Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 19
Het zijn een vijftal, in kunstig gebouwde strofen verdeelde lyrische gedichten, waarvan een drietal: _Van den vijf Vrouden_ [Zijnoot: vreugden.], _Van ons Heren Wonden_ en _Clausule van der Bible_ misschien nog uit des dichters jeugd dagteekenen; het eerste stuk is waarschijnlijk, het tweede zeker een vertaling uit het Latijn; het vierde gedicht _Van der Drievoudichede_ bevat een zeer vrije bewerking van een Latijnsch gedicht als dat _De Sancta Trinitate_; _Clausule van der Bible_ en _Disputatie van den Cruce_ schijnen zelfstandige bewerkingen te zijn van godsdienstige gedachten en voorstellingen, die men ook elders in de middeleeuwsche literatuur aantreft[31]. In het eerste stuk wordt telkens in een nieuw couplet eene nieuwe vreugde van MARIA, in het tweede achtereenvolgens de vijf wonden van JEZUS bezongen. _Clausule van der Bible_ bevat eene verheerlijking van MARIA in een toen veelvuldig gebruikten vorm: overal, doch vooral in het Oude Testament, vond men gelijkenissen van MARIA; MAERLANT wordt niet moede, door een veertigtal strofen heen, de Moedermaagd telkens weer onder een andere gedaante te verheerlijken: MARIA is de duive met den olijftak terugkeerend naar de ark; de ladder waarlangs de engelen af- en opklommen; RACHEL, des zaligen JOZEFS moeder; het korfje waar het kind MOZES schreiend in lag; het vlies van GIDEON waarop des hemels dauw neerdaalde; het brandend braambosch, de zoete manna, de steen waaruit op MOZES' gebed een klare fontein ontsprong... zoo volgt het eene beeld op het andere, totdat de dichter het moet opgeven, want "volprisen" kan hij haar niet, "de schone Vrouwe, de blonde" uit wier oogen een licht scheen gelijk de zonneschijn.
In de drie eerstgenoemde gedichten liet MAERLANT zich gaan; behoefte om JEZUS en MARIA te loven, te verheerlijken, te aanbidden, uit zich hier ongedwongen in vrij gemakkelijk vloeiende verzen.
Anders stond het geschapen in de beide laatste gedichten: _Van der Drievoudichede_ en _Disputatie van den Cruce_. Hier kon hij niet volstaan met gevoelsuitstortingen; hooge en subtiele vraagstukken als dat der Drieëenheid, een geschil als dat tusschen MARIA en het Kruis, eischten inspanning van denkkracht en voorstellingsvermogen om zelf te begrijpen en anderen te doen begrijpen. Het is licht verklaarbaar dat wij MAERLANT hier het zuiver lyrische zien verlaten voor het lyrisch-dramatische van den dialoog. De didactische dialoog, in zwang gekomen op voorgang vooral van AUGUSTINUS, was door middeleeuwsche geleerden als ALCUIN en HUCBALD met goed gevolg aangewend bij de samenstelling van leerboeken. Gewoonlijk zijn daar de rollen zoo verdeeld dat de leerling vraagt, de meester antwoordt. Die verdeeling gaf gereede gelegenheid tot het uiteenzetten van moeilijke vraagstukken; de afwisseling van vraag en antwoord of ook het verschil van opvatting tusschen twee sprekers bracht leven en beweging in het geheel. MAERLANT, man van veelomvattende geleerdheid, zal den dialoog wel uit de Latijnsche literatuur zijner dagen hebben leeren kennen; wie het Fransch zoo goed verstond als hij, zal ook niet onkundig zijn gebleven van de "débats", "jeux-partis" en "tençons" die in de toenmalige nationale Fransche literatuur den dialoog vertegenwoordigden en die ook door de Belgische trouvères gedicht werden[32].
Zoo zien wij in de tweespraak _Van der Drievoudichede_ JACOB in gezelschap van zijn vriend MARTIJN, die hem vraagt: hoe kan ik God leeren kennen? Al vloog ik hooger dan Cherubim en Seraphim, antwoordt JACOB, nog zou ik u op die hooge vraag niet kunnen antwoorden. Luister naar hetgeen mij de bijbel leert: de mensch die Gods geheimenissen wil doorgronden is als de beesten waarvan MOZES spreekt, die gesteenigd zullen worden als zij den Horeb beklimmen.--Ook ik ben overtuigd, herneemt MARTIJN, dat alle engelen samen de Godheid niet zouden kunnen omvatten; doch leer mij zooveel mijn door de zonde verzwakt verstand kan bevatten. JACOB geeft dien wensch gehoor: God is boven alles, onder alles, buiten alles, binnen alles. Hij is Vader, Zoon, Heilige Geest. Den Vader noemen wij het eerst, omdat Hij was vóór alle begin; daarna den uit Hem geboren Zoon, dan den uit hun beider vereeniging ontsproten Heiligen Geest; samen vormen zij eene drie-eenheid van _macht_, _const_ en _wille_, die aanwezig moet zijn in elken mensch die iets wil voortbrengen. God rust zelf en brengt alles in beweging; geene plaats omvangt Hem, Hij omvangt alle plaatsen; ons leven heeft begin en einde, Hij is eeuwig. Met onze rede kunnen wij dat niet begrijpen; het geloof draagt hier de kroon.
Op MARTIJN'S vraag naar de menschwording van den Zoon geeft MAERLANT eene uiteenzetting der geschiedenis van Lucifer, van den zondeval, van de verhouding tusschen het menschelijke en het goddelijke in JEZUS, van het Laatste Oordeel. Hij is van ons heengegaan, doch Hij heeft zijn vleesch en bloed hier gelaten om het te "sacreeren" in der priesters handen. Met eene beschouwing van den Heiligen Geest, eene waarschuwing tegen ongeloof en den wensch het hemelsch leven deelachtig te mogen worden wordt het gedicht besloten[33].
In _Disputatie van den Cruce_ zien wij MARIA handenwringend staan onder het kruis waaraan JEZUS hangt; zij verwijt het kruis: moordenaars en dieven moet gij straffen, niet Hem die rein van zonden is.--Niet alleen uwe zaak geldt het hier, antwoordt het kruis, maar die "der wereld gemene"; toen ik uw zoon ontving, was Hij een sterfelijk wezen, doch onsterfelijk zal Hij terugkeeren. Huichelaars beroepen zich alleen op Hem en willen van mij niet weten; doch niemand kan Hem genieten die niet met Hem geleden heeft. MARIA zwijgt: zij beseft dat het kruis waarheid heeft verkondigd. Nu laat zich JEZUS' stem hooren: mensch, wat heb ik voor u gedaan en wat doet gij voor mij? Gij moet de wereld verzaken of gij zult niet met mij leven. Al uw pogen strekt om schatten te vergaderen. Doch het is niet vreemd, dat gij volgt waar uwe leiders voorgaan: al het kwaad komt uit de "sacristie" [Zijnoot: de kerk.]; vleeschelijk leven, wellust, zich trotsch gedragen--het vindt zijn oorsprong bij de geestelijkheid. Om de armen bekommeren zij zich niet. Beginnen zij soms de wereld te verzaken, ras keeren zij terug tot de vleeschpotten van Egypte. De vette posten geeft men aan verwanten en vrienden, al zijn zij onbekwaam. Dat zijn geen herders der kudde, maar wolven! Neemt mijn teeken, het kruis, aan en ontrukt het heilige land aan mijne vijanden! JEZUS zwijgt en het kruis zegt tot MARIA, dat het niets baat of men haar al bidt, indien men niet eerst met JEZUS geleden heeft. Ten slotte gaat de dichter beider aanspraken nog eens na en laat door Ontfermicheit uitspraak doen: dat de mensch den steun van Kruis noch Maagd kan ontberen.
POËZIE DER GEMEENTEN.
In zijne geestelijke lyriek wandelt MAERLANT doorgaans over de hoogten der bespiegeling; in _Disputatie van den Cruce_ zien wij hem afdalen tot de vlakte beneden waar het werkelijk leven wordt afgespeeld. Er was echter in dat werkelijk leven, behalve het wangedrag der geestelijken, nog zooveel dat hem vervulde: maatschappelijke misstanden die hem in twijfel en onrust hielden, onrecht dat hem ergerde, gewichtige vraagstukken die hem niet los lieten. In een paar tweespraken, _de eerste_ en _d'ander Martijn_, heeft hij getracht samen te vatten wat in hem omging. Allerlei in dien tijd gangbare opvattingen, voorstellingen, gedachten over maatschappij en kerk, over handel en wandel der menschen, over de verhouding der standen, over de liefde, de zonde, over God, ten deele reeds door anderen uitgesproken, ten deele dus herinneringen den dichter bijgebleven uit school, kerk of lectuur, ten deele zijn eigendom--zijn hier in lossen samenhang vereenigd. Beide dichtwerken bestaan uit een aantal derzelfde kunstige strofen waarin ook de meeste andere vervat zijn; in _de Eerste Martijn_, de omvangrijkste tweespraak van alle die bijna 1000 verzen telt, is op menige plaats een dichterlijke gloed waaruit ware poëzie is voortgekomen; _d'ander Martijn_, van veel minder omvang, geeft meer spel van vernuft dan poëzie al is deze niet geheel afwezig.
De rijke en rijpe inhoud dezer stukken, de spot over de hoofsche minnelyriek en de minachting van "truffen ende poëtriën", het meesterschap over den vorm verbieden ons aan te nemen dat zij uit des dichters jeugd zouden dagteekenen. Maar anderzijds getuigt _de Eerste Martijn_ van zooveel eerbiedige liefde voor de vrouwen, zij het ook dat die evenals in den _Roman van Troyen_ bekroond wordt door een AVE MARIA, en toont _d'ander Martijn_ zulk een welbehagen in het behandelen van eenigszins spitsvondige minne-vraagstukken, dat wij ons den dichter kwalijk als een bedaagd man kunnen denken. Mag men eene gissing wagen, dan zal men geneigd zijn aan te nemen, dat hier een man van tusschen de dertig en veertig tot ons spreekt.
Dien man, hoe oud hij dan ook geweest moge zijn, zien wij in _de Eerste Martijn_ in de weemoedige stemming die op eene ontgoocheling pleegt te volgen. Hij heeft de werkelijkheid aan zijne idealen getoetst, de schellen zijn hem van de oogen gevallen; en hij slaakt een alarmkreet: "Wapene [Zijnoot: wee!]", Martijn! hoe salt gaen?" Hij ziet de goeden bespot, verdrukt--de slechten, die de grooten pluimstrijken, in eere. Hoe anders dan vroeger: toen stelde vrouwe EERE hem, in wien trouw en deugd was, tot heer boven den "dorper"--nu spannen de heeren samen, vrouwe EERE is verjaagd! Overal hebben de slechten de macht in handen. Dat komt van de kwade raadgevers. Is er nog een God die regeert? Blijkbaar laat Hij alles over aan het blinde toeval.
MARTIJN schrikt bij dat woord. De duivel gaf het u in, zegt hij. Terug! God hoort en ziet alles. De priesters zullen het gewaar worden; de brandstapel wacht u! Vertrouw op God:
God en was noit moede no mat; In 't wout en es loof no blat Buten siere hoede. Al dat es in elke stat Dat behoet hi ende besat Met godliken goede [Zijnoot: voorziet Hij van goddelijken zegen.]. Al ghehinghet hi dan dat, Dat die quade ghewinnet scat Ende menne heet den vroede: So hi hoghere sit up 't rat [Zijnoot: van Avontuur.], So hogher val, so meere plat [Zijnoot: zwaarder smak.] In der helscher gloede Onder der duvele roede.
JACOB is gerustgesteld. Maar niet geheel: is het billijk dat de slechten eeuwig gestraft worden? Hij aarzelt die vraag te doen aan den harden MARTIJN.--Omdat de zondaar eeuwig zou willen leven, klinkt het antwoord, moet hij ook eeuwige straf ondergaan.
Het vraagstuk der zonde laat JACOB nog niet met rust: zou ik dan, indien ik in de hoofdzonden vervallen ware, eeuwig verdoemd zijn, ook al ware ik milddadig en al had ik penitentie gedaan? MARTIJN spreekt den vrager moed in: laat u niet van allerlei door de priesters opdringen, er is "menich onbescheden [Zijnoot: onverstandig.] swijn" onder; God is ook een God van genade, van liefde. Maar de liefde is blind, naar men zegt--herneemt JACOB. Laat ons onderscheid maken, antwoordt MARTIJN; er zijn drie soorten van minne: de eerste, de hoogste, is de "caritate" die God zelven hier op aarde bracht; de tweede, onbetrouwbaar van aard, strekt zich uit naar geld en goed; de derde is de "cracht die twee herten tsamen bint". Met een uitval tegen de hoofsche minnepoëzie geeft JACOB zijne instemming te kennen.
Tot dusver is JACOB de vrager geweest; nu, halverwege zijn pad gekomen, keert de dichter de rollen om.
MARTIJN vat een motief uit het begin der tweespraak weer op: van waar komt de scheiding tusschen adel en lijfeigenen, edel en onedel? Sommigen, antwoordt JACOB, zeggen: van CAÏN; anderen: van CHAM; doch het is onwaar, de "Duutsche loy" [Zijnoot: Het Duitsche wetboek: de _Saksenspiegel_.] weet beter bescheid: het zijn de nakomelingen van krijgsgevangenen. En wat den adel betreft--wat gaat het mij aan, wie iemands vader en moeder zijn geweest! Wie trouw, deugdzaam is en rein van zeden, die is voor mij de rechte edelman[34]! MARTIJN stelt een nieuwe vraag: indien alle menschen van ADAM afstammen en dus bloedverwanten zijn, hoe is dan de "maechscap" zoo verdwenen? Van waar dan al die afgunst en strijd?--LUCIFER is daarmede in den hemel begonnen, antwoordt JACOB; van daar zijn zij op aarde neergedaald. Mijn en Dijn hebben eendracht en vrede verjaagd. MARTIJN wendt zich tot een ander motief uit de eerste helft van het gedicht: van waar neemt de liefde tusschen beide seksen haar oorsprong: uit het hart of uit de oogen? Gij spreekt als een dorper, zegt JACOB; als een onbeschaafde Fries die niet weet wat liefde is. Luister! Nu vangt een redetwist aan tusschen het hart en het oog, tweespraak in de tweespraak, die door vrouwe Redene beslecht wordt. Maar hoe staat het, herneemt MARTIJN, met de liefde tot geld en goed? Wat is beter: rijkdom of armoede? De priesters wijzen u het rechte pad, antwoordt JACOB, maar zelf volgen zij een ander. Laat ons op JEZUS' voorbeeld letten. Deel van uw goed aan de armen, neig uw hart tot hen; dan moge God u in Zijne hoede nemen, u aan de macht der duivelen onttrekken. Dat laatste woord brengt MARTIJN op den oorsprong van alle rampen: de zonde. Van wie komt de zonde? Van de vrouw, van EVA? JACOB antwoordt met een vurig pleit voor de vrouwen die hij bij den wijn en het vuur vergelijkt. MARTIJN verklaart zich overtuigd: ook hij wil de vrouwen vergeven om der wille van de "hooge vrouwe", aan wie ons behoud gelegen is. Zoo neemt aan MARIA'S voeten de tweespraak een einde.
_D'ander Martijn_ is in zoover eene voortzetting van _den Eersten Martijn_, dat wij hier in den aanvang een dergelijke vraag gesteld zien als die over den strijd tusschen het hart en het oog. Hier geldt het de vraag: twee vrouwen beminnen mij; de eene heb ik lief, maar zij mij niet; de andere heeft mij lief, maar ik haar niet--tot welke der twee moet ik mij wenden?
Dat is een vraag, zooals men ze voor de rechtbanken der "Cours d'amour" bepleitte; eene vraag ook, zooals TOREC ze in "_het schip van aventuren_" had hooren behandelen.
In vernuftige dialectiek bestrijden de beide vrienden elkander nu met allerlei voorbeelden van liefdesgevallen, ontleend aan de Oudheid en den Bijbel. Redene moet zich in de liefde doen gelden, zegt JACOB o.a. Aan de voorbeelden van noodlottige liefde uit den Bijbel moeten wij ons spiegelen. God zelf wijst mij in dezen den weg. Zooals Hij lief heeft, wie Hem wederliefde bewijst, zoo moet ook ik mijne liefde schenken aan haar die mij lief heeft.
In den _Verkeerden Martijn_ hebben wij een aardig voortbrengsel van middeleeuwsche ironie. Met talent zijn hier MAERLANT'S redeneeringen uit den _Eersten Martijn_ omgekeerd en tegen de zijne overgesteld. Hier en daar, vooral in de drie eerste strofen, meent men toch de bitterheid van den dichter in zijn scherts te hooren doorklinken. In het laatste couplet is iets van voorname levenswijsheid, die met een lichten glimlach spreekt over de verkeerde toestanden hier op aarde. Het is wel jammer, dat slechts een fragment van dit gedicht tot ons is gekomen. In zijn geheel zou het zeker een waardig sluitstuk voor de MARTIJNS-dichten vormen. Waarschijnlijk zouden wij dan ook meer zekerheid krijgen aangaande de vraag, die voor mij voorloopig eene vraag blijft: of MAERLANT inderdaad de maker is van dit gedicht. Er bestaat misschien meer reden hier aan het werk van een ander te denken dan aan een zelf-parodieerend sarcasme, waarvan in de middeleeuwsche literatuur, naar ik meen, tenauwernood een ander voorbeeld te vinden is[35].
De MARTIJN-dialogen waren voortgekomen uit warme belangstelling in het maatschappelijk leven, uit ergernis van een eerlijk hart over de misstanden in dat leven en uit begeerte om in die misstanden verbetering te brengen. Verbetering door afbreken en opbouwen. De _Martijn's_, vooral _de Eerste Martijn_, werkten vooral afbrekend; in een drietal andere gedichten trachtte de dichter op te bouwen.
Evenals MARTIJN en JACOB in die tweespraken meer dan eens een vroeger motief hervatten, om het op nieuw te bewerken, zoo keert ook MAERLANT terug tot vroeger bewerkte stoffen. De schets eener middeleeuwsche vorstenschool uit den _Alexander_ wordt overtroffen door de handleiding voor vorsten in _Heimelijkheid der Heimelijkheden; Lapidarijs_ is uitgebreid tot het groote werk _der Naturen Bloeme_; de historische overzichten uit _Alexander_ en _Merlijn_ tot den _Spieghel Historiael_.
Het oorspronkelijke _Liber de Secretis Secretorum_, in dezen vorm zeker niet van ARISTOTELES, doch mede door het gezag van zijn naam wijd en zijd verbreid, bevatte eene soort van overzicht der regeerkunst en, daar een vorst ook zich zelven moet regeeren, bovendien eene levensleer. Niet onwaarschijnlijk is, dat MAERLANT bij zijne bewerking het oog had op den twaalfjarigen FLORIS V. Misschien was de dichter tot het inzicht gekomen, dat de vroeger door hem zoo verheerlijkte ALEXANDER toch in menig opzicht niet het toonbeeld van een goed regent kon heeten. _Heimelijkheid der Heimelijkheden_ zou dan min of meer als een correctief van den _Alexander_ moeten worden beschouwd, dat des te beter zou werken, omdat het ook hier juist ALEXANDER is, wien door den zoo hoog vereerden ARISTOTELES allerlei wijze lessen worden toegediend. Zoo was b.v. de aansporing tot het bedwingen van den "grammen moet" voor den _Alexander_ van GAUTIER de CHÂTILLON zeker niet overbodig[36].
_Der Naturen Bloeme_ en _Spieghel Historiael_ moesten, evenals vroeger _Rijmbijbel_ en _Sinte Franciscus Leven_, voorzien in de behoefte aan degelijke lectuur voor de leeken. In de verdietsching van THOMAS VAN CANTIMPRÉ'S groot werk _De Naturis Rerum_ kon elk die zijne bekomst had van fabelen en leugens, "nutscap ende waer" vinden. Alles wat men toentertijd van de natuur, van menschen en dieren wist, vond men hier bijeen. MAERLANT heeft een deel van het Latijn onvertaald gelaten, in het overige de volgorde over het algemeen behouden, in den regel zijn voorbeeld bekort, hier en daar in de moralisaties iets gewijzigd of er iets aan toegevoegd[37].
In zijn _Spieghel Historiael_ leverde hij populair-wetenschappelijk werk, dat voor dien tijd hooge waarde bezat. Het verleden was voor de leeken tot dusver één nevelachtig verschiet van eentonig grijs geweest; deze _Spiegel_ wierp er voor het eerst krachtige lichtstralen in en doorheen. Nu eerst namen enkele bekende figuren in dat verschiet vaste omtrekken aan, nu eerst kon men onderscheid maken tusschen nabij en ver af, nu eerst een blik krijgen op de wording der toestanden waarin men leefde.
Van het groote werk des Franschen Dominicaans, VINCENT VAN BEAUVAIS, bewerkte MAERLANT slechts een deel, het _Speculum Historiale_; de twee voorgaande deelen: _Speculum Naturale_ dat over God, het heelal en den mensch handelde en het _Speculum Doctrinale_ dat een overzicht der menschelijke wetenschap gaf, liet hij achterwege. Overigens gaf hij van het _Speculum Historiale_ eer eene bewerking dan eene vertaling; hij raadpleegde tal van andere geschiedschrijvers, o.a. den Hollandschen kroniekschrijver MELIS STOKE, breidde de geschiedenis van Nederland en de levensbeschrijvingen van Vlaamsche heiligen uit, verrijkte zijn werk met een schat van spreuken en lessen van levenswijsheid[38]. Hier ook had MAERLANT gelegenheid te velde te trekken tegen allen die, zijns inziens, de waarheid ten opzichte van het verleden te kort gedaan of vervalscht hadden: de menestrelen die leugens vertelden over KAREL DEN GROOTE, zijne Pairs en groote vazallen, die verschillende KARELS hadden samengesmolten tot éénen; hij houdt zich aan de _Historia Caroli Magni et Rolandi_; immers, dat was Latijn en dus waar. Eveneens kant hij zich tegen de vermenging van ARTUR-sage en Graal-sage, tegen die van de verhalen over den Zwaanridder met de geschiedenis van het huis Bouillon[39].
Indien men bedenkt dat MAERLANT'S opmerking over de vermenging van verschillende historische KARELS eerst door de hedendaagsche wetenschap opnieuw is gemaakt en met evenveel geleerdheid als scherpzinnigheid gestaafd, dan moet men dezen middeleeuwschen "clerc" bewonderen om zijn helder verstand en zijn scherpen blik. Maar de aesthetische waarde van zijn werk rijst daardoor niet. Trouwens, van rijzen kan eigenlijk geen sprake zijn, want de poëzie is in de drie laatstgenoemde werken zoo goed als afwezig. Zelfs vertoonen zij in de bewerking tenauwernood eenige aandoening, tenauwernood iets eigens. MAERLANT moge een gemoedelijk grapje maken over de vlooien, de "clene wichten" die ons in dit aardsche tranendal steeds gezelschap houden; hij moge zijne kieschheid toonen waar hij het dier Furions ter sprake brengt--doorgaans blijft hij in _der Naturen Bloeme_ de ernstige leermeester[40].
In den ganschen _Spieghel Historiael_ vond ik slechts een paar plaatsen waar blijkt, dat de eene of andere gebeurtenis op MAERLANT zooveel indruk maakte, dat zijne bewerking er de sporen van draagt. CHARLEMAGNE'S smart bij het lijk van ROELAND heeft hem blijkbaar getroffen; in het Dietsch lezen wij dat de groote keizer
... grongierde [Zijnoot: brulde.] in der gebare Alse oft een leuwe ware Die sine jonge vonde vermort.
Het beeld van den ouden leeuw brullend bij zijn vermoorden welp zal wel niet van MAERLANT zelf zijn, maar is toch in zijn voorbeeld niet te vinden[41].
Eveneens wordt hij gedrongen zijn medegevoel te uiten, waar hij in bisschop AMBROSIUS, die keizer THEODOSIUS de waarheid zegt, een geestverwant herkent. Daar komt hem zijn _Eerste Martijn_ weer voor den geest, zoo levendig zelfs dat een paar rijmen uit de eerste strophe hier weer opklinken[42].
DER KERKEN CLAGHE; VAN DEN LANDE VAN OVERSEE; BESLUIT.
Het tekort aan poëzie in de pas behandelde werken heeft MAERLANT ons vergoed door bovengenoemde lyrische gedichten. Beide dagteekenen uit zijn ouderdom. _Van den Lande van Oversee_ moet gedicht zijn na den val van ST. JEAN D'ACRE (1291) en in _der Kerken Claghe_ hooren wij den dichter zeggen:
Wat sagh ic in den spieghel claer? Mijn oude leven, mijn graeuwe haer, Hoe sterven es met mi gheboren!
Tusschen deze twee gedichten bestaat eene vrij nauwe verwantschap. De klacht der kerk, die den titel en den hoofdinhoud uitmaakt van het eene, ruischt als ondertoon door de verzen van het andere[43]. De dichter beeldt hier de kerk uit als eene moeder, eene bedroefde vrouw van haar erf ontzet, wier verdediging Christenridders plicht moet zijn. Het komt mij waarschijnlijk voor, dat deze voorstelling eene herinnering is uit de dagen, toen de jonge verliefde Vlaming zich zoo gaarne verdiepte in ridderromans. In den roman van _Lancelot_ toch legt een abt aan BOHORT de beteekenis uit van een visioen dat die ridder heeft gezien. Wij lezen daar:
Tot u quam op dien nacht besien Die heilege kerke ende al om dien In eens droefs wijfs gelike, Die u clagede droeffelike, Datmen hare onrecht dede Ende nam hare ervechtechede. Sine quam niet gecleet met siden, None togede met den bliden; Maer si quam in groter droefheden Ende gecleet met swerten cleden Om den toren die hare kinder Daden mere ende minder; Dat sijn besondechde kerstine Dat haer kinder (sculdech) te sine, Ende gelijc hare moder hare Altoes sculdech te houdene waren[44].
Zoo kwam de romanlectuur, waartegen hij met zooveel nadruk gewaarschuwd had, MAERLANT toch nog ten goede in zijn strijd tegen de geestelijkheid. In zijn _Naturen Bloeme_, zijn _Rijmbijbel_, zijn _Spieghel Historiael_ had hij zich meer dan eens scherp uitgelaten over hunne hebzucht, weelde, wellust; hun verweten, dat zij waren
... vor mine ogen smeker [Zijnoot: vleiend.] Ende achter valsch als de verrader.