Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 15

Chapter 153,717 wordsPublic domain

Het middeleeuwsch woord _fabel_ was, evenals het Oudfransche _fabliau_, ruim genoeg om verhalen van dezen aard en verhalen uit het dierenleven te omvatten; doch wanneer wij de Nederlandsche bewerking vergelijken met het Latijnsche origineel, dan zien wij duidelijk dat wij hier een voorlooper onzer latere _boerden_ voor ons hebben. Van het sober, bijna droog, vertelde Latijnsche verhaal heeft de Nederlandsche dichter een klein tafereel vol leven gemaakt, waarin de naïeve volkshumor van tijd tot tijd op voortreffelijke wijze tot uiting komt. Men hoore b.v. het eerste onderhoud tusschen de schijndroeve en den wachter:

"Vrouwe," seegt hi, "God houde u!" "Ay mi!" seegt si, "wie es daer nu?" "Vrouwe," seegt hi, "hier es een man." "Ay mi!" seegt si, "nu vlie dan! "Nemmermeer so ne wil ic comen, "Of God wilt daer men _man_ hort noemen. "Ay mi!" seegt si, "hier leget doet "Mijn soete vrient, mijn beddeghenoet ...

Dan de leukheid waarmede de wachter haar troost:

"Bi Gode!" seegt hi, "lieve vrouwe, "Mi es herde leet uw rouwe; "Maer die levende ende die dode "Moeten sceden, al doen sij 't node." ...

Verdraag wat gij niet verhelpen kunt; denk aan uw jonge jeugd. Zoo'n mooie vrouw past vroolijkheid beter; en dan, uw man mag flink zijn geweest... daar zijn nog betere dan hij:

"Beter?" seegt si, "ay mi! ay mi! "Wie soude dat sijn, segt mi, wie?"-- "Vrouwe," seegt hi, "dat ben ic, "Die u ghemint hebbe een stic" [Zijnoot: eenigen tijd.].-- "Ghi hout u scaren [Zijnoot: gij spot.], ic wane," seegt soe. "God weet, vrouwe," seegt hi, "in doe."

Met dezelfde losheid en levendigheid gaat het verhaal voort tot het eind, al heeft de afschrijver op al te plompe wijze getracht het slot te verknoeien[11].

Een dergelijk verhaal van de ontroostbare weduwe vindt men met verscheidene andere vereenigd in een der beroemdste verhalenbundels, welke de wereldliteratuur kent, nl.: _van den VII. vroeden binnen Rome_.

Van de vroegste tijden af vindt men bij tal van volken in Azië en Europa deze en soortgelijke verhalen vereenigd tot bundels, die onderling verschillen doordat, als in een kaleidoscoop, telkens weer andere verhalen zich samenvoegen tot een nieuw geheel. De lijst om die verhalen blijft dezelfde; overal is het een stiefmoeder die haren schoonen voorzoon, een JOZEF-HIPPOLYTUS, belastert bij zijn vader. Telkens wil de vader den zoon ter dood laten brengen, doch wordt ook telkens daarvan afgebracht door een waarschuwend verhaal van een der zeven vroede mannen die den jongeling hebben opgevoed. Tegenover elk dier verhalen plaatst de stiefmoeder een verhaal met tegenovergestelde strekking, totdat de vader de waarheid ervaart en de booze stiefmoeder doet verbranden. In die lijst vindt men telkens weer een verschillend samenstel van verhalen, al komen ettelijke van dezelfde verhalen in vele bewerkingen voor[12].

In den bovengenoemden Nederlandschen bundel hebben wij waarschijnlijk de bewerking eener Fransche proza-redactie[13]. MAERLANT zal wel het oog op dit gedicht hebben gehad, toen hij in zijn _Spiegel Historiael_ schreef:

Maer noit en vand ic, als ic ghome [Zijnoot: naar ik meen.], Ghene VII. vroede te Rome, _Els dan die valsche faloerde [Zijnoot: Behalve dan dat logenverhaal.] Veinset daer af eene boerde_[14].

Ook is het zeer wel mogelijk dat een paar regels uit één der verhalen zijn overgenomen uit het verhaal van de weduwe in _Esopet_ of omgekeerd, zoodat beide werken niet zoo heel lang na elkander zullen vervaardigd zijn[15].

Deze Nederlandsche bewerking geeft ons een aantal der meest bekende verhalen, waarvan ik slechts een paar noem om eenig denkbeeld van het geheel te geven. Wij vinden hier o.a. het verhaal van den trouwen hond die een kind in de wieg verdedigt tegen een slang, de slang doodt en, met bloed bevlekt, zich neervlijt bij de wieg die in het gevecht ondersteboven is komen liggen. Als dan de vader van het kind thuiskomt, de wieg ondersteboven doch niet zijn kind ziet, waant hij dat de hond het kind heeft gedood en slaat den trouwen wachter den kop af. Voorts het verhaal, reeds bij HERODOTUS voorkomend, van de dieven die in des Konings schatkamer binnendringen, waarin één hunner gevangen blijft; dat van de vrouw die het geduld van haar man op zware proeven stelt, door SHAKESPEARE in zijn _Taming of the Shrew_ gedramatizeerd; van de overspelige vrouw die door een slimmen streek haar man 's nachts buiten de deur weet te sluiten en de verdenking van ontrouw op hem te laden.

Vergelijkt men de Nederlandsche bewerking met haar voorbeeld dat zij over het algemeen vrij getrouw volgt, dan blijkt dat de vertaler in menig opzicht te kort schiet: zelden treffen wij een stuk aan dat mooi verteld is, al te vaak vinden wij noodelooze herhalingen en stoplappen; de bouw zijner zinnen laat nogal eens te wenschen over. Anderzijds is er in zijn werk zekere frischheid en iets eigens dat aangenaam aandoet en de vele teekenachtige woorden die hij gebruikt, versterken dien indruk nog. Zelden of nooit laat hij in eene opmerking of overweging iets van zijne persoonlijkheid zien, doch het karakter van zijn volk en zijn tijd openbaart zich hier en daar duidelijk. Op meer dan een plaats vinden wij een godsdienstig tintje, waar dat in het Fransen ontbreekt; elders integendeel een realistisch-erotisch element, dat in het Fransch niet gevonden wordt. Soms geeft hij ons een kijkje in de rechtspraak dier dagen, in het huiselijk leven en de gewoonte om met Kerstdag zijne magen ten eten te noodigen, toont ons dat het verbod om 's avonds na klokslag zonder lantaarn uit te gaan toen reeds bestond of, verlevendigt zijn verhaal door het aardig weergeven eener tevreden stemming in een regel als deze:

Dat halp den keyser in sijn merch[16].

Zulke teekenachtige uitdrukkingen, in verband met den ganschen geest der bewerking en de blijkbare onbedrevenheid van den bewerker in het hanteeren der taal, doen mij eer aan een volksdichter dan aan een ontwikkeld dichter denken, al blijkt ons niet tot welk publiek hij zich bij voorkeur richt.

Opmerkelijk blijft in allen gevalle dat de smaak in korte verhalen van dezen aard--zij konden immers alle afzonderlijk worden voorgedragen--zich in dezen tijd onder ons volk openbaart. En begrijpelijk is het dat men hier nog meer moet hebben genoten van een dichtwerk waarin een aantal dierfabels waren verbonden tot een veel hechter en schooner geheel dan dat der _VII. vroeden van Rome_.

Men zal beseffen dat ik het oog heb op het voortreffelijk middeleeuwsch kunstwerk

VAN DEN VOS REINAERDE[17].

In de ontwikkelingsgeschiedenis van het dierdicht vertegenwoordigt de fabel een vroeger tijdperk dan het epos. Daaruit volgt natuurlijk nog niet, dat de fabelbundel _Esopet_ ouder moet zijn dan het episch gedicht _Van den Vos Reinaerde_; doch welke ook de ontstaans-orde dezer twee werken moge zijn, veel zullen zij elkander waarschijnlijk niet ontloopen. En, wat gewichtiger is, in beide blijkt, dat hier waarschijnlijk eene mondelinge overlevering moet hebben bestaan naast of onder de schriftelijke.

De bewerker der Latijnsche fabels uit den _Romulus_ moet ook andere fabels hebben gekend. Wat ligt meer voor de hand, dan dat die hem uit den volksmond bekend, dat zij hem door anderen verteld zijn geworden? Anders dan in den _Romulus_ draagt de vos bij hem reeds zijn naam _Reinaert_, kent hij den ezel onder den naam _Boudewijn_, den aap onder dien van _Martijn_; de vos spreekt den wolf aan met "soete here oom", de ezel het everzwijn met "lieve broeder", de kleinere dieren (muis, lam) spreken sterkeren als leeuw en wolf aan met "here" of "edel here"; wij vinden in den _Esopet_ reeds de uitdrukking: "van reinaerts spele spelen".

Juist omdat de bewoners dezer landen toentertijd reeds dierfabels kenden, zal de verdietsching van den _Romulus_ bij hen in goede aarde zijn gevallen. Zij moeten behagen geschept hebben in die korte verhalen, waarin allerlei menschelijk gebeuren, denken en gevoelen was voorgesteld; te meer, omdat de acteurs op dit klein tooneel te voorschijn kwamen in de gedaante van allerlei, hun grootendeels bekende dieren. Maar in die dieren herkenden zij menschen zooals zij zelve waren, zooals zij er zagen onder hunne magen, vrienden, geburen: den hebzuchtige, den bedrieger, den ontevredene, den ondankbare, den hoovaardige. Hier werden zij gewaarschuwd en vermaand; hier konden zij "vroescap leren" in nuttige lessen als: tevreden zijn met weinig, zich hoeden voor slechte raadgevers, mooipraters wantrouwen, zich aan een ander spiegelen, om het rad van avontuur denken, dat het met groote heeren kwaad kersen eten is, "dat behendichede beter es dan sterchede".

En die "vroescap" moet hun te meer behaagd hebben, omdat zij werd voorgedragen in lossen onderhoudenden trant, met rustige vroolijkheid en zachte luim en leuke scherts die hier en daar, als in de fabel over de vrouwen, tot goelijken spot werd.

Hoe moeten zij dan genoten hebben bij de aanschouwing van het zooveel grooter en uitvoeriger tafereel van menschelijk dierenleven, dat hun in het verhaal _Van den Vos Reinaerde_ geboden werd. Alles wat er in _Esopet_ te genieten viel, was ook hier aanwezig, maar in hoogere macht, en vereenigd tot een boeiend geheel vol afwisseling en leven. Hier waren een groot aantal meerendeels inheemsche dieren: wolf[18], vos, das, ever, bever, ram, haas, kater, haan met kippen, raaf, met uitheemsche als leeuw, luipaard, beer, vereenigd tot eene maatschappij gelijk aan de feodale, bestuurd door Koning Leeuw die met zijne groote vazallen te rade gaat. In die maatschappij is er een die zich om recht noch wet bekommert, leeft naar eigen lust en wil, niemand spaart, door allerlei misdaden zich tal van vijanden heeft gemaakt, maar geen kamp geeft: vos Reinaert, de felle met den rooden baard, sluw, vermetel, onbarmhartig, telkens voor een nieuwen rooftocht zijn bijna ongenaakbaar Maupertuis verlatend.

Eindelijk is de maat zijner misdaden volgemeten. Tal van klachten zijn tegen hem ingebracht. Een geding voor 's Konings rechterstoel vangt aan. Reinaerts grootste vijand, Isegrim de wolf, opent de reeks der aanklagers. De Koning besluit dat Reinaert driemaal zal worden ingedaagd. Beer en kater, achtereenvolgens naar Maupertuis gezonden, komen met schade en schande terug, zonder Reinaert. Dan eerst gelukt het aan neef Grimbaert den das hem voor den Koning te brengen. Veroordeeld tot de galg, weet de schelm zich te redden door den Koning het uitzicht te openen op een ver weg begraven schat; dit leugenverhaal heeft hij verbonden met zware beschuldigingen tegen beer en wolf. Hij komt er af met eene bedevaart; beer en wolf moeten boeten. Haas Cuwaert en ram Belijn vergezellen hem naar Maupertuis; alleen de laatste keert met Cuwaerts kop tot den Koning terug. Als hij daar aankomt, heeft Reinaert met zijn gezin reeds de wijk genomen naar de wildernis.

In dit overzicht zijn slechts de voornaamste figuren met een paar lijnen aangeduid en op hunne plaats gezet. Zulk een algemeenen indruk moesten wij hebben, voordat wij ons nu kunnen wenden tot het beantwoorden van de vragen: van waar had de dichter zijne voorstelling? hoe heeft hij haar opgevat en uitgewerkt? welke indrukken laat de beschouwing van zijn kunstwerk bij ons achter?

Niemand betwijfelt dat de Nederlandsche dichter WILLEM een of meer der Fransche bewerkingen van de Reinaert-sage heeft gekend, noch dat hij een zoogenaamde "branche" dier sage, _Le Plaid_, eenigermate als voorbeeld heeft gevolgd.

Van de 12de tot de 14de eeuw hadden tal van Fransche trouvères, meerendeels klerken, uit Normandië en Champagne, maar vooral uit Picardië en Fransch-Vlaanderen, met liefde deze verhalen behandeld, zooals zij zich die herinnerden uit de klassieke fabelbundels, uit de in kloosters gedichte Latijnsche verhalen als _Ecbasis Captivi_, _Sacerdos et Lupus_, _Gallus et Vulpes_, of uit de mondelinge overlevering. Langzamerhand ziet men in het werk der trouvères satire van kerk en kerkgebruiken en parodie van ridderwezen en ridderroman op den voorgrond komen. Bij de voortgaande ontwikkeling van het literair kunstgevoel gingen sommige dichters er naar streven eenheid te brengen in de veelheid dezer verhalen. In den aanvang der 13de eeuw (omstreeks 1204) zien wij dat streven althans voor een deel verwezenlijkt in het gedicht _Le Plaid_.

Die bewerking van eenige Reinaert-verhalen heeft den Nederlandschen dichter aanleiding gegeven tot het scheppen van een nieuw werk; tal van bekende verhalen en dichterlijke motieven, met kunst verwerkt en met tact samengevoegd, zijn daarin door hem met nieuw leven bezield. In het eerste deel van zijn werk (ongeveer tot vs. 1883) volgde hij ten deele het Fransche gedicht, maar op zelfstandige wijze: den gang van het verhaal wijzigend, hier bekortend daar uitbreidend; niet zelden ook andere verhalen invoegend, die hem of uit andere Fransche "branches" of uit de mondelinge overlevering bekend waren. In het tweede deel ging hij nog meer zijn eigen weg, daar hij, naar dichters welbehagen puttend uit de bronnen der schriftelijke en waarschijnlijk ook der mondelinge overlevering, uit de door hem gekozen stof de tweede helft formeerde. Is er dus wel eenige reden om de beide helften van het gedicht naar hun gehalte aan oorspronkelijkheid tegenover elkander te stellen, scherp kan die tegenstelling niet genoemd worden.

Verscheidene punten van overeenkomst tusschen het Nederlandsch gedicht en de Fransche "branches" zijn ons reeds vroeger aangewezen; die overeenkomst heeft soms betrekking op den toestand, soms ook, maar minder dikwijls, op de wijze van voorstelling; woordelijke overeenkomst kan vooral in het eerste deel hier en daar worden opgemerkt[19]. De tot dusver gegeven aanwijzingen kunnen echter met nieuwe worden vermeerderd.

Zoo b.v.: de vermelding van Reinaerts verraderlijke gepeinzen, terwijl hij schijnbaar welwillend met een zijner vijanden staat te praten. Een tweede aanwijzing vinden wij in het volgende. In het Nederlandsch gedicht moet Bruin de beer, op zijne zending naar Maupertuis door Reinaerts toedoen deerlijk mishandeld, een zwaren tocht volbrengen om koning Nobel alles te berichten; niet in _Le Plaid_, maar in een der andere Fransche "branches" vinden wij den hond Roenel in dezelfde omstandigheden: ook hij is uitgeweest om Renart te halen, valt door Renart's toedoen in een strik, wordt door de boeren mishandeld en sleept zich met moeite naar 's konings hof. De weeklachten van vrouwe JULOCKE, de pastoorsche, vindt men op de overeenkomstige plaats in _Le Plaid_ slechts aangeduid; vrij wat uitvoeriger zijn de klachten der "prestresse" uit eene andere branche en het meest gelijken zij op het gejammer van Dame Hersent, de wolvin, wanneer zij bemerkt dat haar gemaal Isegrim door een bulhond op dergelijke wijze verminkt is als de pastoor. Botsaert, de "clerc" des konings, schijnt van WILLEM'S vinding; wij mogen echter niet vergeten, dat ook koning Noble een "clerc" heeft in Baucent "le sanglier", al komt deze niet op dezelfde plaats voor als in het Nederlandsch. Het gat dat "onder dien spiker verholenlike gemaect" was, uit den _Reinaert_, vinden wij niet op de overeenkomstige plaats in _Le Plaid_, wel in eene andere "branche" terug[20].

In al deze gevallen is de overeenkomst slechts in de toestanden gelegen; behalve in een enkel vers, kan nergens van woordelijke overeenkomst sprake zijn. Het is dus moeilijk uit te maken wat wij hier aan de schriftelijke, wat aan de mondelinge overlevering moeten toeschrijven. Het is zeer wel mogelijk dat WILLEM onderscheidene, door trouvère's gedichte, verhalen van Renart heeft gekend, maar toch waarschijnlijk niet met eene volledigheid die slechts door hedendaagsche critische uitgaven bereikt wordt. Daarom zal men veiligst gaan door de mondelinge overlevering ook hier niet uit het oog te verliezen.

Anders staan de zaken bij eene beschouwing van den _Reinaert_ als parodie van den ridderroman. Die parodie was reeds in meer dan een der Fransche "branches", ook in _Le Plaid_, aanwezig. Hier is het een verdienste van WILLEM, dat hij den geest dier parodie zoo uitnemend heeft gevat en weergegeven en dat hij getoond heeft dit wapen van den spot voortreffelijk te kunnen hanteeren ook waar hij geen voorgangers vond. Hoe duidelijk toont hij het eerste b.v. in de beschrijving van het gevecht tusschen de dorpers en den beer, waaraan hij door parodiëering der genealogische herauten-wijsheid zulk een komisch-grotesk aanzien weet te geven.

Doch ook op eigen hand parodiëert hij het ridderwezen, zooals het hem uit Nederlandsche romans bekend was geworden. Dat hij den _Karel en Elegast_ voor dat doel gebruikt heeft, wisten wij; op verscheidene plaatsen is zelfs woordelijke overeenstemming aan te wijzen. Doch er is meer van dien aard te noemen.

In het bekende tooneel, waarin Bruin de beer ons geschilderd wordt: met snuit en voorpooten gevangen in den halfgespleten eik op LAMFROIT'S erf en bedreigd door een aansnellenden troep dorpers, heeft WILLEM naar alle waarschijnlijkheid het Fransch gevolgd. Maar misschien toch het Fransch niet alleen. Mij althans komt het opmerkelijk voor dat wij in den roman _van Lancelot_ een troep dorpelingen geteekend vinden, evenzeer met vijandige bedoelingen aansnellend op WALEWEIN. Men oordeele:

_Reinaert_, vs. 718 vlgg.

Doe volchde hem een mekel here. Int dorp ne bleef man no wijf: Den bere te nemene sijn lijf Liep 't al dat lopen mochte. Sulc was die enen bessem brochte, Sulc enen vleghel, sulc een rake: Sulc quam ghelopen met enen stake, _So si quamen van haren werke_ _Lancelot_, II, 38377 vlgg.

(Die meyer liep sere verbolgen: Die scepenen gingen hem volgen. Men geboet al ute daer, Wat elc conste vinden vorwaer, Waes 't riec, pike, vleghel, stocken, Hake, sceppen, swingen, rocken, Wat dat si gegripen conden, _Also alsi in haer ambacht stonden_, Nam elc dat ende volgede naer. Sulc nam enen timberbiel daer Ofte ene reke oft een gysarme; En si dattene God bescerme Soe es min here Walewein verloren.

De mogelijkheid bestaat natuurlijk, dat reeds de plaats in _Le Plaid_ eene parodie was van de overeenkomstige plaats uit den Franschen _Lancelot_; doch met het oog op de boven gecursiveerde verzen, komt mij dat niet zoo waarschijnlijk voor.

Een dergelijk geval vinden wij in den grooten roman der _Lorreinen_. In het verhaal van Tibert's zending tot Reinaert lezen wij o.a. dit vers (1075):

wat cost Reinaerde scone tale?

Indien wij nu op de overeenkomstige plaats in het Fransch (vs. 782) lezen:

Mes sa parole que li coste?

dan kunnen wij kwalijk betwijfelen, dat WILLEM dit vers onder de oogen heeft gehad. Doch wanneer wij verder in den roman der _Lorreinen_ den verrader ROBRECHT van Milaan tot een bode (dus onder dezelfde omstandigheden) hooren zeggen:

Want mi cost niet hoefsce tale

dan gaan wij toch vermoeden, dat WILLEM ook dit vers moet gekend hebben. En dat met meer reden, omdat er ook andere plaatsen in de _Lorreinen_ zijn, die ons aan het gedicht _van den vos Reinaerde_ doen denken.

In het Tweede Boek van dien roman vinden wij keizer KAREL te Aken; hij zal uitspraak doen in "'t gedinge" tusschen een paar zijner groote vazallen: koning OTTE en koning YOEN; de laatste wordt namelijk beschuldigd van overspel met OTTE'S gemalin (de verhouding tusschen Isegrim, Reinaert en Hersent).

Ook elders in dezen roman vinden wij een paar voorname vazallen met hunne magen voor 's Konings rechterstoel hunne zaak bepleitend. GELLOEN, de verrader, die in dezen roman eene gewichtige rol speelt, boos, sluw, dapper, doet ons meer dan eens aan Reinaert denken: indertijd heeft hij in een strijd tusschen zijn heer, koning KAREL, en koning ASPRIAEN, de zijde van den laatste gekozen om der wille van ASPRIAEN'S dochter; toen hij zag, dat de zaak verkeerd liep voor ASPRIAEN, kwam hij koning KAREL "smeken ende lecken || Als die sine quaetheit woude decken." Tot straf voor zijne misdaden wordt hem eene "heilege bedevaert" opgelegd[21]. Het eerste geval herinnert aan de houding van Reinaerts vader in den strijd tusschen leeuw en beer; de bedevaart wordt, zooals men weet, ook Reinaert tot straf opgelegd.

Ook hier zou men van oordeel kunnen zijn, dat de overeenkomst reeds kan bestaan hebben tusschen de _Chanson des Lorrains_ en den _Renart_ en dus het Nederlandsch gedicht niet of niet in de eerste plaats raakt. Doch zoo oordeelend zou men geene rekening houden met een gewichtigen, tot dusver onopgemerkten karaktertrek van het Nederlandsch gedicht: de groote rol die _de maagschap_ daarin speelt.

In WILLEM'S gedicht zien wij de dieren telkens met hunne maagschap opkomen en vinden wij over het algemeen een levendig besef van de beteekenis der maagschap; in de Fransche gedichten over Renart vindt men op de overeenkomstige plaatsen niets daarvan. Neemt men nu in aanmerking dat die maagschap vooral in de tweede helft van WILLEM'S gedicht op den voorgrond treedt en dat er zeker weinig Fransche riddergedichten zijn, waarin de maagschap vaker genoemd wordt dan juist in de _Lorreinen_, het verhaal der veete tusschen twee voorname geslachten--dan geloof ik wel te mogen aannemen dat WILLEM ook de Nederlandsche _Lorreinen_ zelfstandig heeft geparodieerd[22].

Zelfstandige parodie van den ridderroman vinden wij ten slotte niet het minst in den proloog, die juist om die reden zoo uitnemend strookt met het gansche gedicht. Wie den proloog van den _Reinaert_ leest na die van _Walewein_ en van _Floris en Blancefloer_, zal in gelijke woorden, wendingen en rijmklanken meer dan eens de parodie opmerken[23].

WILLEM beweert zijn gedicht te hebben geschreven op verzoek eener dame. Het is natuurlijk mogelijk, dat hij hier de waarheid zegt; doch waarschijnlijk acht ik, dat de proloog ook hier de ridderromans parodieert, waarin wel eens meer gewag wordt gemaakt van zulk een verzoek.

Zoo deelt MAERLANT ons mede dat hij zijn roman _van Alexander_ heeft ondernomen ter eere van haar die hem "gevangen" houdt. En nu is het opmerkelijk dat wij juist in den _Alexander_ tal van plaatsen vinden die ons aan den _Reinaert_ herinneren en hoogstwaarschijnlijk maken, dat WILLEM ook dezen roman heeft gekend[24].

Elk dichter die menschen voorstelt in de gedaante van dieren, loopt gevaar dat hij het gevoel voor harmonie van zijn publiek te weinig zal ontzien; dierfabel en dierepos immers brengen in hun wezen zekere tweeslachtigheid mede. Ongetwijfeld is elk publiek gaarne bereid den dichter ook in zulke verbeeldingen te volgen, en naarmate een publiek eenvoudiger is, zal het te minder gestoord worden in zijn genot door het overschrijden der grenzen in dezen. Van den bewusten of onbewusten tact des dichters zal het afhangen, of en in hoever hij hier de juiste maat weet in acht te nemen en, der menschen leven uitbeeldend, ons toch binnen den kring van het dierenleven te houden.

De dichter WILLEM heeft, zoo min als eenig ander, dit anthropomorphisme geheel kunnen vermijden. Wij vinden hier immers eene voorstelling der feodale maatschappij: de koning bestuurt den staat, zijne groote heeren zijn zijne raadslieden, hij houdt een hofdag en behandelt gedingen, hij zendt gezanten die brieven meekrijgen, wij hooren van een mis, een kapelaan, van het zweren op heilige reliquieën; de dieren doen afstand van iets met den symbolischen stroohalm, worden begraven met eene lijkmis, hebben een graf met grafschrift, een kasteel, schatten, gaan op een bedevaart met "palster ende scerpe", worden terechtgesteld; de galg staat voor hen klaar, er wordt bij de terechtstelling op een hoorn geblazen. De leden dezer feodale maatschappij vertoonen onderscheidene menschelijke aandoeningen: de beer lacht dat hij niet meer kan, Reinaert bespot den beer met allerlei aardigheden die op den priesterstand betrekking hebben, Reinaert's vrouw Ermeline valt in onmacht, Reinaert zelf loopen bij zekere gelegenheid de tranen langs de knevels[25].