Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 16
Al dit menschelijk-dierlijke, of ten minste verreweg het meeste daarvan, had de dichter reeds in zijn voorbeeld gevonden. Nergens echter gaat hij de grenzen van den tact zoozeer te buiten als de dichters van _Le Plaid_ en der overige "branches". Deze laten de dieren op bankjes zitten, blozen van schaamte, de armen om elkaars hals slaan, een ring aan den vinger steken, baden en aderlaten; hier werpt men eene in zwijm gevallen kip water over den kop, om haar weer bij te brengen. In den _Reinaert_ vinden wij een enkelen keer eene uitdrukking, aan het paardrijden ontleend, gebezigd van dieren: Reinaert en Tibeert de kater loopen
daer si lopen wilden, dat si nie toghel uphilden[26].
Daar echter nergens in dit of eenig ander deel van het verhaal sprake is van rijpaarden, kan deze uitdrukking niet meer beteekenen dan: _stilstaan_.
In de Fransche gedichten echter vinden wij, behalve deze uitdrukking ("onques n'i ot resne tenue") nog vrij wat andere die ons de dieren werkelijk te paard zittend voorstellen, hoe zij hun rijdier de sporen geven en door de vlakte draven.
WILLEM spreekt van Reinaert's kasteel en zelfs van een der buitenwerken daarvan, de "barbecane". Doch daarbij blijft het. In de Fransche gedichten krijgen wij het gansche kasteel voor ons met zijne hooge muren, ophaalbruggen, het wiket in de poort; in een der "branches" wordt zelfs een formeel beleg beschreven; elders gewag gemaakt van het Grieksch vuur[27]. Heeft WILLEM dus in de onvermijdelijke vermenschelijking der dieren de maat geëerbiedigd, anderzijds weet hij de dieren in hun handel en wandel zoo telkens weer voor onze oogen te brengen en te houden, dat wij het menschenleven maar flauwtjes door dat dierenleven heen zien schemeren.
Nu eens zien wij Reinaert een haas bij de keel grijpen, dan eens aan de kleine wolfjes zeker oogwater toedienen waardoor zij stekeblind worden. Wij zien hem om een hoenderpark sluipen; de honden gaan hem te lijf, dat de vlokken hem van den pels stuiven. In zijn schuilplaats ligt hij zich te koesteren op een zonnig plekje. Hij speelt met de jonge lammetjes, totdat hij er een dood bijt en het opgelikte bloed den sluimerenden moordlust voorgoed wekt. Onder varens verscholen, ligt hij zijn vader te bespieden, den ouden vos die met den staart zijn spoor uitwischt; hij zelf krabt met zijn pooten het zand weg van den toegang tot een hol, pas door zijn vader gestopt en kruipt naar binnen; bij het afscheid van den koning en het hof gaat hij op zijne achterpooten staan. Hij bijt Cuwaert de keel af en het vossengezin smult van den "goeden vetten hase."
Daar is Isegrim de wolf die zich zoo dik gegeten heeft, dat hij niet meer kan ontsnappen door het gat, waardoor hij eerst is binnengekomen; die, als hij een kalf of ram heeft buitgemaakt, onder het vreten tegen Reinaert gromt en hem de tanden laat zien; Isegrim met zijne magen die ons zoo goed geschetst worden in dat ééne vers: "met scerpen claeuwen, met diepen monden." Bruin de beer, op zijn staart voor de "barbecane" van Malpertuis gezeten, den honing verheerlijkend, met kop en voorpooten gevangen in een halfgespleten eik; later zien wij hem afgemat en bloedend op den oever liggen, "ende sloech met beiden sinen lanken" [Zijnoot: zijden.]; daarna op weg naar des konings hof, beurtelings voortschuivend op zijne achterdeelen of zich over den grond wentelend. Tibert de kater, op de
muizenjacht in een strik gevangen, die in zijn doodsangst den bijna naakten pastoor met klauwen en tanden te lijf gaat; die zich uit den strik redt door het touw stuk te bijten. Daar is voorts de haan Cantecleer met zijn kippenharem, die zoo lustig en rustig leeft in dat mooie park, totdat de roode vijand hen komt belagen; Cantecleer, klapwiekend gaande voor de lijkbaar, waarop de door Reinaert vermoorde kip Coppe ligt; Coppe "die so wale conste scraven [Zijnoot: (met de pooten) schrabbelen.]." Elders zien wij haan en kippen op de hanebalken of losloopend bij een schuur, hond en kat kijvend om een worst, de ooievaar die de kikkers opslokt en tal van andere beesten die ons slechts terloops genoemd worden.
Dat rumoerig dierenleven in zijne bonte afwisseling wordt grootendeels afgespeeld onder den blooten hemel in Gods vrije natuur.
Het is Pinksteren in een heuvelachtig land, bosch en hagen staan in het groene blad. Op een grasveld houdt Nobel hof; een hooge steen is 's konings troon. Onbezorgd wandelt Cantecleer met zijne kippen rond waar de groene velden vol bloemen staan. Coppe wordt begraven onder de linde (rustplaats van zoo menig minnend hart!) Bruin trekt naar Malpertuis door een donker woud, door een wildernis, over een hoogen breeden heuvelrug. Langs een krom pad bereiken Reinaert en hij het erf van LAMFROIT, waar een eik ligt dien de boer uit het bosch heeft gehaald om hem te splijten; een rivier stroomt in de nabijheid. In die rivier ontkomt de mishandelde beer aan zijne vervolgers. Op den oever van die rivier ligt hij uitgeput, als Reinaert die op een heideheuvel een vet hoen heeft verorberd, daarheen komt om zich wat op te frisschen.
Tibert ontmoet op zijn weg de kraai. "Al heil, edel voghel!" roept hij, "vlieg aan mijne rechterhand voorbij!" Maar de vogel vliegt in het kreupelhout, links van hem: een kwaad voorteeken! 's Avonds laat bereikt hij Maupertuis; helder als de dag schijnt de maan over de heide; bij dat licht loopen hij en Reinaert naar pastoors schuur.
Ver weg van deze streken, in de wildernis, bij een bosch ligt de bron Kriekeput; alleen uilen nestelen in die eenzaamheid; jonge berken staan in den bemosten grond om de put. Een dergelijke wildernis moet het zijn, waarheen Reinaert ten slotte met zijn gezin de wijk neemt, waar het op de heide en in het kreupelhout krioelt van patrijzen en ander gevogelte.
Welk een meester toont deze middeleeuwsche dichter zich reeds in de karakteristiek zijner personages?
Welk een brutale zinnelijkheid is er in dien Reinaert, den echtbreker; die niet tevreden met de wolvin, ook de gemalin van den koning, naar het schijnt, te na is gekomen; die voor zich zelf weet te zorgen en tijdens het gevecht der dorpelingen met Bruin een vet hoen wegkaapt; hoe grof uiten zich zijne teleurstelling en zijne minachting voor LAMFROIT, als deze den beer heeft laten ontsnappen; hij lacht dat hij kraakt bij de weeklachten der pastoorsche. Hoe gruwzaam is zijn wraak op Isegrim en Bruin en hoe bitter zijn spot over hun ongeluk. Bij zijn afscheid weet hij den haas Cuwaert en den ram Belijn met zich te lokken; den eerste vermoordt hij en zendt den ander met den kop des vermoorden in een zak naar den Koning terug; "er zitten brieven in", zegt hij, "waarvoor de Koning u dankbaar zal zijn". Dat is zijn afscheidsgroet. Al zit hij in de klem, hij verliest den moed niet. Aan 's Konings hof gekomen na al zijne misdaden, krijgt hij het benauwd; toch houdt hij het hoofd op, hij loopt als een prins bij den weg. Met de galg voor oogen spot hij nog met Isegrim. Zijn zelfvertrouwen begeeft hem ook nu niet, want reeds heeft zijn vindingrijke geest een uitweg ontdekt: als terloops laat hij iets van een schat verluiden; wanneer dan de hebzucht van Koning en Koningin gewekt is, doet hij een kunstig verzonnen verhaal over eene samenzwering der dieren om Bruin op Nobels troon te zetten. Dat verhaal besluit hij op voortreffelijke wijze met de klacht: "ende arm man Reinaert es de blare [Zijnoot: zondebok.] "; langs dien weg weet hij het verhaal weer op zich te wenden. Niets is hem heilig: hij maakt grappen bij de biecht en begint Latijn te koeteren; als Grimbaert hem berispt dat hij na de biecht onmiddellijk een aanval doet op eenige kippen, zegt hij: stoor mij niet in mijne vrome overpeinzingen! Onder het voorwendsel van Cuwaert een gebed te leeren, grijpt hij hem bij de keel. Hoe ootmoedig houdt hij zich tegenover den Koning; hoe nederig tegenover den beer: ik moet wel honing eten uit nood, een arm man is geen graaf! Maar des te bitterder en onbarmhartiger is zijn spot later, als hij het spel gewonnen ziet. Want hij kent geen genade; boven alles is hij _fel_: "de felle metten roden baerde", het "felle dier", "die felle creature"--zoo noemt de dichter hem bij voorkeur. Zijn eenige zwakke punt is de liefde voor zijne zoons: Reinaerdijn, wien de knevels al zoo aardig aan zijn muiltje staan en die een aardje naar zijn vaârtje zal hebben; Rosseel, "den schonen dief", die hij zoo lief heeft als eenig vader zijne kinderen.
Het meest op den voorgrond staan tegenover Reinaert Isegrim en Bruin, naast Reinaert zijn neef Grimbaert de das, terwijl Tibert de kater zich later ook tegenover Reinaert plaatst.
Van Isegrim wordt ons meer verhaald dan dat wij hem zien handelen of hooren spreken. In den aanvang van het verhaal staat hij met zijne vrouw Hersinde en zijne magen vóór den Koning; hij is degeen die de reeks der klagers opent. Uit onderscheiden verhalen blijkt ons, hoe vaak Reinaert en hij als "gezellen" er op uit zijn geweest en hoe slecht Isegrim er gewoonlijk is afgekomen. Bij de voorgenomen terechtstelling van Reinaert is hij op dreef: hij vermaant zijne magen den schuldige stevig vast te houden, Hersinde moet den schelm bij zijn baard grijpen, onderwijl zal hij met Bruin en Tibert de galg in gereedheid brengen. In zijn triomf over den gehaten vijand maakt hij bittere grappen in vossetrant. Als hij hoort dat Reinaert zich heeft weten vrij te pleiten, snelt hij terug naar 's konings hof en vaart zoo uit, dat de koning boos wordt en hem met Bruin doet gevangen nemen. Terwijl zijne voorpooten gevild worden, ligt hij stil; bij Reinaerts spotternijen verkropt hij zwijgend zijne woede.
Met blijkbaar welbehagen heeft de dichter den beer geteekend in zijn domme zelfgenoegzaamheid. "Maak u niet bezorgd over mij" zegt hij tot den Koning, die hem waarschuwt tegen Reinaerts bedriegelijken aard. Komisch is hij in zijn naieven lofzang op den honing, niet minder in de deftigheid waarmede hij een wijs spreekwoord te pas brengt; hij, de gulzigaard, over het "maathouden"! Dan zien wij "arm man Brune" in de knijp: met een bebloeden kop, zonder wangen, met slechts één oor, drijft hij vloekend de rivier af; hijgend van inspanning, steunend van pijn, ligt hij op den oever; liever dan Reinaerts bittere grappen te verdragen, springt hij opnieuw in het water. Welk een krachtig komische werking doet zijn droefheid over de vermindering van zijn uiterlijk, het verlies van zijne "mooie wangen". Wanneer de vos eindelijk als gedaagde aan het hof verschijnt, springt hij met zijne verwanten op; gretig neemt hij deel aan de toebereidselen tot de terechtstelling.
Grimbaert de das is de eenige trouwe vriend dien Reinaert heeft, die hem van den aanvang af verdedigt, die hem trouw blijft, ook nadat zijn oom hem droevig heeft gelogenstraft. Wanneer hij ziet, dat Reinaert gevaar loopt door niet aan de indaging gehoor te geven, brengt hij zelf hem aan 's Konings hof. Is Reinaert veroordeeld, dan gaat hij met zijne magen heen, om zijn ooms dood niet te moeten zien. Slecht wordt hij voor zijne trouw beloond; om zich van de galg te redden, beticht Reinaert ook hem van deelname aan de samenzwering tegen den koning.
Voor Reinaert pleit, althans in den aanvang, ook kater Tibert. Maar hij, "een arm wicht, een clene dier" heeft toch na Bruin's mislukten tocht weinig trek zijn vriend Reinaert te gaan halen. Onderweg is hij angstig, al tracht hij zich goed te houden. Voorzichtig zal hij zijn, maar zijn snoepzucht is hem de baas; voor de opening in pastoors schuurdeur aarzelt hij, maar Reinaert weet op zijn eergevoel te werken, zooals ook koning Nobel dat vroeger gedaan had. In beide gevallen geeft hij aan dat beroep op zijn eergevoel gehoor; katten zijn immers ook nu nog dieren "qui se respectent." Met welbehagen neemt hij later de beulsrol op zich: "ic ne dede nie so lieve pine." Het loopen met het zware stroptouw valt hem wat moeilijk, maar hij doet het met goeden wille. In groote zorg zien wij hem ten laatste op de galg blijven zitten, wanneer de raaf het bericht brengt van Reinaerts vrijspraak.
Daar zijn verder de lichtgeloovige Cuwaert; de waardige Cantecleer, zoo fier op zijn groot geslacht en zijn wijze echtgenoot; de angstige en domme ram Belijn en andere dieren die geheel op den achtergrond blijven. Boven deze staat koning Leeuw, lichtgeloovig, lichtgeraakt, lichtgesust, een spotbeeld van een koning, zooals CHARLEMAGNE in zoo menigen ridderroman.
Dus siet men dat behendichede Beter es dan sterchede.
Die slotverzen van een der fabels uit _Esopet_ moeten wel den voornamen indruk hebben weergegeven, op de Nederlandsche gemeenten gemaakt door dit werk, het rechte epos der gemeentenaren. Voor hen geen ridderidealen noch hooge minne. Reinaert was een held naar hun hart: een sluwe vermetele boef, koel van hoofd, scherp van zinnen, tuk op zijn voordeel, die spot met het gezag en zich weet te handhaven tegen zijne meerderen; grappenmaker met een scherpe tong, die ook het heilige niet spaart, die pleizier heeft in eigen schelmstukken; wien gewetenloosheid en wreedheid werden vergeven, omdat hij ten slotte zijne zaak wint, en omdat hij bovendien immers maar een dier was.
Zulk een karakter moet aantrekkelijk zijn geweest voor poorters en boeren, wier grove zinnelijkheid met moeite in band gehouden werd door het geloof en de wet, wier nuchter verstand gescherpt werd vooral door den lust naar voordeel en gewin; wien hartige scherts en losse grappen zoo smaakten al liep er wat van SINT ANNA onder; die zelf zoo onbarmhartig en genadeloos wreed konden te werk gaan tegen hunne vijanden; die hunne wassende zelfstandigheid hadden te verdedigen tegen de hoogere standen.
Dat zij van dit dierenverhaal zulk een sterken indruk kregen, hadden zij te danken aan den voortreffelijken dichter, van wien wij slechts weten dat hij WILLEM heette, een roman van Madoc (uit den Britschen sagenkring) had gedicht, en van wien wij mogen vermoeden dat hij in Oost-Vlaanderen woonachtig was.
Die dichter toonde zijn meesterschap niet alleen in de karakteristiek, maar ook in den bouw van zijn werk. Welk een eenheid heerscht daar! Reinaert's figuur beheerscht het gansche gedicht; hij vervult voortdurend onze gedachten; is hij niet ten tooneele, dan spreekt men van hem. Doch niet minder voortreffelijk is de wijze waarop WILLEM al deze, deels overgenomen deels zelfgekozen, stoffen heeft verwerkt en vereenigd. Hoe is hij _in_ zijn verhaal, dat slechts hier en daar door eene reflexie wordt afgebroken. Welk een pleizier heeft hij zelf in zijne stof; zoo b.v. wanneer hij Reinaert in schoenen van Isegrim's huid en met een reiszak van Bruin's vel op reis ziet gaan. Trouwens het gansche gedicht is geboren uit liefde, liefde tot het uitbeelden van menschen, dieren, de natuur.
Wie zoo geestig kon vertellen, schertsen, parodiëeren, moet een fijn man zijn geweest.
Van hoeveel takt getuigt het, dat hij Reinaert's overspel met de wolvin, in het Fransch de spil waarom alles draait, naar den achtergrond heeft geschoven. Hoe geestig weet hij den hoofschen spreektrant na te volgen in dat half omsluieren van het onkiesche, waar Reinaert zijn overspel aan Grimbaert biecht; want Grimbaert, nog heden een nurksche potentaat maar een rustig en, voor zijn doen, fatsoenlijk man, moet vooral op dat oogenblik door Reinaert worden ontzien.
Het verwondert ons niet dat deze dichter juist een Britschen roman heeft bewerkt en het der moeite waard acht, ons dat in den aanvang van zijn verhaal mede te deelen.
Maar al was hij fijn, zeker moet hij zich één hebben gevoeld met zijn volk. Hoe komt de Vlaming in hem reeds voor den dag, waar hij het juffershondje Cortois Fransch doet spreken; en Grimbaert bij de biecht tot den Latijn brabbelenden Reinaert zeggen: "oom, praat je Fransch? spreek asjeblieft Dietsch, dan kan ik je verstaan".
Den hoofschen dichter van _Sinte Lutgarts Leven_, WILLEM VAN AFFLIGHEM, smaakten die dierfabels blijkbaar niet, die opgesmukte leugenverhalen van ezels die dansen en springen, van rammen die de mis bedienen[28].
Maar het Vlaamsche volk, onbekommerd om dat vonnis, is zijn Reinaert blijven genieten en het Nederlandsche volk is gevolgd waar de Vlaming voorging. Eeuw in eeuw uit, in omwerkingen van velen aard, in volksboek, volkslied, volkssprookje kwam "'t looze Reintje" de geesten bekoren met zijne vernuftige bedriegerijen, zijn gezonde luim, zijn luchtigen of scherpen spot. Die verhalen zijn nu beperkt vooral tot de kinderkamer. Nog heeft geen geniaal Nederlandsch dichter aan deze stof opnieuw de hand geslagen, om haar te verwerken in den geest van het oude gedicht of om er zijn eigen omgeving parodieerend in af te beelden.
Doch hetzij zulk een dichter kome of niet, voor ons blijft het gedicht _van den vos Reinaerde_ een kleinood der Dietsche letterkunde, en de nagenoeg onbekende WILLEM een dichter die onder de middeleeuwsche kunstenaars van het woord te onzent geen meerdere en te nauwernood zijns gelijke heeft gevonden.
AANTEEKENINGEN
[1] Uitgave van Dr. A. BEETS. (Groningen. WOLTERS. 1885).
[2] Fragmenten van een bestiaris van minnen (oorspronkelijk of vertaald?) en van een gedicht getiteld "_Hier beghint Ovidius_", dat uit het Fransch is vertaald, uitgeg. door BORMANS in: _Bulletins de l'Acad. Roy. de Belgique_, T. XXVII, 488.
MAERLANT'S mededeeling in _Der Naturen Bloeme_, (ed. VERWIJS), bl. 5. Zie voorts over de _bestiaires_: PETIT DE JULEVILLE, a.w. II, 164 suivv. en: _Geschichte des Physiologus_ von Dr. F. LAUCHERT. Strassburg. 1889.
[3] Ik volgde hier hoofdzakelijk de voorstelling van BÉDIER in zijn bekend werk _Les Fabliaux_.
[4] Vgl. het artikel van Dr. J.W. MULLER in _Taal en Letteren_, XIV, 490.
De verzen uit _Sinte Lutgart's Leven_ (II, 95-6):
Daer doen si stomme beesten spreken _Daer doen si simmen speren breken_
wijzen ook daarop. Uit het door mij gecursiveerde vers mag men opmaken, dat hier sprake is van een fabel of een verhaal waarin een tournooi van apen wordt beschreven. Zulk een verhaal is, mijns wetens, niet tot ons gekomen.
[5] T.a.p. I, 96, vs. 69. Vgl. voorts de uitgave van Dr. TE WINKEL.
[6] Aldus versta ik de verzen (vs. 19-20):
Maer merket ende hoert Meer die redene dan die woert.
[7] Vgl. b.v. no. 11, 1-2; 28, 1 vlgg.; 42, 1 vlgg.
[8] De afschrijver voegde hieraan weer een paar onnoodige verzen toe.
[9] Vgl. no. 3; no. 50; no. 30; no. 66. Het Latijn heeft op deze plaatsen niets van dien aard.
[10] no. VII, XLV, LX, LXII, LXIII. Ook de fabel van den strijd tusschen den buik en de overige ledematen verplaatst ons buiten de dierenwereld (LXV).
[11] De vier laatste verzen kunnen, zooals FRANCK opmerkte, onmogelijk van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker zijn.
Het Latijnsche verhaal heeft op de overeenkomstige plaats slechts het volgende: "Accepit (aquam) bibit et exinde habiit. Cumque ille videret feminam pulcram, rediens consolatur eam. Iterum sic fecit et tertio." Vgl. _Romulus_ (ed. OESTERLEY. Berlin. Weidmannsche Buchhandlung), p. 69, III, 9.
[12] Een zeer goed overzicht van deze stof en de literatuur daarover gaf Dr. A.J. BOTERMANS in zijn Proefschrift: _Die hystorie van die seven wijse mannen, van romen._ 1898. De Erven F. BOHN. Haarlem. Hoofdstuk I.
[13] Vgl. daarover: Dr. H.P.B. PLOMP, _De Middelnederlandsche bewerking van het gedicht van den VII. vroeden van binnen Rome._ (Utrecht. 1899).
[14] I, p. 92.
[15] Vgl. _Esopet_, vs. 51-2:
Mi es te nacht een dief verstolen, Die mi op thoeft was bevolen
met _VII. Vroeden,_ 3248-9:
Ende hem van der galgen verstolen, Die hem te wachten was bevolen.
Ik verwijs naar de editie van STALLAERT. Zie ook de critiek dier uitgave van Dr. STOETT in _Noord en Zuid_, X, 6.
[16] Vgl. het a.w. van Dr. PLOMP, bl. 51 vlgg.
Het realistisch-erotisch element o.a. in een vers als 1921: "_Maer so een meer maelt, so hi moeder es._" (Vgl. mijn _Lied in de Midd._ over de molenaarsliederen bl. 308, 409 vlgg.). Met vs. 1519 vlgg. (het verbod van 's avonds zonder licht uit te gaan) vgl. men deze keur van Antwerpen van 1438-'9: "dat nyement by nachte en ga achter de straten na de diefclocke sonder lanteern ofte licht." (_Antw. Bibliophilen_, no. 3, bl. 134).
[17] Een overzicht der literatuur bij TE WINKEL en PETIT. Daarbij moet gevoegd worden vooral: _Les Sources du Roman de Renart_ par L. SUDRE, (Paris, 1893); een overzicht van dat werk door Prof. J.W. MULLER in _Taal en Letteren_ van 1895; de nieuwe uitgave
"_van den Vos Reinaerde_" door BUITENRUST HETTEMA en MULLER; de artikelen dezer geleerden in _Taal en Letteren_, 14e jaargang.
Ik verwijs hier naar de voortreffelijke uitgaaf van Prof. MARTIN; voor de Fransche branches naar MARTIN'S _Roman de Renart_, ook naar een uitnemend artikel van VORETZSCH in _Zeitschr. für roman. Philol._, XV en XVI.
[18] Nog in de 14e eeuw krioelde het in het Brugsche Vrije en trouwens in gansch Vlaanderen en Brabant van wolven. Vgl. _Siècle des Artevelde_, p. 251 en _Mém. Cour. de l'Acad. Royale de Belg._, XXXII, 221.
[19] Vgl. daarover de mededeelingen van JONCKBLOET en MARTIN; Prof. J.W. MULLER heeft nog op eenige andere punten gewezen in het genoemde artikel in _Taal en Letteren_.
[20] Vgl. _Reinaert_, vs. 623-6 met _Br._, XIV, 302-6 (al is daar geen "gepeins" maar "dire soef"); dit "binnensmonds spreken" ook I, 2785, 2841. _Rein._, 960-'81 met _Br._, X, 687-716; _Rein._, 1258 vlgg. met _Br._, I, 879-882; VI, 207-224; _Br._, I b. 2702-2722; _Rein._, 3368 vlgg. met _Br._, I, 942-3; _Rein._, 1510 vlgg. met _Br._, I, 1050-'54 en XIV, 258-9, 665 vlgg.
[21] Vgl. de door JONCKBLOET uitgegeven fragmenten (_Karel de Groote en zijne XII. Pairs_), p. 55, 60, 169, 182, 233 vs. 60, 244.
[22] De bedoelde plaatsen in den _Reinaert_ zijn: vs. 62: "Isingrijn ende sine maghe"; 1024: "te lachtre allen sinen maghen"; vs. 1084-5; voorts: vs. 1666: "ghi sijt mijn maech: u souts vernoien || seidic eneghe dorperheit"; ook vs. 1755: "so arem no van so cranken maghen"; vs. 1850: "Bruun spranc up met sinen maghen"; 1884-5: "Orlof nam Grimbeert die das || Met Reinaerts naesten maghen"; 1899-1900: "al es Reinaert selve quaet || hi hevet meneghen goeden maech"; 2191: "som van minen liefsten maghen || die ic node soude bedraghen" (ook vs. 2228, 2913); vs. 2463: "ser Isingrijns maghe"; 2720: "doe haddics rauwe als een sijn maech"; 3398-9: "hi was een deel des coninx maech || hi mocht wel doen"; vs. 3449: "alle sheren Belijns maghe"; 3456-7: "Reinaerde... ende allen sinen maghen".
[23] Vgl. _Rein._, 11-17, 32-7 met _Flor. en Blanc._, 1-13, 65-75; _Rein._, 1-9 met _Wal._, 1-6; _Rein._, 1-2 met _Wal._, 23-24.
[24] Vgl. FRANK'S uitgave van den _Alexander_, Inl. XVII-XVIII. F. gelooft, dat MAERLANT hier onder WILLEM'S invloed gestaan heeft. Mij komt dat reeds op zich zelf onwaarschijnlijk voor. Doch bovendien: bij de door F. genoemde plaatsen is door VERDAM in zijne recensie van F.'s werk nog eene treffende plaats gevoegd nl.: _Alex._, VIII, 315 te verg. met _Rein._, 1589.
VERDAM schijnt niet te hebben opgemerkt of der vermelding waard geacht, dat de rijmen dier verzen: _oghen_ || _ghedoghen_ in datzelfde boek nog tweemaal voorkomen: VIII, 251-2, 751-2.
Nu is het toch waarschijnlijker dat een paar verzen uit den _Alexander_, welker rijmklanken nog tweemaal terugkeeren, WILLEM in het oor zijn blijven hangen, dan dat MAERLANT het ééne verspaar uit den _Reinaert_ zou herhaald en nog tweemaal diezelfde rijmklanken gebruikt hebben.
Ten slotte wijs ik nog op de overeenkomst tusschen het begin van WILLEM'S proloog en dat der _Enfances Ogier_ van ADENEZ LE ROI: Li roi ADANS ne veut plus endurer que li estoire d'Ogier, le vassal ber, soit corrompue, pour ce i veut penser etc.
[25] Vgl. o.a. _Rein._ 83, 90, 142, 622, 656, 941, 1090, 1450, 1713, 1813, 2060, 2153, 2271, 2282, 2435, 2471, 2722, 2739, 2959, 2980, 2993, 3241, 2839, 2844, 2048 en tal van andere plaatsen.
[26] 1159-1160.