Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 20
De critiek, welke zijn bewerking van den _Rijmbijbel_ hem van de zijde der geestelijkheid had berokkend, was hij in zijn _Spieghel Historiael_ nog niet vergeten[45]. Doch, had hij daar met de belgzucht van het "paepscap" rekening gehouden, in _der Kerken Claghe_ spaart hij hen niet. Onversaagd springt deze strijdbare "clerc", ridder naar geest en gemoed, zijne moeder de Heilige Kerk ter zijde, om het leed te wreken, dat haar wordt aangedaan door wie haar moesten beschermen en leiden. De wolven zijn nu herders. Wie de aanzienlijke geestelijken de volle waarheid zou durven zeggen, hen met name noemen--hoe zou hij bejegend worden! Met enkele trekken schetst hij hen: korte rokken, breede zwaarden, lange baarden, kostbare kleederen, hooge paarden; wat al fierheid--ten koste der kerkegoederen! Liever dan den grooten heeren de waarheid zeggen, zitten zij met hen aan tafel. De armen, hongerig, naakt, koud, roepen te vergeefs hunne hulp in; doch er is eene vergelding. Denkt aan LAZARUS! De duivel ligt steeds op de loer. Hij behoeft niet ter jacht te gaan: daar zijn er zoovelen onder zijn bereik. Wie de kwaden vleien, hebben de beste plaatsen en eene vette keuken; zij drinken dat zij zweeten en slapen er te beter op. Al maken de heeren zich aan roof schuldig, geen verwijt krijgen zij te hooren van deze geestelijken, die, zelf met zonden besmet, anderen den hemel beloven. En krachtig klinkt de oproep ten slotte: Zóó klaagt de heilige Kerk! Gevoelt gij u van hare maagschap, zoo moet gij nieuwe wapenen dragen en deze wandaden te keer gaan en wreken.
Met een nieuw wapen, scherper dan eenig ridderzwaard, met zijne pen, tastte MAERLANT ook in het gedicht _Van den Lande van Oversee_ de Kerk van Rome aan, die hij scherp onderscheidt van de Katholieke Kerk. Hier durft hij zeggen:
Die Kerke van Romen is dusdaen vraet, Si is dronken ende al sonder raet, Die hovet is van Kerstijnhede.
Echter heeft dit gedicht een ruimer strekking. Het is een noodkreet, door den vromen Christen geslaakt, toen hem meer en meer zekerheid gewerd, dat het Heilige Land aan de macht der Christenen ging ontglippen. In _Disputatie van den Cruce_ had hij reeds eenmaal een klacht daarover doen hooren, maar nu Acre, het laatste bolwerk der Christenen, gevallen is, slaat hem de schrik om het hart. Vandaar de ontzetting, de verontwaardiging in dezen onstuimig-schoonen aanhef:
Kersten man, wats di gheschiet? Slaepstu? hoe ne dienstu niet Jhesum Christum dinen here? Peins, doghedi dor di enich verdriet, Doe hi hem vanghen ende crucen liet, Int herte steken metten spere? Tlant, daer hi sijn bloet in sciet [Zijnoot: stortte.], Gaet al te quiste, als men siet: Lacy, daer en is ghene were! Daer houdt dat Sarracijnsche diet [Zijnoot: volk.] Die Kerke onder sinen spiet Daerneder, ende doet haer groot onnere Ende di en dunkets min no mere [Zijnoot: gij geeft er niet om.]!
In dien toon gaan de volgende coupletten voort: het is uwe moeder, de Heilige Kerk, wier behoud het geldt; God lijdt--gij leeft in weelde; Gods vijanden hebben te Acre kloosters en huizen vernield, het volk gedood. Christen! trek op, den hemel kunt gij winnen, indien gij die schande wreekt. Dan eerst komt de dichter tot kalmte; hij zet uiteen wat er gebeurd is, zonder vragen, zonder uitroepen. Maar aan het eind van zijn verhaal is hij opnieuw onder den indruk gekomen. Het vlamt weer op in hem: Gij heeren, gij prinsen, gij baronnen... Kerk van Rome, trek het zwaard! Maar de voorname geestelijken hebben wel wat anders te doen! Wat doet gij ter wille van de Kerk? Wie volgt JEZUS na? Als het om vette prelaatschappen te doen is, ja, dan snelt gij allen toe. "Reinaerdie" speelt dan haar spel. Geleerdheid? Wat zou men er mee uitrichten! En waartoe gebruiken zij hun rijkdom? De goeden niet te na gesproken--de duivel hale hen met hunne trotsche bijzitten! Maar het Heilig Graf vertoont zich weer aan zijn geestesoog. Weer klinkt het dringend tot de koningen, graven en hertogen, die onderling oorlog voeren: Het is tijd het schild "van sabel en van goude", het "lazuren" schild met de leliën op te nemen. Dan dreigend: Wie niet stoutelijk voorwaarts gaat en zijne moeder wreekt--hij zal er voor boeten! Overredend klinkt het daarop: Waarom wil elk slechts vreugde? Wij moeten immers toch eens sterven? Denkt wat JEZUS heeft willen lijden! Hoe anders was het ten tijde van CHARLEMAGNE en GODFRIED VAN BOUILLON! Wat vaart gij in deze dagen ter valkenjacht, gij landsheeren? Hoort gij de Kerk niet klagen? Gevoelt gij u van hare maagschap, komt er dan openlijk voor uit! Met een bede tot God besluit de dichter zijn bezielden oproep.
Die oproep heeft geen weerklank gevonden; kort na den val van Acre is het Heilige Land geheel aan den greep van het Westen ontglipt. Sedert de kruistochten een aanvang hadden genomen, was de Europeesche Christenheid twee eeuwen ouder geworden; niet langer konden romantische geloofsdrift en avontuurlijke reislust de volken tot verre tochten verlokken; andere idealen legden beslag op hunne belangstelling, hunne toewijding, hunne kracht. Voortaan kon wie er behoefte aan gevoelde, zijne devotie verrichten bij het Heilig Graf dat in zoo menige kerk ook te onzent was nagebootst.
MAERLANT, die na den val van Acre tot een nieuwen kruistocht opwekte, schijnt den veranderden koers der geesten niet te hebben opgemerkt. En indien al, dan heeft hij dien zeker betreurd. Want hij was een "prijzer van 't verleên" en zag in zijn eigen tijd slechts achteruitgang waar hij dien bij vroeger vergeleek. Zijn blik was gericht vooral op het verleden en op het verkeerde of gebrekkige van het heden. Afbrekend en opbouwend heeft hij getracht dat verkeerde in het rechte spoor te leiden, dat gebrekkige aan te vullen. Hij is de eerste Nederlandsche dichter die, sterk door zijn geloof, tegen de aanmatiging en het plichtsverzuim van adel en geestelijkheid is opgekomen voor waarheid en voor recht. Hij heeft voor Vlamingen en andere Nederlanders gedaan wat zes eeuwen na hem een ander Zuidnederlander opnieuw zou doen: het volk leeren lezen.
Dat alles geeft hem aanspraak op onze dankbaarheid, op eene plaats onder de groote mannen van ons volk; doch als kunstenaar rijst hij daardoor niet in onze schatting. Zeker, hij was dichter. Hij heeft dat getoond in den _Eersten Martijn_, vooral in de eerste helft waar de aandoening door de strofen golft en telkens een beeld of een vergelijking de strofe komt afronden als het schuimkroontje den top der golf. Hij heeft dat getoond in zijne beide laatste lyrische gedichten en in menig brok van zijn overig werk dat, zoo al niet schoon, dan toch bevallig of aardig mag heeten. Den kunstenaar zien wij in den dichter, waar hij, in navolging der Latijnsche en Romaansche lyriek, kunstige strofen bouwt, waar hij de afschrijvers bezweert zijne verzen ongeschonden te laten en hooge waarde hecht aan de zuiverheid zijner rijmen.
Doch de dichter, de kunstenaar in hem toont zich te zelden; er is in zijn werk te veel dat middelmatig of gebrekkig, te veel dat berijmd proza moet heeten. De drang naar schoonheid in zijn gemoed werd onderdrukt door het verlangen om de maatschappij te verbeteren en zijn volk te onderwijzen. En nu kan de invloed van een dichter op de zedelijke, geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling van zijn volk wel strekken om de waarde zijner gansche persoonlijkheid te verhoogen, niet om te vergoeden wat hij te kort komt als kunstenaar. Bovendien heeft zijn roem maar al te veel dichters of verzenmakers verlokt om op zijn voorbeeld Pegasus in het gareel te slaan.
Indien wij dan ten slotte aan MAERLANT'S persoon en werk zulk eene ruime plaats hebben gegeven in dit verhaal van de geschiedenis onzer letterkunde, dan is dat geschied: omdat hij, beter dan eenig ander auteur zijner dagen, de eeuw en de maatschappij waarin hij leefde in hunne onderscheiden stroomingen vertegenwoordigt; omdat de geslachten die na hem kwamen, tot hem hebben opgezien als tot een groot dichter wiens voorbeeld zij moesten volgen; en eindelijk, omdat hij in enkele zijner kleinere werken ons iets gegeven heeft van dat onbeschrijfelijke dat wij poëzie noemen.
AANTEEKENINGEN.
[1] De romans _van Alexander, Merlijn_ en _Troyen_ zijn tot ons gekomen in een vorm die vrij ver afstaat van den oorspronkelijken, in een dialect dat buiten de oostelijke grenzen van het tegenwoordig Nederland gesproken werd _(Tijdschr. v. Ned. T. en L._, XXIII, 156). De _Torec_ schijnt nog al geleden te hebben onder de handen des compilators van den _Lancelot_ (a.w. X, 173; XIX, 36).
[2] Ik volgde bij deze rangschikking het uitvoerig en verdienstelijk boek van Prof. J. TE WINKEL: _Maerlant's Werken_, (2e druk, 1892), vgl.: Tweede Hoofdstuk.
[3] Vgl. _Nat. Bloeme_ (ed. VERWIJS), III, 885 vlgg. en _Inleid_. XXIV. Over den kalander-leeuwrik: BREHM, _Het Leven der Dieren_ (bewerking van HUIZINGA), II, 100.
[4] De ons onbekende schoone, wier naam MAERLANT verborgen heeft in zijn gedicht, heette waarschijnlijk _Gheile_ en zal wel eene Vlaamsche geweest zijn. Vgl. FRANCK'S _Inl_. op den _Alexander_, XI-XII.
[5] WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, bl. 134.
[6] Vgl. I, 1066-'70. Deze verzen zijn niet in het origineel aanwezig.
[7] Vgl. X, 1530-1.
[8] Voor dit alles verwijs ik naar FRANCK'S voortreffelijke _Inleiding_, inzonderheid naar het hoofdstuk: _Maerlants verhouding tot zijne bronnen._
[9] Vgl. V, 1006 vlgg. en FRANCK'S aanteekening op bl. 454.
[10] T.a.p. VIII, 77 vlgg. en bl. 481.
[11] Onder de schepenen van Gent vond ik op het jaar 1301 een _Simon die Godgaf_ (vgl. Memorieboek der stad Ghent, ed. der Vlaemsche Bibliophilen I, 6).
[12] Vgl. over SEGHER en zijn werk VERDAM'S _Inleiding_ op zijne _Episodes uit Maerlant's Historie van Troyen_, met name p. 17, 154-5, 181.
MAERLANT'S werk is in zijn geheel te vinden in de uitgave van NAPOLEON DE PAUW.
[13] Vgl. VERDAM'S _Episodes_, vs. 6666-6711 met _Roman de Troie_, vs. 16179-16181.
[14] Vgl. _Episoden_, vs. 508 vlgg.; dialoog, waar BENOÎT vertelt, op bl. 54, vs. 354; 63, 667; 73, 1031; 76, 1138; 91, 5129; 305, 9345; 327, 10166; 341, 10694.
[15] FRANCK houdt dit satansproces niet voor MAERLANT'S werk. TE WINKEL beweert het tegendeel. Vgl. _Anzeiger f.d.A._, IX, 367-8 en TE WINKEL'S _Gesch. der Ned. Lett._, bl. 168 noot.
[16] Vgl. _Merlijn_ (ed. VAN VLOTEN), vs. 10408. VAN VLOTEN'S uitgave kan dienst doen, vooral nadat men kennis heeft genomen van FRANCK'S vernietigende maar rechtvaardige critiek.
[17] _Merlijn_, vs. 7639 vlgg. (7770-8, 8164, 8175-'80).
[18] Vgl. _Torec_ (ed. TE WINKEL), vs. 170, 149, 156, 489 (eene "Orguellouse de Longres" komt voor in CRESTIEN'S _Conte du Graal_; zie de Aant. op FRANCK'S _Alexander_, bl. 481). Afbeelding der _Chambre de Beauté_ bij PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 192.
[19] _Torec_, vs. 869-870; 1228-'49; 3231-'51.
[20] Vgl. _Alex._, IX, 450. De vergelijking is door M. ingevoegd; vgl. GAUTIER, _Alex._, IX, 258-260. Of M. deze vergelijking misschien uit den _Lancelot_ heeft overgenomen, doet weinig ter zake. _Episoden_ enz. vs. 767 vlgg., 8074-'91; 1546 in verg. met het origineel; _Alex._, I, 68; VERDAM'S _Inl._ op _Episoden_ enz. bl. 21 vlgg.; TE WINKEL in _Tijdschr. v. N.T. e. L._, I, 332 vlgg.; _Merlijn_, vs. 33, 589, 621. FRANCK'S _Inl._ op den _Alex._, L-LI; _Episoden_, bl. 163-4, vs. 4159 en vs. 4219 in verg. met het oorspronkelijke.
[21] _Alex._, III, 513; III, 836; VII, 584; Vgl. ook _Troyen_, vs. 10736.
[22] _Alex._, VIII, 126-9; X, 1535 vlgg.; _Episoden_ etc. bl. 159-160. Over die _riche dame_ te verg.: PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 197-8; _Episod._, bl. 342. In geen der verschillende einden van het gedicht, door JOLY medegedeeld, is iets van dezen aard te vinden. Vgl. zijne uitgaaf v.d. _Roman de Troie_: "Sur les manuscrits" in Deel I.
[23] Vgl. _Alex._, VIII, 637 vlgg.; _Torec, Inl._, bl. XXII vlgg.
[24] Vgl. o.a.: _Rijmb._, I, 7778, 7917, 7923; 18440, 34846; _Sp. Hist._, I, bl. 66, vs. 21 vlgg.; bl. 137, vs. 47 vlgg.
[25] A.w. I, 64 vlgg.
[26] Vgl. o.a.: _Rijmb._, I, 2755; _Sinte Franc._, 9-10; 51-40. Het verhaal van den "coninc van versen" ald. vs. 1917 vlgg.; men vindt het ook in het Latijn.
[27] Vgl. o.a. den Proloog van _der Nat. Bloeme_, vs. 108-116; TE WINKEL, _Maerlant's Werken_, p. 368; waai heidsliefde o.a.: _Rijmb._, I, 25, 4885, 34830; waarheid en wonder: _Nat. Bl._, I, 486-'93; IV, 5 vlgg.; V, 413 vlgg.; _Sp. Hist._, I, 16, vs. 61; II, 64, vs. 7.
[28] Vgl. TE WINKEL'S _Gesch. der Ned. Lett._, bl. 337-9.
[29] Vgl. a.w. vs. 19626-'9, die niet in het origineel voorkomen:
Want haer lyoen, hare lupaerd, Haer troest, haer muur, haer casteel, Ende hare hulpe algeheel Starf met eren, die goede Judas.
In vs. 24796 vlgg. vinden wij het Latijn: "firmavit faciem suam ut iret in Hierusalem" aldus weergegeven:
Doe de tijd naken began Vander Passiën, maecte vast Sijn anscijn, _die lieve gast_ [Zijnoot: vreemdeling.], Te Jherusalem te gane.
[30] Zoo b.v. vs. 7811-'14:
Aldus in dien dorwitten vleesche Die nagle zwart als iet vereesche Entie wonde van der zide Bloeide als ene rose blide.
Het Latijn heeft hier (in de bewerking van _Bonaventura Vulcanius_): "Erat autem similitudo clavorum nigra quasi ferrum, vulnus autem lateris rubeum et ad orbicularitatem quandam carnis contractione reductum rosa quaedam pulcherrima videbatur."
[31] Vgl. over dit alles de voortreffelijke Inleiding en Aanteekeningen op de uitgave der _Strophische Gedichten_ door FRANCK en VERDAM.
[32] Vgl. over den dialoog: Inleid. der _Stroph. Ged._, LXXX; EBERT, _Allgem. Gesch. der Lit. des Mitt._, II, 16; JEANROY, _Les Origines de la poésie lyrique_, p. 45 suivv. Het vroeger aangeh. werk van SCHELER, _Trouvères Belges_ o.a. I, 6-7, 137, 139, 141.
[33] In sommige handschriften heet dit gedicht _De derde Martijn_.
[34] Dit beroemde woord over den adel wordt reeds gevonden bij den kerkvader HIERONYMUS. Zie _Inleiding_, p. LXXVIII. Naar het schijnt, ook reeds in ARISTOTELES' _Ethica_. Vgl. BURCKHARDT, _Die Cultur der Renaissance_, II, 90. Vgl. ook _Heim. der Heim_ (ed. CLARISSE), vs. 1831-2; in het Latijn: "quia Deus creavit aequales."
[35] FRANCK en VERDAM houden MAERLANT voor den maker. Zie _Inleiding_, p. XLVIII-XLIX. Doch ook na die uiteenzetting blijf ik twijfelen.
Nagevolgd werd de _Eerste Martijn_ door een dichter die in 1299 den _Vierden Martijn_ dichtte (uitgeg. door SERRURE in _Vad. Mus._, IV, 55 vlgg.). Talent is er in deze, hier en daar woordelijke, navolging niet. HEYN VAN AKEN kan bezwaarlijk de dichter zijn geweest (SERRURE is geneigd dat aan te nemen). Bij diens persoonlijkheid past niet het dichten "op die heren" (vs. 479-'81), en ook maakte HEYN VAN AKEN beter verzen dan deze dichter.
[36] _Heim. der Heim._ (ed. J. CLARISSE), vs. 348. MAERLANT heeft vrij wat weggelaten uit zijn voorbeeld, doch het overige getrouw gevolgd. Zie de vergelijking in KAUSLER'S _Denkmäler_, III, 289 vlgg.
[37] Vgl. den Proloog, vs. 85 vlgg.
Het eerste en tweede boek zijn niet vertaald, van het derde slechts een klein deel. Boek II-XII geven eene vertaling van het Latijn in Boek IV-XVII; Boek XVIII-XX zijn weer niet vertaald. Zie overigens de Inleiding in VERWIJS' uitgave.
[38] Zie over dat alles, dat gewichtig is vooral voor onze kennis van de ontwikkeling der historiographie te onzent, de voortreffelijke inleiding van DE VRIES en VERWIJS voor hunne uitgave van den _Sp. Hist._ en TE WINKEL t.a.p. het _Achtste Hoofdstuk_.
[39] Vgl. _Sp. Hist._, III, p. 170, 204; TE WINKEL, _Maerlant's Werken_, p. 422-5; IIIe Part. VIII Boek, c. 60, vs. 73 vlgg.; II, p. 383; II, p. 79; I, p. 15, vs. 55 vlgg.; 315, 2e kolom; IV3, c. 22, vs. 83 vlgg.; c. 6, vs. 5-11.
[40] Vgl. a.w. VII, 788 vlgg.; II, 1875 vlgg.
[41] Vgl. IV1, c. 27. VINCENTIUS heeft hier (ed. DUACI 1624, _Lib._ 24, c. 20): "Carolus Rolandum exanimatum invenit iacentem eversum brachiis super pectus in modum crucis positis et super eum ruens irrugit clamore magno."
[42] Zie: _Inleiding_, XL-XLI. De door mij bedoelde rijmen zijn: _hove || verscrove_.
[43] Vgl. _v.d. L. v. O._, vs. 11 vlgg.; 118 vlgg.; 130, 200.
[44] Vgl. III, 7290 vlgg. Ik deel hier slechts de meest overeenkomstige verzen mede. De tekst is blijkbaar corrupt, vooral in de laatste verzen.
[45] Vgl. _Nat. Bl._, II, 469-'76; 680 vlgg.; _Rijmb._, I, 78 vlgg.; 5260-'4; 5358; 5398 vlgg.; 5502-'3; 13322 vlgg.; 25485-7; _Sp. Hist._, I, bl. 16, vs. 80 vlgg.
DICHTERS, VOORDRAGERS, PUBLIEK.
Tot nog toe hebben wij ons bezig gehouden vooral met de dichtwerken die gedurende de 12de en de 13de eeuw door deze volken zijn voortgebracht; de personen der makers bleven op den achtergrond. Op dien achtergrond moeten zij blijven, omdat, ten minste in het verhaal van de ontwikkeling eener middeleeuwsche literatuur, de persoon des dichters minder gewichtig is dan zijn werk. Toch is het wenschelijk, dat wij op dien achtergrond meer licht doen vallen; dat wij samenvatten wat ons van die dichters met of zonder naam bekend is. Tevens geeft ons dat gelegenheid mede te deelen, wat wij weten van het publiek waartoe zij zich richtten, van de wijze waarop en de omstandigheden waaronder literaire werken toen ter kennisse van het publiek kwamen.
Een middeleeuwsch dichter schreef verzen of proza, omdat hij er roeping toe gevoelde of omdat zijn beroep het medebracht. Het spreekt vanzelf, dat beroep en roeping niet steeds samengingen; doch ook dat door het beroep de roeping niet noodwendig werd uitgesloten.
Tot hen die dichtten, omdat zij er roeping toe gevoelden of omdat zij er behagen in schepten, zullen wij wel geestelijken of "clercken" mogen rekenen zooals WILLEM VAN AFFLIGHEM, WILLEM VAN UTENHOVE, HADEWYCH, MAERLANT, de dichters van _Rinclus_, _Van den Levene ons Heren_, van den _Dietschen Catoen_, _Esopet_ en dergelijke werken; ook JAN VAN BRABANT, de edelen en hoofsche "clercken" die minneliedjes dichtten en de dichters van volksliederen. Het is wel mogelijk dat sommige dezer dichters zich, evenals MAERLANT, van het wereldsche tot het ernstige of stichtelijke hebben gewend; wij kunnen het echter slechts van één hunner bewijzen. De bewerker der _Disticha Catonis_ namelijk verhaalt ons in zijn proloog:
Als ic die minne sach, ic louch; Nu haticse al in minen sinne Die minne draghen entie minne Ende hebbe ghekeert minen moet An die ghenen die siin vroet.
Wij hoorden vroeger een paar dezer dichters: MAERLANT en WILLEM VAN AFFLIGHEM, op minachtenden toon spreken over andere dichters die zij _menestrelen_ noemen. MAERLANT heeft een afzonderlijk hoofdstuk van zijn _Spieghel Historiael_ gewijd aan "'t scelden jegen die borderers", d.i. romanschrijvers; aan het slot van dat hoofdstuk zien wij dat hij het oog heeft op de "menestrele", die dus ook door hem als de dichters der ridderromans werden beschouwd[1]. En WILLEM VAN AFFLIGHEM spreekt van de menestrelen als van "logeneren". Blijkbaar gevoelen zij zich door hunne geleerdheid en ontwikkeling, ook door hun streven naar waarheid en vroomheid verheven boven die verdichters van fabelen en luchtige verhalen van oorlog en minne. MAERLANT weet dan ook zijn afkeer van al te wereldschgezinde "clercken" niet beter uit te drukken, dan door eene schildering van hun uiterlijk te besluiten met de woorden:
Dit en sijn niet clerke, maar menestrele[2].
Deze menestrelen behoorden, zooals hun naam (ministeriales) aanduidt, tot de dienaren van den adel; hun taak was vooral, den heer en zijn "gezinde" met muziek en zang of voordracht van poëzie te vermaken. Een dienaar van die soort hebben wij reeds ontmoet in dien knecht van den Brabantschen ridder, Heer GOOSEN VAN VELPEN, die gewoon was "te pipen ende te singhen" en die door zijne onkuische liedjes de harten der maagden prikkelde. De vereeniging van muziek en poëzie vinden wij ook bij de menestrelen van wie MAERLANT spreekt in _der Naturen Bloeme_ naar aanleiding van den vogel _Garrulus_[3]. Het "pipen en mauwen" van den menestreel kan kwalijk iets anders beteekenen dan het spelen op de pijpen ter begeleiding van zang of voordracht.
Niet alleen om hun heer den tijd te korten, dienden hem de menestrelen; zij waren er ook op uit, zijne roemzucht door hun loftuitingen te prikkelen, in de hoop op geschenken zijnerzijds. Lof en roem verwerven--MAERLANT zegt het ons--daarnaar streefden de meeste ridders:
Want die ridder niet gheroet [Zijnoot: rust.], Hine verslijt vleesch ende bloet, Updat sijn prijs mere.
En dat de menestrelen die roemzucht trachtten te bevredigen, vernemen wij eveneens uit zijne woorden:
... der idelre gloriën cleet, Daer menestraudië met omme gheet[4].
In zijn _Spieghel Historiael_ laat hij nog eens een waarschuwing hooren tegen de "smekende" (vleiende) menestrele[5]. Een klein staaltje van hunne praktijken zien wij in de bewerking van den _Aiol_. In eene opsomming van edelen die AIOL verwelkomen, worden in de Dietsche bewerking o.a. de graaf van Vlaanderen, de hertog van Brabant en de graaf van Artois genoemd, ofschoon deze hooge heeren op de overeenkomstige plaats in den Franschen tekst niet worden vermeld. Waarschijnlijk hebben wij hierin eene beleefdheid van de zijde des menestreels jegens zijn publiek te zien[6].
Bij dezen ruilhandel van loftuitingen tegen geschenken (geld, kleederen, wapenen of sieraden) hadden de menestrelen mededingers in de met hen eenigszins verwante "yrauden" (herauten). Meer dan eens worden "menestrele ende yraude" of--wat hetzelfde is--"yraude ende spelmanne" in één adem genoemd[7].
In den roman _van Torec_ zien wij den held in de wapenrusting van een anderen ridder, MYDUEL genaamd, alle tegenstanders uit den zadel steken. De paarden der overwonnenen geeft hij aan de aanwezige speellieden en yrauden, en deze zijn onmiddellijk gereed met hun tegengeschenk:
Doe riepsi ende dyraude mede: "Ha ha! Myduel, Myduel! "Hi heeft den prijs ende niemen el; "Hi es die beste van den velde: "Hi es genindech [Zijnoot: dapper.], coene ende melde" [Zijnoot: mild.] [8].
Dat de menestrelen niet alleen bij de ridders welkom waren, maar ook bij die hooge geestelijken, wier levenswijze weinig van die der ridders verschilde, zouden wij wel reeds mogen vermoeden. MAERLANT verzekert het ons ten overvloede in zijn _Rijmbijbel_[9]. Omgekeerd werd de plaats van den menestreel, naar het schijnt, wel eens ingenomen door een "scriver", die doorgaans wel een "clerc" zal zijn geweest. In de _Heimelycheit der Heimelychede_ lezen wij:
Nu betaemt wel elken heere Die bewaren wille sine eere, Dat hi scrivers met hem houde, Vroede liede, jonghe ende oude, Die scone ende wel connen dichten, Ende met sconen worden verlichten Connen dat sijn heere wille. ... Want ghelijc dat smenscen lede Scoonre sijn ghecleedt dan naect, Also eist dat men een dicht maect, Daer men der wareit niet ut en gheet Ende ment met scone worden cleet.
MAERLANT spreekt hier over poëzie, terwijl in zijn voorbeeld, naar het schijnt, slechts over de kunst van het een of ander op te stellen gesproken wordt[10]. Doch wat hiervan zij, zeker is meer dan een dichtwerk door een "clerc" op verzoek van een edelvrouw of edelman vervaardigd. MAERLANT deelt ons in den proloog van zijn Graal-roman mede:
Dese historie van den Grale Dichte ick ter eren Heren Alabrechte, Den Heer van Vorne, wael met rechte; Want hoge liede met hoger historie Menechfouden zoecken hoer glorie Ende korten daer mede hoer tijt.
En in de opdracht van zijn _Spieghel Historiael_ lezen wij:
Grave Florens, coninc Willems sone, Ontfaet dit werc! Ghi waert de gone Die mi dit dede anevaen.
Het zou mij dan ook niet verwonderen, indien sommige ridderromans, bij den voortgang onzer wetenschap, bleken bewerkt te zijn door "clercken". De godsdienstige, hier en daar zelfs kerkelijke, tint, die over de bewerking van het _Roelandslied_ en over den roman _van Walewein_ ligt, die misschien ook in de _Lorreinen_ te zien valt, geeft tot dit vermoeden wel eenigen grond[11].