Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 14

Chapter 143,711 wordsPublic domain

Op menige plaats kan men zonder moeite een lied in vier- of meerregelige coupletten, welker aanvang of slot door gelijke verzen wordt aangegeven, herkennen. Door te letten op den bouw dier liederen kan men dan den blijkbaar sterk geïnterpoleerden tekst zuiveren. In het door WILLEMS uitgegeven fragment naar een hs. der 14e eeuw vinden wij de coupletten, MARIA MAGDALENA in den mond gelegd (vs. 1417 vlgg.) doch door den afschrijver verknoeid; het volledige hs. (der 15e eeuw) geeft hier een zuiverder tekst. Echter heeft ook deze eene critische zuivering hoognoodig. Opmerkelijk is (VERDAM merkte het reeds op) hoe dikwijls van vier verzen met gelijk rijm twee bij eenig nadenken al spoedig interpolaties blijken.

[15] Het hs. is waarschijnlijk geschreven door zekeren MARTIJN van Thorout in de abdij van EENAME bij Oudenaarde. Zie over dat hs. _Belg. Museum_, III, 197 vlgg.; NAP. DE PAUW, _Mnl. Gedichten_, II, Inleid.; PRIEBSCH, _Deutsche Handschriften_ enz., no. 177.

In vs. 752 van het leven _van S. Aechte_ wordt als jaar der vervaardiging 1286 genoemd; S. WERNER is volgens de A.S. gestorven in 1287 en in vs. 13-15 van zijn leven lezen wij: "dat doet es bleven _nu nichtinghe_"; in het leven _van S. Marie Egyptiake_, vs. 687-9: "dit was ghemaect.... MCC ende neghentech jaer."

[16] Een tijdgenoot dezer dichters, de Fransche poëet RUTEBEUF schreef eveneens eene _Vie sainte Marie l'Egyptianne_. De Mnl. bewerking, die uitvoeriger is, heeft, voorzoover ik kan zien, niets met deze bewerking gemeen dan natuurlijk de hoofdzaken, die men o.a. vindt in de _Legenda Aurea_ (ed. GRÄSSE), p. 247, c. LVI.

[17] _Van sente Aechte_, vs. 668 vlgg. en vs. 762 vlgg.; _van sente Waerneer_, vs. 5 vlgg.; ook het slot van _van sente Marie Egyptiake_.

[18] Vgl. PIRENNE'S _Gesch. Belgiëns_, I, 36. Het klooster Thorout (Thor-hout?) lag niet ver van Sluis.

[19] Vgl. over de vraag of MAERLANT een Dietsch dan wel een Fransch werk zal hebben bedoeld JONCKBLOET'S _Gesch. der Ned. Lett._, II, 88-90.

FRANCK is van oordeel, dat M. ook wel een Fransch gedicht kan hebben bedoeld; JONCKBLOET'S betoog komt mij echter overtuigend voor. Zou MAERLANT trouwens wel van een _Fransch_ werk hebben kunnen zeggen, dat het "wyde becant" was? Kennis van het Fransch was in de 13e eeuw geenszins algemeen in Vlaanderen.

[20] Zie de literatuur-opgaven bij TE WINKEL, (p. 408); daar ook den titel van VAN HAMEL'S uitgave van het oorspronkelijk Fransch werk. Ik verwijs hier steeds naar de nieuwste uitgaaf van Dr. P. LEENDERTZ. (Amsterdam. 1893).

[21] Vgl. b.v. no. 15, 39, 44, 48, 51, 86, 114, 117 van den _Rinclus_ met de overeenkomstige coupletten van het oorspronkelijke.

[22] Vgl. no. 38 (v.d. _Rinclus_) met het origineel; vs. 936 (_Rinclus_) met str. no. 81, 11; voorts no. 5, 12 v. _Mis._ met de bewerking; no. 104 (met 103 v.d. _Rinclus_) no. 109 (met 108); in no. 112 de uitdrukking: _n'en leva pas le ventre vuit_, die niet in no. 111 (_R._) te vinden is; no. 120 (_Mis._). De varianten van 29 door VAN HAMEL medegedeelde hss. zijn hier zonder beteekenis.

[23] Vgl. _Rinclus_, no. 117; vs. 526 (_Mis._, no. 43, 5-8); vs. 691 (_Mis._, no. LVII); vs. 1114 (_Mis._, no. 96, vs. 8); vs. 595 vlgg.

[24] Reeds JONCKBLOET had deze overeenkomst opgemerkt. Vgl. zijne _Gesch. der Ned. Lett._, I, 434. Meer punten van overeenkomst zijn aangewezen in FRANCK en VERDAM'S uitgave van MAERLANT'S _Stroph. Ged._, Inl. LXXXVIII.

[25] _Scivias_ i.e. _nosce vias Domini_ (onderzoek (leer kennen) de wegen des Heeren).

[26] Vgl. _Acta Sanct._ (ord. S. BENED). Junii III, p. 612 ("Deinde cum inchoaretur Missa de beatissima Virgine Domina Nostra (sabbatum enim erat), veni in extasim." "Et his dictis, ab extasi reversa sum", p. 617: "In Exaltatione Sanctae Crucis saepe in extasi facta"; p. 619: "Accidit in prima Dominica solennis Jejunii in primis Vesperis, ut venirem in mentis excessum"; p. 620: "In die ad Missam, cum inchoaretur Passio Domini, iterum in extasim veni."

[27] In een brief der abdis van ANDERNACH aan HILDEGARDE (_Epistola_ CXVI) vraagt eerstgenoemde of het waar is, dat H. alleen adellijke jonkvrouwen in haar klooster opneemt.

[28] Het hier beknopt samengevatte werd door mij ontleend vooral aan: MOLL'S _Kerkgesch._, (zie: _Alg. Reg._, p. 181-2. Zonden heerschende bij geestelijken en kloosterlingen), voorts pass. en o.a.: II, 2, 1 vlgg. en 148 vlgg.; PREGER, _Gesch. der deutschen Mystik_, I; SABATIER, _Vita di S. Francesco d'Assisi_; MIGNE, _Patrolog._, T. 197; _Acta Sanct._ (ord. S. BENED). Junii III, 604-643. _Offenbarungen der Schwester Mechthild von Magdeburg...._ herausgeg. von P. GALL MOREL; WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, p. 136-7. AUGER'S _Etude sur les Mystiques des Pays-Bas_ geeft weinig nieuws van beteekenis.

[29] Vgl. _Leven van Sinte Lutgart...._ door F. VAN VEERDEGHEM. Leiden, voorheen E.J. BRILL. 1899.

[30] Vgl. ald. III, 4580-'84. De _Vita_ schijnt slechts van _de hand_ te spreken. Zie _Inl._ XI.

[31] Vgl. over dat alles VAN VEERDEGHEM'S _Inleiding_.

[32] Zie staaltjes dier breedvoerigheid t.a.p. XXXV-XXXVI. [33] _Vita_ (in de _Acta Sanct._, Junii, T. III), p. 246, c. 11; _Leven van S. Lutgart_, IIe Boek, c. XII.

[34] II, vs. 1684 vlgg.; 2576 vlgg.; III, 956-979.

[35] De bedoelde plaatsen, voorzoover niet reeds aangewezen, vindt men II, 1297; 516-562; vgl. ook vs. 7479-'83 met het origineel, waar men slechts deze woorden vindt: "cum Moniales alta voce cantarent."

[36] De uitgever zegt: "assonances hebben wij er niet opgemerkt" (_Inl._ LXIII). Ik vond er slechts één (II, 241-2: _talen_ || _maken_).

[37] De voornaamste plaatsen waar over de _minne_ gesproken wordt, zijn II, 81-88; 1220 vlgg.; 1339; 4625-'7; 5262-'7; 6283 vlgg.; 6388-'98; 6969-'88; 7787-7806; 7848-'52; 7906-'13; III, 1789-'91; 2008-'32; 3070-'84; 4564-'7.

_Orewoet_ genoemd: II, 6409, 7066, 7544, 7893, 13927.

Al deze plaatsen worden in het Latijn niet aangetroffen. Slechts van III, 3070-'84 vindt men iets in het Latijn terug ("pia Lutgardis in oratione cum Domino mira spiritus instantia luctabatur. Tandem vero, ubi in ira Dominum misericordias continentem evincere non valebat" etc.).

[38] Uitgaven van haar werk: _Gedichten_ in Maetschappij der Vlaemsche Bibliophilen, 4e Reeks, no. 2; _Proza_, id. no. 11. De hss. ter Bibl. Royale te Brussel Cat. Ned. hss., no. 2877-'80 en ter Univ.-Bibl. te Gent. Vgl. voorts over die hss. _Vaderl. Museum_, II, 136 vlgg. Een artikel van PAUL FRÉDÉRICQ over: _De geheimzinnige ketterin Bloemaerdinne_. (Zuster HADEWYCH) in: _Versl. en Meded. der Kon. Akad. v. Wet._, 3e Reeks, Deel XII en het stuk daartegen van E. VAN EVEN in _Dietsche War._ van 1896. Voorts: _Untersuchungen über die Werken van Zuster Hadewych...._ von M. JÖRIS. Strassburg. 1894.

De voorstelling van RUELENS--FRÉDÉRICQ: Hadewych = Bloemaerdinne is m.i. onaannemelijk. VAN EVEN heeft dat reeds ten deele aangetoond.

Tegen die voorstelling pleit vooral:

1o. dat de namen der beide vrouwen verschillen; _Hadewijch_ en _Heilwijch_ zijn namen van verschillende afkomst (zie o.a. POTT, _Die Personennamen_, 110, 212, 641) en nergens blijkt, dat zij in dien tijd ook wel verwisseld worden

2o. de voorbeelden van kettersche leerstellingen, door F. uit HADEWYCH'S werken aangehaald, bewijzen niet dat hier inderdaad van ketterij sprake mag zijn; ook van die "allerschandelijkste seraphische liefde" zijn in HADEWYCH'S werken geene sporen aan te wijzen.

3o. RUUSBROEC heeft tegen HEILWYCH BLOEMAERTS gepreekt en haar invloed bestreden. RUUSBROEC'S vurige bewonderaar, de kok JAN VAN LEEUWEN, spreekt van "een overheylich wijf die hiet hadewijch" en van hare "edel goddelike leringhe"; die "leringhe" is zichtbaar in JAN VAN LEEUWEN'S geschrift: _die rolie der woedegher minnen_. Zie daarover het artikel van Dr. C.G.N. DE VOOYS in: _De XXe eeuw_, IX, 181.

[39] _Proza_, bl. 187.

[40] Vgl. _Quinque prudentes Virgines...._ auctore P.F. CHRYSOSTOMO HENRIQUEZ. Antwerpiae. 1630. Daarin ook de _Vita B. Beatricis_. Was zij de Cisterciënser-non, "quae Teutonice multa satis mirabilia scripserat de se ipsa"? (_Vad. Museum_, II, 142), en wier werk door WILLEM VAN AFFLIGHEM in het Latijn "satis eleganter" vertaald is? Of moeten wij aan HADEWYCH'S werk denken? In allen gevalle worden wij ook hier weer verplaatst onder de Cisterciënser-nonnen en zien wij WILLEM VAN AFFLIGHEM in betrekking tot deze.

[41] Vgl. o.a. _Proza_, blz. 5-6, 15, 20-21, den aanvang der _Epistolae; Gedichten_, bl. 179, vs. 107; 207, 29; 197, 43; 204, 5-10; 210, 25-28.

[42] _Proza_, bl. 54, 56. Was dit verbod misschien, evenals bij sommige Duitsche mystieken, uitgelokt door te strenge ascese?

[43] _Proza_, bl. 34; 119, 129, 141; 134; 122. Ook het artikel van PAUL FRÉDÉRICQ.

[44] _Proza_, bl. 106-7, 128.

[45] _Deuteronomium_ VI, 5. (De tekst van het proza heeft "_diere_ herten" enz.; ter wille van de duidelijkheid schreef ik _dijnre_).

[46] Vgl. _Proza_, bl. 72-3, 40, 25, 27, 22, 94, 14, 63.

[47] _Proza_, bl. 104, 143, 179, 119, 126-7. (_Openb._ I, 13 vlgg.), 146, 144, 151. Vgl. ook FRÉDÉRICQ'S artikel, bl. 83.

[48] Vgl. _Openb._ VIII, 6 en _Proza_, 135; VI, 1 en 135-6; VIII, 13 en 153-4; IV, 8 en 168; XXI, 2 en 153; I, 10 en IV, 2 met _Proza_, 135, 139, 141; XIX, 12 en 169, 151; X, 11: "gij moet wederom" enz.

In _Openb._ II, 4 lezen wij: "Maar ik heb tegen u dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten" enz.; vs. 14: "maar ik heb eenige weinige dingen tegen u" enz. Bij HADEWYCH, bl. 129: "Mer ic hebbe een dinc te di, daer ic mi omme belghe" enz.

[49] Vgl. _De handschriften van Jan van Ruusbroec's werken...._ door W. DE VREESE, I, 427.

[50] _Proza_, bl. 44, 45, 83, 151. Ook het: "ic di, wes mi" in hare _Poëzie_, bl. 94, 131, 244.

[51] S. BERNARDI _Opera omnia...._ D. JOANNIS MABILLON. Mediolani. JAC. GNOCCHI, 1850, I, _Ep._, XI te vergelijken met: _Gedichten_, XI, 19-20:

Want der knechten wet es vaer [Zijnoot: vrees.] Maer minne es wet der sonen.

"Primus servus est et timet sibi: secundus mercenarius et cupit sibi: tertius filius et defert patri."

Voorts: _Tract. de Conversione_; _de diligendo Deo_; _In cantica sermo 67_.

[52] Vgl. _Proza_, bl. 10, 79. HADEWYCH'S tijdgenoot HENDRIK GOETHALS van Gent, spreekt van: _nosse_, _velle_ et _posse_. Vgl. _Heinrich von Gent_ von Dr. K. WERNER, S. 37.

[53] B.v. _Proza_, p. 43, 93, 107. _Gedichten_ o.a.: p. 5, 41; 26; 86, 41, 9; 43, 65; 45, 21; 52, 38; 53, 56; 57, 67; 58, 96; 65, 26; 81, 2; 86, 27 en pass.

[54] _Proza_, 14, 24; voorbeelden van _nuw_, _Mnl. Wdb._, IV, 2422 en pass. in HADEWYCH'S _Gedichten_. Tegenover de _nieuwe_ plaatst H. ook wel eens de _oude_ en tegenover de _vreemde_ de _bekende_. Zie b.v. _Ged._, bl. 224 (b.).

[55] _Proza_, 35, 58.

[56] _Gedichten_, bl. 72, 49 vlgg.; 88, 70 vlgg.; niet zoo duidelijk is 190, 1 vlgg. _Proza_, bl. 176.

Met "broeder Robbeert" is misschien een pauselijk inquisiteur der 13e eeuw bedoeld. Vgl. FRÉDÉRICQ t.a.p., bl. 90.

[57] _Proza_, bl. 61-2. _Minne_ en _Redene_ als de twee voornaamste zielekrachten herinneren aan SINT BERNARD'S _voluntas_ en _ratio_.

Inderdaad vinden wij in de _Gedichten_, bl. 196, vs. 15 vlgg. _redene_ en _wille_ in verband met _memorie_ behandeld.

[58] _Proza_, bl. 87, 5, 3, 68.

[59] _Proza_, bl. 32; voorts 17, 96, 104. _Rijmklanken_ o.a. op bl. 23, 42, 57, 89.

[60] Deze en dergelijke plaatsen vindt men in de _Gedichten_, p. 84, 69, 18, 56, 61, 66-7, 69, 129, 130, 88, 198, 6; (wegen tot de minne), 92, 93, 261, 268, 271; (redene), 67, 69, 118; 39, 233; (wezen der minne), 242, 264, 21-22, 32; (de geestelijke "dorper"), 39, 42, 43, 46, 49, 105, 123, 235.

[61] Vgl. _Ged._, 111, 8, 11, 100, 4, 57, 72, 78, 246, 17-18; ("hoech gheruchte ende neder stille"), 138, 277, 15, 152, 171; ("gewat"), 9; ("ghebruken"), _orewoet_, (28, 51, 69, 107, 30-31), 43.

[62] _Ged._, p. 69, 134, 142, 146, 156-7, 295, 299; p. 124, 101, 69, 93.

[63] Vgl. bl. 186.

[64] Bl. 8. En voorts pass. b.v. no. I, II, III; bl. 13, 17, 20, 23, 35, 41, 47, 51, 55, 60, 62, 77, 143.

[65] _Ged._, bl. 11, 15, 24.

[66] _Ged._, bl. 48, 175, 168, 179, 149, 290, 293. Men herinnere zich het, volgens deze plaats blijkbaar reeds zeer oude, leugenlied met den aanvang:

Een blinde zag een molensteen Ronddrijven in den stroom.

[67] Vgl. _Proza_, bl. 60-61; _Ged._ 14, 32, 36, 53, 55, 78, 79, 83, 124, 145, 151, 152, 154, 158, 165, 169, 178, 179, 269. Of het vers: "Haddic mijn hoege geslachte bedacht" (XXIII, 50) eene zinspeling is op haar adeldom (zooals JONCKBLOET meent), schijnt mij twijfelachtig. In den mond van mystieken beteekent zulk eene uitdrukking m.i. eer: dat men zich een schepsel Gods dan dat men zich van adellijk geslacht voelt.

[68] _Proza_, bl. 59, 77; _Ged._, bl. 252, 254, 257.

3. POËZIE DER GEMEENTEN.

De gemeenten tegenover adel en geestelijkheid. _Disticha Catonis_. Dietsche _Ars Amandi_. _Bestiaris_. _Esopet_. De eerste boerde. Roman _van den VII. Vroeden van Rome_. _Van den Vos Reinaerde_.

De ridderschap droeg een half nationaal half internationaal karakter. De adel van eenig land mocht zich aan dat land verbonden gevoelen door afkomst, taal, grondbezit en van tijd tot tijd met zijne landgenooten tegenover andere volken staan--toch had hij met den adel van andere West-europeesche volken veel gemeen: dezelfde ridderplichten golden voor allen, hun begeeren en streven, hunne leefwijze, zeden en gewoonten, waren grootendeels van denzelfden aard.

Ook de geestelijkheid, dienaren eener zelfde kerk die het Westen van Europa in haar greep omvatte, had vrij wat internationaals; dezelfde klooster-orden vond men in onderscheiden landen; overal droegen "gelijke monniken gelijke kappen" en konden van gedachten wisselen in de gemeenschappelijke kerktaal.

Tegenover deze beide standen vertegenwoordigen de gemeenten het zuiver-nationale element. Poorters en boeren, doorgaans aan stad of dorp gebonden, kwamen zelden buiten hunne streek of hunne gouw, veel minder in vreemde landen, tenzij een bedevaart of een krijgstocht er hen toe dwong. In die talrijke kleine kringen welker samenhang door onderling gesloten huwelijken nog versterkt werd, bewaarde men het zuiverst het oorspronkelijk volkskarakter in zijne voorname uitingen: taal, recht, maatschappelijk en huiselijk leven. Daar sprak men slechts Dietsch, gaf en ontving recht volgens voorvaderlijke instellingen, en bewaarde de eeuwen door een schat van instellingen, gebruiken, zeden en gewoonten.

Het ideale streven van den adel en de geestelijke "minne" waren voor hunne nuchterheid te hoog. Oorlog en hoofsche minne, in de ridderromans verheerlijkt, konden nog niet veel aantrekkelijks hebben voor harde werkers, tuk op winst die slechts de vrede hun brengen kon; voor eenvoudige boeren en poorters, die nog niet veel gaven om oorlogsroem, uiterlijke beschaving en verfijning. Zeker, ook zij hadden behoefte aan iets hoogers dan het dagelijksch werken om den broode. In die behoefte voorzagen de kerk en het geloof voor een groot deel; doch naarmate het geestelijk leven onder de gemeenten zich ontwikkelde, begonnen ook zij smaak te krijgen in eenig letterkundig werk dat hen kon vermaken, onderrichten of stichten. Wat aan een of meer dezer drie voorwaarden voldeed, had kans de gemeente te behagen--indien het niet te omvangrijk was; want onder burgers en boeren had men niet zooveel vrijen tijd als in kasteel of klooster.

Van dien aard was de Latijnsche verzameling van eenvoudige zedelessen onder den naam _Disticha Catonis_ uit de eerste eeuwen onzer jaartelling, die in bijna ontelbare bewerkingen of vertalingen onder de volken van West-Europa was verbreid[1].

Dat "bouc van zeden" zooals MAERLANT het noemt, werd reeds in 1253 zóó hoog geschat, dat men het op de scholen van Yperen als leerboek gebruikte; toen DIEDERIC VAN ASSENEDE zijn _Floris en Blancefloer_ bewerkte, nam hij in zijn gedicht een drietal verzen uit den "bouc van zeden" op, die hem blijkbaar nog van de schoolbanken heugden. De korte, grootendeels vierregelige stukjes, in eenvoudige taal en doorgaans paarsgewijze rijmend, waren daartoe dan ook wel geschikt. Met hun inhoud kon het middeleeuwsch geslacht zeker zijn voordeel doen. Zij vonden hier enkele voorschriften in den geest van het Christendom, zooals: den dood niet vreezen, zich niet schuldig maken aan overspel of vrekheid. Veel meer echter zulke die gericht waren op algemeene zedelijke vorming, op de praktijk des levens, het aankweeken van zachtheid en heuschheid, het aanleeren van goede manieren: vroeg opstaan, niet te veel eten en drinken, niet veel praten onder het eten, zijn kinderen een ambacht laten leeren, spaarzaam zijn, weer goed maken wat gij in dronkenschap misdreven hebt; ais gij ziek zijt, kies dan iemand die verstand heeft van de geneeskunst; let niet op droomen, beproef niet te doen wat uwe kracht te boven gaat; maak u niet boos op uwe dienstbaren, geloof uwe vrouw niet als zij te onrechte over hen klaagt, bedenk dat zij menschen zijn als gij; aanvaard minzaam ook een kleine gift, scheld niet die u liefhebben; bespot oude menschen niet; tracht wijs te worden: onderricht in den landbouw kunt gij vinden bij VIRGILIUS, in den oorlog bij LUCANUS, in de minne bij OVIDIUS. Wacht u voor menschen die weinig spreken:

Men seit: die vloet die stille staet, Soe [Zijnoot: zij.] es dieper dan die harde gaet.

Bemin het geld om zijn gebruik; bezit gij have en goed, geniet er dan van. Gij moogt wel een spiering uitgooien om een kabeljauw te vangen.

OVIDIUS' onderricht in de minne, waarvan de _Dietsche Catoen_ spreekt, was te vinden o.a. in een uit het Fransch vertaald gedicht, dat waarschijnlijk tot dezen tijd behoort en de _Ars Amandi_ behandelde. Ook in een _bestiaire_--wij zouden zeggen: een _beestenboek_--zooals een Fransch geestelijke van hoogen rang, RICHARD DE FOURNIVALL, er in den aanvang der 13de eeuw een schreef, dat toepasselijk was gemaakt op de liefde. Zulk een "bestiaris van minnen", waarschijnlijk uit dezen tijd, kwam gedeeltelijk tot ons.

Veel meer in trek echter waren de echte "bestiaires" die een overzicht van gesymboliseerde zoölogie behelsden. MAERLANT verhaalt ons dat Heer WILLEM UTENHOVE, "priester van goeden hove" te Aardenburch, zulk een _Bestiaris_ had gemaakt. Doch hij was van den rechten weg afgedwaald, doordat hij een Fransch gedicht tot voorbeeld had gekozen. Misschien was dit voorbeeld PHILIPPE DE THAON'S _Bestiaire_ uit den aanvang der 12de eeuw, waarin o.a. de leeuw Jezus-Christus voorstelt; de eenhoorn die zich laat vangen door eene maagd: God die afgedaald is tot Maria; de krokodil den duivel; de sirenen die in zee de schippers verlokken: de rijkdommen in de wereld de menschen verleidend enz.[2].

Doch hoe nuttig zulke zedelessen ook waren, zij zetten de verbeelding niet aan het werk en vermochten dus niet, wat men van een literair werk vooral verlangt: de toehoorders (lezers) aan zich zelven te ontrukken.

Daartoe was het verhaal beter geschikt, het korte verhaal dat tevens een nuttige les bevatte. Zulke verhalen zijn van de oudste tijden af bij alle volken, beschaafd of onbeschaafd, in zwang geweest en hebben zich langs de wegen van mondelinge en schriftelijke overlevering, de eeuwen door, van het eene volk tot het andere verbreid. In tijden toen de mensch zijne meerderheid boven het dier nog niet zoo sterk gevoelde als later, verplaatste de verteller zijne hoorders gaarne te midden der dierwereld. Liet hij dieren handelen en spreken als menschen, dan kon niemand zich ergeren als ware het op hem gemunt, en het verhaal won aan zinrijkheid doordat het den geest der hoorders aan het werk zette, en hen zelven de toepassing deed maken. Niet zelden ook voerde de verteller de dieren in gezelschap van een of meer menschen ten tooneele of vertelde hij een verhaal waarin louter menschen voorkwamen onder verdichte namen of aangeduid in algemeene bewoordingen.

Die honderden verhalen in hunne verbreiding over de wereld door den loop der eeuwen volgen, daartoe is de wetenschap op verre na niet in staat. Slechts hier en daar kan zij ons een kijkje geven op de veelheid hunner elkander kruisende kronkelwegen. In het Oosten met name in Voor-Indië, zijn vele dezer verhalen al vroeg opgeteekend en tot grootere werken vereenigd; van het Oosten zijn er ettelijke, ten deele langs schriftelijken ten deele langs mondelingen weg, naar het Westen gekomen; vele andere moeten echter vanouds gemeen goed der menschheid geweest en mondeling van het eene geslacht op het andere zijn overgegaan, ook al kreeg men door vertalingen eene schriftelijke overlevering naast die mondelinge[3].

Waarschijnlijk waren er in de 13de eeuw ook hier te lande verscheidene dierenfabels in omloop[4]. Echter berust de eenige Nederlandsche fabelbundel van dezen tijd die tot ons is gekomen niet op mondelinge overlevering, maar bevat zij eene vertaling van een Latijnsch origineel dat bekend staat onder den naam _Romulus_. Misschien had MAERLANT het oog op dezen bundel, toen hij in zijn _Spieghel Historiael_ verhaalde dat de "favele" van ESOPUS door een paar dichters, CALFSTAF en NOYDEKIIN, waren verdietscht "in rime scone ende fijn" en ze aanprees om de "spellecheit [Zijnoot: vermakelijkheid.] ende wijsheit van zinne" die men er in vond[5].

De bedoeling ook van dezen fabelbundel, gewoonlijk _Esopet_ genoemd, was natuurlijk lessen van menschenkennis en levenswijsheid mede te deelen. De schrijver van den proloog bereidde zijne hoorders (lezers) daarop voor, toen hij aldus aanving:

Ic wille u, in die ere ons Heren, Bi beesten ende bi vogelen leren, Wisen ende wel bedieden Die nature van den lieden.

Aan het slot der fabels zijn die lessen dan ook doorgaans in een paar regels of een spreekwoord samengevat. In die goede lessen achtte de proloogschrijver de verdienste van het boek gelegen. "Let op den inhoud, niet op den vorm", zegt hij; in elk woord vindt gij "redene ende goeden sin"[6]. Toch mag de bewerking over het algemeen verdienstelijk heeten, al is zij onder de handen van een afschrijver er waarschijnlijk niet beter op geworden. De 67 fabelen die hier uit den _Romulus_ ter bewerking zijn gekozen, behelzen de algemeen bekende verhalen van vos en kraai, kikvorsch en os, wolf en kraanvogel enz.; zij zijn meerendeels levendig verteld; hier en daar heeft de bewerker de levendigheid verhoogd door zijne personages sprekend op te voeren, zooals dat ook in de epische ridderpoëzie gebruikelijk was[7]. Hier en daar heeft de volksaard aan de vertaling een eigen kleur gegeven. Zoo b.v. waar de vertaler de fabel van de muis en de kikvorsch besluit met:

Hets recht, dat valsche taverniere Drinken van hars selfs biere[8].

Elders komt de maagschap ons herinneren dat wij in middeleeuwsch Nederland zijn. Op een andere plaats geeft de bewerker ons een kijkje in de middeleeuwsche hel waar de rampzaligen in de (met kokend sulfer en pik gevulde) ketels moeten ronddrijven[9].

In een vijftiental dezer fabelen komen naast dieren ook menschen ten tooneele, in een vijftal slechts menschen of goden; zij handelen over de bruiloft van een dief, over Juno en Venus, een jonkman en eene jonkvrouw, een vader met zijn onhandelbaren zoon, een man die uit twee monden spreekt. Daar had de dichter een greep gedaan in het algemeen menschelijke, daar verplaatste hij zijne hoorders in wat ook nog voor hen werkelijkheid was[10].

In hooger mate geldt dat van een der verhalen uit dezen bundel dat ik tot nog toe ter zijde heb gelaten, omdat het een karakter draagt, verschillend van dat der overige. Het is het bekende verhaal van de ontroostbare weduwe die niet wil scheiden van haar mans lijk. Niet ver van haar zit een soldaat op wacht bij de galg, waaraan het lijk van een misdadiger hangt. De wachter krijgt dorst, klopt aan bij de schoone weduwe, stilt zijn dorst en troost haar. Terugkomend, ziet hij dat verwanten van den gehangene het lijk gestolen hebben. Bevreesd voor straf, roept hij de hulp der weduwe in; deze redt hem uit den brand door het lijk van den betreurden echtgenoot in de plaats van het misdadigerslijk te hangen.