Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Chapter 12
Evenals MARGARETHA VAN YPEREN heeft ook LUTGART VAN TONGEREN te worstelen met de zinnelijke liefde; evenals deze gelukt het ook haar, slechts door de liefde tot den hemelschen bruidegom de zinnelijke liefde te overwinnen. In hare extazes ziet zij vijf jaren lang bijna dagelijks de Moeder Gods, de engelen, heiligen en apostelen; doch zij vindt geene rust voordat zij den Heilige der Heiligen gevonden heeft. De omgang met Hem heiligt ook haar; de kloosterzusters vertelden dat zij eens des nachts een licht, heller dan zonlicht, boven LUTGARDE'S leger hadden gezien; van LUTGART, evenals van CHRISTINA en anderen, wordt ons verhaald, dat zij door aanraking met hare hand of door het strijken van speeksel wonderen verrichtte.
Het leven van SINTE LUTGART is in het bijzonder gewichtig voor ons[29]. Het is oorspronkelijk in het Latijn verhaald door den bekenden Dominikaan THOMAS (DAMAES) uit het adellijk geslacht van Bellenghem, die gewoonlijk genoemd wordt naar de abdij van Cantimpré bij Kamerijk, waar hij een deel zijner jonge jaren doorbracht. Hij was langen tijd een vertrouwd vriend van LUTGART, die toen haar verblijf hield in de eveneens bij Kamerijk gelegen abdij van Aywières (Aquiria). Dankbaar herdacht THOMAS later, hoe menigmaal zijne oudere vriendin--zij was omstreeks 18 jaar ouder dan hij--hem had getroost en opgebeurd, wanneer hij de moeilijke taak der biecht-afneming had te vervullen. Voor hem was zij een heilige; de gedachte dat hem, na haar scheiden uit dit leven, niets van haar zou overblijven dan de liefelijke herinnering alleen, was hem blijkbaar ondragelijk. Iets van haar moest hij na haar dood mogen behouden. Doch welk eigendom had eene vrome non als deze dan haar lichaam? De teergevoeligheid van later tijden bevredigt hare behoefte aan een tastbare heugenis van geliefde dooden met een vlok haar--dit kind eener eeuw van forscher en grover zinnelijkheid wenschte hoofd of hand zijner vriendin voor zich om die, in zilver of goud beslagen, te bewaren[30]. Slechts haar rechterpink, haar "minste vingerkijn", had LUTGART, wien het ter oore was gekomen, hem half in ernst half in scherts toegezegd. Inderdaad werd die pink na LUTGART'S dood door een paar leekebroeders afgesneden en aan HADEWYCH, toentertijd abdis van Aywières, overhandigd. Maar THOMAS kreeg de begeerde reliquie slechts, nadat hij de abdis beloofd had het leven zijner gestorven vriendin te zullen beschrijven.
Ter vervulling van die belofte schreef hij zijne _Vita Lutgardis_; dat werk moet voltooid zijn geweest vóór 1248, het sterfjaar van HADEWYCH aan wie THOMAS zijn werk heeft opgedragen. De schrijver had het verdeeld in drie deelen volgens de drie trappen van het ascetisch leven: het begin, den voortgang en de volmaaktheid. Het eerste deel verhaalt ons LUTGART'S leven in het Sinte-Katharinaklooster bij St. Truyen; het tweede omvat de 29 eerste jaren van haar verblijf bij de Cisterciënser-nonnen van Aywières; het derde hare elf laatste levensjaren.
Deze _Vita Lutgardis_ nu is als leiddraad gebruikt door een Nederlandsch dichter bij het schrijven van zijn merkwaardig _Leven van Sinte Lutgart_. De dichter van dat werk, WILLEM genaamd, werd omstreeks 1210 te Mechelen geboren als een onwettig kind uit het adellijk, aanzienlijk geslacht der Berthouts; hij studeerde te Parijs, trad in de orde van Sint Benedictus, werd prior van Afflighem (bij Aalst), later abt van Sint Truyen en stierf in 1297. Zijn _Leven van Sinte Lutgart_ is door hem waarschijnlijk tusschen 1262-1274 gedicht[31].
Inderdaad, meer dan een leiddraad is de Latijnsche _Vita_ niet geweest voor WILLEM VAN AFFLIGHEM, die het sobere verhaal van THOMAS in de gemakkelijk vloeiende verzen zijner omstandige en genoegelijk breedvoerige bewerking liet uitdijen tot een omvangrijk geheel; het tweede en het derde boek, die alleen tot ons zijn gekomen, omvatten samen reeds meer dan 20.000 verzen[32]. WILLEM heeft slechts weinig weggelaten; wat hij weglaat, zijn o.a. dingen die hem voor den goeden naam der nonnen blijkbaar minder wenschelijk voorkomen.
Zoo vertelt THOMAS ons in zijne _Vita_ van eene non, door den duivel bezeten, en door dezen zoo onrein van hart gemaakt, dat zij zich meer dan eens aan ontucht zou hebben overgegeven, indien vurige gebeden haar niet weerhouden hadden[33]. WILLEM acht het voldoende te verhalen dat de non door den Booze bezeten was, dat zij zich zelve soms sloeg en er angstwekkend uitzag. Maar een breedvoerig verhaal geeft hij ons daarop van de wijze waarop LUTGART dien boozen alf dwong, het lichaam der bezetene te verlaten; van het gansche levendig tooneel dier duivelbezwering vinden wij daarentegen in de _Vita_ weinig of niets[33].
Tegenover die enkele weglating staat dus reeds dadelijk een invoegsel. In de meeste gevallen heeft hij echter, zonder iets weg te laten, zijn voorbeeld uitgebreid of ook wel gevoelens en opmerkingen van zich zelven ingevoegd. Zoo b.v. waar een paar van LUTGART'S visioenen beschreven worden en waar hij zich verdedigt tegen menschen die zich niet schamen, de dichters dwaas te noemen, omdat zij al die "fantasijen" van oude vrouwen beschrijven[34]. Zoo is ook hoofdstuk XVI van het Tweede Boek bijna geheel van WILLEM afkomstig, die ons daar eene levendige schildering geeft van den strijd tusschen LUTGART en de duivelen die haar voortdurend belagen; die zij verjaagt, "zooals iemand zich de vliegen met een kwispel of een tak van het lijf houdt" en die haar zóó vreezen dat zij zelfs in hare afwezigheid niet wagen hare bidplaats te naderen.
Op menige plaats heeft de dichter de gelegenheid te baat genomen, om vermaningen te richten tot de "heren en vrouwen" die zich onder zijn gehoor bevonden of die hij elders door de lezing van zijn werk hoopte te bereiken. Hij waarschuwt de prelaten die hun plicht verzaken en wien het slechts om wereldsche eer te doen is; brengt zijn publiek onder het oog, hoe LUTGART slechts door de "sterke minne" tot God den duivel en zijne trawanten kon overwinnen; hij vaart uit tegen de oude hebzuchtige huichelaars, de "papelarde metten grisen langen barde", die den armen onder allerlei drogredenen het hun toekomende willen onthouden; hij betreurt de verslapping der kloostertucht en stelt de abdij van Afflighem aan andere ten voorbeeld.
Is de dichter niet zelden breedsprakig en staat hij stil bij tal van bijzonderheden die ons geen belang meer inboezemen, anderzijds dient erkend, dat hij even vaak onderhoudend en levendig vertelt. Levendig en onderhoudend is b.v. de proloog van het Tweede Boek, waaruit wij vroeger eenige verzen aanhaalden. En hoe aardig teekent hij in den proloog van het Derde Boek de slaperigheid die een deel van zijn publiek heeft bevangen onder de voordracht:
Dat heldekoppen [Zijnoot: knikkebollen.] ende nigen, Dat metten hoofden neder sigen Gaf mi litteeken [Zijnoot: blijk.] dat hem somen Die vaec in d'ogen ware comen.
Maar hooger vlucht neemt hij in andere deelen van zijn werk; daar wandelt hij niet met bedaarden of levendigen pas over den beganen grond, maar hij zweeft er boven. Deze abt is waarlijk dichter; heeft ten minste eenige der wezenlijke eigenschappen van een dichter. Men zou dat reeds vermoeden waar men hem de onmacht der taal ziet beseffen: LUTGART was na een gebed tot God, aldus vertelt WILLEM ons, zóó verheugd,
Meer dan u iemen soude mogen Geseggen wel met didscher spraken [Zijnoot: in het dietsch (de volkstaal).].
Maar dat hij dichter is, ziet men duidelijker waar hij ons beschrijft hoe de H. Maagd aan LUTGART verschijnt: hoe dat gelaat van uitgelezen schoonheid, anders stralend van glans, nu zoo bleek en verslagen ziet van hartzeer; hoe donker haar gewaad, dat anders schittert heller dan het licht van een zomerschen dag. Fraai is het 4de hoofdstuk van het Tweede Boek, waarin ons verhaald wordt, hoe LUTGART door hare gebeden den prediker JACOB VAN VITRY verlost van zijne zinnelijke liefde tot eene vrouw van uitverkoren schoonheid. De innerlijke strijd dien eene mystieke vrouw te strijden had, vóórdat zij rust in God vond, is ons in het zesde hoofdstuk van dat boek geschetst met de zachte gevoeligheid van omtrek die wij ook in vele miniaturen bewonderen. Schoon is hier vooral de verhouding eener non van edelen bloede tot God afgebeeld; er is sprake van vrouwe MARIA VAN RAEVIË
die har herte voeget So simpellic an onsen Here, Dat men ne can no min no mere Vergronden noch genemen ware Hoe 't tusschen hem stoet ende hare. Si es so schamel [Zijnoot: bedeesd.] ende so blode, Dat si mi soude ontdekken node Des iwent [Zijnoot: iets.] ochte condech maken[35].
Een streven naar kunst toont WILLEM VAN AFFLIGHEM ook in de zorgzaamheid voor den vorm van zijn werk: zijne verzen zijn gebouwd met eene regelmaat van stijging en daling, die eenig is in onze middeleeuwsche literatuur en zijne rijmen zijn zoo zuiver, dat men er te nauwernood eene enkele assonance onder aantreft[36].
Tot nog toe hebben wij een voornamen karaktertrek van WILLEM'S werk buiten beschouwing gelaten: zijne eigenaardige voorstelling van het streven der ziel naar vereeniging met God, dat hij _minne_ noemt. Als een stroom van wit licht doorgloeit die "minne" het _Leven van Sinte Lutgart_; in de _Vita_ van THOMAS is daarvan niets of te nauwernood een glimpje te zien.
Heeft men eens leeren beseffen, wat de ware "minne" is, namelijk niet de wereldsche of de zinnelijke liefde, maar de liefde der ziel tot God, dan moet men al zijne krachten inspannen om deze liefde deelachtig te worden. Maar lang is de weg en moeilijk de strijd. Menigeen die zich gewennen wil de minne te dienen en in haar school te gaan, streeft in den aanvang al te haastig voorwaarts in plaats van rustig af te wachten. In den beginne behaagt dat oefenen zijner krachten den minnaar; doch indien zijn wil hem dan verlokt zwaarder taak op zich te nemen dan hij kan volbrengen, dan wachten hem schaamte en vernedering. Daarom moet hij die "der minnen rade volger" gestadig volharden in den goeden strijd. Want een strijd, eene worsteling der ziel met God is de minne. LUTGART dwong met hare sterke minne den hoogsten Koning, onzen Heer, haar al hooger in Zijne gratie te verheffen; want Hij kon het haar niet weigeren; zij bracht Hem ten onder. Soms liet Hij haar geene "zeghe vechten", ook al bleef zij lang stokstil liggen, krachtiglijk met gebeden worstelend tegen den hoogste des hemels. Maar wie eenmaal de minne als middelares tot vereeniging met God heeft leeren kennen, die blijft strijden. En dan wordt hem te zijner tijd de zoete wijn der minne geschonken, zoodat hij in "orewoet" [Zijnoot: geestverrukking.] geraakt en verzwolgen wordt in der minne grondelooze diepte. LUTGART was in de school der minne geweest; daar had zij den Meester gevonden, die haar zonder woorden binnen in het hart alles verklaard had, wat geen geleerde met behulp van boeken en schrifturen verklaren kan[37].
Ook andere nonnen van Aywières waren de genade der minne in meerdere of mindere mate deelachtig geworden; het spreekt van zelf, dat verwante zielen, die eenigen tijd de minne hadden gediend, behoefte hebben gevoeld, hare innerlijke ervaringen ten minste ten deele te bespreken, of te luisteren naar eene zuster als LUTGART die in de school der minne het zóó ver had gebracht. Zoo zien wij dan ook eens eenige nonnen in de ziekenzaal van Aywières zitten, daarheen gekomen om LUTGART te hooren "disputeren van der minnen".
Men waagt zeker niet veel met de bewering dat dit niet de eenige keer zal geweest zijn, dat LUTGART en hare geestverwante zusters in het klooster zich hebben onderhouden over de hooge dingen die hare gansche ziel vervulden.
Zou de abdis van het klooster nooit hebben deelgenomen aan die gesprekken? Zij, wie LUTGART blijkbaar zóó na aan 't hart lag, dat zij "het minste vingerkijn" der overledene niet missen en slechts voor eene levensbeschrijving der betreurde zuster wilde afstaan?
Kan deze abdis HADEWYCH, aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijne _Vita Lutgardis_ opdroeg, eene andere zijn geweest dan de mystieke, en tot nog toe mysterieuze, schrijfster, die ons hare visioenen heeft geopenbaard en de minne verheerlijkt in zoo menig fraai en innig gevoeld lied?
Eene beschouwing van haar persoon en haar werk moge op die vraag het antwoord geven.
HADEWYCH.
Eene gunstige lotsbeschikking heeft een aantal Nederlandsche werken in proza en poëzie uit dezen tijd voor ons bewaard, die in een paar handschriften van de 13de en den aanvang der 14de eeuw _visiones haywigis, epistole haywigis_ en _ritmata haywigis_ genoemd worden[38].
De visioenen behelzen gedeeltelijk beschrijvingen van hetgeen eene in extaze verkeerende vrouw heeft gezien, doch handelen veelal over de minne; ook de epistolae behandelen vooral dat onderwerp, zooals reeds blijkt uit den aanvang: "God die de clare Minne die onbekint was, verclaerde bi siere doghet"; van de gedichten (_ritmata_) is de minne schering en inslag. Blijkbaar hebben wij hier het werk vóór ons van ééne dichteres die den naam HADEWYCH draagt; ook _in_ haar werk wordt die naam een paar maal genoemd. Het godsdienstig gemoedsleven waarvan al deze dichterlijke werken uitingen zijn, beweegt zich in dezelfde sfeer, waarin LUTGART en de andere vroeger genoemde vrouwen in ons land en in den vreemde zich te huis gevoelden. Wanneer wij in een van HADEWYCH'S visioenen melding gemaakt vinden van "Heldegaert die al de visione sach", dan zal het wel niet gewaagd zijn, te vermoeden dat hier de abdis HILDEGARDE VAN BINGEN bedoeld is[39].
Dat HADEWYCH spreekt van hare geestverwanten o.a. in Saksen en Thuringen, waar, zooals wij zagen, de mystiek zich bijzonder krachtig ontwikkeld heeft; dat zij onder die geestverwanten vele bagijnen noemt, zoowel in ons land als daarbuiten, maakt deze voorstelling nog aannemelijker. Op eene andere plaats in haar werk maakt HADEWYCH gewag van de "vrouwe van Nazaret". Waarschijnlijk hebben wij hier te denken aan BEATRIX VAN THIENEN, abdisse van het Cisterciënser-klooster Nazareth (bij Lier) die in 1260 overleden is, en die ook visioenen had[40].
Alles leidt er ons dus toe, de dichteres HADEWYCH te zoeken in een Cisterciënser-klooster. Nu is het natuurlijk mogelijk, dat er in de abdij van Aywiéres of elders eene Cisterciënser-non heeft geleefd, eveneens HADEWYCH genaamd en naar den geest verwant met al de hierboven genoemde vrouwen; doch waarschijnlijk zal HADEWYCH, de dichteres, één zijn geweest met de abdis van Aywières aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijne _Vita Lutgardis_ heeft opgedragen.
Een deel van dit proza en der berijmde zendbrieven, achter de zuiver lyrische gedichten in coupletten, is gericht tot eene jongere geestverwante, door HADEWYCH herhaaldelijk aangesproken met "lieve kint". Deze "joncfrouwe" is nog "ongheproeft van allen dinghen". HADEWYCH wekt haar op om zich in te spannen als iemand die den weg der Minne nog van meet af heeft te bewandelen; daartoe moet zij den diepsten ootmoed betrachten bij al wat zij zal kunnen bereiken[41]. Door middel van deze jongere vriendin deelt zij goede lessen en waarschuwingen uit ook aan andere geestverwanten; zoo aan zekere SARA en EMME, wie zij verwijt dat zij zich te weinig bekommeren om de minne, die haar zelve "zoo vreseleke omvaen hevet in beroeringhen van onghecuster [Zijnoot: onbevredigd.] minnen".
Niet alleen het pad der minne betreden, is noodig; de jonkvrouw tot wie HADEWYCH zich richt, moet zich ook ontfermen over allen nood, goede daden verrichten, zieken verplegen. Zij zelve heeft dat ook gedaan totdat het haar verboden werd[42].
Over hare persoonlijke omstandigheden is in HADEWYCH'S werken niet veel te vinden; wat wij als zoodanig kunnen aanwijzen, is gedeeltelijk nevelachtig uitgedrukt. Reeds op haar tiende jaar had de minne haar hart bedwongen; had God haar niet gesterkt, zij ware onder dien dwang bezweken. De meeste visioenen schijnen uit hare jeugd te dagteekenen, al kwamen zij ook in haren ouderdom nog wel voor. Van der jeugd af had zij haar lichaam, dien heiligen tempel Gods, rein gehouden van al wat niet betaamt; zóó was zij geworden tot eene reine kolom in de kerk der heiligen[43]. Wel had zij reeds in hare jeugd een sterk zielsverlangen naar het genot van één te zijn met Gode; doch daartoe was zij toen nog te weinig volgroeid naar den geest; zij had er zich nog te weinig voor ingespannen. Leed en ellende waren door haar aanvaard als middelen tot heiliging.
Dat leed en die ellende waren haar door God opgelegd. In een visioen was haar door God dit gebod gegeven: zij moest begeeren arm, ellendig en versmaad te zijn onder alle menschen; alle verdriet moest haar behagelijk zijn boven alle aardsche geneugten, ook al zou dat verdriet ondragelijk zijn voor een mensch. Zij moest der wereld vreemd worden, klein geacht bij de menschen en zoo rampzalig dat zij niet zou weten waar zij des nachts haar hoofd zou neerleggen; alle menschen zouden haar begeven, niemand zou met haar willen dolen in haren nood en hare ellende. Over al dat leed spreekt zij ook tot hare jeugdige vrienden: zij heeft niet onder de menschen gewandeld, hunne gewoonten niet gevolgd, noch in hun eten noch in hun drinken noch in hun slapen; niet zich gesierd met kleurige kleederen, nooit genoten van blijdschap die een menschenhart verblijden kan. Bedroef u--zegt zij tot het jonge meisje--zoo weinig mogelijk om mijnentwille, hoe het ook met mij ga, hetzij in ronddolen door het land, hetzij in gevangenschap, want het is al der minnen werk, dat de "vreemden" niet kennen[44].
Op die gevangenschap die haar bedreigde en die "vreemden" komen wij terug; eerst moeten wij trachten ons eene voorstelling te vormen van haar innerlijk leven, duidelijker dan mogelijk is met behulp van het tot hiertoe medegedeelde.
Ook HADEWYCH'S zieleleven werd beheerscht door de minne. "Mint de minne!" zoo had ook in haar eene stem weerklonken. Wie naar minne streeft, doch naar die stem niet luistert, dien klinkt zij vreeselijker dan de donder. Dat woord is de band daar de minne hare gevangenen mede bindt, het zwaard waarmede zij wondt die zij raakt, de roede waarmede zij hare kinderen kastijdt.
Waarschijnlijk hebben wij den oorsprong dier minne te zoeken in het bijbelwoord, ook door HADEWYCH aangehaald en "het swaerste inder scrifturen" genoemd, dat God zeide tot Mozes: "Du salt minnen dinen Here, dinen God, van al dijnre herten, van al dijnre sielen, van al dijnren crachten"[45]. Die woorden mag de minnende ziel nimmer vergeten, slapend noch wakend. Slaapt zij, dan moet zij er van droomen; waakt zij, dan moet zij erover peinzen, erover spreken, ernaar handelen. Zij moet dat doen, niet om macht of blijdschap of rijkdom of hoogheid te verwerven, noch om der wille van eenig genot in den hemel of op aarde--maar alleen omdat het welbehagelijk is aan den hoogwaardigen God, die de menschelijke natuur daartoe geschapen heeft.
Doch niet licht is de last dien de minnende ziel op zich neemt. Met de minne komt ook de vreeze het hart des minnaars binnen. Hij vreest, dat hij de minne niet zal kunnen voldoen; dat al wat hij over minne zegt, te gering zal zijn voor haar. En wel bestaat er reden tot zulke vreeze. Want wij willen allen wel God zijn met God; doch weinigen onzer willen mensch zijn met Hem, met Hem het kruis dragen en met Hem aan het kruis hangen om de schuld van het menschdom te voldoen. Elk klein verdriet trekken wij ons aan; doet men ons smaadheid, beliegt men ons, worden wij in onze eer getast of in ons gemak of in ons genoegen--dan gaat het ons zoo ras aan het hart. Daarom blijft onze zin onverlicht, ons wezen ongestadig, onze rede en ons verstand onbetrouwbaar; en zoo dolen wij arm, onzalig, ellendig en verbijsterd langs moeilijke wegen in een vreemd land. Want alleen de minne kan ons voldoen; niets anders. Der minne loon blijft nimmer uit, al komt het dikwijls spade. Wie haar zich zelven geeft geheel, die zal haar hebben geheel, wien lief wien leed. Dan hebben zijne ziel en zinnen dag noch nacht rust: de vlam der minne brandt alle uur in het merg zijner ziel; dan wordt hij verzwolgen in de diepte der minne.
Keert deze hooge ziel dan terug tot de menschen en de dingen der menschen, dan is haar aanschijn zoo blijde en zoo wonderliefelijk gezalfd met de olie der caritate, dat zij zich goedertierenlijk tot de menschen kan richten in al wat zij wil[46].
Doch niet altijd is de minnaar der minne zoo kalm gelukkig.
Wanneer de kracht van den grooten God zich openbaart in het hart zijner vertrouwelingen, dan wordt de zalige ziele geleid in eene geestelijke dronkenschap "daer si in moet spelende sijn". Telkens valt HADEWYCH zoo "buten den geest" en blijft zij zóó verzwolgen in de minne, dat zij geene voorstelling of begrip meer heeft van iets anders dan één te zijn met Hem en daarvan te genieten. Zij zelve heeft nauwkeurig het tijdstip en den duur, ook den inhoud van vele dier extaze's aangegeven. Zij geraakt in visioen op Kerstdag, op Paschen, op Pinksteren, op Maria-geboorte, in een Kerstnacht, op O.L. Vrouwe Hemelvaart; de eene extaze duurt een half uur, eene andere een halven dag, vaak blijft zij drie dagen en drie nachten "in opghenomenheide van geeste". Zij ziet een hoogen berg met vijf wegen van symbolieke beteekenis, eene draaiende schijf die de eeuwigheid verbeeldt, de drie "overste" hemelen met de tronen, cherubijnen en serafijnen, het hemelsch Jeruzalem met al de zaligen. Een der visioenen beschrijft zij ons aldus: "Ende ic keerde mi van heme ende ic sach een cruce vore mi staen ghelijc cristalle, claerre [Zijnoot: helderder.] ende witter dan cristal; daer mocht men dore sien een groote wijtheit. Ende vore dat cruce sach ic staen enen setel ghelijc eener sciven ende [Zijnoot: die.] was claerre ane te siene dan die sonne in haerre claerster macht ende onder die scive stonden drie colommen.... Ende midden onder die scive draeyde een wiel soo vreseleke omme ende die soo eyselike was ane te siene, dat hemelrike ende aertrike daer of verwonderen mochte ende vervaren [Zijnoot: vreezen.]. De zetel beteekent de eeuwigheid; de drie kolommen verbeelden Vader, Zoon en H. Geest.
Zelfs voor eene beschrijving van God deinst zij niet terug. Doch terwijl zij bezig is met eene poging om mede te deelen wat zij gezien heeft, op eene wijze die levendig herinnert aan het beeld van "eenen den Zoon des menschen gelijk zijnde" uit de Openbaring, wordt zij zóó overweldigd door Gods grootheid en schoonheid, dat zij erkennen moet: "Daer ne magh ic niet af te woerde bringhen, want die ontelleke [Zijnoot: onzegbaar.] grote scoenheit ende oversoete soetecheit van dien werdeleken wonderleken aenscine, dat benam mi alle redene van hem in ghelikenessen."
Niet zoo ingetogen blijft hare taal, waar zij ons eene extatische ontmoeting met Jezus beschrijft: hoe hij haar in zijne armen neemt en aan zich drukt, hoe al hare ledematen de zijne gevoelden naar haars harten begeeren; eene korte wijle heeft zij kracht dat genot te verdragen, maar spoedig daarop verliest zij den schoonen man in zijn zichtbaren vorm; zij ziet hem als wegsmelten, totdat zij niets meer van hem gewaar wordt. Doch op die ure was het haar alsof zij één waren "zonder differentie". Een walm van zinnelijkheid verdonkert hier de zuivere vlam, waarmede de minne doorgaans in haar brandt.
Dat zulke en trouwens ook de overige visioenen haar lichaam moesten aangrijpen, spreekt van zelf. Het verwondert ons niet haar te hooren vertellen, dat soms al hare leden schudden en beven van begeerte; dat zij, uit eene extaze tot zich zelve komend, zich niet zelden neerslachtig of ellendig voelt[47].