Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 10

Chapter 103,607 wordsPublic domain

Van NYROP'S werk verscheen eene Italiaansche vertaling met belangrijke aanteekeningen van EGIDIO GORRA. (Torino, 1888). De oudere literatuur (tot 1887) over de Keltische gedichten bij TE WINKEL. Daarbij moet gevoegd o.a.: _Studies on the Legend of the Holy Grail_ by ALFRED NUTT (1888) en de scherpe doch billijke en opbouwende critiek op NUTT'S werk door Prof. H. ZIMMER in _Gött. gel. Anzeigen_ (1890); _Studies in the Arthurian Legend_ by JOHN. RHYS. (1891). Zie voorts de literatuur bij PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 49 suivv.; vooral ook de inleiding op W. FOERSTER'S _Der Karrenritter_ (LANCELOT). Halle. NIEMEYER. 1899.

[3] Vgl. PIRENNE a.w. 167, 368-9; JONCKBLOET, I, 113 (noot).

[4] Vgl. TE WINKEL, p. 79-83 en J. STECHER, _Hist. de la Litt. Néerl._, p. 21 suivv.

[5] JONCKBLOET heeft het eerst de aandacht op deze bewijsplaatsen gevestigd. Vgl. o.a. zijne _Gesch. der Ned. Lett._, I, 140 vlgg.; 289 vlgg.

TE WINKEL heeft deze bewijsplaatsen nog vermeerderd in zijn _Maerlant's Werken_, (2e druk), bl. 402-408.

[6] _Leven van Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM), II, 39-57. Vgl. ook de plaats uit _Van den Levene ons Heren_ die later vermeld zal worden.

[7] _Acta Sanctorum Junii_, III, p. 242-3: "in quadraginta annis, quibus postea inter socias Gallicas vixit, tantum vix sermonis Gallici addiscere potuit, ut panem recto modo Gallice peteret, cum esurivit." _Leven van Sinte Lutgart_, II, 461 vlgg.

S. LUTGART stierf in Aquiria (Aiwières) in 1246.

[8] De namen der pairs staan niet alle vast. Zie daarover L. GAUTIER in zijne voortreffelijke uitgave der _Chanson de Roland_, p. 30-31 (in de aanteekeningen).

[9] Waar geen ander werk wordt opgegeven, verwijs ik voor de hier behandelde fragmenten naar mijne _Mnl. Epische Fragmenten_. Daar ook vindt men de bespreking der hss., der verhouding tot het origineel enz.

[10] _Spiegh. Hist._, IV, 1, c. 29, vs. 73-76.

[11] Uitgave van Dr. J.C. MATTHES. (Groningen. WOLTERS. 1875).

[12] Zie de samenvatting der uitkomsten van MATTHES' onderzoek, p. XXXVII zijner Inleiding, waarbij echter veel onzekers.

[13] Vergelijkt men de Mnl. bewerking met het _Volksboek_ (ed. MATTHES), dan blijkt dat ongeveer 25 bladzijden van het _Volksboek_ overeenkomen met de 2000 verzen der fragmenten; volgens die berekening zou het gansche Mnl. gedicht meer dan 14000 verzen hebben geteld, daar het _V._ 184 bladzijden telt.

[14] Uitgegeven door Prof. J. VERDAM in _Tijdschrift voor Ned. T. en Lett._, II, 209 vlgg.

[15] Te laat om een zelfstandig onderzoek te kunnen instellen, bemerkte ik, dat SUCHIER dat deel der _Lorreinen_ hetwelk niet te vinden is in het Fransch voor oorspronkelijk Nederlandsch houdt, terwijl G. HUET het aan een verloren Fransch werk ontleend acht.

De degelijke en scherpzinnige onderzoekingen van den laatsten geleerde over dit onderwerp zijn gepubliceerd: _Romania_, XXI, 361 suivv. en XXXIV, 1 suivv. De zienswijze van SUCHIER in zijne _Gesch. der Franz. Lit._ (1900), p. 45.

[16] _Scaerdelijn_ ziet er uit als eene afleiding van _scaert_ (_scaerde_). Zie o.a. _Karel ende Elegast_, vs. 413 de "scaerde ende vlegghen" in de helmen.

[17] Zulke duels komen in de Oudfransche epische poëzie meermalen voor. Zie o.a. Pio RAJNA, _Le Origini_, p. 402.

[18] Eene collatie van het hs. gaf ik later in _Tijdschr. v. Ned. T. en Lett._, IXe jaarg., p. 166, 189.

Zonderling is, dat MAERLANT hem noemt: "Winechkijn, der Sassen here"; zie: _Spieghel Historiael_, III, 8, c. 86, vs. 3.

[19] Met terugneming van hetgeen ik vroeger (_Tijdschr. v. N.T. en L._, IX, 166) heb gezegd, geloof ik nu dat met _El'e_ of _Es'e_ in het hs. Elegast bedoeld is.

[20] Ter bepaling van den ouderdom steunde ik vooral op vermeldingen als die van MAERLANT, in verband met den ouderdom van het oorspronkelijk gedicht, dien van het hs. der Nederl. bewerking, ook den geest van het gedicht en dien der bewerking. Overigens verwijs ik voor dit deel van mijn verhaal naar mijne _Middelnederlandsche Epische Fragmenten_ en de vroeger aangehaalde werken over de Fransche epische poëzie. Doch er valt ook in onze ridderpoëzie nog veel te onderzoeken; ik noem slechts de verhouding van den _Karlmeinet_ tot de Mnl. ridderpoëzie.

[21] In sommige gevallen sloot een Mnl. vertaler zich dicht bij den tekst van zijn origineel aan; hij leverde dan eene _vertaling_ in onzen zin van dat woord. In andere, talrijker, gevallen, gaf hij eer een _bewerking_ dan eene vertaling. Op zulke gevallen past wat BORMANS (_Mnl. Ep. Fragm._, p. 51) zegt: "traduire c'était imiter; on retranchait, on ajoutait, on transposait, on modifiait de toutes manières." Het spreekt vanzelf, dat men, alvorens eene vergelijking in te stellen tusschen origineel en navolging, waar onderscheidene redacties van dat origineel bestaan, eerst voorzooveel mogelijk moet vaststellen, welke redactie den bewerker tot voorbeeld zal hebben gestrekt; op de wijze zooals Dr. VAN BERKUM dat gedaan heeft in zijn onderzoek van den _Partonopeus_, Dr. BOTERMANS in dat van _die hystorie van die seven wyse mannen van romen_; ik meen ook te mogen wijzen op mijne Inleiding tot de fragmenten van het _Roelantslied_.

Echter overschatte men de waarde van zulk een onderzoek voor eene vergelijking tusschen voorbeeld en navolging niet. Waar men den geest der bewerking kenschetsende invoegsels, weglatingen of wijzigingen vindt, daar zal men die gewoonlijk op rekening van den bewerker moeten zetten.

Bij de vergelijking der bewerkingen van _Nibelungen_, _Roelantslied_, _Reinaert_, _Rinclus_ e.a. met hunne origineelen, kan men vaak dozijnen van varianten te hulp roepen; doch zij laten de kenschetsende afwijkingen voor rekening van den Mnl. bewerker. [ F2] _Aiol_ (ed. VERDAM), vs. 14-17.

[23] T.a.p., vs. 390-405:

"Verdoemt moete de maechscap sijn" "Ay, maechscap, wat heb di mi gedaen!" enz.

[24] Vgl. vs. 555, 629, 750, 780, 787, 850, 856, 886, 890, 1095, 1103 (pass.), 1147, 1248, 1515, 1774.

[25] Uitgaven van JONCKBLOET, KUIPER. (Amsterdam. VAN KAMPEN EN ZOON. 1890), en BERGSMA (Pantheon-uitgave, 1893). Vgl. ook: BERGSMA'S _Bijdrage tot de tekstcritiek van den Karel ende Elegast_. (Groningen. 1890).

[26] Tot dusver heeft men dat op voorgang van JONCKBLOET gedaan. Maar JONCKBLOET was zóó bevangen door zijne studiën der Oudfransche Chanson-de-geste--hoe uitnemende vruchten die studiën ook hebben gedragen--en had daarbij zóó weinig geloof in het dichterlijk vermogen van ons volk, dat vermeldingen als de bovengenoemde hem reeds dadelijk afdoende voorkwamen.

[27] _Karel ende Elegast_ (ed. KUIPER), vs. 768-9, 837-839, 923.

[28] _Roof_ was niet onteerend, heimelijke diefstal wel. Men maakte onderscheid tusschen "diefte ende roof" (_Limborch_, X, 505). MAERLANT zegt in zijn _Rijmbijbel_, (I, p. 206): "Ne roof niet, hen si dijn"; in den _Spiegh. Historiael_, III, p. 374: "onse aerme worden rike met rove". Zie verder _Nederd. Regtsoudheden_, p. 282. De dichter van _Van den Levene ons Heren_ legt het zelfs Jezus in den mond, (vs. 943).

[29] Vs. 105 vlgg; 203 vlgg.

[30] Een overzicht van den _Oorsprong van den Graal_ gaf TEN BRINK in eene voordracht, gehouden in de Kon. Vlaamsche Academie. Afzonderlijk uitgegeven bij A. SIFFER te Gent. (1897).

[31] Eenige volledige uitgave van JONCKBLOET. Latere uitgaven van deelen der zelfstandige werken, waaruit de compilatie bestaat, door TE WINKEL, MOLTZER en FRANCK in _Tijdschr. v. N.T. en L._, X, XIII, XIV, XIX, en door VAN VEERDEGHEM in de _Bulletins de l'Acad. Royale de Belgique_, 3me série, tome XX, no. 12.

[32] TE WINKEL, _Geschiedenis,_ p. 190.

[33] Vgl. IV, 10720 vlgg.; III, 15256-'91; III, 1745 vlgg.

[34] Vgl. _Maerlant's Werken_ door Dr. J. TE WINKEL, bl. 405 vlgg.

Ook in _Floris en Blancefloer_, (vs. 58-59) wordt melding gemaakt van de geschiedenis _van Tristram en Ysoude_.

In het gedicht _Van den Levene ons Heren_, vs. 15, wordt onder de romans waartegen de dichter waarschuwt, opgenomen die

_Van Pyramuse_, hoe hi sijn leven Verloos....

In de Oudfransche literatuur bestond een roman van dien naam. (Vgl. P. DE JULEVILLE'S, _Histoire_ etc., I, 244).

[35] Zie JONCKBLOET'S _Inleiding_ op Deel II, p. CCVI.

[36] Vgl. o.a. III, 22557 vlgg.; IV, 2149-'50.

[37] _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIII, 38.

[38] VERWIJS geloofde aan twee dichters. Zie zijne Inleiding, p. XXIX. Bij zijne argumenten moet nog gevoegd worden dat in het eerste deel niet 19 assoneerende rijmen voorkomen, maar 28 (vgl. vs. 59-60, 121-122, 563-4, 605-6, 669-'70, 711-'12, 1029-'30, 1331-2, 1673-4).

Deze voorstelling werd door JONCKBLOET bestreden. (Vgl. zijne _Gesch. der Ned. Lett._, I, 310). Ik zou mij eer aan de zijde van J. scharen; doch acht den strijd niet zoo heel gewichtig, omdat in allen gevalle de geest der bewerking doorgaans dezelfde blijft.

[39] Zie o.a. RHYS, _Studies_, 93, 105 en PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 310.

[40] Vgl. vs. 1360 vlgg. (liefdesoverpeinzingen); 1671-'6 (dialoog); 1658 en 1666; vs. 1182 vlgg.

[41] Vs. 75 vlgg.

[42] Vs. 319, 2057, 5328, 4984; andere dergelijke uitdrukkingen: 399-400, 402-4, 1170, 2099.

[43] Vs. 5035, 5056; 2768-'84; 3500 vlgg. (waar de afschuwelijke reuzin PANTASALE "scone wijf" wordt genoemd); 3365, 3524, 3533.

[44] Vgl. het in menig opzicht uitnemend proefschrift van Dr. A. VAN BERKUM: _De Middelnederlandsche bewerking van den Partonopeusroman_. (Groningen, WOLTERS. 1897.)

[45] Zie VAN BERKUM a.w. LXIII, LXVII, LXXI; CXV; CIV; CIII, CXXXIII; XLIV; CV, CVI, CVIII; XCVII, CXII-CXIII.

[46] Die opvatting in vs. 3-13, 53-75, 1012 (door MOLTZER blijkens zijne aanteekening niet begrepen); vs. 1365 (waar met het hs. _sot_ moet worden gelezen).

[47] Vgl. vs. 22, 86; vs. 19-20; al te lange verzen of zulke waarin men geen rhythme hoort zijn b.v. vs. 1900, 1918, 2005, 2058, 2339, 2647, 2859, 3567, 3853.

[48] Uit vs. 282-4 zou men opmaken, dat D.v.A. meer dan een redactie van het verhaal heeft gekend. Van de twee door ED. DU MÉRIL uitgegeven redactie's van het Fransch gedicht, staat A dichter bij DIEDERIC'S werk dan B; echter heeft DIEDERIC waarschijnlijk eene ons onbekende redactie gevolgd. Die redactie zal wel dezelfde zijn geweest als of dicht gestaan hebben bij de door FLEKE gebruikte: in vs. 272-'82, 474-'95, 1562-'81, staat D.'s bewerking dichter bij die van FLEKE dan bij version A.

Vgl. over de verhouding der onderscheiden redacties: MOLTZER'S Inleiding voor zijne uitgave; H. SUNDMACHER, _Die altfranzösische und mhd. Bearbeitung der Sage von Flore und Blanscheflur_. (Göttingen. 1872) en H. HERZOG in _Germania_, 1884, 149. SUNDMACHER overschat FLEKE'S bewerking, die hij bespreekt alsof ze een oorspronkelijk werk ware; onderschat de Middelnederlandsche. HERZOG'S stuk is vol geleerdheid, gewaagde onderstellingen en slotsommen.

Op vele plaatsen is DIEDERIC'S bewerking veel uitvoeriger dan het Fransch. B.v. in vs. 213-'30, 322-'48, 474-'95, 519-'34, 1562-'81, 1922-'31, 2148-'54, 2219-'22, 2224-'48, 2735-'50, 2750-2820, 2827-'31, 3173-'95, 3376-'81.

Niet in het ons bekende Fransch komen voor: 272-'82, 378-'9, 410-'20, 570-'85, 714-831 (iets daarvan in version B), 2197-2204, 2841-'9, 2887-'9, 3139-'49, 3396-3415, 3482-'97.

Van deze plaatsen vindt men voor een klein deel iets bij FLEKE; maar DIEDERIC gaat ook daar doorgaans zijn eigen weg.

[49] Vgl. vs. 657-8, 2138, 2830, 2908, 3201, 3762, 3832, 4534, 4749, 4783, 4839, 5275, 5392.

Ook in de Fransche epische poëzie was dit heiligen-rijm bekend. Vgl. NYROP in de vertaling van _Gorra_, p. 383.

[50] Vgl. FRANCK'S uiteenzetting in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIX, 45-46.

[51] In den _Merlijn_ wordt vs. 31706 zekere ridder _Morian_ genoemd ("Dander was Morian, als ic versta"). Waarschijnlijk hebben wij hier echter te doen met een bedorven tekst; immers diezelfde ridder wordt, verderop in dat hoofdstuk, tweemaal _Moriaval_ genoemd (vs. 31942, 31989). Misschien had het hs. _Moriau'_; het is bekend hoe licht _u_ en _n_ verwisseld werden.

[52] Vgl. Dr. BERGSMA'S uitgave van _K.e.E._, bl. 47-48. Bij de daar opgegeven plaatsen moet nog gevoegd worden: vs. 112 (het tooverkruid uit den _K.e.E._) en _M._ 607-8 = _K.e.E._, vs. 1205-6.

[53] JONCKBLOET hield ook dezen roman voor vertaald; doch de bewijsgronden, door hem aangevoerd, zijn zwak. Van een Fransch origineel is niets bekend; J. zelf houdt de aanwijzing bij ROQUEFORT (II, 33) voor eene vergissing; de door R. aangehaalde plaatsen (II, 129), meerendeels gemeenplaatsen, hebben weinig bewijskracht. Ook kan men den proloog maar niet wraken of uitleggen, zooals J. doet. Er zijn inderdaad vele verwijzingen naar een bron of bronnen (bij VOSTAERT meer dan bij PENNINC); doch die geven nog geen recht om aan te nemen, dat hier een voorbeeld werd nagevolgd.

[54] Deze elementen aangewezen door JONCKBLOET in zijne uitgave van den roman (II, 152-153).

[55] Vgl. RHYS, _Studies_, 105 en 55; _Lancelot_, II, 40393; _Walewein_, vs. 1010 vlgg.; 3550 vlgg. en II, p. 153.

[56] Vgl. JONCKBLOET'S uitgaaf II, 135.

[57] Gevoel voor het ridderwezen in vs. 1846 vlgg.; 4333 vlgg.; de beschrijving van het gevecht, vs. 10598-10635. VOSTAERT heeft eens de platte vergelijking van een bloedenden ridder bij eene geslachte koe. (8830-1).

De godsdienstige tint in vs. 147-9, 236-8, 292-4, 378-9, 384, 460, 478-'81, 495 vlgg., 574-6, 666, 1154-6, 1326-'30, 2684, 2695, 2980-4, 3010, 3049-'51, 3360-'66, 3626-'33, 3649-'50, 3714, 3875-'7, 3946-'54, 4020-'1, 4064-'5, 4097 vlgg., 4268-'9, 4348-'52, 4436-'7, 4758 vlgg., 6138, 6142, 6683 vlgg., 7049-'55, 7198-7200, 7687-'8.

Bij VOSTAERT: 8118-'9, 8133-'5, 8380-'5, 8478, 9272-'7, 9376-'7, 9531, 9866, 11088.

De moralizeerende toespraak van den dichter tot zijn publiek (4838-4845) zou ik dan ook niet met JONCKBLOET willen schrappen, als van een afschrijver afkomstig.

Over de taal vgl. JONCKBLOET II, 135. Verscheidene daar genoemde woorden komen echter ook in later tijd voor.

2. GEESTELIJKE POËZIE.

Adel en Geestelijkheid. Oorsprong der geestelijke poëzie. _Van den Levene ons Heren_. Heiligenlevens. _Rinclus_. Ontstaan der mystiek. Hildegard van Bingen, Elisabeth van Schönau. Mechthild van Maagdeburg. Extatische vrouwen in Zuid-Nederland: Maria van Oignies, Christina van Sint-Truyen, Margaretha van Yperen. Lutgart van Tongeren. _Leven van Sinte Lutgart_. De Minne. Hadewych.

Waar de ridderschap poogde hare zedelijke idealen te verwezenlijken, daar ging haar streven in dezelfde richting als dat der geestelijkheid die de Christelijke idealen, voor een deel althans, tot werkelijkheid trachtte te maken. En dat was niet het eenige punt, waar deze beide standen elkander raakten. Tal van mannen en vrouwen, die tot den adel behoorden, lieten zich in den geestelijken stand opnemen. Een Westvlaamsch auteur der 14de eeuw gaat zelfs zóóver dat hij zegt:

Van vier moneken sijn die drie Gheboren van groten maghen.[1]

In de geestelijke ridderorden waren beide elementen der toenmalige maatschappij vereenigd.

Doch onder adel en geestelijkheid beide was doorgaans een scherp verschil tusschen de theorie en de praktijk des levens. Waar de adel, alleen naar het tijdelijke strevend, geen middelen ontzag om zijn doel te bereiken, daar kwam hij in botsing met die geestelijken welke, hunne roeping getrouw, den blik op het eeuwige gevestigd hielden.

De verheerlijking van strijd zonder heilig doel en van liefde zonder wijding, zooals vele ridderromans die te hooren en te lezen gaven, moest kwaad zijn in de oogen van vrome geestelijken. Daartegen waarschuwen moesten zij plicht achten. Doch dan mochten zij het niet laten bij waarschuwen; dan moesten zij trachten den verkeerden invloed dier ridderromans te verzwakken, door de aandacht van het publiek te vestigen op andere, Gode welgevallige, werken. Mede langs dezen weg ontstond geestelijke poëzie als eene terugwerking der ridderpoëzie. Wij hebben reeds vroeger eene plaats uit het _Leven van Sinte Lutgart_ leeren kennen, die ons dien gang van zaken toont[2].

Tegenover al die "sagen van wigen och van tavelronden", [Zijnoot: Verhalen van oorlogen en tournooien.] van "minne" die niet tot de "gerechte minne", nl. de liefde tot God, behoort, plaatst WILLEM VAN AFFLIGHEM zijn leven van de maagd LUTGARDE "dat vromelic es ende goet". Eene tweede bewijsplaats vinden wij in het merkwaardig gedicht _Van den levene ons Heren_. In den proloog van dat werk waarschuwt de dichter zijn publiek tegen zoo menige "rime die ter zielen luttel smaect"; hij heeft daarbij het oog op verhalen

Van battalien ende van minnen Van meneghen die wi niet kinnen: Van Roelande ende van Oliviere, Van Alexandre ende van Ogiere, Van Walewaine ende van siere macht, Hoe hi jeghen sine viande vacht; Van Digenen, hoe hi sijn lijf Tormente omme een scone wijf; Van Pyramuse hoe hi sijn leven Omme minne verloos....[3]

Doch dat zijn alles "boerden", al zijn zij op schrift gebracht. Tegenover zulke verhalen prijst hij diegene, waarin _waarheid_ verkondigd wordt: van "waarheid" spreekt zijn werk, immers van den heiligen Christus.

Verhalen over JEZUS' leven, dood en opstanding, gegroepeerd om de kern van het werk: de verlossing van het menschdom, zijn hier door een echt dichter vereenigd tot een geheel dat hooge waarde heeft[4].

De ons onbekende maker, misschien een "clerc", heeft zijne stof tusschen 1260-1270 bewerkt, zooals hij die had leeren kennen uit den bijbel en uit andere bronnen[5]. Onder die andere bronnen moeten de zoogenaamde apocriefe evangeliën in de eerste plaats worden genoemd. Van den bijbel kreeg de christelijke gemeente in de latere middeleeuwen door allerlei uittreksels en bewerkingen vrij wat te zien en te hooren; doch behalve die, door de Kerk als de eenig ware vastgestelde, boeken, vond men andere evangeliën over JEZUS, MARIA, JOZEF, PILATUS, JOZEF van Arimathea en andere heilige personen, die als een sterke onderstroom het godsdienstig gemoedsleven onzer voorouders bleven voeden. De kanonieke bijbelboeken waren voor het grootste deel des volks te sober, te verheven; de apocriefe evangeliën wisten hun allerlei te vertellen waarover de bijbel zwijgt: verhalen van JEZUS' kindsheid; van de vlucht naar Egypte; van de Drie Koningen en hoe het met HERODES afliep; van JEZUS' nederdaling ter helle en hoe hij de daar aanwezige heilige mannen uit het Oude Testament, ondanks het verzet der duivelen, verloste. Aan het gewoon-menschelijke, het dagelijksche is in deze verhalen meer plaats vergund; maar ook aan het avontuurlijke, het kleurige, het bonte. Dat alles trok het volk aan; het heeft ook dezen dichter aangetrokken die één was met het volk waaronder hij stond, al stak hij boven hen uit door zijne dichterlijke gaven.

Dat dit gedicht volkspoëzie bevat, zou men reeds vermoeden, wanneer men ziet welk een warme liefde tot de misdeelden den dichter bezielde:

Selen wy dragen bont ende grau, Ende ons sieren als enen pau, Ende die arme sal sijn in selc bedwanc, Dat hi ne sal hebben spel no sanc?

Maar niet alle vóór het volk geschreven poëzie is volkspoëzie. Deze is het. Wij vinden hier telkens den geest, den trant, de wendingen der volkspoëzie, zooals wij die van elders kennen. Zoo b.v. de rechtstreeksche vragen tot het publiek, waar GABRIËL Gods wil aan MARIA komt boodschappen:

Vant hi Marien ter venstren staen? Vant hise achter [Zijnoot: langs.] straten gaen? Vant hise in plaetsen [Zijnoot: pleinen.], vant hise int spel? Neen hi, niet; die maecht pensde al el [Zijnoot: andere dingen.].

Zoo ook wendingen der verhalende volkspoëzie als: "Doe sprac een jode: Heren, hort na my"; het afgebrokene in den zinbouw, den korten vleugelslag van des dichters gedachten[6].

De naïeve vroomheid en kinderlijke eerbied voor het heilige, die wij later in de geestelijke volksliederen zullen opmerken, openbaren zich hier in een oprechte vroomheid, een zachtheid van toon, een doorvoelen van JEZUS' lijden, zooals later MEMLINC het ons te zien zal geven. Telkens hooren wij van "dat zoete kint", zijne heilige, zijne gebenedijde hand, zijn zoete hart; God "van hemele", "d'alweldeghe God", de heilige engel. JEZUS' liefde tot zijne discipelen voelen wij in verzen als: "Kinder, seit hi, hoert na mi" of "Kinder, seit hi, lieve vrient"[7]. De keerzijde van deze liefde en eerbied is een felle haat tegen HERODES, die ons voorgesteld wordt: hebzuchtig, wreed, fel als een hond; hij is een "dief" (in de taal onzer voorouders: het inbegrip van alle kwaad), een "onreyne drake"; ten laatste wordt hij krankzinnig, het helsche vuur gloeit uit zijne oogen[8]. Geen woorden genoeg heeft de dichter om de Joden uit te beelden in hunne felheid, die hen doet schuimbekken; in het welbehagen waarmede zij het zachte lam kwellen en martelen; in hun schamperen spot[9]. Die haat en die liefde zijn beide in hooge mate naïef. "God is een goed wreker", zegt de dichter, "al spreekt Hij niet veel". JEZUS zegt tot zijn hart: "Hart, kondt gij spreken als een mensch, hoe zoudt gij dan over uw lijden klagen". Van GABRIËL lezen wij, dat hij Gods gebod ten uitvoer bracht en ter verklaring daarvan: "Hine dorst laten, want hi was God". De duivel spreekt van "mijn hel"[10].

Het kinderlijk onbewuste van de vroomheid dezer tijden verminderde den afstand tusschen God en de geloovigen, die niet zich verhieven tot Hem maar tot wie Hij afdaalde. Eerbiedsgrenzen, door latere geslachten in acht genomen, bestaan voor dezen dichter te nauwer nood. Hij schroomt niet, de schamele hut, het "huseken cranc", waarin JEZUS geboren wordt, met zachte ironie "dit paleis" te noemen; evenmin om van PETRUS te zeggen, dat hij "zweette als een das" toen hij JEZUS verloochende, of ons MARIA MAGDALENA te teekenen, zooals zij onder stoelen en banken door kruipt om bij JEZUS te komen[11].

Zooals de dichters der ridderpoëzie zich eene klassieke oudheid schiepen naar de toestanden hunner dagen, zoo handelde deze volksdichter met de bijbelsche oudheid. Bij zijne voorstelling van het maatschappelijk en huiselijk leven in Palaestina, geeft hij eenvoudig zijne eigen omgeving, zooals lang vóór hem de dichter van den Oudsaksischen _Hêljand_ had gedaan. JEZUS deelt aan zijne twaalf "gezellen" mede, dat de smartelijke kruisdood hem wacht; de "gezellen" zwijgen op dat bericht, maar PETER "zijn getrouwe vriend" neemt voor allen het woord en wenscht dat JEZUS nog berouw moge krijgen over hetgeen hij gezegd heeft: "Ghi sijt een so scone man", zegt hij, "hoe komt zoo iets dan in uwe gedachten?"

Apostelen en Joden worden ons meer dan eens voorgesteld staand of zittend "in een rinc", zooals dat van ouds ook hier te lande gebruikelijk was. De Joden zijn hier afgodendienaars die aan MAHOMED gelooven; zij komen "met manne ende maghe" te samen; hun hoogepriester wordt "bisschop" genoemd, PILATUS noemt zich zelven "meier". Hier en daar klinken tonen uit de ridderpoëzie door deze geestelijke poëzie heen: wij treffen woorden aan als stegereep [Zijnoot: stijgbeugel.], ghereide en vorboech" [Zijnoot: borstriem.], als "glaviën" voor lansen; geen soldaten maar ridders, houden de wacht bij JEZUS' graf; van een slag, JEZUS toegebracht, wordt de staande uitdrukking gebezigd: "dat hi en horde no en sach"[12]. Het wonder van het droogvoets trekken der Israëlieten door de Roode Zee, is dezen dichter niet genoeg: van de Roode Zee maakt hij de Leverzee, dat wonderbaarlijk mengsel der elementen herinnerend aan den baaierd vóór de schepping, ergens ver weg in de geheimzinnige streken door den Heiligen BRANDAEN op zijne zwerftochten bezocht[13].

Uit het vroom gemoed van dezen kinderlijk onbevangen dichter die het leven van JEZUS zóó medeleeft, welt poëzie op telkens wanneer een deel van dat leven hem sterk ontroert. Zoo b.v. waar hij ons MARIA'S moederweelde schetst: