Germania

Part 22

Chapter 223,937 wordsPublic domain

Hij nam een korrel op en stak deze in den mond, beet haar fijn, proefde haar.

„Hoe smaakt het?” vroeg er een.

„Als fijne weite, maar nog zoeter.”

„Zit er honing in?” vroeg een ander, die getroffen was door de goudgele kleur en den vorm van de korrels, die wel eenigszins aan de cellen in een honingraat deed denken.

„Proef zelf,” zei Sigbert, hem den zak voorhoudend.

Maar nu een ander dan de saksvoerder een korrel opat, wilden de anderen ook proeven. En de mannen drongen zich om den zak en als kinderen begeerig, staken ze de groote, grove, rasperige boerenhanden uit en kregen een korreltje van het barnsteenkleurige graan. Zij gingen terug als met een schat, bekeken het kleinood, wreven het in de holte van den handpalm met de vinger der andere hand om en om, het keurend met de oogen zooals een kenner een edelsteen zou schatten.

En dan, het naar den mond brengend, hielden ze het zaadje er lang in zonder er op te bijten, het met zachte smakjes van de tong proevend, het omwoelend in de mondholte, om langer er ’t genot van te hebben.

Onderwijl waren er al eenigen, die hout hadden gekapt en een vuur aangelegd en men wachtte op het woord van Sigbert, die zou bevelen wat heden gegeten zou worden. Zij hoopten in stilte, dat zij dit keer graan zouden krijgen, maar Sigbert liet de zakken weer sluiten en beval, dat men sporen zou zoeken van wild.

De mannen waren ontevreden. Eén trad voor de anderen op en vroeg, maar met veel meer deemoed, dan hij zich voorgenomen had:

„Sakshoofd, wilt di ons niet wat graan geven?”

„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert woedend op, zijn hand naar zijn saks brengend, „du, smuigerd. Wilt di ons zaaigraan vervreten?”

De man trad beschaamd terug. Maar een ander, die den smaak van het barnsteengraan nog naproefde, trad naar voren.

„Sakshoofd... wi hebben honger... En met wild zoeken gaat de tijd weg... Dat honinggraan is toch niet om te zaaien... Laat ons dat nu opeten...”

„Ja, laat ons ’t honinggraan opeten,” riepen anderen.

„Hier met het honinggraan!” riepen nog weer anderen, verlekkerd door den smaak.

Sigbert trok zijn saks en stelde zich voor den zak.

„Wie een korrel neemt, kloof ik den kop!” riep hij.

„Stemmen, stemmen!” riepen de mannen terug.

Sigbert keek naar Reri.

„Ja vaêr, laten wij stemmen!”

„Zult di dijn vader afstaan, snotjongen?” zei Sigbert, zijn zoon een stomp voor de borst gevend.

„Is dat mijn loon, vaêr?” vroeg de reus, bedroefd ter zijde gaande.

„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen met meer onstuimigheid.

Maar de ouderen onder de mannen, die zelf vaders waren en met bewondering zagen naar hun aanvoerder, die zoo zijn vaderlijk recht wist te bewaren, willende toonen, dat zij ook niet bevreesd waren voor hun zonen, gingen bij Sigbert staan, toonend dat zij voor hem partij namen. De vader van Hindar was de eerste, die naast Sigbert stond. Maar Hindar, op hem toetredend zei:

„Vaêr, ik moet eten... Du weet wel vaêr, de laatste bete heb ik gisteravond gehad... en toen heb ik met di gedeeld...”

„Laat ze eten, Sigbert!” zei nu de vader van Hindar.

„De zwemmers kunnen krijgen!” gaf Sigbert toe.

„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen dreigend.

„Vooruit dan... wie ’t zaaigraan wil vervreten, steek op zijn saks...”

Alle saksen werden opgestoken. Sigbert boog voor de overmacht. De zak werd weer geopend en een der Batouwers, die een kleinen helm droeg, gaf ze om als maat te dienen.

En nu mocht elk man een halven helm vol van het zoete barnsteengraan uit den zak putten. Zij hielden hun pels als voorschoten op en liepen met hun schat naar het vuur of zetten zich wat verder alleen weg en begonnen het zoete graan rauw op te knabbelen.

Alleen Sigbert at niet.

„Vaêr!” zei Reri, „du eet niet?”

„Dijn vaêr vreet zijn vrijheid niet op!” zei de Bataaf norsch.

Toen keek Reri even terzij naar Tjeerd, die al den mond vol had. En nog even wijfelend, wierp hij zijn deel weer in den zak terug.

„Gaat di mee Tjeerd... sporen zoeken?”

„Eerst eten...”

Maar tegelijkertijd zag hij naar zijn vader op en boog het hoofd.

Hij wilde nog een handvol graan naar den mond brengen. Maar hij dorst niet en schuin het hoofd afgewend, liep hij nu ook naar Sigbert toe en wierp de handvol graan, die hij nog slechts over had, ook in den zak.

„Ik had honger, vaêr!” zei hij verontschuldigend, hoewel de oude niets gezegd had, alleen met de driehoekige oogen fél hem aanstaarde.

„Het was di geraden, knaap. Du hattet dijn erfdeel opgevreten... Ga mee met dijn broeder...”

De twee liepen ’t kreupelhout in, zwijgend, onderworpen, beschaamd, voelend het overwicht van den vader, die hongerend zooals zij en met de volle beschikking, de eenige van allen was geweest, die sterker zich toonde dan het verlangen, dat als een pijn knaagde in de uitgehongerde maag.

„Als ’t voorjaar wordt, moet-ie koning worden!” zei Reri tot Tjeerd. „Denk er wel aan jong, onze vaêr is de grootste Batouwer.... Hij moet koning worden.”

Tjeerd spuwde de restjes van ’t graan uit zijn mond en rilde met ’t hoofd als walgde hij nu van dat heerlijke koningsgraan.

Zij liepen beiden, de oogen naar den grond, zoekend of ook ergens den indruk van een dier merkbaar was. Doch zelfs hun geoefende oogen konden niets onderscheiden op den hard bevroren grond van sneeuwijs. Maar dichter in ’t hooge hout, waar de boomen zoo vast opeen stonden, dat de vorst eenigszins geweerd was, merkten zij gebroken takken, waar blijkbaar een dier doorgang had gezocht. Opeens hield Tjeerd stil.

„Wat is dat?”

In ’t sneeuwijs stak een zwartige punt uit. Tjeerd rukte het voorwerp uit de aarde.

„Een sandaal!”.... zei hij.

„En geen oude.... daar zijn hier menschen.”

„Wat voor menschen....”

„Roovers! Anderen zijn niet in den winter hier in den dikicht.”

Zij liepen voort, volgend het spoor van de weggebroken takken en vonden weldra een klein offerblok en vandaar voortgaande vonden zij den ingang van ’t hol, dat met een zwaren steen was afgesloten, maar die de twee sterke kerels al spoedig hadden terzij geschoven.

Beiden traden dadelijk terug.

„Daar zijn lijken in!” meende Reri.

„Aan den stank te zeggen, ja!”

„Wij moeten vuur maken... ’t Is te donker.”

Zij keken rond, maar zagen geen kienhout. Het was een bosch van beuken en eiken.

„Wij moeten een lichtgat maken. Vooruit jong!”

Reri begon al met zijn saks boven in de sneeuwaarde te woelen en Tjeerd van de andere zijde wierp de uitgewoelde aarde terzij. Toen zij op een armdiepte waren, kwamen zij al aan de laag bladeren en mest, die spoedig doorgestoken was. Uit het gat steeg dezelfde doordringende stank op.

„Zooals ik di zei, lijken.”

Hij maakte het gat nog wat grooter en nu weer, van de holterp afglijdend, gingen zij den ingang kruipend binnen.

Bij ’t daglicht, dat door ’t lichtgat boven, nu binnenviel, zagen zij de lijken van drie mannen en een vrouw in ontbinding. Het hol was volgestapeld met zadels, schilden, huiden, kortzwaarden, bronzen bekkens, urnen met bronzen sluitspelden. Maar iets om te eten vonden ze niet.

„Wat denkt di, Reri?” vroeg Tjeerd.

„Dat zijn roovers, die zichzelf gevangen hebben. Zij hebben zich in ’t winterhol opgesloten en vuur gestookt. Toen is ’t vuur ’s nachts, toen ze den steen al voor ’t gat hadden gewenteld, gaan aansmeulen en zij zijn gestikt... Wat zei ik di... hier ligt er nog een... die is bijgekomen en is nog naar den uitgang gekropen... maar hij was te zwak. Ga naar vaêr jong en roep hem. En laat de mannen kienhouten meenemen. Ze zullen wel graankuilen hebben gehad..”

Tjeerd snelde terug en onderwijl begon Reri het lichtgat grooter te maken. Hoe meer licht er binnenviel, des te meer ook werd hij van de juistheid van zijn veronderstelling overtuigd. Roovers waren het zeker geweest. Dat zou een kind zien aan de soort van schatten, die zij verzameld hadden. Maar waren zij werkelijk gestikt? Of hadden zij geen leeftocht meer gehad?

Die daar lagen, half vergaan, toen weder bevroren en nu weder ontdooid, zouden het niet meer zeggen. Reri keek naar de ontbindende lichamen en rilde. Het gezicht van een krijger, op ’t slagveld gedood of van een mensch, kalm in zijn hut gestorven, maakte op hem geen indruk. Zij voeren op naar Wotan en waren voortaan gelukkiger dan op aarde. Maar deze hier, wier lichamen niet verbrand waren geworden, en wier zielen dus eeuwig zouden rondzwerven in den poel van Grendel, tot straf voor hun euveldaden, boezemden hem afschrik in.

Zijn honger dreef hem om in ’t stinkende hol rond te zoeken naar leeftocht. Zijn oogen waren nu gewend aan ’t schemerduister en tastend met de handen langs de met koemest en dorre bladeren bestreken wanden, vond hij achterin weder een grooten sluitsteen. Hij wilde hem wegrukken, maar de steen was te zwaar. Nog was hij bezig gebukt in het donker den steen weg te schuiven toen hij al het gele licht van de brandende kienhouten zag, waarmede Sigbert en andere Batouwers naderden.

Nu konden zij in ’t hol goed zien, welk vreeselijk einde de roovers hadden gehad. In ’t midden stond op een vuur van houtskool een groote pot, waarin een weeke massa. Melksoep, die eerst tot bederf was overgegaan en toen weder bevroren. Er lagen wel tien lijken in ’t hol, mannen en vrouwen. Een vrouw lag dicht tegen een wand bij den toegangssluitsteen, de rechterhand met de magere, zwartige vingers nog gekromd uitgestrekt naar den steen, die hun noodlottig was geworden.

Reri en Tjeerd samen slaagden er in den steen van het tweede hol weg te schuiven. Dat was de welvoorziene voorraadkamer. Er lagen eenige zakken met graan, stapels gebakken, harde winterbrooden. Er hingen aan touwen stukken gedroogd vleesch en een twaalftal zijden spek. Tegen de wanden stonden groote, met was afgesloten, aarden vaten. Sigbert opende ze met zijn saks. De vaten waren gevuld met honig, mee, gestoofde bessen, ongebrande molleboontjes, meel, gesmolten vet.

Nu was er geen rede om niet te eten.

„Vrèt jong, vrèt!” zei Sigbert tot Tjeerd. „’t Is je gegund!” voegde hij er tot Reri bij. En deze, niet langer wachtend, trok een reep gedroogd vleesch los en begon als met geeuwhonger te eten. En ook Tjeerd en de vijf andere mannen deden zich te goed aan wat zij maar ’t eerst grepen.

Sigbert, met een reep spek in de hand, liep naar buiten en met zijn machtige kaak kauwend op de reep spek, snelde hij terug naar ’t kamp, vertelde van de ontdekking en geen der mannen wist van vermoeidheid. In een vaart liepen ze naar het roovershol, dat weldra zoo vol was, dat er geen mannen meer binnen konden. Maar die binnen waren reikten door ’t lichtgat, dat Reri gemaakt had, voedsel naar buiten. Heele zijden spek, groote potten met meel en honig werden naar buiten aangegeven en de mannen, bemerkend dat er overvloed was, sneden lange repen uit het spek en begonnen als dieren te knagen, knorrend van genot, malkaar aanziend met verheugde blikken.

Maar daar de stank binnen te sterk was, kwamen alle mannen spoedig naar buiten. Een paar, die al half voldaan waren, begonnen onder leiding van Sigbert het lichtgat grooter te maken. Anderen kwamen helpen en spoedig lag het roovershol bloot met zijn rijkdommen, zijn voedsel en zijn vergaande lijken.

Een paar mannen, dankbaar voor ’t voedsel, spraken er over, de lijken te verbranden en in een paar der ledig gegeten vaten bij te zetten.

Maar anderen waren er tegen, meenden dat menschen niet mochten ingrijpen in den wil van Wotan, die de roovers zeker had gestraft voor menige euveldaad en deze laatsten kregen gelijk.

Nadat allen verzadigd waren, werd de voorraadkamer van de roovers leeg gehaald en onder de honderd door Sigbert verdeeld. Onderwijl trokken de aangewezen dragers terug naar ’t kamp om de vijf-en-twintig zakken graan te halen en toen deze terug waren, zette de saks van Sigbert den tocht naar de Batouw voort.

Sigbert bleef bij het hol staan om bevelen te geven en voor de lucht te zorgen. Het bevreemdde hem, dat nog niets van een vervolging gemerkt werd en hij speurde rond of hij wellicht de vlam van een seinvuur zag of luisterde nauwlettend of ergens een horen toette. Maar ’t was doodstil en alleen het hem liefelijk geluid van de smiltende druppelen die in de twijgen patsten, vernam hij.

Tot het laatste stukje vleesch was weggedragen uit het hol van de roovers. Toen wilde een man, die weinig te dragen had, een bronzen ketel medenemen.

Sigbert riep hem terug.

„Wat doet di daar?” vroeg hij streng.

„Voor mijn moei!” antwoordde de man.

Sigbert pakte hem bij den schouder, rukte hem de ketel uit de hand en wierp hem met een vaart in ’t hol terug, waar hij met een helderen tink neerviel tusschen ’t andere brons.

„Batouwers zijn geen dieven!” sprak hij dreigend. En zijn oogen vlamden. Toen, ziende dat de mannen gereed waren, liep hij zijn troep langs en zijn saks opstekend in de lucht, zetten zij hun vlucht voort.

HOOFDSTUK X.

Er waren drie priesters in het land der Nerviërs aangekomen en deze, vernemende dat Sogol en Harimona nog niet genaderd waren, begaven zich naar Waberloo, de winterwoning van koning Solbert. Zij vroegen onderweg aan alle woningen of de lieden Sogol en Harimona reeds gezien hadden. Het begon koud te worden en de drie priesters overnachtten zooveel mogelijk in de hutten, waar men hun gaarne gastvrijheid verleende. En voor het vuur verhaalden zij van de schatten van Renigo, van de wonderen van Harimona en van de ontvoering door Sogol, den Nervischen prins.

Maar de menschen herinnerden zich niet, dat er een prins van dien naam bestond en schudden het hoofd, zeiden tot de priesters, dat zeker de een of andere roover zich die valsche waardigheid had toegeëigend.

Doch de priesters bestreden dat. Het was wel zeker een prins geweest, een echten prins en geen roover. Dat had men gemerkt aan zijn trotsche houding, zijn overmoedig gedrag, de schoone wijze waarop hij wist te spreken en de vele talen, die hij kende. Want men had hem in de kampen hooren redeneeren met priesters van de Sfafen en met gezanten van het Paarden-eiland en met schippers van Scandische vaartuigen, die hij naar den weg had gevraagd om naar het vreemde land te komen. Een Scandische schipper zelfs, die hem, naar de gewoonte der Scandiërs, die wanneer met hun naar den weg tot het vreemde land vraagt, altoos verhalen van den grooten zeeslang en het gruwelijke meerwijf, had hij voor leugenaar uitgemaakt. De Scandiër had zijn mes getrokken en was Sogol te lijf gegaan. Die had een mes geleend en den Scandiër na drie trekken een stoot in de borst toegebracht. Maar hij had zijn tegenstander dadelijk verbonden en hem niet naar ’t gebruik, den doodsteek gegeven, zoodat de schipper sedert dankbaar was en gezegd, dat hij Sogol den weg naar ’t vreemde land zou wijzen. Toen hadden de andere Scandiërs den gewonde tusschen zich ingenomen en later had men hem dood gevonden, hangende met de beenen naar beneden aan een boomtak. Zoo handelen de Scandiërs met allen, die het geheime middel willen verraden, waardoor zij het gruwelijke meerwijf, dat over de zee van het vreemde land heerscht, weten te paaien.

De Nerviërs spraken nu veel over den onbekenden prins, die zoo dapper en knap was en begonnen bij de andere lieden te vragen of zij ook herinnering hadden van prins Sogol. Toen was er een vrouw geweest, die Sogols moeder had gekend en een andere verhaalde van den ouden priester Myst, die voor jaren was uitgetrokken om den zoon van den Bellovaakschen koning te zoeken.

En de priesters, ondervraagd, verklaarden dat een ouden priester steeds in de nabijheid van den prins was gezien en ook een jongen horenblazer.

De priester was gestorven, maar de horenblazer was verdwenen in denzelfden nacht dat Harimona door Sogol was geschaakt.

Veel menschen gingen nu met de drie priesters mede loopen om naar den prins en de heilige jonkvrouw te zoeken en verbreidden door het land de geschiedenis van Sogol. Toen de priesters eindelijk te Waberloo aankwamen, waren hun al vele lieden vooruitgesneld en ook kondschappers van trouwe heertogen van koning Solbert, die den koning waarschuwen lieten voor den nieuwen dinger naar de koningsmacht.

Maar er waren ook vele heertogen, die den toenemenden macht van Solbert bemerkend, naijverig waren en wel gaarne een nieuwen koning op den troon wilden zien. Want onder de Nerviërs en de Bellovaken, hoewel van Germaansche afstamming, zijn er, die van de Galliërs, waarmede zij dikwijls in aanraking komen, de onbestendigheid hebben overgenomen en altoos haken naar verandering van regeering. Daarbij kwam, dat Solbert een zéér strengen koning was, die den Galliërs vijandig was en de vrouwenregeering van vroeger toeschreef aan den invloed der verwijfde Galliërs. Hij had alle Gallische gebruiken onder de Nerviërs en Bellovaken uitgeroeid. Het drinken van wijn werd bestraft met het uitsnijden van de tong, omdat de wijn wellustig maakt. Niemand, ook de voornaamste hertog niet, mocht kleederen van meer dan twee kleuren dragen.

Zwakke kinderen en bastaarden werden dadelijk na de geboorte gedood en Solbert was het, die het oude gebruik weder in eer herstelde, dat kinderen dadelijk na de geboorte in koud water moesten ondergedoopt worden om hun levenskracht te beproeven.

Vooral de vrouwen waren zeer ontevreden met de regeering van Solbert. Want hij, zich herinnerend waartoe de vrouwenregeering had aanleiding gegeven, had de vrouwen weder volkomen onderworpen aan den man. Zij moesten ’s winters thuis weven en ’s zomers het land bebouwen. De mannen hadden het recht hun vrouwen een weeftaak op te leggen en haar, wanneer zij haar taak niet voleindigd hadden, te kastijden met de zweep.

Ook de kleeding der vrouwen was door koning Solbert voorgeschreven. Zij moesten naar de oude zede der voorvaderen hals en armen bloot dragen, ook gedurende den winter. De boezem moest echter door een stijf lijnwaad worden weggedrukt, opdat de maagden de jongelieden, en de gehuwde vrouwen niet anderen dan hun eigen man tot begeerte zouden brengen. Ten einde de vrouwen en de maagden door een uiterlijk teeken te onderscheiden, moesten de maagden twee kleine krullen buiten de hoofdhuive dragen, terzijde voor de ooren. Aan de gehuwde vrouwen was deze dracht verboden. Want het was voorgekomen, dat mannen door gehuwde vrouwen tot ontucht waren gebracht, doordat zij zich als ongehuwden hadden voorgedaan.

Door al deze strenge maatregelen was koning Solbert weinig bemind. Evenwel, daar men erkennen moest, dat dit alles in ’t belang van den stam geschiedde, gevoelde men toch ontzag voor den strengen koning. Doch er was nog een andere reden waarom vele aanzienlijken Solbert een kwaad hart toedroegen, dan alleen wegens zijn beperking van de ontucht en de weelde.

De koning had de hoorigen onder hetzelfde recht gesteld als de vrijen. Dit nu was van oudsher nooit zoo geweest. De vrijen werden gevonnist op het Ding naar de wetten die in het groote gedicht van koning Noric was vervat en die de zeven priesters elk voor een zevende deel kenden. Stierf een der zeven wethouders of raakte hij door den ouderdom verzwakt, zoodat hij zijn deel niet meer voor het Ding vlot kon opzeggen, dan werd een jongen priester tot wethouder verheven, nadat hij op een Ding, ten overstaan van het geheele volk, zijn deel vier maal achter elkaar had opgezegd, zonder ook maar een enkelen keer te haperen. Maar de hoorigen werden gevonnist door hun heer en voor hen waren de straffen strenger.

Koning Solbert nu, die ervaren had, dat de heeren de hoorigen ook bij de minste vergrijpen zware straffen oplegden, zoodat de vrouwen der hoorigen nachten door zaten te weven om de boeten hunner mannen te kunnen voldoen, daar anders de mannen met wilgeteenen werden gekastijd of de ooren van ’t hoofd werden gesneden of geblinddoekt naast den ezel in de graanmolen aangebonden, had bevolen dat geen heer zijn hoorigen anders rechten mocht dan naar het recht van koning Noric. En om te voorkomen, dat de heeren zouden zeggen, dat zij ’t recht niet kenden, werden in elk gebied zeven hoorigen en zeven heeren gekozen, die het gedicht van koning Noric uit het hoofd moesten leeren, juist zooals de priesters.

De priesters, ziende dat de heilige wetenschap van het oude recht aldus niet alleen aan heeren, maar zelfs aan het gemeen werd onderricht, verweerden zich en zeiden, dat dit een inbreuk op het recht der priesters was. Toen was koning Solbert opgestoven en hij had gedreigd, dat hij boodschappers zou zenden naar Scandia, waar het heilige recht was gegrift op bronzen tafels in de onvergankelijke runen. Die bronzen tafels had koning Noric in de jaren zijner eenzaamheid, toen hij met zijn lier had rondgezworven in het vreemde land, van Wotan zelf ontvangen.

De priesters waren zwijgend weggegaan. Want zij kenden de heilige runen niet en vreesden vervangen te zullen worden door priesters uit Scandia, die runen konden lezen en zoo zelfs spraken met de koningin van het vreemde land, die zij met de schippers eiken broodplanken stuurden waarop runen waren ingegrift. Maar zij morden en offerden in stilte een vaars aan Donar en smeekten hem koning Solbert door zijn bliksem te vellen.

De heeren, nu gedwongen hun hoorigen te vonnissen naar het recht van koning Noric, konden geen zware straffen meer opleggen en morden, wachtend op een gelegenheid om den koning ten val te brengen. Doch de hoorigen waren Solbert dankbaar en velen van hen, wetend dat zij allen voor zware misdrijven aan den lijve gestraft konden worden, werden overmoedig, zoodat zij, wanneer te veel van hen werd gevergd, weigerden hun taak te verrichten en riepen om het recht van koning Noric. Ook waren er veel misdrijven, waar in ’t recht van koning Noric in ’t geheel geen straf op was gesteld, zooals wanneer een maagd weigerde in den bruidsnacht bij heur heer te slapen; of wanneer een knecht weigerde de straf te boeten, die zijn heer op het Ding was opgelegd wegens een vergrijp. Want deze gebruiken waren ten tijde dat koning Noric in ’t vreemde land zwierf, nog niet bekend geweest.

Toen de drie priesters van Renigo eindelijk bij koning Solbert te Waberloo werden toegelaten, was al in ’t heele gebied bekend, dat Sogol, de dappere en geleerde prins, in aantocht was, vergezeld van een heilige maagd. De priesters en de heeren bereidden zich voor om prins Sogol waardig te ontvangen en een Ding te doen uitroepen, waarop gerecht zou worden, wie het meeste recht op den troon had. Maar de hoorigen waren vast besloten voor hun koning Solbert te strijden en zelfs als het Ding anders mocht beslissen, toch koning Solbert trouw te blijven en hem hun arm aan te bieden.

Onder de hoorigen liepen veel slechte geruchten omtrent Sogol. Zijn moeder was de gevloekte kol Spûr geweest, die verdronken was bij de waterproef. [15] Zijn vader, de roofzieke Bellovaaksche hertog. Hij had te Renigo zondige redevoeringen gehouden en de goden geschonden. Harimona, heette het, was door hem, met behulp van giftige kruiden in een diepen slaap gebracht en toen medegevoerd. De geest van zijn moeder, de kol Spûr, was verschenen in de gedaante van den jongen horentoeter en deze had de heilige maagd in haar slaap besproken, ontheiligd en betooverd en zoo haar de wonderkracht ontnomen.

En telkens kwamen er nieuwe verhalen van de slechtheid van Sogol. Men had hem gezien in het Aardener woud bij de vervloekte krijgsvrouwen en hij had met haar ontucht begaan.

Hij had de krijgsvrouwen weder tot een horde gevormd en zijn moeder had ze hellewapens gegeven in den vorm van groote rietstengels. Wie door het riet werd aangeraakt kreeg groote brandblaren en stierf aan waterkoorts.