Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 13

Chapter 133,867 wordsPublic domain

Niet zonder reden vestigden wij, sprekend over HADEWYCH'S visioenen, de aandacht tevens op de Openbaring van JOHANNES; de invloed van dat werk toch openbaart zich telkens in de beschrijving van hare droomen en gezichten. Ook de schrijver der Openbaring deelt ons een paar maal mede dat hij "in den geest was", eens "op den dag des Heeren"; ook hij heeft velerlei visioenen. Ook in de Openbaring vinden wij de vier dieren, den arend, de sterke stem als die van den donder, de zes vleugels met oogen bezet; het zevenvoudig bazuingeschal vinden wij terug in de zeven vleugelslagen waarmede, bij HADEWYCH, de engel "een ghestille" maakt. In de woorden der Openbaring: "gij moet wederom profeteren voor vele volken en natiën en talen en koningen" kan HADEWYCH een gebod hebben gezien--zooals vóór haar HILDEGARDE VAN BINGEN en ELISABETH VAN SCHÖNAU--haar dwingend hare visioenen te openbaren[48].

Naast de Openbaring moet het Hooglied genoemd worden onder de bronnen waaraan deze volgster der minne haren dorst naar het eeuwige stilde. Onder de boeken, toebehoorend aan het Roode-Klooster in het Soniën-bosch waar HADEWYCH'S poëzie bewaard bleef, vond men ook een exemplaar van "der minnen boec dat men noempt cantica canticorum"[49]. Op meer dan eene plaats van haar werk ziet men dat het Hooglied haar bekend was, dat de voorlezing van dat bijbelboek haar hart ontroerde[50].

Hooglied en Openbaring spraken vooral tot HADEWYCH'S gevoel en verbeelding; in andere geschriften zocht zij wat behalve haar gevoel ook haar verstand bevredigde. PAULUS was haar niet onbekend, noch ORIGENES, noch AUGUSTINUS. De werken van den heiligen BERNARD VAN CLAIRVAUX moesten deze minnende ziel wel aantrekken. Hij immers had dien door haar zoo geliefden tekst uit het Hooglied: "dilectus meus mihi et ego illi" tot onderwerp voor een zijner sermoenen gekozen; weinigen hadden zich zoo als hij verdiept in de beschouwing van de geestelijke liefde, van dien "amor sanctus et castus" waardoor de ziel van den Christen moet worden gezuiverd; ook hij kende dat opgaan der ziel in God, zooals een ijzer, gloeiend in het vuur, ten slotte aan dat vuur gelijk wordt; zooals de lucht, doorgloeid van zonlicht, met dat licht vereenzelvigd wordt; de geestelijke dronkenschap, waarvan hij in het Hooglied en de Psalmen melding gemaakt vond, moet hij, evenals HADEWYCH, hebben gevoeld vóórdat hij haar in een zijner tractaten kon beschrijven. Wanneer HADEWYCH in een harer gedichten onderscheid maakt tusschen hen die God dienen uit vrees en hen die Hem dienen uit liefde en deze beide soorten tegenover elkander stelt als "knechten" en "zonen", dan schijnt haar daarbij eene plaats uit een van SINT BERNARD'S brieven voor den geest te staan[51].

Met het werk van den beroemden ALBERTUS MAGNUS schijnt zij, wie het Latijn blijkbaar niet vreemd is, wel kennis te hebben gemaakt. Wanneer wij zien dat zij de krachten der ziel onderscheidt in _redene_, _wille_ en _memorie_, dan worden wij herinnerd aan ALBERTUS' indeeling: _ratio, voluntas, memoria_[52].

Heeft HADEWYCH, wandelend de wegen der minne, zwevend in hare visioenen, nooit de grenzen overschreden welke door de R.K. Kerk aan het voelen en denken waren gesteld? Er bestaat reden die vraag te doen, waar het mystieken geldt. Hoe licht konden zij er toe komen zich te vergelijken met andere Christenen en zich boven deze te stellen! Op menige plaats in haar proza en hare poëzie spreekt HADEWYCH van hen die zij "_vreemde_" noemt[53]. Zij bedoelt daarmede vermoedelijk dezelfde personen die zij elders noemt: "valsche broederen die seinen huusgenoote des geloofs". Tegenover deze plaatst zij de ware broeders en zusters die zij met den naam van de "_nuwe_" (nieuwen) pleegt aan te duiden. Het komt mij niet waarschijnlijk voor, dat wij hier moeten denken aan eene kettersche secte als die der beruchte Broeders en Zusters van den vrijen geest, doch dat wij ons ook hier tot de Openbaring van Johannes om licht moeten wenden; daar vinden wij telkens gewag gemaakt van het woord _nieuw_ in geestelijken zin, in uitdrukkingen als: En ik zag eenen _nieuwen_ hemel en eene _nieuwe_ aarde; het _nieuwe_ Jezuzalem; ziet ik maak alle dingen _nieuw_[54].

Het is begrijpelijk dat eene vrouw van hare gaven onder een klein aantal geestverwanten op den voorgrond kwam, dat men tot haar opzag, dat zij daardoor neiging kreeg tot zelfverheffing, dat zij kwam tot uitspraken als deze: "ic en gheloefs ooc niet, dat enich mensche levet daer God also sere af ghemint es". Doch er is een groote afstand tusschen al of niet rechtmatige zelfverheffing en ketterij. Zeker, er is vooral in haar proza hier en daar iets dat naar den mutsaard riekt. Zoo b.v. in een zin als deze: "Mer in ghebrukene [Zijnoot: genot]" van minnen es men God worden, moghende ende gherecht". Doch alvorens men het anathema uitspreke, bedenke men dat alle mystiek die een eigen weg naar God zoekt, eene kiem van ketterij in zich omdraagt, en dat er naast eene kettersche ook eene kerkelijke mystiek leefde: men heeft toch BERNARD VAN CLAIRVAUX niet van ketterij beschuldigd, omdat hij in zijn tractaat "de diligendo Deo" geschreven heeft: "sic affici deificari est"?[55]

In allen gevalle heeft HADEWYCH in hare poëzie meer dan eens getuigd van haren eerbied voor de "heilige kerk", en tegen haar eigen getuigenis in mag men haar niet van ketterij beschuldigen.

Erkend dient echter dat daarmede niet alle vragen aangaande HADEWYCH'S persoon zijn beantwoord.

Wanneer wij in het proza lezen dat zij er zich over verwondert, dat de menschen haar "soo langhe laten leven ende datse enegen raet ochte enecb sparen ochte genade te mi hebben, sine tormenten mi altoes met nuwen tormente", dan moet men wel denken dat zij hier zinspeelt op vervolging om den geloove. Brengen wij deze uiting in verband met eene vroegere over ronddolen door het land en dreigende gevangenschap, dan komt men tot het vermoeden, dat zij vroeger wellicht als begijn reizend en trekkend is geweest (niet alle toch waren in hoven vereenigd). Onder hare geestverwanten noemt zij immers ook "eene beghine die meester ROBBEERT doedde _om hare gherechte Minne_"[56]. Eerst in lateren tijd zou zij dan eene toevlucht hebben gezocht bij de Cisterciënser-nonnen van Aywières en abdis zijn geworden.

Doch wat daarvan zij, zeker is, dat wij hier een proza hebben, het vroegste in onze literatuur, waarvoor wij de schrijfster, begijn, non of abdis, dankbaar moeten zijn.

Voor het eerst vinden wij hier het streven van den mensch naar het oneindige, in onze moedertaal verklankt, in eene periode, aanvangend: "Nu verstaet die innecheit van uwer zielen, wat dat es: ziele". Men zou het gevoelsleven dier mystieken geheel moeten kunnen medeleven, om die periode geheel in zich te kunnen opnemen; maar ook zonder dat kan men toch wel iets gevoelen van de stoutheid van dit proza in het eerst van zijne vlucht:

"Siele es een wesen dat sienlec es Gode, ende God hem weder sienlec.... Siele es een wech van den dorevaerne Gods in zine vriheit van sinen diepsten ende God es een wech van den dorevaerne der zielen in hare vriheit.... Dat sien dat naturelec in de ziele ghescapen es, dat es caritate. Dat sien hevet twee oghen: dat es minne ende redene. De redene en can Gode niet ghesien, sonder in dat hi niet en es; Minne en rust niet dan in dat Hi es.... Redene hevet meerre ghenoechlecheit dan minne, mer minne hevet meer suetecheiden van zalecheden dan redene. Doch hulpen hem dese twee herde zeer onderlinghe, want redene leert minne ende minne verlicht redene"[57].

HADEWYCH'S proza is ook elders indrukwekkend door zijne verhevenheid. Zoo b.v. waar zij de minnende ziel vergelijkt bij den arend: zooals hij de zon in het aanschijn ziet, zoo beschouwt de ziel God; dan denkt zij niet meer aan heiligen of menschen, zij vliegt alleen "in die hoechede Gods". Op andere plaatsen treft het ons door diep gevoel, met eenvoud en zuiverheid uitgedrukt: men moet zich verheugen indien men zich verlaten en eenzaam gevoelt, omdat alle lijden dat men lijdt om Gods wil Hem behagelijk is.

"Al ghevoeldi oec bi wilen ellendecheit van herten, alse ochte ghi van hem begheven waert, daer omme en mestroest u selven niet. Want ic segghe u waerleke, dat al de ellende die men doeghet met goeden wille te Gode, die es bequame [Zijnoot: passend.] in die ghehele nature Gods".

Zij schroomt echter, kunstenares die zij is, ook het lagere niet, want zij weet het te verheffen. Duidelijk komt dat uit waar zij ons mededeelt, hoe God haar eerst het genot had gegeven van Hem lief te hebben, doch haar dat ontnomen had, toen zij zich zelve in hare onwaardigheid had leeren kennen. Eerst had zij lang gewacht, alvorens Hem te grijpen, later ontweek Hij hare grijpende hand: "Nu gaat het mij", zegt zij, "als iemand wien men iets aanbiedt "te spele" (uit de grap) en als hij er naar grijpt, slaat men hem op de hand en zegt: vervloekt wie het gelooft". Op een andere plaats staakt zij eene uiteenzetting van haar "ongheval ter minne" uit vrees voor verkeerde uitleggingen der "vreemden": "de vreemde souden netelen planten daer de rosen staen zouden"[58].

Het Latijnsche proza der kerkvaders dat vaak van groote schoonheid is, heeft waarschijnlijk invloed geoefend op HADEWYCH'S proza. Men ziet het b.v. waar zij de kleinmoedigheid van sommige minnende zielen schelst: "Inden daghe der gratien sijn si coene ende inden nacht der tribulatien soe keren si den rugghe. Dit sijn aermherteghe liede; si werden lichte verheven int suete ende lichte bedroeft in tsuere. Ende eene cleine gratie doet hare herte sere verbliden ende een cleyn vernoy [Zijnoot: verdriet.] sere verdroeven."

Dit werken met tegenstellingen en parallellismen, bij de kerkvaders zoo veelvuldig, komt ook op andere plaatsen bij HADEWYCH voor.

Hier en daar vinden wij opzettelijk aangebrachte rijmklanken in het proza, zooals dat ook in het latere proza der middeleeuwen vaak gezien wordt[59]. Blijkbaar geschiedde dit met de bedoeling aan de taal eenige verheffing en uiterlijk schoon bij te zetten; doch het bloed kroop hier waar het niet gaan kon.

Anders was dat in hare gedichten, waarin wij zoo menigmaal den harteklop der echte poëzie kunnen hooren.

HADEWYCH mocht al zeggen:

Wat hulpet mi, dat ic van minnen singhe Ende mi selven mine quale linghe [Zijnoot: verleng.].

Zij liet het daarom niet; zij wist te goed:

Maer dien ouden ende dien jonghen Coelt sanc van minnen haren moet.

Wel ons, dat zij "van minne" gezongen heeft, want wij hebben daaraan het bezit van geestelijke poëzie te danken, niet zelden duister, ook wel eens eentonig en onbeteekenend, maar vaker in haar onbestuurde gangen voortzwevend met onbewuste gratie en bijwijlen treffend door eene diepte en innigheid van gevoel, zooals wij ze in onze middeleeuwsche literatuur niet dikwijls zullen aantreffen.

Ook tot hare "vri edele sinne ende wel gheboren" was het verholen woord gezegd, dat geen vreemden kunnen verstaan. In hare jonge jaren had zij zich geheel aan de minne overgegeven; zij beloofde zich niets dan zaligheid van de minne, van der minne wijsheid, rijkdom, goedheid, macht--lacy! het zou anders uitkomen. Wel zegt de dorper:

jeghen avont Sal men loven den sconen dach.

Te laat had zij dat begrepen. Teleurstelling en tribulatie wachtten haar, onnoozele; want:

Suer ende donker ende overwreet Sijn der minnen weghe in haer beghin.

Uit de diepten van het hart hooren wij die teleurstelling en dat verdriet opkomen in dit mooi en welluidend couplet:

Want ic sach eene lichte wolke opgaen Over alle swerke, soo scone gedaen [Zijnoot: van gedaante.], Ic waende met volre weelden saen [Zijnoot: spoedig.] Vri spelen in de zonne.... Doe wert mijn hoge [Zijnoot: blijdschap.] maer een waen; Al storve ic, wie es dies mi wanconne [Zijnoot: misgunnen zou.]?

Doch langzamerhand had zij de wegen om tot de minne te komen leeren kennen: vreemden en vrienden had zij laten varen, eer en rust opgegeven; hare ziel zooveel mogelijk ontledigd van indrukken, door al het geschapene op haar gemaakt; die ziel gemaakt tot een klaren spiegel, waarin het beeld der Godheid zich zou kunnen weerkaatsen. Wie heeft de minnende ziel deze wegen leeren kennen? Redene. Want wie pas door de minne gevangen is, dien sluit zij de oogen met het uitzicht op allerlei geneugten; doch dan komt Redene de sterke, dan blijkt eerst dat redene den grond der minne moet doorglanzen.

Nu kan de ziel de onderscheidene trappen ("graden" en "staghen") der minne opklimmen. Doch slechts langzaam kan dat geschieden; men moet geduld oefenen. Menigeen wil wel op gemakkelijke wijze de minne deelachtig worden en stelt zich, dorper die hij is, tevreden met een klein genot dat voor de hand ligt; doch minne kent dezulken niet:

Die gherne woude doghen tsuete ellende: [Zijnoot: ballingschap.] Die weghe ter hogher mînnen lant, Hi vonde sijn lief, sijn rike, ten ende, Des ghevet de trouwe seghel ende pant. Nu es menech dorper soo truwant [Zijnoot: (schooierig) verachtelijk.], Hi nemt dat hem es naest ghehende [Zijnoot: nabij.] Ende blivet vore minne die onbekende; Metter truanciën cleet, Soo en hevet hi vorme noch ere, Daer minne dat haer bi versteet.

In den dienst der minne moet men zich niet ontzien, geene kracht, geen merg, geen hartebloed sparen, steeds indachtig aan deze uitspraak der minne: hoe dieper gewond, hoe zachter genezen!

Langs zulke wegen komt de ziel tot de minne, die is als een band, een licht, een kole vuurs, een dauw, een levende bron; eene helle, die alles verslindt. Alleen hij zal haar geheel bezitten, die zich geheel aan haar overgeeft. "Den middenweg houden, dat is zalig leven", zeggen de vroeden, die naar deze wereld wijs geacht worden--maar HADEWYCH zegt:

Middelheit moet af, Eer men in mach Ten edelen goede.

Ook dan blijft er nog wel een op-en-neer van juichen en klagen, maar daarin is toch zaligheid:

Bi wilen lief, bi wilen leet, Bi wilen verre, bi wilen ghereet [Zijnoot: dicht bij.], Die dit met trouwe van minnen versteet, Dat es jubileren: Hoe minne versleet [Zijnoot: verslaat.] Ende ommeveet [Zijnoot: omvangt.] In één hanteren.

Bi wilen licht, bi wilen swaer, Bi wilen doncker, bi wilen claer, In vriën troost, in bedwongen vaer [Zijnoot: vrees.], In nemen ende in gheven, Moeten die sinne Die dolen in minne Altoos hier leven[60].

Groot is de kracht der minne, die immers God zelven tot den dood voor ons gebracht heeft. Dat heeft niemand kunnen begrijpen, vóórdat MARIA door haren ootmoed de minne zelve had gevangen:

Wat soo ons god ye onste [Zijnoot: ooit gunde.], Hen wert nie man [Zijnoot: er kwam nooit iemand.], die conste Gherechte minne verstaen, Eer dat maria de goede Met diepen ootmoede Die minne hadde gevaen [Zijnoot: gevangen.]. T'ierst was si wilt, doe wert si tam, Si gaf ons vore den leeuwe een lam: Si maecte de demsterheit [Zijnoot: duisternis.] claer, Die hadde geweest donker wel menech jaer[61].

Is men onder strijd en storm van minne door het land van ballingschap tot het rijk der minne gekomen, dan komt na al dat hooge gerucht (der wereld) de stilte der nederigheid over de ziel; dan omvat de ziel wijde ruimten, dan doorwandelt zij de diepten der minne ("der minnen gewat"); zij geniet de minne en geniet totdat zij in "orewoet" en geestelijke dronkenschap zich zelve verliest.

Poëzie, die op zoo hoogen trap van ontwikkeling staat als deze, kan kwalijk de eerste van haar soort zijn geweest. Wij weten te weinig van de ontwikkelingsgeschiedenis onzer lyriek om met zekerheid te kunnen spreken over den samenhang van HADEWYCH'S poëzie met de poëzie vóór haar. Dat er te onzent, vóór of in haar tijd behalve VELDEKE'S liederen, eene lyrische poëzie bestaan heeft, hopen wij verderop aan te toonen; doch iets kunnen wij alreeds nu doen ter verdere kenschetsing van de poëzie die wij tot dusverre vooral naar hare stof hebben leeren kennen.

HADEWYCH'S geestelijke liederen en gedichten vertoonen eene onmiskenbare verwantschap met de wereldlijke lyriek, zooals die zich vóór haar in de aangrenzende landen en ook te onzent had ontwikkeld. Onder al dit "zingen van minne" verneemt men telkens klanken en motieven die ook in de wereldsche minnepoëzie voorkomen. Dat om genade bidden, die klachten over den band en den brand der minne, de ellende die de minnaar moet doorstaan, die betuigingen dat de minne met haar aanlokkelijk gelaat hem van zinnen berooft--dat alles hooren wij ook in de gewone minnepoëzie. Woorden als _zeelde_ (minneweelde), _merkaren_ (kwaadwillige spionnen en verklikkers), eene uitdrukking als: "de minne heeft de dagen en ik de nachten", wijzen in diezelfde richting[62]. De aanvang van een der grootere lyrische gedichten:

Viere meisteren seiden een coninc: Welc ware de starcste dinc

is de gewone van zoovele _tenzonen_ (strijdgedichten) welke, in navolging der Fransche lyriek, ook bij andere volken gemaakt werden[63].

Evenals in het wereldlijk minnelied vangen ook vele van HADEWYCH'S liederen aan met een schetsje of een greep uit het natuurleven. Dat natuurleven moet dienen ter inleiding van het gemoedsleven, hetzij door overeenkomst hetzij door tegenstelling. Zoo b.v. in dit fraaie aanvangscouplet:

Tsaermeer [Zijnoot: thans.] sal in corten tide Tsap van den wortelen opwaert slaen! Daerbi sal, verre ende wide, Beemt ende cruut sijn loof ontfaen; Dies so hebben wi sekeren waen [Zijnoot: vast geloof.], Die voghele werden blide; Die gheet in minnen te stride, Hi sal verwinnen saen [Zijnoot: spoedig.], Opdat hi niet en mide [Zijnoot: zich niet spare.] [64].

Ook hare vergelijkingen ontleent HADEWYCH niet zelden aan het natuurleven: de minnaar komt uit de stormen der minne en alle verdriet te voorschijn, zooals een roos, bevochtigd door den dauw, op den dorenstruik ontluikt; ook in de minne is het: "na groten storme werdet dat weder scone"; waar 't gemoed met den rijp van den waan is bedekt, daar kan geen loover van minne groeien[65]. Andere vergelijkingen verplaatsen ons in het dagelijksch leven: hoe hooger kasteel men wil bouwen, hoe dieper men den grond moet omwoelen; zij vergelijkt zich zelve bij een kind "dat na sprect dat het spreken hoort"; op de vervulling van de beloften der minne moet iemand wachten, zooals een gehangene dat men hem zal afsnijden; elders vinden wij vergelijkingen of beelden ontleend aan schaak- en dobbelspel; op de grens van het platte staat zij met haar beeldspraak van de taverne waarin Minne hare gasten bedient. Aan de volkspoëzie en wel aan de oudste leugenliederen herinneren ons deze verzen:

Want niet bat en can 't getoonen mijn sin, Dan een molensteen ghevloten mach in 't Zwin[66].

Maar aan geen deel van het maatschappelijk leven worden wij door hare beelden en vergelijkingen vaker herinnerd dan aan het ridderwezen. In het proza komt er een enkele maal een voor, zoo b.v. waar zij spreekt van de "wijsheit" die "alle die edele ridderen achemeert" [Zijnoot: uitrust.] in den strijd der minne; doch in de poëzie wemelt het ridderleven ons telkens voor de oogen. De gansche voorstelling van het zoeken der minne als een strijd gaf daar aanleiding toe. HADEWYCH heeft overigens waarschijnlijk ook hier gedaan wat zij niet laten kon. Wij hooren van "doorhouwen schilden" en "schermen onder den scilt", van "joesten", eenen "keer doen" (zich door den vijand heen houwen en langs denzelfden weg terugkeeren), van "sinen hoghen telt (draf) riden", van "heervaert", "kimpen" (kampvechters), "vesten", muren en grachten; van koene ridders die een pand hunner jonkvrouw aan de lans binden, van "schachten die diepe steken." Zulk eene vertrouwdheid met het ridderleven kan men slechts in de kringen van den adel verwachten en het is niet gewaagd aan te nemen, dat HADEWYCH, de dichteres van het vers:

Fiere herte en was nie [Zijnoot: nooit.] bloode

gelijk zoovele Cisterciënser-nonnen van adellijke afkomst is geweest[67].

Maar hooger dan de adel van haar geboorte staat de adel van haar geest en haar gemoed.

Er is in de wijze waarop zij den strijd der minnende ziele weet te vertolken, iets edels en hoogs dat ook nu nog hen die haar eenigszins kunnen volgen, in zijne vlucht medeneemt. Haar gevoel is dikwijls onbestuurd en doet hare poëzie dan vervloeien tot muzikale woord-arabesken, die uiting geven aan hare gemoedsstemming, al kunnen wij daar het verband tusschen gevoel en klank niet waarnemen. Op menige plaats geven hare verzen ons een treffend beeld van de worsteling eener ziel met het eeuwige en oneindige dat zich niet onder woorden laat brengen. Het strekt HADEWYCH tot eer dat zelve te hebben beseft. Voor het eerst--immers nog vóór WILLEM VAN AFFLIGHEM--vinden wij in de geschiedenis onzer woordkunst het besef uitgesproken van het onvermogen der taal om de diepste diepten der ziel bloot te leggen. Sprekend over de Drie-eenheid, zegt HADEWYCH: "van al dien dat in ertike es, mach men redene ende dietsch genoech vinden, mer hiertoe en wetic gheen dietsch noch gheen redene". En elders lezen wij over het zich oplossen van den mensch in God: "ay, ic en dar [Zijnoot: durf.] hier af nemmeer scriven, ic moet emmer van den besten meest swighen... ende hier omme quetse ic mi, dat ic niet segghen en dar jeghen menschen, noch scriven, dat der pinen [Zijnoot: moeite.] wert es, ochte woorde na [Zijnoot: volgens.] miere zielen gront." Ook in hare poëzie vinden wij uitingen als:

Het mochte dat inneghe gedinken De tonge verminken, Sprake siere af meer[68].

Maar dikwijls ook weet zij haar innerlijk leven, de vreugden en smarten der minnende ziel te boetseeren in hare smijdige taal, telkens nieuwe rhythmen en vormen vindend en die verlevendigend met het lichte spel van rijmklanken, van staand en slepend rijm, van dubbelrijm en refrein.

Eentonig--heeft men gezegd. Is niet elke minnelyriek eentonig? Ook de heide is eentonig. Toch zijn er die daar zich gelukkig voelen, omdat de blik er niet op grenzen stuit, noch in het wijde rondom noch in het diepe omhoog; wier oog met welbehagen rust op frissche wel en volle beek, op den dorren grond ook, aanzwellend en neerglooiend in zijn stemmig bruin, en bijwijlen zoo heerlijk opbloeiend in het rozerood der erica.

AANTEEKENINGEN

[1] _Spiegel der Zonden_ (ed. VERDAM), vs. 4852-3.

[2] Zie bl. 124, 6.

[3] Vs. 5-15. Den naam _Digenen_ kan ik niet thuisbrengen. De eenige mij bekende naam die op dezen gelijkt, is die van den ridder _Degener_ die door zijne minnares LUSSEWINE verraden wordt. Vgl. de romance in H. v. FALLERSLEBEN'S _Horae Belgicae_, II, 29.

[4] Uitgaven van het volledig gedicht en van eenige fragmenten vermeld door TE WINKEL, _Gesch._, bl. 266 en in PETIT'S _Bibliographie_, no. 478 en 1143. Zie verder het belangrijk artikel van VERDAM in: _Versl. en Meded. der Kon. Akad. v. Wet._, 4e Reeks, Deel IV.

[5] In vs. 4055 wordt "die ewangeliste" genoemd; in vs. 4059 "sinte Gregorijs"; in vs. 4067 "sinte Augustijn". Doch is dit deel van het gedicht van den oorspronkelijken dichter, die de Roode Zee: de _leverzee_ noemt, (vs. 1130)?

[6] Vgl. vs. 165 vlgg.; 1100, 1292, 1310, 1342, 1584, 1752, 1760, 2076; vs. 217 vlgg.; 478, 930, 1352 en de telkens volgende verzen.

[7] Vgl. o.a.: 376, 660, 1837, 1843, 2857, 3678; vs. 345 vlgg.; 860 vlgg.; 644, 650, 1277, 666; 1775-8, 1802, 1910.

[8] Vs. 517, 757 vlgg.

[9] Vs. 2154-'67, 2353-'62, 2788 vlgg.; 2860, 2885 vlgg.; 2923, 2950 vlgg.; 3039 vlgg.

[10] Vs. 754-5, 1634, 271-2, 4277.

[11] Vs. 354-5 (het Ovidiaansch: "eodem argento" maar minder fijn); 2251, 1402.

[12] Vgl. vs. 1050 vlgg., 1382 vlgg.; 1685, 1864; 1179, 2394, 2396; 2376, 2720, 1539 vlgg.; 2054, 3903 vlgg.; 2340-1.

[13] Vs. 1130.

[14] Zulke plaatsen zijn vs. 478 vlgg.; 1417 vlgg.; 1626 vlgg.; 1986 vlgg.; 2088 vlgg.; 2440-'64; 2983 vlgg.; 3195 vlgg.; 3277 vlgg.; 3395 vlgg.; 3445 vlgg.; 3483 vlgg.