stand en ontwikkeling[21]. Het _Leven van Sinte Lutgart_ richt zich nu eens tot "heren ende vrouwen", dan weer tot "closterliede", "grote ende clene", "man noch wijf in desen ringe". Zijne uitdrukking: "die hier te ringe sijt geseten" toont ons, dat het publiek ook wel in een kring om den voordrager heen zat.

Iets gemoedelijks ligt er in het "kinder" of "lieve kinder", waarmede MAERLANT in zijn _Merlijn_ en de bewerkers van het _Roelands-lied_ en van het gedicht _Van den Levene ons Heren_ soms hun publiek aanspreken[22].

Indien de dichters der twee laatste gedichten, zooals men vermoeden mag, tot den geestelijken stand behoorden, evenals MAERLANT, dan paste die wijze van aanspraak in hun mond wel; minder in dien van niet-geestelijken die later hun werk voordroegen.

Die opmerking brengt ons tot de vraag naar de verhouding van dichter tot voordrager. In menig geval zal de dichter tevens de eerste voordrager van zijn werk zijn geweest; immers de meeste dichters zullen hunne kans hebben waargenomen om met iets nieuws de aandacht te prikkelen. Doch zoodra het oorspronkelijk handschrift door afschriften vermenigvuldigd was, konden ook anderen het werk ten gehoore brengen. Uit de prologen van sommige der hier behandelde dichtwerken blijkt, dunkt mij, dat de dichters op latere voordragers gerekend hebben[23]. Het vermelden van des dichters naam in den proloog moest waarschijnlijk denzelfden dienst doen als in onzen tijd de naam van den schrijver op het titelblad. In sommige gedichten (_Moriaen_, _Carel en Elegast_, _Levene ons Heren_, _Seven Vroeden_) schijnen dichter en voordrager aanvankelijk dezelfde persoon te zijn

geweest; de dichter-voordrager spreekt daar tot zijne hoorders in den eersten persoon; die prologen zijn zoodanig, dat ook een later voordrager dat _ic_ kon behouden. In andere werken (_Floris en Blancefloer_, _S. Frandscus_, _Walewein_, _Troyen_, _Merlijn_) begint de dichter wel met _ic_, doch gaat later over tot het noemen van zijn naam en spreekt van zich zelven in den 3en persoon. Op die wijze bleek bij eene voordracht door een ander toch, wie de dichter was. Ook het omgekeerde komt voor: de dichter van den _Reinaert_ begint met: "WILLEM, die... hem... hi" en spreekt later van zich zelven met _ic_; hetzelfde geval treffen wij aan in _der Naturen Bloeme_ en den _Rinclus_. Hier zullen wij moeten denken aan den overgang van _oratio indirecta_ tot _directa_, dien wij vroeger in een ander verband hebben besproken.

Werden voordrachten van poëzie vooral des zomers gehouden? Indien men MAERLANT'S uiting dienaangaande in _Heimelijcheid der Heimelijcheden_ gewicht mag toekennen, dan: ja. In den zomer, zegt hij, pleegt men zich op allerlei wijze te vermaken:

Ende men brinct soeten sanc te voren, Ende men moet dan geesten [Zijnoot: geschiedenissen.] horen Die ghenouchlijc sijn int vertellen Ende lachen dan met goeden ghesellen[24].

Doch anderzijds zal men, vooral op de kasteelen van den adel, juist des winters en in den herfst meer behoefte hebben gehad aan zulke voordrachten dan in de andere seizoenen.

Was het publiek nu, staand of zittend, om den voordrager geschaard, dan verzocht hij een "ghestille" en de voordracht ving aan. Begon hij dadelijk met spreken? Indien wij ons herinneren, dat de menestrelen tevens muzikanten waren, dan is het niet onwaarschijnlijk dat zij begonnen zijn met een klein voorspel. Zoo lezen wij in den roman _van Lancelot_:

Hi tymperde die harpe eer iet lanc, Ende begonste harpen enen sanc[25].

Of, en zoo ja, in hoever muziek ook de verdere voordracht begeleid heeft, daaromtrent is ons niets bekend. Wij weten zelfs niet, of de verzen in den toon van het recitatief of slechts rhythmeerend voorgedragen werden.

Bepaalden de menestrelen hunne voordracht tot het eenvoudig zeggen der verzen, of streefden zij er ook naar, de personen in hun verhaal ten minste met de stem, misschien ook in houding en gebaar, te verbeelden? Verwonderlijk zou dat niet zijn. Niet zonder reden noemden de inwoners van Provence een speelman: _contrafazedor_, d.i.: conterfeiter, nabootser. Het voordragen van een stuk door één persoon met verschillende stemmen was in het middeleeuwsch Europa niet onbekend; en waarom zou een speelman die nachtegaal en pauw nabootste, ook niet een menschenstem nabootsen?[26]

Het is begrijpelijk dat MAERLANT die zeker wel eens zulke speellieden pauw, nachtegaal en andere vogels heeft hooren nafluiten en nabootsen (wie hoorde zulke kunstenaars nooit ten platten lande of in kleine steden?) dacht aan den vogel Garrulus, de gaai, die ook bij de hedendaagsche vogelkenners geroemd wordt om zijn nabootsingstalent. Vooral de Vlaamsche gaai moet "een der meest begaafde en onderhoudende inheemsche spotvogels" zijn. Sommigen kunnen hinneken als een veulen, anderen hebben zich geoefend in het kraaien als een haan en het kakelen als een hen. Een hedendaagsch natuuronderzoeker vertelt ons, hoe hij eens in het bosch in een hoogen berk eerst het gezang van de lijster hoorde, daarna het gepik van den specht, toen het gekras van de ekster, de stem van den spreeuw... en eindelijk, opkijkend, een Vlaamsche gaai boven zich zag[27].

Op de reeds meer dan eens vermelde plaats van _der Naturen Bloeme_ nu lezen wij van de gaai:

Wat so bi hem lijt [Zijnoot: hem voorbijgaat.] ooc mede, Ist man, ist voghel, ist enich dier, Bespot dit voghelkijn al hier, Ende conterfaet alrehande luut ... ... Gheplumt ist van menigher ghedane ... ... Garrulus dit dinct mi vele Bedieden some menestrele, Die altoes sijn onghestade, Ende callende vroe ende spade Vele boerden, vele lueghen, Ende conterfeiten dien si moeghen, Bede riddere ende papen, Porters, vrouwen ende knapen, Daer si scone sijn omme gheplumet.

Beschouwt men deze verzen in het licht, dat de voorafgaande mededeelingen daarop werpen, dan zal men wel mogen aannemen, dat de bedoelde menestrelen inderdaad door stem, houding en gebaar de personen in hun verhaal trachtten uit te beelden. Zelfs acht ik het, met het oog op het laatste vers, waarschijnlijk, dat de menestrelen soms gekostumeerd zijn opgetreden.

Gewoonlijk zal de menestreel voorgedragen hebben uit een handschrift. Op zulk eene voordracht immers doelen de talrijke plaatsen waar van _lesen_ sprake is in den zin van _voorlezen_[28]. In verband daarmede wordt, ten minste in _Sinte Lutgarts Leven_, de voordracht zelve _lesse_ genoemd[29]. Opmerkelijk is ook de niet zeldzame uitdrukking "singen no lesen" of "lesen ende singen", die misschien aan den kerkdienst ontleend is, maar ons toch ook aan het Oudgermaansche _singen und sagen_ herinnert[30].

Voordragers met een sterk geheugen, die gansche gedichten uit het hoofd opzeggen en daardoor zooveel sterker indruk kunnen maken, zijn er ook nu nog. Zij zullen in die vroegere tijden, toen het geheugen zooveel minder beladen en overladen werd, zeker niet minder talrijk zijn geweest. Men zal dit te eer aannemen, indien men bedenkt, dat vele dier menestrelen zich gedurende een groot deel van hun leven in de kunst der voordracht oefenden en dat zij er van leven moesten. Kortere stukken zullen doorgaans wel uit het hoofd voorgedragen zijn.

Echter schijnt het als een bewijs van vaardigheid te hebben gegolden, indien men sprak zonder eenigen tekst ter hand te hebben. Wij lezen op eene vroeger vermelde plaats van den _Karlmeinet_, dat er menestrelen waren

De van mynnen ind leve [Zijnoot: liefde.] Sprachen _sunder breve_[31].

Maer hetzij de voordrager uit het hoofd voordroeg hetzij hij las, hij kon niet voortdurend spreken en de aandacht zijner hoorders had grenzen. Zeker, het publiek dier dagen, niet verwend en luistergraag, zal niet spoedig te veel hebben gekregen. Toch zijn de voordragers er wel op bedacht, aan het dreigend "te veel" te ontkomen. Zij beseffen, dat zij hier en daar kort moeten zijn; dat toonen ons staande uitdrukkingen als: "Wat holpe hiertoe lange tale?" of eene wending als deze uit _Floris en Blancefloer_:

Het soude u allen dinken te lanc, Noemdic u die gherechten alle[32].

Telkens prikkelen zij de belangstelling, niet alleen door toespelingen op gebeurtenissen die eerst veel later zullen voorvallen, maar ook door bijzondere opmerkzaamheid te vragen voor hetgeen onmiddellijk zal volgen. Het zijn wendingen als: "Hoort hier wonder groot!", "Hoort hier ontfermelike dinc!" of:

Nu alre irst so mogedi horen Utenemende aventuren.

Ook klinkt het wel overredend:

Maer wildi vort met lesen duren, Ghi sult hier horen scone die jeeste[33].

Ondanks die voorzorgen zal een voordracht de hoorders wel eens verveeld hebben. WILLEM VAN AFFLIGHEM'S mededeelingen over zijn publiek verdienen stellig niet alle letterlijk te worden geloofd; doch de aardige verzen waarin hij de verveling zijner hoorders teekent, zullen zeker wel voor een deel werkelijkheid bevatten[34]. Een zoo omvangrijk gedicht als het _Leven van Sinte Lutgart_ zal wel in verscheidene "lessen" en op achtereenvolgende dagen ten gehoore zijn gebracht; het spreekt vanzelf dat voordrager en toehoorders van tijd tot tijd moesten pauzeeren. Met de groote ridderromans zal het wel niet anders zijn gegaan. Doch men behoefde natuurlijk niet steeds een werk in zijn geheel voor te dragen; het karakter van vele middeleeuwsche dichtwerken leende zich zeer goed juist tot gedeeltelijke voordracht.

De vraag doet zich hier op: hoeveel verzen droeg men gewoonlijk in ééne "lesse" voor? Zou men ook te onzent, evenals misschien in Frankrijk, niet meer dan twee of drie duizend verzen tegelijk hebben gelezen of gezegd[35]?

Ook deze vraag is lichter gesteld dan beantwoord. Er is in dezen nog niets onderzocht en het onderzoek is moeilijk. Wij kunnen slechts door een paar voorbeelden de richting aangeven, waarin met eenige kans op vinden kan worden gezocht.

In den grooten roman der _Lorreinen_ die waarschijnlijk uit een honderdduizendtal verzen heeft bestaan en dus onmogelijk in zijn geheel kan zijn voorgedragen, vindt men op meer dan een plaats verzen die het begin, andere die het eind eener "lesse" schijnen aan te wijzen; niet zelden geeft de voordrager daar eene korte samenvatting van hetgeen te voren verhaald was, om daarna den draad van zijn verhaal weer op te vatten. Zulke literaire pleisterplaatsen vindt men ook in den _Walewein_ en den _Reinaert_. In de _Lorreinen_ leest men b.v. (na de gewone opwekking tot aandacht: "Nu hort, gi heren, dat u God lone") deze samenvatting:

Gi hebt hier voren wel gehort, Hoe van Bordeas der port Was gereden her Garijn enz.

Elders in dezen roman vinden wij zelfs een overzicht van den inhoud der drie groote deelen van het gedicht, en iets later deze samenvatting van het voorafgaande:

Gi hebt hier voren verstaen wel, Hoe Gelloen die ridder fel enz.

Op weer eene andere plaats, waar men eene dergelijke recapitulatie vindt, is deze tevens in het handschrift aangegeven door een groote geschilderde hoofdletter[36].

Zoo ook in den _Walewein_:

Nu latic hier of die tale, Ic salre weder toe keren wale. Ghi hebt wel ghehort hier voren Hoe Walewein die ridder uutvercoren Jeghen den roden ridder vacht Die....

Op eene andere plaats in dien roman vindt men bij een: "Ic wille corten mine tale" misschien het eind eener voordracht[37]. Dat men het gedicht _Van den Vos Reinaerde_, bijna 3500 verzen, in ééne "zitting" zou hebben voorgedragen, is niet onmogelijk; doch waarschijnlijk dunkt mij, dat menige voordrager een rustpunt gekozen zal hebben bij de afsluitende verzen 1686-'8:

nu moet hi pleghen siere sele Reinaert bi Grimbeerts rade, ende ghinc te hove up ghenade.

om dan later opnieuw aan te vangen met het recapituleerende vs. 1689:

Nu es die biechte ghedaen.

Een drietal recapituleerende verzen vinden wij een eind verder na vs. 1962. Wij lezen daar:

Nu waren die drie heren gereet, die Reinaerde waren te wreet. dat was de wulf ende Tibeert ende her Bruun die hadde gheleert honich stelen te sinen scaden.

Doch zou een voordrager dan een eind hebben gemaakt aan zijne "lesse" midden in het verhaal der voltrekking van het vonnis aan Reinaert die tot de galg veroordeeld is? Ik antwoord: waarom zou hij de aandacht zijner hoorders niet gespannen hebben met dezelfde kinderlijke kunstgreep, waarvan zich in onzen tijd AIMARD en dergelijke auteurs bedienen, wanneer zij een hoofdstuk besluiten met: "Eensklaps weergalmde een schot!" of: "De doodstraf nam een aanvang"?

Behalve de mogelijkheid dat men den _Reinaert_ in zijn geheel of in twee deelen zal hebben voorgedragen, bestaat ook deze andere: dat men telkens slechts één of meer der afzonderlijke verhalen hebbe gekozen waaruit het gedicht bestaat. Men zal b.v. eene indeeling kunnen gevolgd hebben als deze: Inleiding (vs. 1-464); Bruin's zending naar Malpertuis (vs. 465(518)-1014); zending van Tibert (vs. 1043-1356); zending van Grimbaert (vs. 1357-1750); Reinaert ten hove (1751-3018; misschien met een rust vóór vs. 2551: "Doe Reinaert quite was ghelaten"); Reinaert's wraak (3019-3476). In allen gevalle is het wel opmerkelijk, dat de Latijnsche vertaling van ons gedicht verdeeld is in een aantal hoofdstukken, die vrij wel overeenkomen met de bovenvermelde, door mij afgedeelde, "lessen".

Een voorbeeld van verdeeling in hoofdstukken in een Dietsch gedicht geeft ons o.a. de roman _van Limborch_. Dit verhaal is verdeeld in een aantal boeken, welke--evenals in de _Lorreinen_--door eene groote gebloemde letter zijn onderscheiden[38]. Sommige dezer boeken die van 1000-1400 verzen tellen, kunnen zeer wel achtereen zijn voorgedragen. In de overige die omvangrijker zijn, vindt men soms aan het slot van eenig onderdeel een "amen!" dat mij een rustpunt toeschijnt[39].

Bij deze eerste stappen op een te onzent nog schaars betreden pad moeten wij het hier laten. Tot een bepaald antwoord op de in den aanvang gestelde vraag zijn wij niet gekomen. Zal voortgezet onderzoek ons dat brengen? Voorloopig meen ik het te moeten betwijfelen. Voor den omvang dier middeleeuwsche voordrachten eene norm te vinden, schijnt mij uiterst moeilijk, zoo niet onmogelijk. Ook hier zal het leven te rijk zijn geweest, dan dat men het zou kunnen vastleggen in eene regelmaat van lager orde. Waarom zou men niet soms 500 en op een anderen keer 1000 en bij weer een andere gelegenheid 2000 verzen hebben voorgedragen? Of welk ander aantal ook, afhankelijk slechts van de omstandigheden, den aard der stof in verband met de aandacht van het publiek en de persoonlijkheid van den voordrager?

Nog een enkel punt vraagt onze aandacht, eer wij dit deel van ons verhaal kunnen besluiten.

Alle poëzie--zeiden wij vroeger--en het grootste deel van het proza der middeleeuwen was in de eerste plaats bestemd te worden voorgedragen en aangehoord. In die uitspraak ligt opgesloten, dat verzen en proza ook langs een anderen weg ter kennisse van het publiek konden komen; men begrijpt, dat ik het oog heb op het zelf en voor zich zelven lezen.

Er zijn in de tweede helft der 13de eeuw wel reeds lezers, in onzen zin des woords, geweest. Het ligt voor de hand, dat wij die in de eerste plaats onder de geestelijkheid en daarna onder den adel zullen vinden. Zoo zegt MAERLANT'S vriend MARTIJN aan het slot van het strophisch gedicht _Van der Drievoudecheide_:

Als ic dit lese ende spelle Maghic leren, als ic vertelle, Mijn ghelove al bloot.

In den proloog van _Sinte Lutgarts Leven_ lezen wij:

Mar wonder hevet mi van desen Warumme si so gerne lesen Van ouden sagen dat gedichte, Ende oc geloeven also lichte Din logeneren die se tellen[40].

En aan het slot van het Tweede Boek spoort hij ieder die hem niet gelooft aan:

Dat hi die vite van der maget ... Of selve lese, ochte imene el Hem lesen doe[41].

In een van MAERLANT afkomstig deel van de bewerking der _Historie van Troyen_ voorspelt de dichter, sprekend van HECTOR'S dood:

Oec alle heren ende vrouwen Diet lesen, sullen maken rouwe[42].

En in _der Naturen Bloeme_ zegt hij tot Heer NICLAES VAN CATS:

Ghebiedijt, here, dit suldi lesen, Die wile dat ghi ledich sout wesen[43].

Misschien heeft MAERLANT in zijn _Rijmbijbel_, die toch tenminste evenzeer voor de gemeenten als voor den adel bestemd was, het oog op zelf lezen, als hij schrijft:

Nu merct ghi die hier in zult lesen, Wat nutscap hier an zal wesen.

Werden er dus wel lezers gevonden, groot kan hun aantal niet geweest zijn. Waren er veel edelen die vlot konden lezen? Het mag betwijfeld worden. Ook had de adel tal van vermaken en ontspanningen die hij hooger stelde dan deze vermoeienis des geestes. De geestelijken konden wel lezen, doch Latijnsche geschriften genoten bij hen de voorkeur. In de kloosters werd bovendien onder de maaltijden veel voorgelezen. Voorzoover de monniken zelven lazen, beperkte zich hunne lectuur waarschijnlijk tot liturgische of stichtelijke geschriften. Onder de gemeentenaren werd de leeskunst zeker weinig beoefend. Het lager onderwijs was uiterst gebrekkig. Indien een poorter al kon lezen, dan eischte het koopen van een handschrift toch eene vrij hooge mate van stoffelijke welvaart, want een handschrift bleef vooreerst nog een voorwerp van weelde; het lezen eischte smaak in geestelijke ontspanning, vrijen tijd en niet minder zekere zelfstandigheid van gevoelen en denken, zich openbarend in het kiezen van eigen lectuur, die verre van algemeen verbreid was.

Eer de Dietsche laaglanders tot die zelfstandigheid van gevoelen en denken konden komen, hadden zij nog menig stadium van ontwikkeling te doorloopen. In het eerstvolgende dier stadiën zullen wij hen nu gadeslaan.

AANTEEKENINGEN.

[1] _Sp. Hist._, IV, 1, cap. XXIX.

[2] A.w. Deel II, p. 85, vs. 20. In het Latijn leest men daarvoor: "_sponsos_ magis estimatos quam clericos."

[3] T.a.p. III, 2146:

"Als hi dus pipet ende mauwet."

Vgl. ook XI, 149: "blasen ende pipen" in verband met het woord "noten" in vs. 151.

[4] _Eerste Martijn_, vs. 371-388.

[5] A.w. 1e Deel, bl. 430, vs. 22.

[6] _Tijdschr. voor N. Taal-en Letterk_., II, 230, vs. 493-4.