Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 18

Chapter 183,518 wordsPublic domain

In dien kerker was ook de jonge MAERLANT gevangen, toen hij de hand sloeg aan eene bewerking van den roman van ALEXANDER, ter wille van eene schoone die hem gevangen hield en peinzen deed[4]. Behalve den _Alexander_ bewerkte hij in deze eerste jaren nog drie andere romans. Het is begrijpelijk dat twee daarvan: _Merlijn_ en _Torec_ behooren tot die Keltische romans die immers door hunnen vrouwendienst, door een lyrisch-erotisch element en hunne hoofschheid, een jonkman in MAERLANT'S omstandigheden moesten aantrekken; begrijpelijk ook, dat de twee overige: _Alexander_ en _Troyen_ behooren tot die klassieke romans die naar den geest zoo verwant waren met de Keltische.

De scheiding die wij hier, in aansluiting bij onze vroegere beschouwing, voor een oogenblik maken, bestond voor MAERLANT niet. Hij noemt in zijn proloog ALEXANDERS daden als gelijksoortig met en overtreffende die van zoovele andere helden: de strijd om Troye kan bij ALEXANDERS oorlogen niet halen, de daden van ARTUR en WALEWEIN zinken hierbij weg, de oorlogen van KAREL DEN GROOTE en van ATTILA met zijne Hunnen kunnen hiermede niet vergeleken worden. Voor MAERLANT zijn blijkbaar alle gedichten die deze en dergelijke stoffen behandelen, gelijksoortig als schilderingen van het verleden.

Dat hij zich het eerst wendde tot eene bewerking der verhalen over ALEXANDER DEN GROOTE, vindt ten deele zijne verklaring in het zoo even gezegde. Maar ook de groote roem van het door hem verdietschte werk moet daartoe hebben bijgedragen. De _Alexandreïs_ waarmede de scholaster GAUTIER DE CHATILLON andere onhistorische gedichten over ALEXANDER hoopte te verdringen, maakte grooten opgang; zóó zelfs dat de Universiteit van Parijs dit nieuw-Latijnsch epos onder de klassieke boeken opnam; dat het werd gelezen, bestudeerd en vereerd als een van deze. Ook in ons land was de roem van dit werk doorgedrongen. MENKO, abt van Wittewierum in den aanvang der 13de eeuw, noemt in de kroniek van zijn klooster de _Alexandreïs_ in één adem met de _Aeneïs_; een zijner tijdgenooten, de Christelijke Platonist HENDRIK VAN GENT, zegt, dat dit werk zoozeer in aanzien is, dat men er de oude dichters voor laat liggen[5]. Doch ook in het werk zelf en in daarmede verwante verhalen was veel dat een jongen Vlaming dier dagen moest aantrekken. Geest en gemoed waren toen nog zoo ongerept en stonden wijd open als de bloemkelk gereed om zonnestralen en dauw en regen op te vangen. Deze menschen luisterden naar verhalen uit den voortijd als kinderen naar een sprookje; hun frissche belangstelling, nog niet neergebogen onder den last eener eeuwenoude beschaving, niet overprikkeld noch afgestompt, zweefde als een jonge vlinder door de tuinen van het verleden.

Die ridderlijke Koning die met zijn klein leger het geheimzinnig Oosten introk en den machtigen Perzischen heerscher durfde aantasten, moest wel indruk maken op de verbeelding van middeleeuwsche menschen. Wanneer MAERLANT de toebereidselen tot ALEXANDER'S tocht verhaald heeft, kan hij zich dan ook niet weerhouden, zijne verbazing lucht te geven[6]. En wat al wonderen verhaalden de auteurs van de _Alexandreïs_ en dergelijke werken! ALEXANDER komt in landen waar gouden en zilveren bergen zijn; gelijk SINT BRANDAEN, nadert ook hij het Paradijs dat er uitziet als een schitterende burg; hij ziet menschen zonder hoofd, arenden die van achteren leeuwen zijn, draken, reuzen. Doch niet alleen door de verbeelding in werking te brengen behaagde de _Alexandreïs_; in de schets eener middeleeuwsche vorstenschool, in de verhalen over schepping en bijbelsche geschiedenis, de verwijten tot papen en klerken gericht wegens hunne simonie, tot de groote heeren wegens hunne hebzucht, was veel wat den jongen MAERLANT belangwekkend en aantrekkelijk moest voorkomen. Het verwondert ons dan ook niet van hemzelven te vernemen, dat hij dit omvangrijk werk van meer dan 14000 verzen (uit het niet zelden moeilijk of duister Latijn van zijn voorbeeld) in een half jaar heeft verdietscht[7].

Gelijk zoo menig dichter vóór hem, geeft ook MAERLANT in dit gedicht eer eene bewerking dan eene vertaling. Hij geeft korte samenvattingen, ten einde grooter duidelijkheid of beter samenhang te verkrijgen; lascht gepaste vergelijkingen of spreekwoorden in of voegt scherper trekken toe aan de teekening van zijn voorbeeld. Het thema der onbestendigheid van alle aardsche grootheid is door hem met liefde bewerkt. Den bombastischen, bloemrijken stijl van GAUTIER heeft hij waarschijnlijk niet willen noch kunnen volgen; de door den Franschen dichter geliefde Homerische vergelijkingen heeft MAERLANT weggelaten, of een enkelen keer door een eenvoudiger vergelijking vervangen. Op sommige plaatsen bekort hij zijn voorbeeld en breidt dan niet zelden uit hetgeen onmiddellijk volgt, als om eene vergoeding te geven[8].

Een der meest karakteristieke uitbreidingen is zeker die

waarin hij de openbare feestelijkheden te Babylon beschrijft; in de teekening van "meester WOUTER CASTELLIOEN" brengt hij zooveel Vlaamsche werkelijkheid, dat men hier en daar wanen zou verplaatst te zijn naar een Vlaamsche stad die feest viert. MAERLANT moge een geleerd en stemmig jonkman zijn geweest, hij kan toch niet nalaten zich bij die gelegenheid even vroolijk te maken over de dwaze "warmoesdeernen" die zich hoofsche namen hebben aangeschaft en beweren "vrouwe YMME" en "vrouwe MARGRIETE" te heeten[9].

Doch liever laat hij het oog zijner verbeelding gaan over de hoofsche vrouwen van name, om wier hoofd de stralenkrans der minne blonk. Wanneer "meester WOUTER VAN CASTELLIOEN" de schoonheid eener Scythische koningin heeft geprezen, neemt MAERLANT de gelegenheid waar om beroemde schoonheden uit vroeger tijden op te sommen[10]. Hij heeft ze voor het kiezen: behalve BLANCEFLOER die FLORIS beminde, kent hij nog twee van hare naamgenooten; hij kent YSOUDE VAN IERLAND en die andere YSOUDE "met de blanke handen" en MELIOR VAN CHIEFDORE en het liefje van AMADAS en eene van WALEWEIN'S vele minnaressen en LANCELOT'S "amie" en DEJANIRA, DIDO, BRISEÏS en ABSALON'S zuster THAMAR... waarlijk, men behoeft niet te vragen met welke lectuur deze in der minnen kerker gevangene zich tot nog toe bij voorkeur den tijd had verdreven.

Tot diezelfde soort van lectuur behoorde ook de _Historie van Troyen_.

Een geruimen tijd vóór MAERLANT, waarschijnlijk in den aanvang der 13de eeuw, had zekere SEGHER, met den toenaam: DIEREGOTGAF, een paar gedeelten van den Franschen _Roman de Troie_ vertaald of bewerkt[11]. In het eene stuk, _tprieel van Troyen_ genaamd, is de liefde hoofdzaak; wij zijn daar in het gezelschap van een aantal jongere ridders, met de koninginnen van hun hart in een prieel buiten gezeten, en zich vermeiend in hoofsche liefdesgesprekken. Het andere deel verplaatst ons in den oorlog, maar een oorlog die gelijkt op een groot tournooi met scherpe wapenen; de dames zitten er dan ook naar te kijken.

MAERLANT heeft den ganschen _roman de Troie_ van BENOÎT DE ST. MORE vertaald en SEGHER'S werk in het zijne opgenomen, waarschijnlijk echter na het zóó te hebben gewijzigd dat het met zijn eigen werk strookte[12].

De _Roman van Troyen_ is vol liefdelyriek. Het is dan ook begrijpelijk, dat op ééne plaats dat lyrisch element ook den uiterlijken vorm der lyriek aanneemt en het verhaal onderbreekt met een minneliedje. Ook elders vinden wij dat lyrisch karakter: een drietal verzen van BENOÎT over den dood van HECTOR wordt door MAERLANT uitgebreid tot eene elegische ontboezeming, wel niet in coupletten, maar toch in eenige op gelijke wijze aanvangende perioden afgedeeld[13].

Over het geheel mag de Dietsche bewerking verdienstelijk heeten; op menige plaats is duidelijk te zien hoe zeer de bewerker vervuld was van zijn onderwerp, van die ridderwereld en die liefdesgevallen. Waar hij b.v. MEDEA'S hartstocht in zijn Dietsch moet weergeven, levert hij eene fraaie navolging van zijn voorbeeld en op menige plaats zijner bewerking heeft hij de levendigheid der voorstelling verhoogd door een dialoog in het verhaal te brengen[14].

Tusschen den roman _van Alexander_ en dien _van Troye_ bewerkte hij een paar romans uit den Britschen sagenkring. De _Historie van den Grale_ en _Merlijns Boeck_ vormen de beide deelen van het eene werk, dat eene vertaling bevat van een Franschen prozaroman van ROBERT DE BORRON.

In de _Historie van den Grale_ worden ons in hoofdzaak de lotgevallen van JOZEF VAN ARIMATHEA verteld: hoe hij van PILATUS een "nap" of "scotele" had ontvangen, "daer Jezus die eerste misse in sanc"; hoe hij na de inneming van Jeruzalem door de Romeinen met een groote schare naar verre landen trok en hoe "die scotele die men heet den Grael" het vermogen bezat om de goeden van de kwaden te scheiden en tevens de goeden de "gracie" te doen gewinnen. Later wordt de "heilige Grael", "dat Sacrament van den Grale", gesteld onder de hoede van JOZEF'S zwager BROEN, die "de rike visscher" geheeten wordt omdat hij een visch moet vangen die naast den Graal op een gedekte tafel (avondmaalstafel) moet worden gelegd. BROEN staat namelijk aan het hoofd van eene der vier afdeelingen van geloovigen, die het Christendom over de wereld moeten verbreiden. Van de lotgevallen van BROEN en de zijnen vernemen wij verder niets, want het verhaal neemt vrij plotseling een eind en wendt zich tot de geschiedenis van MERLIJN.

Dit verhaal vangt aan met een pleidooi voor Gods troon, over het recht op de zielen der afgestorvenen, tusschen MASCAROEN, advocaat der duivelen, en MARIA, pleitbezorgster der menschen[15]. Natuurlijk verliezen de duivelen het pleit. Om zich te wreken, doen zij door een hunner bij eene onschuldige maagd een kind verwekken dat tot Antichrist bestemd is. Hun opzet mislukt, doordat dit kind, MERLIJN, zijne bovennatuurlijke wijsheid slechts tot heil der menschheid wil aanwenden. MERLIJN komt later in aanraking met den Engelschen koning UTER, wiens broeder PENDRAGOEN gevallen is in den strijd tegen de Saksische indringers. Hij helpt koning UTER in zijne liefdesbetrekking tot YGERNE, "des hertogen wijf van Tintaveel." De vrucht van die overspelige liefde is ARTUR, die koning van Logres wordt maar jaren lang strijd moet voeren tegen de weerbarstige baronnen in zijn land.

Daarmede eindigt MAERLANT'S bewerking, die later door LODEWIJK VAN VELTHEM zal worden voortgezet[16].

Noch in de _Historie van den Grale_, noch in _Merlijns boeck_ vind ik plaatsen die ons de persoonlijkheid van den vertaler doen kennen. Wel mag men vermoeden, dat de beschrijving der hoofsch-hartstochtelijke liefde van koning UTER voor de schoone YGERNE in MAERLANT'S smaak zal zijn gevallen[17]. Had hij geen behagen geschept in zulke liefdesgeschiedenissen, dan zou hij zeker den roman _van Torec_ niet hebben bewerkt. Het is begrijpelijk, dat dit ridderverhaal in de _Lancelot-compilatie_ is opgenomen, want in hoofdzaak bevat het eene verwerking derzelfde motieven die in andere Britsch-Keltische romans, met name in den _Lancelot_, voorkomen. Wij vinden hier o.a. een schoone maagd, zittend op een boom dien zij niet mag of kan verlaten; een dozijn ridders, achtereenvolgens uit een kasteel komend, die door den held van het verhaal overwonnen moeten worden; het "josteeren" tegen de gezellen van de Tafelronde; bedwongen roofridders; verloste jonkvrouwen.

Dat MAERLANT bij de samenstelling van zijn werk gebruik heeft gemaakt van Fransche romans, mag men reeds opmaken uit een vrouwenaam als "TRISTOUSE" dien hij vertaalt door: "met rouwe gedragen" (er is daar sprake van een kind); uit riddernamen als "VAN DER BASSE RIVIERE" en "DE ORGELIOUS"; de hier voorkomende "camere van wijsheden" herinnert ons aan "la Chambre de Beauté" in den _Roman de Troie_[18]. De eenmaal voorkomende uitdrukking "also als ic 't int romans hore" kan wel grond geven tot de onderstelling dat MAERLANT zich bij die plaats van zijn werk een Fransch voorbeeld herinnerde; doch op grond van dat vers alleen aan te nemen dat de _Torec_ vertaald is, schijnt mij gewaagd met het oog op het feit dat nergens een Fransche roman van dezen naam genoemd wordt. Trouwens, ook al is, wat mij waarschijnlijk voorkomt, de roman van MAERLANT'S vinding, veel oorspronkelijks kan men er toch niet in aanwijzen.

Doch vertaald of niet, opmerkelijk is in allen gevalle dat ook in dezen roman de minnedichter zich vertoont: in verzen als:

Dat hare doe een splinter stac Van reinre minnen in haer herte

in eene lyrische ontboezeming over de minne, "die alle hovescheit wiset"; in het "saluut van minnen" dat TOREC aan de blanke MIRAUDE zendt[19].

OMKEER.

In MAERLANT waren nog andere neigingen en verlangens behalve liefde voor vrouwen en romantiek; dat is reeds aangestipt doch behoeft nadere verklaring.

Of zijn gevoel voor het ridderwezen sterk is geweest, mag men betwijfelen. Een dichter die de idealen der ridderschap tot de zijne had gemaakt, zou niet licht van den ridderlijken koning PORUS hebben gezegd, dat hij "bloedde als een rund" of uit den roman _van Troyen_ juist beschrijvingen van wapenrustingen of van den plechtigen ridderslag hebben weggelaten. Bovendien waren die romans voor MAERLANT _historie_. In zijn _Alexander_ verklaart hij met nadruk dat hij "die waerheit, meer no min" in het Dietsch wil uiteenzetten; èn in dien roman èn in de overige vergenoegt hij zich niet met zijn voorbeeld te volgen; doch hij vult het aan, wijzigt of bestrijdt het, zooals hij meende dat de historische waarheid het eischte. Hoeveel prijs hij stelt op nuttige kennis, blijkt duidelijk waar wij in den _Alexander_ allerlei wetenschappelijke invoegsels aantreffen: over de Joodsche en de Babylonisch-Perzische geschiedenis, over JULIUS CESAR, CROESUS, CYRUS, XERXES, over de verklaring van zons- en maansverduistering. Naar het schijnt, heeft hij bij deze mededeelingen vaak slechts zijn geheugen geraadpleegd, zoodat hij toch ook andere boeken gelezen moet hebben dan "der minnen boek". Zoo hoog stelt MAERLANT de lectuur, dat hij DIOMEDES tot zijne geliefde BRISEÏS laat zeggen: "wy lesen in ouden vyten", waar het Fransch slechts van "hooren zeggen" spreekt[20].

Niet zóó ingenomen is MAERLANT met zijn held ALEXANDER of hij blijft zich helder bewust dat deze toch een _heiden_ was en hij verzuimt niet DARIUS te doen getuigen dat hij in de hel zal komen[21]. Hij koesterde liefde voor eene Vlaamsche schoone en bewondering voor uitheemsche romanheldinnen, maar in schoonheid konden die toch niet halen bij

... de vrouwe die noit en dede Sonde no ooc dorperhede

met wie hij de reeks van vermaarde schoone vrouwen besluit. Dezelfde eerbiedige liefde voor "de moeder ons heren" vinden wij aan het slot van den _Alexander_ en in den roman _van Troyen_, waar hij eene onbekende, door BENOÎT aangeduid als "riche dame de riche roi", vervangt door haar die "moeder es ende maghet".

Ten slotte maken die Grieken en Trojanen op MAERLANT den indruk van dorperlijke onnoozelheid; beide volken hebben meent hij, in den oorlog hunne eer verloren. En waarom--gaat hij voort--laat men zich onder Christenmenschen nog altijd voorlezen van die "overdaet"--Want aan weerszijden waren het louter heidenen--? Het antwoord luidt: opdat

... elc man mercken sal, Hoe onreene dat averal Hoerdom es ende hoe groot quaet Datter af te comene staet[22].

Zoo kon het verhaal van Troye ten slotte nog wel dienst doen als afschrikwekkend voorbeeld. Met die overweging zal MAERLANT zijn geweten hebben gerust gesteld, indien dat ten minste nu reeds in hem sprak, zooals het later zou spreken over den verkeerden weg door hem als dichter gevolgd.

Gaf de _Alexander_ ons den MAERLANT van later reeds te zien in zijne neiging tot onderzoek en wetenschap, niet minder doet hij dat, waar wij in dien roman eene uiterst vrije en zelfstandige bewerking vinden van de, ook bij GAUTIER voorkomende, verwijten jegens papen en klerken over hunne symonie, jegens groote heeren over hunne hebzucht.

Maar nergens zien wij in deze vroegste werken van MAERLANT zóó duidelijk wat hij later worden zal als in den _Torec_. In het hoofdstuk, getiteld "hoe Torec in 't scep van aventuren was", zien wij allerlei kiemen die later zich zullen ontwikkelen. In een rijkversierd vertrek hooren wij daar vroede oude mannen spreken over het nut der wijsheid, over dwazen die dat nut niet inzien, over het onrecht door de grooten bedreven, de minachting der kunst, de geldzucht, de breede klove tusschen rijk en arm, de onverdiende geringschatting van den arme. Hier vinden wij ook reeds de drie soorten van liefde genoemd, die wij later in den _Wapene Martijn_ zullen terugvinden[23].

Deze MAERLANT, de Christen die de Moedermaagd stelt boven alle vrouwen, die partij kiest voor den arme tegen de grooten der aarde, die adel en geestelijkheid hunne hebzucht verwijt, die wijsheid en nuttige kennis verheft en aanprijst--zal het winnen van den verliefden bewerker van ridderromans. Zal het winnen--langzamerhand. Want van eene bekeering in den eigenlijken zin des woords kan men hier niet spreken. Immers onder zijne vroegste werken behoorde reeds een didactisch geschrift over de gesteenten (_Lapidarijs_) en een werkje over droomen (_Somniarijs_) dat een dergelijk karakter zal hebben gedragen. Ook verloochent hij in latere jaren dat eerste werk niet. Naar zijn _Troyen_ en zijn _Alexander_ verwijst hij de lezers ook nog in zijn _Rijmbijbel_ en zijn _Spieghel Historiael_ zonder ze af te keuren; van den _Alexander_ zegt hij alleen, dat er fabelen aan zijn toegevoegd die hij niet wil herhalen. Anders is het met den _Merlijn_ en de Britsche romans in het algemeen. Zoowel in _Rijmbijbel_ als in _Spieghel Historiael_ laat hij zich geringschattend uit over "die boerde van den Grale", over "MADOCS droom, REYNAERTS en ARTURS boerden"[24].

Immers, dat waren alle verzonnen dingen, leugens. Meer en meer komt hij tot de overtuiging, dat hij in die vroegere werken van den rechten weg was afgedwaald. In den _Rijmbijbel_ zien wij die overtuiging zoo sterk geworden, dat zij zich moet uitspreken. Hij bidt God: vergeef mij om der wille van dit werk

dat ic mi besmet Ebbe in logenliken saken, Die mi de lichtheit dede maken Van der herten ende van den zinne Ende van der wereliker minne[25].

Hier mag men ten minste van een omkeer spreken. MAERLANT toont besef te hebben van dien omkeer en van nu af zien wij hem in de nieuwe richting voortgaan. Meer dan eens stelt hij "der poëten fabelen", de "boerden ende favele" tegenover de waarheid, tegenover het evangelie. Het duidelijkst in den aanvang van _Sinte Franciscus Leven_:

Cume [Zijnoot: nauwlijks.] es hi van mi bekint, Die nu leeft ende waerheit mint; Maer Tristram ende Lanceloot, Perchevael ende Galehoot, Ghevensde [Zijnoot: verzonnen.] namen ende ongheboren, Hier of willen de lieden horen; Truffe van minnen ende van stride Leestmen dor de werelt wide. Die ewangelie es ons te zwaer, Omdat soe recht seit ende waer.

Of MAERLANT niet aan zich zelven gedacht heeft bij zijn verhaal van dien "coninc van versen"

Die vinden conste ende maken Veerse die ter werelt smaken

maar die, door SINT FRANCISCUS tot inkeer gebracht, voortaan "pensde te betren dingen"? Bij gebrek aan bewijs is dat moeilijk uit te maken; doch zeker is, dat de stem der waarheid zich in MAERLANT'S werk luider doet hooren, naarmate hij ouder wordt[26].

Zijne oogen richtend op de waarheid, had hij der Fransche romanliteratuur den rug toegekeerd; naïef doch begrijpelijk is het, dat nu in het vervolg alle "Walsch" voor hem "valsch" is, terwijl het Latijn, immers ook de taal der kerk, geloofwaardig heet. Dat onder de waarheid, die hij voortaan wil verkondigen, tal van wonderen begrepen zijn, behoeft in een middeleeuwsch man niemand te bevreemden; "waerheit ende menech wonder", "wonder ende waer" worden door hem, evenals door andere middeleeuwsche auteurs, telkens in één adem genoemd[27].

GEESTELIJKE POËZIE.

Waar kon hij daarvan krachtiger en talrijker getuigenissen vinden dan in den bijbel? In die overtuiging heeft hij de _Historia Scolastica_ van PETRUS COMESTOR verdietscht, die bekend staat onder den naam van _Rijmbijbel_.

In dit werk vindt men in hoofdzaak den inhoud weergegeven der geschiedkundige boeken van het Oude Testament, met dien der Apocriefe Boeken en der Evangeliën. MAERLANT heeft weggelaten wat hem overtollig of langwijlig voorkwam, hier en daar stukken van den bijbel of zedelijke toepassingen ingevoegd; menige mystieke uitlegging van het bijbelverhaal is door hem uitgebreid, ook neemt hij niet zelden de gelegenheid waar om MARIA te verheerlijken of de geestelijkheid te gispen[28].

Hoofdzaak was voor hem: den bijbel en de bijbelsche geschiedenis onder het bereik der leeken brengen. Van poëzie is in dit werk geen sprake; van aandoening zelfs tenauwernood. Slechts op een paar plaatsen, namelijk waar hij den dood van JUDAS MACCABEÜS verhaalt, en eens waar van JEZUS sprake is, kunnen wij eenige aandoening waarnemen[29]. Blijkbaar was de bewerking der _Scolastica_ voor den auteur louter plicht. Hij moge dien plicht gewillig en blijmoedig volbracht hebben, wij kunnen begrijpen dat die hem soms zwaar gevallen is. Na de voltooiing der bewerking van den _Pentateuch_ slaakt hij dan ook de verzuchting:

God danc, ic heb se overleden [Zijnoot: achter den rug.].

Minder zwaar zal hem de bewerking van _Sint Franciscus' Leven_ zijn gevallen, al ondernam hij die, niet uit eigen beweging, maar op verzoek van eenige belangstellenden te Utrecht, inzonderheid van zekeren broeder ALAERD, waarschijnlijk, evenals de overige vragers, lid der orde van SINT FRANCISCUS. Dit werk zal hem vlot van de hand zijn gegaan, omdat in de persoonlijkheid van den "edelen vaendragher ons Heren" veel moet zijn geweest wat juist MAERLANT in zijn strijd voor de armen tegen de aanzienlijken zal hebben aangetrokken. In den proloog immers herhaalt hij nog eens eene waarschuwing van vroeger:

Dat minnen gaet vor alle ere; _Want arem man heet emmer sot_.

En wie had de armoede trouwer en belangeloozer gediend, wie haar op kostelijker altaar geheven, dan juist "il Poverello"?

Toch heeft MAERLANT'S bewerking van dit heiligenleven weinig eigens, weinig ook dat ons spreekt van aandoening in hem gewekt door de levensopvatting en den levenswandel van "SINTE FRANSOYS". Waar wij hier en daar sporen van aandoening meenen te zien, blijkt bij vergelijking met het origineel dat MAERLANT niet veel meer geeft dan eene vertaling[30].

Met _Rijmbijbel_ en _Sinte Franciscus Leven_ had MAERLANT werken gegeven die zijns inziens beter lectuur waren dan de door hem verworpen dwaasheden "van minnen ende van stride". De kennismaking met Latijnsche kerkliederen en eigen godsdienstige overpeinzingen brachten echter ook nog andere geestelijke poëzie uit hem voort, waarop wij nu het oog moeten richten.