Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 11

Chapter 113,786 wordsPublic domain

Sat Maria, ghinc se ochte stoet [Zijnoot: of stond zij.], Sie custe dicke [Zijnoot: dikwijls.] haers kindes voet, Daer sijt in die wieghe leide ofte nam; Soe lanc soe meer tkint haer bequam [Zijnoot: behaagde.]. Als tkint weende, haer was onsachte, Sie sweghet [Zijnoot: suste.] minlike, soete ende sachte; Als tkint hadde honger ofte dorst, Sie gaf hem haer ghebenedide borst; Sine cleder waren altoos wit, Nieuwe gedweghen [Zijnoot: pas gewasschen.], groot recht was dit; Sijn bat ne was no heet no cout, Met rechte was tkint sire moeder hout [Zijnoot: genegen.]. Maria herde wel dies wachte, Dat sine wieghe was scone ende sachte; At sie, dranc sie, al dat sie dede, Haer oghen volgden den kinde mede.

Hoe treffend aandoenlijk zijn ook die onschuldige kinderen, lachend tegen de blinkende zwaarden die hen in het volgend oogenblik zullen treffen:

Daer tkint sach blicken [Zijnoot: schitteren] tscarpe swert, Tkint loech ten mordenare wert.

Begrijpelijk is het in dezen dichter, dat hij telkens van het rustige-epische overgaat in het meer bewogen lyrische, dat zijn verhaal telkens overgaat in het lied. Wij meenen een oud Driekoningen-lied te hooren in:

Drie coninge woenden in Oriënt, D'een den anderen wel ghehent [Zijnoot: naburig.]. ............... Een werf [Zijnoot: eens]" in ere avontstont Een clare sterre an den hemel stont. .................. Sie lasen op, (sie lasen) nedere, Ter sterren si keerden wedere. ............... Een coninc vant ende las, Wat dat scone boekijn [Zijnoot: voorteeken.] was. Enz.

Zóó dikwijls (zeker een dozijn malen) keeren zulke op liederen gelijkende plaatsen terug, dat men, met het oog op het ontstaan van het epos uit liederen, zou gaan vermoeden dat ook hier bestaande liederen door den dichter tot een geheel zijn verenigd[14]. Doch al acht ik dit niet waarschijnlijk, voor zeker houd ik, dat het gedicht, ware het in beter toestand tot ons gekomen, dieper indruk op ons zou maken dan het nu reeds doet.

Indine deze kapel, door een vroom kunstenaar ter eere van zijnen Verlosser gesticht, eens ware ontdaan van den ombouw en het bijwerk waarmede een latere tijd haar heeft ontsierd, dan zou eerst duidelijk blijken, hoe oorspronkelijk van opvatting dit voortbrengsel van naïve kunst is en welk een bevallige eenvoud vele zijner deelen siert.

Niet van alle geestelijke poëzie, welke wij meenen te mogen brengen tot de 13de eew, kunnen wij aantoonen dat zijn ontstaan is uit eene terugwerking der ridderpoëzie. Trouwens, ook werken als het _Leven van Sinte Lutgarde_ en _Van den Levene ons Heren_ zijn natuurlijk niet voortgebracht louter uit begeerte om tegenover de ridderromans geestelijke poëzie te plaatsen. Ongetwijfeld ging de behoefte om zich te verdiepen in het eeuwige met die begeerte gepaard. Behoefte om zicht te verdiepen in het eeuwige en verlangen om het geestelijke welzijn der christelijke gemeente te bevorderen deden een aantal andere werken ontstaan, welke een geest ademen en eenkarakter vertoonen, tegenovergesteld aan den geest en het karakter der ridderpoëzie.

Hetzelfde handschrift uit de laatst der 13de eeuw, dat ons een fragment van het gedicht over JEZUS'leven bewaard heeft, bevat een aantal berijmde levensverhalen van heiligen: _van sente Marie Egyptiake, van sente Eustaesse, van sente Aechte, van sente Caterine, van sente Waerneer_[15].

Geen dezer werken heeft als literair kunstwerk veel te beteekenen. De meeste schijnen ongeveer 2700 verzen te hebben geteld en geven een eenvoudig kunsteloos verhaal van de lotgevallen der bovengenoemde heilige vrouwen en mannen. Waarschijnlijk zullen zij vertaald zijn uit het Latijn; ook het beroep op eene "scrifture" dat men in het leven _van sente Eustaesse_ vindt, schijnt eene aanwijzing in die richting. De legende van S. WERNER berust op het in de middeleeuwen algemeen verbreid geloof aan een, jaarlijks door de Joden gebracht, offer van een Christenkind "wit [Zijnoot: blank.], blosende ende root."

Dat deze heiligenlevens van ééne hand zijn, is natuurlijk mogelijk; doch het is bezwaarlijk uit te maken, zoolang wij van de meeste slechts betrekkelijk kleine fragmenten hebben. Misschien moet men het onwaarschijnlijk achten, omdat b.v. het leven _van sente Aechte_ zooveel assoneerende rijmen vertoont, terwijl die in de overige fragmenten schaarscher zijn of, zooals in het leven _van sente Marie Egyptiake_, schijnen te ontbreken[16]. Wat ten minste drie dezer gedichten gemeen hebben, is de wensch door den dichter tot zijne hoorders gericht: dat het aanhooren van zulk een levensverhaal onder hunne goede werken moge medegerekend worden[17].

Tenauwernood kan tot de voortbrengselen der literaire kunst worden gerekend een klein fragment van _de boec der biechten_, dat eveneens in het handschrift van MARTIJN VAN THOROUT gevonden wordt. Vermoedelijk is dit werk uit denzelfden tijd als de bovengenoemde heiligenlevens. In allen gevalle is het aannemelijk dat een dergelijk catechetisch werk vervaardigd zal zijn door een monnik uit het klooster Thorout, waar reeds in de 9de eeuw eene school van zendelingen werd gesticht, die aan de Denen het evangelie zouden verkondigen[18].

Geen geringe plaats besloeg in die verkondiging van het middeleeuwsch Christendom de voorstelling van God als "een goed wreker", volgens de uitdrukking in _Van den Levene ons Heren_. Het is niet geheel zeker maar toch m.i. waarschijnlijk, dat er reeds vóór het midden der 13de eeuw te onzent een gedicht _van onses Heren wrake_ bekend was, vertaald of vervaardigd door een Vlaamsch priester. De inhoud van dat gedicht zal waarschijnlijk bestaan hebben uit een verhaal van de verwoesting van Jeruzalem; die verwoesting placht namelijk voorgesteld te worden als Gods wraak over het ter dood brengen van JEZUS. In den proloog van zijn boek over den Graal en MERLIJN noemt MAERLANT dit gedicht "wyde becant"; was het omstreeks 1261 reeds wijd bekend, dan heeft de verbreiding van het werk in ruimen kring natuurlijk eenigen tijd vereischt, en moet het dus ten minste in de eerste helft der 13de eeuw ontstaan zijn[19].

Zekerheid hebben wij ook niet omtrent den tijd der bewerking van een Oudfransch stichtelijk leerdicht uit het eind der 12de of den aanvang der 13de eeuw, dat gewoonlijk naar het aanvangswoord _Miserere_ genoemd wordt en door zekeren RENCLUS (kluizenaar) van Moiliens werd gedicht[20]. In de geschiedverhalen onzer letterkunde wordt het kortweg _Rinclus_ genoemd[20]. Het Fransche werk is in 12-regelige coupletten gedicht, een vorm die in de Nederlandsche overzetting behouden bleef. De 97 eerste coupletten werden bewerkt door GIELIJS VAN MOLHEM (een dorp van dien naam ligt bij Afflighem); de overige door zekeren HEINREC. Het gedicht geeft ons een uitvoerig antwoord op de vragen: wat de mensch geweest is, wat hij is en wat hij zijn zal; het wekt op tot navolging der martelaren, tot het doen van de rechte keuze tusschen God en de wereld, het betoonen van mildheid aan de armen. Waarschuwend verheft de dichter zijne stem tegen hoofdzonden als hoovaardij en nijd en geeft zijne waarschuwingen nadruk door allerlei voorbeelden van weelde, ijdel zelfbehagen en nijd, die aan het dagelijksch leven ontleend zijn. Ook de priesterschap en de kloosterlingen worden niet gespaard.

De Nederlandsche bewerking geeft in vele gevallen slechts de hoofdzaken van het origineel terug, of slechts het een en ander daarvan[21]. Soms heeft de Nederlander zijn voorbeeld niet begrepen en maakt hij er maar iets van; elders heeft hij een beeld weggelaten dat hij misschien geen kans zag weer te geven of zijn deelen eener voorstelling weggelaten, waaraan die voorstelling juist haar karakter of hare belangrijkheid ontleent. Zoo missen wij in de bewerking het beeld van den valk die op het lokaas aankomt, de beeldspraak omtrent den paradijsappel; in het Fransche verhaal _van Sint Maarten_ die zijn mantel doorsnijdt, krijgt men "het stalen zwaard" te zien--de Nederlandsche bewerking spreekt slechts van de "snede die den mantel deelde in tween". Elders is eene tegenstelling grootendeels verloren gegaan; op een paar plaatsen eene realistische uitdrukking weggelaten of de tint verzacht en het Dietsch ingetogener dan het Fransch[22].

Echter, de bewerkers hebben niet louter weggelaten of hun voorbeeld schade doen lijden bij de overzetting. Hier en daar voegen zij--GIELIJS meer dan HEINREC--iets van het hunne in; onder die invoegsels of wijzigingen zijn er die verdienstelijk of karakteristiek mogen heeten. In no. 33 is sprake van priesters die--zooals HEINE zegt--"water preeken, maar wijn drinken". Kenschetst het GIELIJS VAN MOLHEM niet als kind van een zeevarend volk, dat hij hier het oorspronkelijke "verlucht" met dit beeld: "eerst moet hij zelf de donkere diepte bevaren; dan zal hij wind in zijn zeil krijgen"? HEINREC vervangt de beeldspraak "on veut bien étain pour argent" door: "want hi neemt rogge daer hi leent evene" (haver). Van LAZARUS die vergeefs wacht aan de poort van den rijke, heet het bij GIELIJS: "men sant hem niet dan hontgebas". Van een begeerig man die verlangend voor een gesloten boomgaard staat, zegt het Fransch: "tant huka [Zijnoot: schreeuwde.] et tant apela"; GIELIJS vertaalt: "Hi claterde der doren rinc". Elders vinden wij in het origineele gedicht een hoovaardige in dit vers: "orguieus va dou col coloiant" [Zijnoot: rek (reik)-halzend.]! Aardig geschetst; maar GIELIJS overtreft zijn voorbeeld met: "'t Hoot op hals als een hane die crait". Op een andere plaats weer heeft hij de voorstelling verlevendigd door het invoegen van een dialoog[23].

Naar men mag aannemen, zijn MAERLANT'S strophische gedichten zoowel aan GIELIJS als aan HEINREC bekend geweest; hier en daar vindt men zelfs plaatsen die woordelijk overeenkomen[24]. Maar alleen op grond van die bekendheid aan te nemen, dat de bewerkers van den _Rinclus_ en MAERLANT tijdgenooten zijn geweest, is gewaagd. Toch meen ik, ook met het oog op den ouderdom van het Fransche gedicht, dat er wel grond is om de Nederlandsche bewerking nog in de 13de eeuw te plaatsen.

DE MYSTIEK.

De kerk, bekleed met goddelijk gezag, naar zij beweerde, breidde hare macht steeds uit. Meer en meer stelde zij zich zelve voor als de eenige bron van waarheid en recht. Doch al te velen onder hare machthebbers logenstraften door hunne daden, door hun gebrek aan zedelijke reinheid en kracht, wat zij met woorden verkondigden. De twijfel aan het gezag eener kerk, door zulke geestelijken vertegenwoordigd, nam toe en groeide in kracht door de twisten tusschen de leiders der kerk onderling.

Geestelijken en leeken, die zich den grond onder de voeten voelden ontzinken, werden bevangen door zekere onrust en koortsachtige geprikkeldheid. Waar liepen nieuwe wegen om den vasten grond te herwinnen, de verloren gemoedsrust te hervinden?

Bleek de kerk niet langer bij machte, middelares te zijn tusschen God en den mensch--dan afgedaald in de eigen ziel, daar zelf den weg tot God gezocht.

Langs deze en dergelijke wegen ontstond in het godsdienstig gemoedsleven der middeleeuwen langzamerhand die strooming, welke bekend staat onder den naam van: mystiek. Onder haar invloed ontwikkelde zich het gemoedsleven met eene vroeger niet gekende kracht; geen hoogte was meer te hoog, geen diepte te diep.

Ook langs andere wegen trachtten vrome mannen en vrouwen, geestelijken en leeken, verbetering te brengen in den algemeenen toestand der kerk. In de abdij van Molesme werd de geest van SINT BENEDICTUS vaardig over Vader ROBERTUS en zijne boezemvrienden HARDING, met wie hij te Citeaux het eerste Cistercienser klooster stichtte, om daar aan de ontaarde zonen van S. BENEDICTUS nieuwen eerbied voor hunne regel te leeren. Eene eeuw later werd het Christelijk ideaal als herboren in de grootsche en teedere ziel van SINT FRANCISCUS, den "bruidegom der armoede", die zijn kort maar rijk leven besteedde aan eene poging om de kerk tot nieuw leven te wekken.

Omstreeks het midden der 12de eeuw zien wij een paar abdissen van Cistercienser-kloosters in Duitschland: HILDEGARD VAN BINGEN en ELISABETH VAN SCHÖNAU zich met hare profetische beden wenden tot keizer, paus, bisschoppen en abten. Terzelfder tijd komen leeken uit de diocese van Lyon tot paus ALEXANDER III met het verzoek om de armen het evangelie te mogen verkondigen.

Wel waren er die het noodig hadden, vooral onder de vrouwen. In de voortdurende oorlogen en veeten waren vele mannen gesneuveld; hunne vrouwen vaak hulpeloos achtergebleven, zwierven bedelend rond, werden de prooi van ruw geweld of leefden van ontucht. Geen wonder dat ook hier, gelijk zoo menigmaal in de middeleeuwen, de individuën, machteloos op zich zelve, zich aaneensloten; dat de vrije vrouwenvereenigingen der Begijnen snel in bloei toenamen. In Tirlemont, in Tongeren, in Leuven vindt men begijnhoven reeds in den aanvang der 13de eeuw; Luik zag omstreeks 1240 vijftienhonderd begijnen als in eene afzonderlijke kleine stad vereenigd; Keulen telde er omstreeks het midden der 13de eeuw duizend; nog vóór het einde dier eeuw waren er ten minste zestien plaatsen in België die een begijnhof bezaten.

Onder al die vrome of dwepende vrouwen van de 12de en 13de eeuw zijn eenige Duitsche en Nederlandsche op wie wij hier in het bijzonder het oog moeten richten, omdat het ons vergund is een blik te slaan in haar godsdienstig gemoedsleven.

Twee van haar leerden wij reeds terloops kennen: HILDEGARD VAN BINGEN en ELISABETH VAN SCHÖNAU, beide draagsters van beroemde namen in de geschiedenis der mystiek.

HILDEGARD, van adellijk geslacht, leefde van 1104-1178 en stierf als abdis van het klooster Rupertsberg. Zij was ook hier te lande bekend. De bisschoppen: RUDOLF van Luik, GODFRIED van Utrecht, graaf FILIPS van den Elzas, een Praemonstratenser abt FILIPS, uit de buurt van Leuven, zonden haar brieven. Zij zou aan den heiligen GERLACH, kluizenaar in het Roermondsche, een krans hebben gezonden.

Van haar gemoedsleven krijgen wij iets te zien in de geschriften door haar, naar het schijnt, deels in het Duitsch deels in het Latijn opgesteld; de Duitsche werken zullen later door haar biechtvader GODFRIED in het Latijn zijn overgebracht. Haar voornaamste geschrift heet: _Scivias sive Visionum ac Revelationum libri tres_[25]. Zij zegt ons daarin o.a. dat zij alle dingen ziet in een buitengewoon licht, dat als een vlam hare ziel aangrijpt en verteert. Dat blijvende licht noemt zij _visioen_. In zulk een visioen ziet zij b.v. een grooten berg, ijzerkleurig; daarop gezeten iemand van wien zulk een luister uitstraalt, dat zij er door verblind wordt; hij spreekt met sterke stem. Deze berg beteekent de kracht en de eeuwige bestendigheid van Gods heerschappij. Of: op een ontzaglijk steenblok een ronden koningstroon en daarop gezeten een jongeling van zooveel glans dat zij hem niet kan aanzien. Telkens ziet zij schitterend licht, schitterende torens en kolommen. Ook wel een menschenhoofd met zes vleugels.

Onder hare briefwisseling bevindt zich een schrijven van ELISABETH, "magistra in Schonaugia", met HILDEGARDE'S antwoord.

Anders dan HILDEGARDE was ELISABETH van arme ouders geboren (1129). Van der jeugd af leidde zij een ascetisch leven, droeg het haren kleed op het lichaam, was omgord met een ijzeren ketting, nuttigde slechts weinig voedsel; alles onder veel weenens en biddens. In het klooster Schönau bij Bingen, waar zij van 1141-1165 leefde, ontvangt zij, evenals HILDEGARDE, last van God om de menschen op te wekken tot berouw en bekeering. Als MOZES voorheen tracht zij zich aan dien last te onttrekken door aan te voeren dat zij niet "wel ter tale" is ("nescio loqui"), maar dat mag haar niet baten. In hare geschriften berispt zij vooral de geestelijken om hunne hebzucht en heerschzucht, hun hoogmoed, weelde en wellust. Ook den paus spaart zij niet.

Het ascetisch leven houdt ook haar geest in stadige strakke spanning. Ook zij is telkens in visioen. Dan ziet zij: een groot wiel van vuur; een kruis, oogverblindend in gouden glans; een hoogen berg en op den top schitterend het Lam Gods; op een wiel eene ladder welker top de hemelen schijnt te doorboren; naast het wiel een man met goudglanzend hoofd, haar als witte wol, schitterende oogen; vóór Gods troon vier dieren, die vier aangezichten en zes vleugels hebben; die vleugels zijn vol oogen; een hoogen berg, welks top schittert van licht;

van den voet naar den top leiden drie wegen, welker symbolische beteekenis ons verklaard wordt. ELISABETH zelve deelt dikwijls mede op welken tijd, onder welke omstandigheden zij in dien toestand van extaze geraakt en hoe lang die toestand aanhoudt[26].

Doch niet altijd is zij in extaze. Dikwijls--geen wonder bij zulk een lichaams- en gemoedstoestand--wordt zij overvallen door droefheid en somberheid. Zelfs het gebed, anders haar hoogste genot, staat haar dan tegen. Zij werpt haar psalmboek van zich. Wel schrikt zij van die daad en grijpt het terstond weder op, maar dan zinkt zij weer terug in hare somberheid. De Booze wekt twijfel in haar gemoed aan het geloof, aan den Verlosser: zou het wel waar zijn, alles wat over Hem geschreven is? Ook aan de Heilige Maagd gaat zij twijfelen. Bitter weent zij over zekere droomen waarmede de duivel haar kwelt. Het leven gaat haar walgen. "Maak er een eind aan" blaast de Booze haar in. Doch God waakt over haar, ook in hare ellende.

Geestverwanten dezer beide vrouwen zijn in de volgende eeuw in niet geringen getale aan te wijzen. In Thuringen en Saksen vooral vond men in de 13de eeuw een aantal vrouwen, daaronder vele adellijke, die haar leven verdeelden tusschen mystieke overpeinzing en het verplegen van zieken en melaatschen[27]. Bij eene van haar, de begijn MECHTHILD VAN MAAGDEBURG (c. 1212-1277) zullen wij even stilstaan, omdat zij een aantal liederen en beschouwingen heeft nagelaten waarin zij haar innerlijk leven ten deele blootlegt.

Ook MECHTHILD spaarde de geestelijkheid niet; hare uitingen over de zedeloosheid der geestelijken schijnen haar zelfs vervolging berokkend te hebben. Doch gewichtiger dan zulke uitingen zijn voor ons die over de gewijde liefde, de _minne_ als middelares tusschen God en de ziel. Evenzeer die over de zondige begeerten, welke des menschen lichaam en zijne ziel in vijandige verhouding tegenover elkander stellen. De geweldige Minne dwingt haar te verkondigen het wonderbare dat zij aanschouwd heeft. Een aantal dialogen in verzen tusschen de Minne en de Ziel geven ons een denkbeeld van dat wonderbare. Het zijn telkens weer uitstortingen des harten, lofzangen op de Minne. Vrouw Minne heeft haar beroofd van vrienden en magen, van wereldsche eer en rijkdom; heeft haar ziekte berokkend, heeft haar vleesch en bloed verteerd--maar ook, welk een rijken schat des harten heeft zij daarvoor teruggekregen.

Hier en daar zijn hare godsdienstige opvattingen en beschouwingen, uit streng-dogmatisch oogpunt, gewaagd genoeg en een ketterjager zou deze zorgeloos rondzwevende vogels licht onder schot kunnen krijgen. MECHTHILD laat zich gaan, zooals een dichteres dat doet. Want poëzie is hier in zoo menige uitstorting des harten, waar de Minne zich openbaart met "een kracht, innigheid en liefelijkheid als men later slechts bij Suso vindt". Poëzie is ook in beelden en vergelijkingen als deze: wie van minne sterft, dien moet men in God begraven; van het leven in God sprekend: zegt zij: de visch kan in het water niet verdrinken; de genade komt van boven: dat de arend zoo hoog vliegt, heeft hij niet aan de uil te danken; de ziel moet zich hoeden voor de zonde, zooals een muis die in de val zit en haar dood verwacht; zij wikkelde zich in de heilige Drievuldigheid, zooals een kind zich wikkelt in den mantel zijner moeder en zich vlijt aan haar borst.

De godsdienstige gemoedsstrooming die wij in Duitschland hebben waargenomen, valt ook hier te lande aan te wijzen. De eerste helft der 12de eeuw was nog maar even voorbij, toen de abdij Klaarkamp in Friesland als het eerste Cisterciënser-klooster verrees. Tal van andere kloosters kwamen uit dit moeder-klooster voort, ook nonnenkloosters: Syon en Nazareth in Friesland, Jesse bij Groningen, Mariënkamp bij Assen, Mariënhorst bij Deventer, Mariëndaal bij Utrecht. In de meeste dezer kloosters en in andere, tot de orde van Citeaux behoorende, als de abdijen van Loosduinen en Leeuwenhorst, vond men addellijke jonkvrouwen en daaronder ettelijke die de namen droegen van RENESSE, ALKEMADE, TEILINGEN, DUVENVOORDE.

Ook in sommige Friesche kloosters vindt men aanwijzingen van een hooggespannen gemoeds- en zenuwleven. In het Praemonstreiter klooster Mariëngaarde gold het als een bewijs van innige vroomheid en tevens als eene groote genade-gave: "totum esse raptum in Deum"; zoo ook, bij het dankgebed na den maaltijd in tranen uit te barsten; wie in zulk een toestand verkeerde, werd "intus debriatus" genoemd. Ook van het zoogenaamde "tweede gezicht" vinden wij een voorbeeld: toen GERBRAND, tweede abt van Klaarkamp, van eene reis naar Citeaux huiswaarts keerde, werd hij ziek en stierf te Vervins; lang vóórdat de tijding van zijn dood in Friesland was ontvangen, had eene non van het klooster Syon in een visioen den abt zien sterven.

Veel sterker echter dan in het Noorden was de extatische strooming in het Zuiden dezer landen.

Toen bisschop FULCO van Toulouse in 1212 te Luik kwam, werd hij getroffen door de menigte extatische vrouwen in die stad. Sommige konden in de zielen van anderen lezen; andere waren zoo krachteloos door verlangen naar den hemelschen bruidegom, dat zij in vele jaren slechts enkele malen van haar bed opstonden; zij gevoelen een honigsmaak op de tong zoo vaak zij in geestvervoering zijn, zitten een ganschen dag in zwijgende rust, zonder oog of oor voor de buitenwereld; voor een steek met een of ander puntig voorwerp zijn zij gevoelloos.

Het leven van een viertal extatische vrouwen uit Zuid-Nederland is ons nader bekend geworden, uit de verhalen daarvan in het Latijn opgesteld door THOMAS VAN CANTIMPRÉ en JACOB VAN VITRY. Het zijn MARIA VAN OIGNIES, in 1177 te Nivelles in het bisdom Luik geboren en in 1213 als bagijn gestorven; CHRISTINA VAN SINT TRUYEN die leefde van 1150-1224; MARGARETHA VAN YPEREN, die in 1237 in haar 21ste jaar overleed en LUTGART VAN TONGEREN, die eerst met de heilige CHRISTINA in het klooster te Sint Truyen leefde en van daar naar het klooster Aquiria bij Kamerijk ging, waar zij in 1246 stierf.

De drie eerstgenoemden leidden, zooals de meeste harer zusteren, een streng ascetisch leven; zij zijn ongevoelig voor koude, al bevriest de wijn in de miskelk; voor pijn, voor honger. MARIA en MARGARETHA waren begaafd met het "tweede gezicht". Alle drie verdiepen zich gestadig in Christus' lijden, vooral zijn lichamelijk lijden. Dagen lang blijven zij in extaze of een daarop gelijkenden toestand. MARIA bleef eens 35 dagen lang zonder spijs en al dien tijd kwam geen ander woord van hare lippen dan: "ik wil het lichaam des Heeren". Wanneer al het zinnelijke als een wolk uit hare ziel was verdwenen door de stralen van het goddelijk licht, dan ontving zij de vormen der godheid in hare ziel als in een spiegel. CHRISTINA onderscheidt zich van de overige door den sterken invloed dien het natuurleven op haar oefent, door de aantrekkingskracht welke hooge plaatsen voor haar hebben en door het weinig persoonlijke van haar geestesleven. In MARGARETHA treft ons de geweldige begeerte naar mannen, die haar uit angst voor dien hartstocht tot Christus doet vluchten; die er haar toe brengt zich met doornen te geeselen, totdat zij de booze zinnen heeft getemd. De gedachte dat zij nu Christus' bruid is, gaat haar dan zoozeer beheerschen, dat zij een volslagen afschuw van mannen krijgt, zelfs de tegenwoordigheid van een jongen niet meer kan verdragen; dat zij gansche nachten in gebeden verzonken blijft en dat haar gevoel zich zoo bovenmatig ontwikkelt, dat zij soms in diepen slaap viel wanneer zij zedelijk gekwetst werd door iets dat zij hoorde of zag[28].

LEVEN VAN SINTE LUTGART.