Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel
Part 69
§ 55. _De wederkomst van Christus_ bl. 422-481. Gelijk er een einde komt aan het leven van den enkelen mensch, zoo ook aan dat van menschheid en wereld. De wetenschap bevestigt dat 1, de godsdiensten koesteren algemeen deze verwachting, en de Oudtest. profetie verkondigt aan het einde van deze bedeeling de oprichting van het Messiaansche rijk, dat, rijk aan geestelijke en stoffelijke zegeningen, tot de einden der aarde zich uitbreiden zal 2. Het O. T. beschrijft in dit Messiaansche rijk geen tusschenperiode maar een eindtoestand, doch de latere Joodsche litteratuur ging tusschen een voorafgaand Messiasrijk en een daarna volgend Godsrijk onderscheid maken en deed zoo de leer van het chiliasme opkomen, welke ook door vele Christenen, vooral in tijden van vervolging en druk, werd overgenomen 3. Ofschoon in sommige hoofdzaken overeenstemmend, zijn de Chiliasten onderling toch zeer met elkander in strijd en maken zij zich allen bij de uitlegging der Schrift aan groote willekeur schuldig 4. Reeds het O. Test. doet zelf van de profetie eene betere verklaring aan de hand, dan het chiliasme ons biedt, en het N. Test. beschouwt zich als de geestelijke en dus waarachtige vervulling van het O. Test. 5. Maar niet alleen is het chiliasme met deze hoofdgedachte der Schrift in strijd, doch voorts, ook met vele andere gegevens, vooral met de doorloopende verwachting des N. T. aangaande het Joodsche volk 6, die door enkele plaatsen, vooral Rom. 11:11-32, niet weersproken wordt 7. Voorts verwacht het N. T. nergens een staat van heerlijkheid en eere voor de gemeente van Christus in deze bedeeling, maar veeleer toenemende vervolging en druk, waaraan eerst de eenige wederkomst van Christus een einde maakt 8. Wel is er in Op. 20 van eene duizendjarige binding van Satan sprake. Maar dit hoofdstuk bevat eigenlijk niets van al wat aan het chiliasme wezenlijk eigen is, evenmin als andere plaatsen der Schrift 9. En de gebeurtenissen, in Op. 20 verhaald, vallen niet chronologisch na die der vorige capita, maar loopen daarmede parallel. Zij bedoelen, het einde ons te schetsen van de cultuurlooze volken, gelijk de vorige hoofdstukken dat deden ten aanzien van die natiën, in wier midden het evangelie gepredikt is en dus de anti-christelijke macht zich ontwikkelen kan 10. Aan de wereldgeschiedenis maakt dus Christus, wien als Zoon des menschen het oordeel gegeven is, door zijn tweede komst een einde 11. De tijd dier wederkomst is in het N. T. niet bepaald, al nemen hare voorteekenen reeds met den val van Jeruzalem een aanvang. En even sober is de Schrift in de beschrijving van de wijze, waarop die wederkomst plaats heeft 12.
§ 56. _De Voleinding der eeuwen_ bl. 481-529. Met de wederkomst van Christus begint de Dag des Heeren, welks duur niet te bepalen is. De eerste gebeurtenis, die daarop plaats grijpt, is de opstanding der dooden 1, waarbij de identiteit van het opstandingslichaam met het gestorven lichaam bewaard blijft 2, 3. Dan volgt het gericht, dat over alle menschen en engelen en over al hun gedachten, woorden en daden zich uitstrekt 4. De plaats, waarheen de goddeloozen verwezen worden en eeuwige straffen lijden, is de gehenna. De eeuwigheid der helsche straf is wel menigmaal op allerlei gronden bestreden en beurtelings door de leer van het hypothetisch universalisme, van de wederherstelling aller dingen of van de conditioneele onsterfelijkheid vervangen 5. Maar zij is in de Schrift vervat, en door de natuur der zonde en de Goddelijke gerechtigheid geeischt, ofschoon zij zeer verschillende graden in hare toepassing niet uitsluit 6. Na het eindgericht volgt de vernieuwing der wereld, welke in geen vernietiging van hare substantie maar in eene herschepping van hare forma bestaat 7. Deze vernieuwing der wereld bewijst, dat de zaligheid niet uitsluitend als eene hemelsche maar ook als eene aardsche te denken is 8, en niet alleen geestelijke maar ook stoffelijke zegeningen omvat, welke beide hier wel aanvangen doch eerst in de eeuwigheid worden voltooid. De gemeenschap met God, die het wezen der toekomstige zaligheid is en met verstand en wil beide genoten wordt 9, wordt verhoogd door de gemeenschap der heiligen, wier getal, ook al omvat het niet alle menschen en al is er over de zaligheid van Heidenen en jongstervende kinderen weinig te zeggen, toch eene schare zal vormen, die niemand tellen kan 10, en die zelve allerlei verscheidenheid van persoonlijkheid, gaven, loon en werkzaamheid insluit 11.
REGISTER
van min of meer verklaarde Schriftuurplaatsen.
Gen. 1 II, 457v. Gen. 1:1-3 II, 397, 457v, 460, 469, 478. Volgens de restitutietheorie II, 473; III, 69. Gen. 1:26, 27 II, 508, 509, 512. Gen. 2:4{b}v. II, 490. Gen. 2:7 II, 536, 540. Gen. 2:17 III, 155, 176, 187. Gen. 3 III, 35v., 108, 191. Gen. 3:7v. III, 188. Gen. 3:9-13 III, 188v. Gen. 3:14, 15 III, 189, 213. Gen. 3:16 III, 189. Gen. 3:17-19 III, 190. Gen. 3:22-24 III, 190. Gen. 4:26 IV, 3. Gen. 6:2 II, 436. Gen. 9:1-7 II, 560. Gen. 14:18 IV, 337. Gen. 18 II, 231. Exod. 6:3 II, 109v. Deuteron. 32:8 II, 449. Joz. 10:12, 13 II, 465v. 1 Sam. 28 IV, 396v. 2 Kon. 20:9 II, 465v. Job III, 32. Job 33:23 II, 450. Job 38:7 II, 434. Ps. 2:7 II, 243. Ps. 51:7 III, 105. Ps. 73 III, 32. Ps. 104:4 II, 437. Spr. 8:22v. II, 242. Jes. 53 III, 363. Jes. 53:11 III, 531. Jes. 65:20 IV, 433. Ezech. 16:53-63 IV, 403v. Ezech. 38 en 39 IV, 462. Ezech. 40-48 IV, 431, 442v. Dan. 10:13, 20 II, 449. Dan. 12:3 III, 531. Hos. 6:7 II, 547. Mich. 5:1 II, 243 III, 231. Hab. 1:4 III, 17. Zach. 6:13 III, 203. Mal. 1:11 IV, 337.
Matth. 5:22 III, 99v. IV, 408. Matth. 7:12 III, 77. Matth. 10:23 IV, 477. Matth. 11:23 IV, 372. Matth. 12:31 III, 101 Matth. 12:32 IV, 409, 510. Matth. 16:18 IV, 4v., 71, 100v., 372. Matth. 16:19 IV, 135. Matth. 16:28 IV, 476. Matth. 18:10 II, 450. Matth. 18:15-17 IV, 4v., 172. Matth. 20:1-16 IV, 526. Matth. 20:28 III, 363. Matth. 22:30 II, 437. Matth. 23:37-39 IV, 450. Matth. 24 IV, 457, 477. Matth. 24:14 IV, 465. Matth. 24:29 IV, 477. Matth. 24:34 IV, 477. Matth. 26:39-42 III, 355. Matth. 26:64 IV, 476. Matth. 28:19 IV, 257, 258v., 270, 274. Mark. 10:45 III, 363. Luk. 13:33-35 IV, 450. Luk. 15:7 II, 450. Luk. 16:23 IV, 373. Luk. 21:24 IV, 450. Luk. 22:19 IV, 338. Luk. 22:32 IV, 100, 101v. Luk. 23:34 III, 400, Luk. 23:43 IV, 373. Joh. 1:1-18 III, 261. Joh. 3:5 IV, 295. Joh. 3:6 III, 105. Joh. 6 IV, 330, 346. Joh. 7:39 III, 430. Joh. 8:44 III, 39. Joh. 14:18-24 IV, 476. Joh. 14:28 II, 245. Joh. 21:15-17 IV, 100, 102. Handel. 2:39 IV, 287. Handel. 3:19-21 IV, 451. Handel. 6 IV, 79v. Handel. 11:30 IV, 80. Handel. 13:48 II, 316. Handel. 14:23 IV, 79. Handel. 15 IV, 180v. Handel. 19:1-7 IV, 256v., 258. Rom. 1:3, 4 III, 415. Rom. 2:12-16 III, 75. Rom. 3:25, 26 III, 312, 339, 533. Rom. 4:17 II, 399. Rom. 5:12-21 II, 547, III, 75, 109v. Rom. 7:7-26 III, 106v., 561. Rom. 8:30 III, 485. Rom. 9 II, 316v., 318. Rom. 11:11-32 IV, 452v. 1 Cor. 3:12-15 IV, 409. 1 Cor. 5:1v. IV, 173 1 Cor. 6:2, 4 IV, 494. 1 Cor. 6:11 III, 531. 1 Cor. 7:14 IV, 288. 1 Cor. 9:9 III, 18. 1 Cor. 10:2 IV, 258. 1 Cor. 10:15 I, 336. 1 Cor. 10:17 IV, 347. 1 Cor. 10:21 IV, 338. 1 Cor. 11:10 II, 437. 1 Cor. 11:30 IV, 346. 1 Cor. 15:20-28 IV, 467. 1 Cor. 15:21v. III, 109. 1 Cor. 15:29 IV, 349, 415. 1 Cor. 15:35-38 IV, 488. 1 Cor. 15:45-49 II, 545, III, 65v. 2 Cor. 3:17 III, 417. 2 Cor. 5:1-4 IV, 390. 2 Cor. 5:21 III, 366. Gal. 3:13 III, 366. Ef. 1:4 II, 380, 382. Ef. 1:10 II, 444, III, 406. Ef. 1:23 III, 417v. Ef. 2:3 III, 105. Ef. 4:9 III, 377. Ef. 4:11 IV, 76v. Ef. 4:24 II, 509. Ef. 5:26 IV, 275v. Fil. 2:5-11 III, 375, 412. Fil. 3:9 III, 536. Col. 1:15 II, 245. Col. 1:19, 20 II, 444, III, 406. Col. 2:11, 12 IV, 284. Col. 3:10 II, 509. 1 Thessal. 4:13-18 IV, 467. 2 Thessal. 2 IV, 463. 1 Tim. 2:4, volgens Augustinus II, 321, III 391; volgens de Semipelag. III, 391v. volg. de Schol. II, 323; III, 393, vgl. III, 398v. 1 Tim. 3:6 III, 39. 1 Tim. 3:15 IV, 167. 1 Tim. 5:17, 18 IV, 74, 78. 2 Tim. 3:16 I, 329v., 342. Tit. 3:5 III, 500. Tit. 3:7 III, 532. Tit. 3:10 IV, 174. Hebr. 1:3 II, 244. Hebr. 2:10 III, 412. Hebr. 2:17 III, 182. Hebr. 5:7 III, 355. Hebr. 5:9 III, 412. Hebr. 6:4-8 III, 103, 567. Hebr. 7:22 III, 204. Hebr. 10:25-29 III, 103, 567. Hebr. 11:3 II, 399. Hebr. 12:22-24 IV, 417. 1 Petr. 1:23 III, 500v. 1 Petr. 3:19-21 III, 377, 380, 422, IV, 404v. 1 Petr. 3:21 IV, 260. 1 Petr. 4:6 IV, 405. 2 Petr. 1:19-21 I, 345. 2 Petr. 2:18-22 III, 567. 1 Joh. 2:17 IV, 513. 1 Joh. 5:7 II, 239. 1 Joh. 5:16 III, 103. Jud. 6 III, 39. Openb. van Joh. IV, 460v. Openb. 1:20v. II, 450, IV, 78, 85, 97. Openb. 8:3 II, 450. Openb. 20 IV, 462v. Openb. 21 en 22 IV, 515v. Openb. 22:11 III, 532.
Register van Namen.
A.
Abaelard, Over de Schrift I, 311. Over de voldoening III, 317. Agobard van Lyon, Over de Inspiratie I, 311. Alcuinus, I, 79. Alexandrijnsche Theologen, Hun eigenaardigheid I, 59v. Alsted, Zijn Theol. naturalis I, 223. Alting, Jac. Over het lijden van Christus III, 350v, 352. Ambrosius, I, 71; over de erfzonde III, 119. Amesius, Over de Theologie III, 455. Amyraldus, I 122; II, 341; III, 454. Anselmus, Zijn methode in ’t alg. I, 82; zijn voldoeningsleer III, 317v., 349, 411. Apollinaris, Zijn christologie I, 63; III, 277. Apologeten, I, 55v., 423v., 445, 484; over de Heilige Schrift I, 307; over de Triniteit II, 250v., 405v. Apostolische vaders, Karakter hunner geschriften I, 52; over de Heilige Schrift I, 307; over de Triniteit II, 249; over den tusschentoestand IV, 375. Appelius, I, 126.
Aristoteles, Over de ἀρχαι I, 140; II, 29; over oorsprong en wezen der zonde III, 42.
Arius, Over de Triniteit II, 260v.; over de menschheid van Christus III, 277.
Arminius, Over de Praedestinatie II, 340; over den eisch van gehoorzaamheid na den val III, 220.
Athanasius, Zijn beteekenis voor de Theologie I, 62v., II, 256; Over den Heiligen Geest II, 289v.
Augustinus, Zijn indeeling der dogmatische stof I, 32v.; beteekenis voor de Theol. I, 72v., over de menschelijke kennis I, 165v., 168; over de ongenoegzaamheid der algemeene openb. I, 231; over de elementen van waarheid in het Heidendom I, 238; over de wonderen I, 291v.; over Kerk en Schrift I, 367, 368; over de noodzakelijkheid der Schrift I, 381; over de beteekenis v. h. geloof in algem. zin I, 470; over de onbegrijpelijkheid Gods II, 6; over ’s menschen kennis van de alg. noodzak, waarheden II, 33v.; over de essentia Dei II, 79, 80, 87, 175; over de deugden Gods II, 89, 92, 140; over de onveranderlijkheid Gods II, 120; over de alomtegenwoordigh. Gods II, 136; over de alwetendheid Gods in verband met ’s menschen vrijheid II, 162; over de ideeën in God II, 170, 407; over de schoonheid d. schepselen en de schoonheid Gods II, 193v., 421v.; over de almacht Gods II, 225; over de Triniteit II, 258v., 276, 291, 301v., 539; over de praedestinatie II, 320v., 334v., 358; over het getal der engelen II, 433; III, 407; over de kennis der engelen II, 439; over het paradijs II, 505; over den staat van Adam II, 549v.; over de permissio III, 56v.; over het privatief karakter der zonde III, 78v., 80; over de erfzonde III, 119v.; over het werk van Christus III, 316; over de particuliere voldoening III, 391; over de genade III, 436v., 443; over de volharding III, 565, 566; over de kerk I, 75; IV, 9v., 32, 262; over de Sacramenten IV, 218; over den Doop IV, 252; over den Kinderdoop IV, 262, 279v.; over het Avondmaal IV, 313v.
Augustinus Steuchus, over de alomtegenwoordigheid Gods II, 133; over de ligging van het paradijs II, 505.
Aureolus, Zijn Nominalisme I, 84.
B.
Baader, Franz von I, 95.
Bajus, I, 92.
Basilius, Over de verhouding van wezen en eigenschappen Gods II, 86; over het onderscheid der eigenschappen Gods II, 92.
Baudissin, over de heiligheid Gods II, 185.
Baumgarten, S. J. I, 101.
Baxter, Richard I, 118; III, 395.
Beck, Zijne Theologie I, 15, 108.
Bekker, Balthazar, over de engelen II, 425.
Bellarminus, Over de efficacia der roeping III, 497v., tegen de justitia imputata III, 538v.; over de ongeloovigen in Bellarminus, de kerk IV, 32v.; over de kenteekenen der kerk IV 39, 40v., 45v.
Berti, Over de gratia III, 441.
Biedermann, Zijn dogmatisch standpunt I, 107, 432.
Böhl, Over het beeld Gods II, 510.
Böhme, Over de Drieëenheid II, 266; over het werk van Christus III, 321.
Bonaventura, Zijn beteekenis voor de indeeling der dogmatische stof I, 34; over de H. Schrift I, 310v.; over de kennis van God en van de prima principia II, 34v.
Bonfrerius, Over de inspiratie I, 313.
Bonnet, Over de wonderen I, 292.
Boston, Thomas I, 128; III, 395.
Bourignon, Antoinette, Over het werk van Christus III, 321.
Bradwardina, I, 87.
Brahé, J. I, 126; III, 453.
Bretschneider, I, 102.
Briggs, Charles I, 139.
Bruining, Dr. A. I, 185.
Bull, George III, 454.
Bullinger, Zijn verschil van Calvijn I, 115.
Büsching, A. F. I, 15.
Bushnell, Horace, Over het werk van Christus III, 331.
Byzantijnsche Theologen I, 67v.
C.
Calixtus, Zijn indeeling van de dogmatische stof I, 40v.; zijn reactie tegen de scholast. behandeling der Dogm. en zijn syncretisme I, 100.
Calovius, Over het object der Theol. I, 7.
Calvijn, Zijn Institutie I, 38v.; zijn beteekenis voor de Geref. Dogmatiek I, 112v.; over de inspiratie I, 315v.; over het testimonium spir. sancti I, 490v.; over de nat. Godskennis II, 37; over de potentia absoluta Dei II, 226; over de praedestinatie II, 330v.; in betrekking tot het vraagstuk v. supra- en infralapsarisme II, 336v.; over het beeld Gods II, 531; over de erfzonde III, 125; over de heilsorde III, 448; over de kerk IV, 17v.; als vader v. d. presbyteriale kerkregeering IV, 129v.; zijn oordeel over afscheiding van de kerk IV, 48; over de kerkel. tucht IV, 155; over Kerk en Staat IV, 190v.; over de Sacramenten IV, 222, 228v.; over het H. Avondmaal IV, 319v., 330, 342v.; over den tusschentoestand IV, 380.
Camero, I, 122; III, 454.
Campbell, John M. Leod, Over het werk van Christus III, 330.
Canus, Over den laatsten grond v. h. geloof in de openb. I, 487.
Cappellus, I, 122, over den tusschentoestand IV, 380.
Cartesius, Over de aangeboren begrippen II, 30; over de creatio secunda II, 474; over het primaat v. d. wil in God II, 124; zijn Dualisme IV, 356.
Cassianus, Zie Semipelagianisme.
Celsus, Als bestrijder van het Christendom I, 53, 317v.
Chalcedon, Concilie van, over den persoon van Christus III, 241, 283.
Chemnitz, I, 99.
Chrismann, Over de inspiratie I, 313.
Cicero, Over de aangeboren begrippen II, 30; over Gods alwetendheid en ’s menschen vrijheid II, 161, 352.
Clemens Alexandrinus als dogmaticus I, 31, 60.
Coccejus, Zijn Theologie I, 41v., 121; III, 200v.; over de alomtegenwoordigheid Gods II, 134; over het beeld Gods II, 531.
Comrie, I, 126; over rechtvaardigmaking en geloof III, 453; over de vereeniging van Christus en de gemeente II, 339, 362; III, 260.
Crell, Over de alomtegenwoordigheid Gods II, 134.
Cremer, B. S. III, 453.
Cusanus, Over de kennisse Gods II, 9.
Cyprianus, Over de kerk van Rome in verhouding tot de andere IV, 88.
Cyrillus, Over de naturen van Christus III, 241, 283.
D.
Damascenus, Zijn Dogmatiek I, 32, 66.
Darby, J. Over de kerk IV, 22.
Darmesteter, J. Over de verhouding v. Parzisme en Judaisme II, 425.
Darwin, Over den oorspr. der religie I, 202; zijn evolutietheorie II, 492v.
Delitzsch, Franz, Over het tusschenlichaam na d. dood IV, 391.
Delitzsch, Friedrich, Over de ligging van het Paradijs II, 506.
Dionysius, Areopagita (Pseudo), Zijn geschriften I, 66; over de onbegrijpelijkheid Gods II, 7; over den oorsprong der wereld II, 389; over de hemelsche en kerkelijke hierarchie II, 432v.
Dippel, J. C. Over het werk van Christus III, 321.
Doedes, Zijn drieërlei Dogmatiek I, 11; zijn scheiding van gelooven en weten I, 451; zijn verdeeling v. d. eigenschappen Gods II, 89; over den Doop IV, 276.
Dorner, Over de onveranderlijkheid Gods II, 122v.; zijn christologie III, 252, 282.
Durand de St. Porciano, Zijn Nominalisme I, 84.
E.
Ebrard, Karakter zijner Dogmatiek I, 434.
Edwards, Jon. Sr. I. 137; over de erfzonde III, 127, 139; over de onmacht des menschen ten goede III, 150.
Edwards, Jon. Jr. I, 137.
Eerde, van Over het uitwendig verbond en de Sacramenten IV, 322.
Erasmus, Over de inspiratie I, 313.
Erastus, IV, 155.
Erigena, Joh. Scotus I, 79v.; over de onbegrijpelijkheid Gods II, 7, 400; over den oorsprong der wereld II, 389.
Ernesti, Over de ambten van Christus III, 326.
Erskine, Ralph en Ebenezer I, 128v.; III, 395.
Erskine, Thomas, Over het werk van Christus III, 330.
Eunomius, Over het wezen Gods II, 19, 86, 91, 141, 279.
Eutyches, Over de vereeniging van de naturen in Christus III, 283.
F.
Farrar, F. W. I, 134.
Feuerbach, I, 106; over de Godsidee II, 14.
Fichte, J. G. Over het Godsbegrip II, 13, 17, 82; over de zedelijke wereldorde II, 17, 59, 82; over de religio I, 191; over den persoon v. Christus III, 248.
Flacius, Over de erfzonde III, 125.
Frank, Zijn System der christlichen Gewissheit I, 434v., 439v.
Frohschammer, I, 95.
G.
Gomarus, Over de uitdrukking: unio sacramentalis IV, 235.
Gotti, Over het wezen Gods II, 81.
Gregorius, Magnus I, 77.
Gregorius v. Nyssa, Over de verhouding van wezen en eigenschappen Gods II, 86; over het onderscheid der eigenschappen Gods II, 92; zijn Realisme in de Trin. leer II, 271.
Grotius, Zijn voldoeningsleer III, 325, 358; over de verkiezing van kerkedienaren IV, 122.
Günther, I, 95; over de bewijsbaarheid der Trin. II, 306.
H.
Halesius, Alexander, Zijn methode in de Theol. I, 82v.; over het donum superadditum II, 518v.
Hamelius, Over de inspiratie I, 312.
Hamilton, William Over de kenbaarheid Gods II, 15.
Harnack, Zijn strijd met Zahn over de geschiedenis van den N. T. kanon I, 337; over de theologische dogmata I, 511, 513v.; over het Art. „ontvangen van den Heiligen Geest” III, 268v.
Hartmann, Ed. von, Over h. onbewuste II, 56v., 148, 156v.; over de heilsorde III, 459v.
Hase, I, 104.
Hatch, Edwin, Over de theolog. dogmata I, 135, 511v.
Hegel, Zijn wijsgeerig stelsel en invloed op de Theol. I, 106, 432, 436v.; over de religie I, 187v.; over de openbaring I, 266; zijn verdienste en fout I, 436v.; over de kenbaarheid Gods II, 14, 19; over de bewijzen voor Gods bestaan II, 52; zijn Godsbegrip II, 83, 267; over de geestel. natuur Gods II, 148; over den oorsprong der wereld II, 203, 391; III, 47; zijn dialectische methode en haar tripliciteit II, 300; over het Jodendom III, 202; over den persoon van Christus III, 249; symbolische opvatting van het werk van Christus III, 327; over de heilsorde III, 460, 468; over de Kerk IV, 20.
Helmholtz, Over de qualitatieve eigenschappen d. dingen I, 147v.
Herbert van Cherbury, I, 125.
Hermes, I, 94.
Herrmann, Over den grond van het geloof in den persoon van Christus I, 453v.
Hieronymus, I, 72; zijn beperking van Gods alwetendh. II, 160; III, 11.
Hilarius Pictaviensis I, 71.
Hodge, Ch. I, 138.
Hoekstra, Zijn aansluiting aan Kant I, 450.
Hofmann, Over de Dogmatiek I, 434.
Holden, Over de inspiratie I, 313.
Holtius, I, 126; III, 453.
Honert, J. van den, Over geloof en rechtvaardigmaking III, 454.
Hopkins, Sam. I, 137.
Huss, Joh. I, 87.
I.
Ignatius, Over het episcopaat IV, 84, 85.
Irenaeus, Zijn beteekenis voor de Theol. I, 57v.; over de Trin. II, 253v.; over de twee naturen in Christus III, 240; over het werk van Chr. III, 316; over de kerk van Rome in verhouding tot andere IV, 88; over den tusschentoestand IV, 376.
Isidorus, Hispalensis I, 33, 78.
J.
Jacobi, I, 104, 196; over de bewijzen voor Gods bestaan II, 52, 60.
Jansonius, Over het uitwendig verbond en de sacramenten IV, 322.
Joris, David, Zijn Triniteitsleer, II, 265.
Justinus, Martyr I, 56; over de Trin. en de Godheid van Christus II, 250v.; over de schepping uit niets II, 388; over het werk van Christus III, 315; over den tusschentoestand IV, 376.
K.
Kant, Zijn wijsgeerig stelsel en invloed op de Theologie der 19e eeuw I, 103v., 450v., 481; over de religie I, 12, 190v.; zijn postulaats-theorie I, 447v., 480v.; over de verschillende soorten van zekerheid I, 480v.; over de kenbaarheid Gods II, 12, 17; over de bewijzen voor Gods bestaan II, 51v.; over de Triniteit II, 267; over de intelligibele daad III, 70; over het radikale Böse III, 70, 153; over het Jodendom III, 202;
over den persoon van Christus III, 247v., 327; over de heilsorde III, 459; over de kerk IV, 20; over de onsterfelijkheid der ziel IV, 357.
Karg, (Parsimonius) Over de obed. activa III, 322, 350.
Karolingische theologen I, 79.
Keckermann, I, 41.
Kleman, Zijn orde des heils III, 454, 497.
Kleutgen, I, 97.
König, Over het karakter der profetische visioenen I, 255; over de werkzaamheid des Geestes in betrekking tot de openbaring I, 256.
Kuyper, A. Over de genade in den Doop IV, 269.
L.
Labadie, J. de, Over de Kerk IV, 21.
Leibniz, Over de wonderen I, 292; over de aangeboren begrippen II, 30v.; over deze wereld als de beste II, 213.
Leidenroth, Zijn afleiding van het woord religie I, 171.
Lessing, Over de Heilige Schrift I, 374, 382.
Lessius, Over de inspiratie I, 312.
Leydecker, Zijn indeeling der Dogm. I, 42.
Liguori, Alphonsus von I, 94.
Lipsius, Vergeleken met Ritschl I, 109; zijn theologisch standpunt I, 455v.; over de engelen II, 426.
Lombardus, Zijn Sententiae I, 33, 82.
Lugo, Over den grond van het geloof in de openbaring I, 488.