Part 21
„Ik zou wel willen zien, wie mi de saks uit de hand sloeg...”
Hij hief zijn gepunte bijl weder op en drilde hem heen en weer, dreigend tegen een denkbeeldigen vijand.
„Du vaêr ja... du wel... maar d’er is al veel volk onder de Batouwers, die al in geen jaren van achter den ploeg zijn weggeweest... Du moet ze zien, zooals ze tegenwoordig vechten bij de Kaninefaten en de Sfafen op de wijze, die van ’t Paarden-eiland is ingevoerd. Op lage wagens vaêr, met vier vlugge peerden er voor en dan twee kaerels er in, één met met kortzwaard en schild en één die stuurt... Daar kan di met een saks niet tegenop... De peerden rijen je omver, de kerel hakt van zijn wagen op je in en als du terug hakt, is-’t-ie weg met zijn kar...”
„Grendeldebliksem, twee tegen een... Dat’s smuigerswerk!”
„Ze doen ’t ’em maar, vaêr. En als de kop gekloven is, lig je... Als du nou wou vaêr... als du dijn saks opriep, en dan flink aangeloopen naar de kust en dan wij, als Batouwers, met ’t schild en de saks over ’t ijs tot aan de waterrand. En dan ik met nog een paar zwemmers flink ingesmeerd met berenvet, met een taai touw om ’t lijf. Dan bij de skigge het touw vastgelegd aan één skig en dan weer met het touw terug. Als dan de heele saks aan het trekken gaat, krijgen wij een heel skig over den stroom heen en wij kunnen dan de zeelui binden en de skig leeghalen...”
Sigbert had aandachtig toegeluisterd.
„Dat zou één skig zijn.”
„Dat’s genoeg.”
„En de wraak van de Frisen?”
„Bent-di bang vaêr?”
„’t Zijn kwaje kaerels als ze beginnen.”
„Honger is ook een kwaje kaerel.”
„Als du ’t wilt, welnu dan jong... daar is dijn vaders hand...”
Nog dienzelfden dag waren er op de heuvels vuren ontstoken, om de lieden van de streek te waarschuwen, dat er een saks gevormd moest worden en den volgenden morgen vroeg trok Sigbert met honderd Batouwers naar de Frise kust.
Zes nachten zou de voetreis der honderd duren, vóór zij aan de kust kwamen, waar de skigge lagen. Zij moesten afzonderlijk optrekken, want een gewapende saks van honderd Batouwers zou door de Frisen spoedig bemerkt en gevangen genomen zijn.
Bijna allen waren verzwakt door de lange tijden van schaarschte en maar een twintigtal, die vroeger tegen de Dantubaren gestreden hadden, waren vaardig met de saks. Reri was de grootste en sterkste van allen. De meesten, blondharig, breed van schouders, gedrongen van bouw, waren iets kleiner dan Sigbert. Doch moed hadden ze allen, wetende welke buit hun wachtte en ook welke waarde die buit voor hen had. Het was niet alleen graan, waarmede zij den nijpenden honger van zichzelf, vrouw en kinderen konden stillen. Maar graan, dat was voor hen ook zaaigraan, het eenige middel om ’t volgende jaar aan den hongersnood te ontkomen, het eenige middel wellicht om hun anders zoo vruchtbare ouw, in vrede te blijven bezitten. Want niets was vreeselijker dan op verovering van een nieuw gebied uit te gaan. De volksstammen waren talrijk en geheel Germanje was in de vruchtbare streken dicht bewoond. De voorbeelden waren niet zelden, dat stammen, die hun gebied verlaten hadden, overal waren verjaagd, opgedrongen, aangevallen, bestreden tot zij eindelijk weer het oude gebied opzochten, maar daar reeds een nieuwen stam vonden. Dan moesten ze om het eerst verlaten land met de wapens in de vuist twisten en zoo waren wel gansche stammen uitgemoord of tot hoorigen en slaven gemaakt.
Waar zouden de Batouwers heen? Aan het bezetten van de ouwen der Frisen was niet te denken. De Frisen, hoe vreedzaam ook wanneer zij niet aangevallen werden, waren onoverwinnelijk als zij tot verdediging genoodzaakt waren. En de Frisen waren een ras van krachtige, slanke lieden, vaardig óók al op het nieuwerwetsche kortzwaard en onstuimig in den stormloop.
Naar de gebieden der Bellovaken en Nerviërs zouden zij evenmin kunnen trekken, want de Nerviërs waren uitstekende ruiters en de Bellovaken streden wel tegen die van ’t Paarden-eiland, zoodat een Batouwer hier op geen overwinning mocht hopen. Naar de zijde der Sigambers en Chatten was wel een uitweg te vinden, maar die te verjagen naar de Hermoendoeren zou niet gaan, want de Hermoendoeren waren vrienden van de Cherusken en die twee stammen konden niet door de Batouwers verslagen worden als zij de Hermoendoeren nog daarbij voor zich uit hadden te drijven.
Zij moesten in hun ouw blijven en de honderd wisten wel, dat het van het gelukken hunner rooftocht afhing, of zij in ’t voorjaar zaaigraan zouden hebben.
Er waren in deze koude dagen weinig lieden buitenshuis en vooral niet op de groote wegen. Want de honger had die wegen gevaarlijk gemaakt voor reizigers, die niet in groote troepen trokken. En daar in den winter geen groote reizen werden gemaakt, trok de Batouwsche saks onbemerkt het Frisenland binnen. Vooraf gingen straalsgewijze uitelkaar tien verspieders, die als zij twee gewenden geloopen hadden, weder straalsgewijze tot elkaar liepen. Waren zij bijeengekomen en had de weg niets verdachts opgeleverd, dan liepen twee van hen in twee richtingen in draf terug tot zij in ’t gezicht van de volgende tien man kwamen, die zij door ’t opsteken van een grooten tak waarschuwden, dat zij voort konden loopen.
Die tien deden door twee hunner op dezelfde wijze de tien volgende waarschuwen en zoo voort van hoede tot hoede.
Was er onraad bespeurd, dan staken de voorloopende een tak op met een dwarstak bovenaan. Onmiddellijk liepen dan de tien mannen in stralen uiteen en kwamen, al naar afspraak na meer of minder gewenden afstands, weder straalsgewijze tot elkaar.
De mate van ’t dreigende gevaar konden zij zien aan de wijze waarop de dwarsstok op de rechtstandigen was gestoken, meer of minder zuiver kruisvormig. Was de dwarsstok plat op de rechtstandige gelegd in een T vorm, dan was ’t gevaar ’t grootst.
Reri was bij de voorste troep der tien mannen; hij kende den weg en wist de bewoonde streken, die voorzichtig gemeden werden. Daar rivieren en meren en poelen overal hard bevroren waren, kon hij een rechte korten weg volgen en zoo stonden de eerste tien, na zeven dagen van langen ingespannen marschen ’s avonds aan het strand en zagen heel in de verte in ’t maanlicht de donkere rompen van de graanvloot.
De twee konders liepen terug om de andere tienmannen te waarschuwen en het laatste eind van den weg werd in den nacht in looppas afgelegd zoodat het nog donker was toen de honderd zwijgend, met de saks in de vuist, gereed voor tegenweer tot op den dood, bij elkaar waren.
Onderwijl waren Reri, Hindar, de snelzwemmer, Freihals, die met Reri samen op een Scandischen skig had gevaren, en Baldei de jongere, bezig met de voorbereiding voor den zwemtocht. Het was windstil en hoewel de maan reeds onder was, toch nog licht door de heldere sterren aan den onbewolkten nachthemel. De vier Batouwers, de beste zwemmers van den heelen stam, smeerden zich dik in met berenvet van het hoofd tot de voeten zoodat hun lichamen door een dikke laag hard vet waren bedekt. Nu werden de tien einden touw, die de tien mannen hadden gedragen, aan elkaar geknoopt en de vier zwemmers, onderling door touwen aan elkaar verbonden om bij ongeval elkaar te kunnen steunen, liepen vooruit over het ijs gevolgd door de overigen mannen van de saks van Sigbert. Toen zij daar kwamen waar het ijs geen mensch meer houden kon, omdat door de sterke strooming, die daar stond, het water niet dichtvroor, hielden de sakslieden stand elk met een gedeelte van het touw in de handen, dat zij langzaam lieten uitvieren.
De vier zwemmers, de saks in den gordel, sprongen zacht in ’t ijswater en begonnen schuin op de rechter zijde zich werpend met kalme, slagen op de schepen toe te zwemmen. Reri, die merkte dat Baldei, de jonge, in zijn overmoed te snel zwom en zoo telkens een ruk vooruit aan het touw deed, waarmede hij aan de drie anderen was verbonden, waarschuwde hem.
„Zacht aanvangen Baldei.... anders houd di ’t niet vol...”
Maar Baldei, trotsch op de jonge kracht van zijn prachtige leden en zijn stronkige spieren, wilde niet luisteren.
Toen sloeg Reri even twee slagen sneller uit en gaf hem een slag met vuist op den schouder.
„Grendeldebliksem, zal di hooren.... als du nogmaals aan het touw trekt verzuip ik di....”
De jonge man hief even boven ’t lijf op uit ’t water, maar verbeet de pijn en zwom nu kalmer door.
Een geruimen tijd zwommen de vier zoo door ’t ijswater. Maar ’t berenvet in de koude stollend om hun lichamen, hield hen warm en eenmaal in de beweging was de bloedsomloop snel genoeg om hen voor krampen te bewaren.
Eindelijk beval Reri dat zij drijven zouden zonder zich te roeren. Hij had de wacht gezien op ’t eerste schip, dat zij nu al dicht genaderd hadden.
„Wij moeten langs het roer op.... Anders kom je nooit op een Frise skig....”
Een ijsbergje dreef aan. Reri hield het met zijn schouder tegen....
„Hierachter aan mannen!” zei hij. Hij haalde zijn saks uit den gordel, sloeg het wapen met de scherpe punt van den bronzen bijl vast in den ijsberg en zachtjes met de voeten trappend, stuwde hij het ijsbergje met duwtjes naar het roer van het schip. Hij hief den vinger op, zijn lichaam steunend op het roer en de drie anderen, de handen klemmend om de stuurstaart, ’t hoofd half boven ’t water, wachtten.
Reri maakte het touw los van zijn gordel en zijn saks in de hand nemend, hakte hij het hout rond een zwaren spijker boven zijn hoofd los, zoodat hij er zijn gordel aan kon binden.
„Het is hoog tijd. ’t Weer slaat om” fluisterde hij tot zijn makkers. „Het ijs in de strooming is al gesmolten tot hier. Toen ik wegging lagen de skigge nog in ’t ijs en nu zijn ze al aan ’t water toe. Kom hier Baldei.... du bent de langste.... ga in de gordellus staan.... Dan klim ik langs dijn schouders en reik aan de verschansing... Dan hier wachten.... tot ik terug kom. Maar hoort di onraad of een plons, dan wegzwemmen.... Om mi is het dan toch gedaan en boven komt di toch niet zonder hulp....”
Baldei stond in de gordellus en zijn saks vastslaande in ’t hout, hield hij zich zoo rechtop. Reri klom langs hem op, voorzichtig en moeielijk, want beider lichamen, glad door het berenvet, gaven geen houvast. Maar Reri wreef zijn handpalmen droog tegen de ruwe kiel van de skig en vast de schouders van Baldei pakkend, heesch hij zich op diens rug, zette nu de voetzolen in de gleuven van de schouderspieren, die Baldei opzette en nu zachtjes aan zich oprichtend, kon hij met de handen de rand van de borstwering van de skig grijpen, die aan de roerzijde ’t laagst gebouwd was.
Nu, de saks bij den steel in den mond pakkend, heesch hij zich op het dek.
De roerganger stond geleund tegen het vastgezette roer met den rug naar Reri toe. Reri deed drie schreden voorwaarts, hief zijn saks met de rechterhand op en sloeg met één slag den man schuin tegen den slaap tegelijk met de linkerarm hem opvangend en de hand tegen ’s mans mond houdend, opdat hij niet kon gillen.
Toen de wacht neerviel, zonder een geluid, herkende Reri hem met ontzetting. Het was een oude kameraad, een Scandiër, die hem toen Reri nog scheepsjongen was, knoopen had leeren leggen en netten breien.
Maar lang peinsde hij niet. Hij legde het lichaam van den gedoode zachtjes neer.... Op zijn vette linkerarm bleven wat roode pareltjes bloed hechten, dat was alles. Daarna sloop hij, welbekend met de inrichting der Frise skigge, naar het ruimluik. Toen hij zijn saks als koevoet gebruikend, den ijzeren sluitriggel over de kram heenzette, brak zijn saks. Hij nam den riggel met de handen vast, zette zich schrap en poogde den riggel te verbuigen. Doch zelfs zijn kracht reikte niet toe. Hij keek rond.... liep op ’t lijk van de wacht toe, haalde diens ijzeren mes uit de scheede en sneed het hout rond de kram weg. Toen gaf de riggel mede, en het luik kon opgetild worden. In ’t zwarte gat van ’t ruim zag hij niets. Maar dit behoefde niet. Hij kende de wijze waarop de skigge gestouwd werden, liet zich in ’t luik afzakken, de hand om den rand van ’t vierkante luikgat gekneld en even heen en weer zwaaiend voelde hij grond. Hij liet zich los en viel op de leeren zakken.
„Jammer,” dacht hij „dat ik geen licht heb om te kiezen.”
Hij greep met zijn vingers tastend in de zakken. Dat was graan.... en dat was rogge.... en dat wat ronder, dat zoo stak, dat was gerst.... en dat.... dat.... hij voelde nogmaals en nogmaals.... het waren kleine ronde korreltjes, maar wàt voor graan ’t was kon hij niet goed op ’t gevoel onderscheiden. ’t Zal spelt zijn, dacht hij.
En nu stapelde hij snel eenige zakken op elkaar, zoodat hij een soort trap vormend, makkelijk bij de opening van ’t luik kon komen. Met twee zakken gerst klom hij naar boven, sloop naar ’t roer.
„Gauw, gauw,” zei Baldei.... „het water bevriest op mijn leden....”
„Volhouden!” riep Reri. Hij gaf hem den eersten zak, die Baldei overgaf aan de twee, die op de roerstaart zaten en wachtten. Toen de tweede.
„Volhouden!” riep Reri.... „er komen er meer.”
„Ik kan niet.... ik verstijf....”
Toen boog Reri zich over de verschansing, en een stuk touw latend afhangen gebood hij Baldei, dat vast te pakken.
„Ik kan niet meer. Ik kan mijn leden niet meer bewegen.”
„In je mond!” beval Reri.
De jonge Batouwer pakte het eind van het touw vast met zijn tanden.
Reri, kennend de sterkte van het gebit der jonge Batouwers, die al als knapen zich oefenen in het tillen met de tanden, trok Baldei op, die nu boven het water zweefde, stijf bevroren maar klemmend zijn tanden, sterk als het gebit van een roofdier om het touw, schuingebogen het hoofd. Toen hij hem tot aan de rand van de verschansing had, greep hij hem snel bij den gordel, die kraakte van het ijs. Dan haalde hij den verstijfden, jongen reus op het achterdek.
Onmiddellijk begon hij hem krachtig te wrijven. Het waren niet zijn leden, die bevroren waren. Doch het vet was door ’t schuren tegen het roer weggewreven en het warme lichaam, leunend tegen de dikbevroren kiel, was eerst vochtig geworden en toen was ’t water op ’t harige lichaam bevroren.
Nu kwam Baldei weder bij en kon zijn leden weder bewegen. Met schrik zag Reri in de verte aan den einder de eerste paarsche schemer van het komende morgenlicht.
„Kom mee,” beval hij.
Weer daalde hij in ’t ruim af en gaf Baldei zakken aan, een, drie, zes, acht.... twaalf.... vijftien.... tot vijf en twintig. Toen droegen ze beiden de zakken naar de achterplecht....
„Dat krijgen we zoo nooit weg!” meende Baldei.
„Neen.... wij moeten de jol kapen.... kom mee....”
Zij schreden naar ’t hooge voordek, sjorden de jol los... droegen haar dwars over het skig naar ’t achterdek en nu lieten de twee reuzen alleen de jol zachtjes met de punt vooruit langs het roer glijden. De twee beneden begrepen dadelijk waarom ’t ging, stutten het vaartuigje, zoodat het recht op ’t water kwam te liggen. Baldei liet zich weer af in de gordellus en nam de zakken een voor een aan, gaf ze aan de twee mannen beneden, die ze stouwden in de jol....
Toen de vijf en twintig leeren zakken met graan er in lagen, zakte het vaartuig tot den rand in ’t water.
Reri liet zich langs Baldei afgleden, hielp Baldei bij ’t afzakken en nu wierpen de vier zich in ’t water, de jol voor zich uitduwend. Maar Baldei, niet meer beschut door ’t berenvet, voelde de krampen komen.
De twee anderen wilden zooveel zakken graan overboord werpen, dat Baldei in de jol kon blijven zitten, zonder dat deze zonk. Maar Reri, die te goed wist wat een enkele zak graan beteekende voor de toekomst van den stam verbood dat. Steunen konden ze hem evenmin, want de drie waren ook vrij uitgeput en hadden de zware jol voort te duwen. Daarbij kwam dat het al begon te schemerlichten.
„Trek eens hard aan het touw,” riep Reri tot Freihals. Maar de afstand was nog te groot, dan dat de makkers op ’t ijs den ruk voelen konden.
„Mannen,” zei Baldei, „ik mag di niet tot last zijn. Zorg voor mijn moeder. ’t Is een weduwvrouw....”
Hij hief zijn armen op en zonk weg in ’t koude water.
Maar Reri greep hem vast, tilde hem hoog.
„Volhouden!” beval hij.
Doch de jonge reus was met open mond gezonken om snel weg te zullen zijn.
Reri legde zich op de rug en haalde ’t hoofd van Baldei over zijn borst, hield den naar adem snakkende zoo boven.
„Hindar, zwem vooruit.”
„Ik ben òp!” zei Hindar.
Op dit oogenblik weerklonk een signaal van de bestolen skig. Maar meteen begonnen de Batouwers op den wal, door ’t signaal gewaarschuwd dat er onraad broeide, het verbindingstouw snel in te palmen. De drie mannen klemden zich aan de jol en lieten zich meetrekken, Reri den machteloozen Baldei nu met één arm boven water houdend.
De spanning van de drie mannen was zoo groot, dat zij de koude niet voelden en nu ook kwam Baldei weder bij.
Op de bestolen skig was de man van de laatste wacht opgestaan om zijn kameraad te gaan aflossen. Maar niet vermoedend, dat er een luik openstond, was hij daarin gestort. Hoewel hij zich zwaar kneusde, begon hij toch te schreeuwen en riep de naam van den man, dien hij wilde aflossen. Maar ook die gaf geen antwoord. Toen kroop hij rond en voelde de zakken die Reri, als trap had gebezigd. Maar hij had beide beenen gebroken en kon zich niet tot aan den rand van het luik opheffen. Daarom schreeuwde hij, zoo hard hij kon, tot eindelijk een stuurman ontwaakt was, die op ’t dek komend uit het open luik het kreunen hoorde en bij ’t roer den dooden wacht vond en daarna bij ’t luik, de gebroken Batouwsche saks.
Hij liep naar de kajuit terug, nam een signaalhoorn en blies alarm.
Doch dit duurde lang genoeg en voordat in de vale morgenschemering ontdekt was, waar de aanvallers waren, hadden de Batouwers de jol met de vijf-en-twintig zakken meel al weder op ’t ijs gehaald. En nu, vijf-en-twintig der mannen elk een zak graan op den rug dragend, begonnen de honderd weg te rennen, in den dreunenden, gelijkmatigen stap van krijgslieden, die een aanval doen.
Zij vormden een driehoek met telkens één der mannen voorop als windbreker en de anderen, hun handen op de schouders van de voormannen leggend, vermeerderden dier kracht.
Er was in al dien tijd geen woord gesproken.
Zoodra de vier zwemmers uit het water waren, hadden zij slechts één woord gezegd: „Den barditus!”
Dat was genoeg geweest. Sigbert, als de aanvoerder was ’t eerst voorop geloopen als spits van de wig. Maar naarmate de spits wisselde kwam hij, naar ’t oude gebruik, des te meer naar achteren, terwijl de vier zwemmers, als ’t meeste vermoeid, achteraan waren gaan loopen, opdat de voorsten den wind zouden breken. Zoo kwam het, dat na eenige gewenden, toen de achterste lieden vooraan kwamen te loopen, Sigbert met Tjeerd achteraan liep, terwijl Reri in de voorhoede was. Maar toen Baldei, die nog altijd niet geheel bekomen, in de achterhoede bleef loopen, de handen op de schouders van Tjeerd, die hem steun gaf, los liet en niet meer mede kon, floot Sigbert op zijn vingers en de saks hield stil.
Zij waren, dank zij de snelle en ordelijke wijze waarop zij de vlucht hadden genomen nu zoo ver van de skigge, dat zij niet anders zouden kunnen worden ingehaald dan door paarden. Maar achterwaarts ziende bemerkten zij, dat het gevaar voor vervolging niet groot was. Want de beroofde skig lag vrij afgezonderd, ’t meest naar voren en het was van de skig onmogelijk seinen naar den vasten wal te geven voor het goed licht was geworden. En dan nog... hoe zouden die van de skigge den menschen op den vasten wal op zoo’n verren afstand kunnen beduiden, dat men bestolen was en door wie. Om te verkondigen, dat zij een lading graan van ’t Paarden-eiland hadden medegebracht, was slechts noodig geweest een zak graan in de mast te hijschen en een vlag op te steken, zooveel keer als er zakken in de schepen waren. Maar die op het strand duidelijk te maken, dat Batouwers ’s nachts de skig hadden overrompeld en het ruim leeggeroofd, ging bezwaarlijker.
Sigbert’s saks hield dus een oogenblik halt om te rusten en te overleggen. De mannen stonden bezweet en hijgend, leunend tegen elkaar zooals dit in den krijg gedaan wordt. De mannen, die de zakken droegen zetten ze af, omdat nu de beurt van het dragen aan een tweede vijf-en-twintigtal kwam.
Sigbert opende een zak. Daar lag de dikgezwollen weite, het zeldzame, beroemde koningskoren van ’t Paarden-eiland. Sigbert woelde er met zijn hand in, liet een handvol in een stroompje weder neerglijden in den zak. De anderen drongen zich om den zak heen, zagen het prachtige koren begonnen te joelen van vreugde.
„Geef mi, geef mi,” zeiden zij, de handen geopend uitstrekkend naar Sigbert, die hun handen vulde uit de zak. En zij liepen weg van den zak, de beide handen gegeuld bij elkaar, voorzichtig om niet een enkel korreltje te verliezen en toonden het verheugd den verder staanden, die naderbij drongen en met lichtende oogen keken naar dat mooie zaaigraan.
Zij wreven de graantjes op de handpalm, rollend ze bewrijvend om de dikte te voelen en hoewel ze allen hongerig waren, was er niet één, die een graantje naar den mond bracht. Zij wierpen het graan weer in den zak, tot het laatste korreltje toe.
Het was nu geheel licht geworden. Sigbert keek nog eens in de richting van het strand. Maar de schepen waren reeds lang uit zicht en de verre velden waren eenzaam.
De mannen vormden weder de saks en liepen in stevigen pas door, evenwel niet meer op een drafje, zooals zij tot nu toe gedaan hadden.
Sigbert droeg nu ook een zak en het was hem niet zwaar op den rug maar alsof hij iets liefelijks droeg, dat hem vroolijk maakte en licht te voet. Zoo had hij den kleinen Herebaeld vaak gedragen in de tijden, toen hij in stilte en zonder het ooit te durven uiten, hoopte dat zijn kind met de dubbele kruin eens koning zou worden van de Batouw.
Het weer was omgeslagen. Daar zij door het harde loopen allen bezweet waren, hadden zij het niet gevoeld. Maar toen ze aan het eerste bosch kwamen zagen zij, dat de stammen der boomen grijzer werden en van een enkel twijgje drupte al onder de stralen van de morgenzon een spettertje sneeuwwater. Zij zagen elkaar aan zonder wat te zeggen, te goed wetend welke gedachten dat droppeltje wekte, beangst om door ’t uitspreken van hun hoop, ’t geluk te verstoren.
Zij rukten den heelen morgen zoo voort, in gezwinden pas, weinig sprekend, de saks gereed in den gordel, hun vingers in ’t voorbijgaan grissend langs den grond of een laaghangenden tak om een balletje sneeuwijs te pakken om dat ter verfrissching in den mond te steken.
De vier zwemmers, nog altijd in hun met vet besmeerde lichamen, waren sterk gaan zweeten en het vet begon langs hun leden te druipen. Sigbert beval, dat vier anderen hun pelzen zouden afgorden en ze om de schouders van de zwemmers slaan.
Maar Reri en Baldei waren te groot en nog twee anderen moesten hun pelzen afstaan, die, altoos onder ’t voortloopen, met de hoeken aan elkaar werden geknoopt.
Het bosch werd dichter en de mannen moesten daar ’t pad smaller werd, achter elkaar loopen.
Op een beschutte plek achter struikgewas, wel geschikt om bij een mogelijken overval verdedigd te worden, beval Sigbert rust. Het was al later op den morgen geworden en het gevaar reizigers te ontmoeten vooral omdat de dooi was ingevallen, werd groot. De mannen gingen op stronken zitten of wierpen zich, hun berenhuid uitspreidend op den grond.
De geroofde zakken werden nu allen geopend. En de mannen, zich dicht om elken zak dringend, kregen glanzen in de oogen en kreunden in de baarden van bewondering. Slanke haver, dikke, zware gerst, wichtige weite, zak na zak.
Reri drong zich naar voren.
„Er zijn twee zakken bij met vreemd graan,” zeide hij. „In ’t donker voelend, heb ik het niet op den tast kunnen herkennen.”
De twee laatste zakken werden geopend. In de eerste zak lagen kleine, platte schijfjes van een vreemde graansoort, die geen der mannen ooit gezien had. Sigbert gaf een handvol aan den man naast zich om door te geven met de vraag of ook iemand er kennis van had. Maar in den laatsten zak waren korrels, groot als een boon, zoo geel als amber met aan de punt een wit spikkeltje.
„Wat ’s dat?” vroeg Sigbert.