Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel
Part 68
§ 43. _De Heilsorde_ bl. 425-485. Terwijl in de heidensche godsdiensten de mensch zijn eigen zaligheid moet uitwerken, is het in de H. S. God zelf, die den mensch opzoekt, hem in den weg des verbonds uit genade zijne weldaden meedeelt en dan op grond daarvan hem tot eene nieuwe gehoorzaamheid verplicht 1. Als Jezus optreedt met het evangelie des koninkrijks, stelt Hij geen anderen eisch dan dien van geloof en bekeering, welke ook zelve weer genadegaven Gods zijn. Want Hij is het zelf, die door zijn dood al de goederen des koninkrijks voor de zijnen verwierf en ze nu van uit den hemel hun meedeelt door den H. Geest als werkmeester van het geloof en van een nieuw leven 2. Deze leer der genade werd in de christ. theologie reeds spoedig, vooral door Pelagius, ten bate van de wilsvrijheid, verzwakt 3, en kwam, niettegenstaande de krachtige verdediging van Augustinus en in weerwil van de handhaving der gratia praeveniens 4, ook in de Roomsche theologie, van wege de semipelagiaansche richting, welke zij meer en meer insloeg, niet tot haar recht 5. De Luthersche Reformatie kwam daartegen in verzet maar verviel toch spoedig weer tot het synergisme 6. Veel beter werd de leer der genade, ook in de toepassing des heils, door de Gereformeerden gehandhaafd 7, maar naast hen kwamen toch de richtingen van mysticisme en rationalisme, van antinomianisme en neonomianisme op, die de toepassing des heils met de verwerving vereenzelvigden of er haar geheel van losmaakten 8, 9, en ook in de nieuwe philosophie en theologie nog nawerken 10. De heilsorde echter, welke den weg aanwijst, waarlangs de zondaar in het bezit van Christus en zijne weldaden komt, loopt dan alleen zuiver, wanneer zij de beide gevaarlijke klippen van het nomisme en het antinomisme vermijdt 11, en op den grondslag der trinitarische belijdenis in de toepassing des heils een werk des H. Geestes ziet, dat van de verwerving door Christus wel onderscheiden maar niet gescheiden is, wijl de H. Geest alles uit Christus neemt 12. De weldaden, welke Christus verwierf en door den H. Geest toepast, kunnen alle saamgevat worden onder den naam van genade, maar deze wordt door de Reformatie gansch anders dan door Rome opgevat 13, en bevat vele bijzondere weldaden, die langzamerhand in de dogmatiek breeder werden uitgewerkt maar tot drie groepen te herleiden zijn 14.
§ 44. _Roeping en wedergeboorte_ bl. 485-511 vormen de eerste groep. Gelijk God de schepping tot stand brengt door Woord en Geest, zoo ook de herschepping. Hij roept in zekeren zin reeds door de natuur (vocatio realis), maar toch vooral door zijn woord (vocatis verbalis) 1, welke roeping algemeen, ernstig en van groote waarde is 2. Maar de vocatio verbalis zonder meer is niet voldoende en moet daarom op grond van de H. S. in eene externa en interna onderscheiden worden 3, en komt in laatstgemelden zin in het nauwste verband te staan met de wedergeboorte, welke in engeren zin de instorting van het beginsel des nieuwen levens is 4, en, zonder aan den mensch te kort te doen, het pelagianisme bij den wortel afsnijdt en de genade, ook in de toepassing des heils, onverzwakt handhaaft 5.
§ 45. _Geloof en rechtvaardigmaking_ bl. 511-552. De geestelijke mensch, die in de wedergeboorte wordt ingeplant, komt te zijner tijd door de verlichting des H. Geestes tot het geloof, dat, schoon eene gave Gods, geen den mensch vreemde substantie noch een bovennatuurlijk toevoegsel is maar hem, in overeenstemming met het nieuwe leven, aan het woord van Christus bindt 1. Want het draagt in de Schrift een dubbel karakter, het is een als waarheid aannemen van de apostolische getuigenis aangaande Christus en het is een persoonlijk vertrouwen op Christus als machtig, om de zonden te vergeven en alle weldaden der genade te schenken; en deze beide staan met elkander in onlosmakelijk verband 2. Ofschoon zij in leer en practijk dikwerf van elkander gescheiden worden, behooren zij steeds saam te gaan, wijl er eenerzijds geen gemeenschap aan Christus’ weldaden is dan na en door gemeenschap aan zijn persoon, en anderzijds deze gemeenschap niet anders tot stand komt dan door middel van de apostolische getuigenis 3. Van dat geloof is eene der heerlijkste vruchten de rechtvaardigmaking, welke naar de Schrift niet eene ethische, maar eene juridische daad is 4, haar grond heeft, niet in des menschen, in eene ἰδια δικαιοσυνη, maar in eene δικαιοσυνη θεου, welke in Christus geopenbaard is en gereed ligt, den mensch door God uit genade wordt toegerekend en zijnerzijds door het geloof wordt aangenomen 5. Wel wordt deze leer van de justitia imputata sterk bestreden, maar deze bestrijding komt grootendeels voort uit eene geheel verkeerde opvatting van de toerekening van Christus’ gerechtigheid 6. Deze rechtvaardigmaking geschiedt in zekeren zin in het besluit, in de opstanding van Christus, in de vocatio interna, maar heeft toch naar de doorgaande voorstelling der H. S. vooral plaats uit en door het geloof en staat juist als zoodanig tegen die uit de werken over 7. Zij omvat niet alleen de volkomen vergeving van alle zonden, van schuld en straf beide, hetgeen echter de dagelijksche belijdenis van schuld en bede om vergeving niet te niet doet, maar voorts de aanneming tot kinderen en de toekenning van het recht op het eeuwige leven 8.
§ 46. _Heiligmaking en volharding_ bl. 553-572. Op de rechtvaardigmaking volgt de heiligmaking, die er wezenlijk van onderscheiden is, maar er geen oogenblik van gescheiden mag worden, want Christus schenkt zichzelven aan de zijnen niet alleen objectief maar ook subjectief (unio mystica) 1. Deze heiligmaking is in de eerste plaats een werk Gods, bestaande niet alleen in uitwendige afzondering van de wereld maar ook in inwendige vernieuwing door den H. Geest, zonder dat deze daarom in eens of allengs in dit leven reeds hare voltooiing bereiken zou; maar voorts is zij ook een werk van de geloovigen, in zoover deze op grond van de ontvangen weldaden geroepen worden, zichzelven te heiligen en goede werken voort te brengen als vruchten van hun geloof 2. Evenzoo is de volharding der heiligen eene daad en eene gave Gods, maar die door de geloovigen zelven heen, in den weg der middelen, zich realiseert, en daarom hunne zelfwerkzaamheid niet uitsluit maar hun wel rijken troost en zekerheid biedt 3.
VIERDE DEEL.
HOOFDSTUK IX. OVER DE KERK.
§ 47. _Het wezen der kerk_ bl. 1-59. De gemeenschap dergenen, die Christus en zijne weldaden deelachtig zijn, draagt den naam van de kerk, die hare analogieën bij de heidensche godsdiensten vindt en in het O. Test. voorbereid werd 1, maar in eigenlijken zin toch eerst in de dagen des N. T. werd gesticht 2. Na den apostolischen tijd ontwikkelde zij zich spoedig tot een katholiek, zichtbaar, onfeilbaar, hierarchisch heilsinstituut 3, zoodat reformatie dringend noodig was. Luther, Zwingli en Calvijn brachten deze, ieder op eigene wijze tot stand 4, maar ter linker- en rechterzijde werd door rationalisme en mysticisme het kerkbegrip vervalscht, zoodat het ook thans nog, trots vele pogingen tot herstel, aan groote verwarring lijdt 5. De naam, dien de kerk draagt, duidt haar reeds aan als eene vergadering van Christgeloovigen, en de Schrift stelt dit op allerlei wijze, onder allerlei beelden, vooral ook door wat zij zegt aangaande de gemeenschap der heiligen, in het helderste licht 6. Als zoodanig kan zij in ruimer en enger zin genomen worden (ecclesia generalis, triumphans, militans, universalis, nationalis, particularis). Maar nooit sluit zij naar haar idee de ongeloovigen in, al zijn dezen ook op aarde steeds in de kerk aanwezig 7. Ook is zij niet als eene vergadering van praedestinati, perfecti, communicantes, vocati, baptizati te omschrijven, maar als eene vergadering van geloovigen, welke zoowel eene zichtbare als eene onzichtbare zijde heeft. Zichtbare en onzichtbare kerk zijn dus geen twee kerken, zijn niet aan den kring van ongeloovigen en geloovigen in de kerk, noch aan de kerk als instituut en als organisme gelijk, maar zijn twee zijden van dezelfde kerk 8. Kenteekenen der kerk zijn niet de 15 notae, welke Ballarminus opgeeft 9, maar het Woord Gods, dat in prediking, sacrament, belijdenis, leven bediend en beleden, en ten onrechte van Roomsche zijde verworpen wordt 10. Want al is met dit kenteeken de mogelijkheid van groote scheuring en verdeeldheid der kerken gegeven, ook Rome kan deze niet verhoeden, en de pluriformiteit der kerk sluit, hoe zondig en smartelijk eenerzijds ook, toch ter andere zijde een zegen in 11. Daarmede in overeenstemming hebben de eigenschappen der kerk, eenheid, heiligheid, katholiciteit, apostoliciteit, onvergankelijkheid en onfeilbaarheid bij ons een anderen zin dan bij Rome 12.
§ 48. _De regeering der kerk_ bl. 59-131. De kerk is zonder regeering niet denkbaar en heeft daarom ook altijd eene regeering gehad. Zij was altijd tegelijk instituut en organisme 1, zoowel in het O. als in het N. Test. Het apostolaat is vooral een sterk bewijs voor het institutair karakter der kerk; en bij dit ambt kwam nog dat van de evangelisten en profeten, terwijl Petrus onder de apostelen primus inter pares was 2, en later dat van regeer- en leerouderlingen en van diakenen 3. Deze aristocratisch-presbyterale kerkregeering ging na den apostolischen tijd spoedig over in eene monarchisch-episcopale, die nog in vele kerken heerscht, en bij Rome in eene papale kerkregeering, die in de onfeilbaarverklaring van den paus hare consequentie trok 4. Beide deze vormen van kerkregeering zijn echter met de leer der H. S. over de verhouding van clerus en leeken, over het episcopaat, over het apostolaat, over Petrus’ primaat, en voorts ook met de oudste getuigenissen der kerk in strijd 5. De oppositie tegen de Roomsche hierarchie bracht velen tot verwerping van alle regeering der kerk, maar ook dit weerspreekt de Schrift, die der kerk een eigen regeering toeschrijft. Vandaar dat de Gereformeerden deze hebben gehandhaafd in hare onderscheidenheid van de politieke macht 6. Immers is Christus het eenige hoofd der gemeente, zoowel van de plaatselijke als van alle kerken saam. Hij stort er zijne gaven in uit, zalft allen tot profeten, priesters en koningen 7, en stelt voorts verschillende ambten in, die niet het orgaan der gemeente zijn, maar hun gezag aan Christus ontleenen, en die in den weg van vocatie, examinatie en ordinatie verkregen worden 8. Deze ambten zijn in de kerk wel willekeurig vermeerderd en van karakter veranderd, maar zijn twee, resp. drie in getal (leer- en regeerouderlingen en diakenen).
§ 49. _De macht der kerk_ bl. 132-192. De kerk is, evenals de staat, eerst na de zonde ontstaan, en van den staat allengs duidelijker onderscheiden. Zelfs in Israel waren beide, schoon nauw vereenigd, niet één 1, en in het N. T. gaf Christus aan zijne kerk eene macht, die door haar geestelijk karakter van die der overheid wezenlijk verschilt 2. Deze geestelijke macht der kerk ontaardde echter bij Rome in eene juridische, dwingende macht, die in tegenstelling met het Cesareopapisme der Grieksche kerk, alle terreinen des levens, ook dat van den staat, aan zich onderwerpt en dienstbaar maakt 3, en in de plena et suprema potestas van den paus culmineert. Deze macht, bepaaldelijk de onfeilbaarheid van den paus, vindt echter niet alleen geen steun in de Schrift, maar is ook in zichzelve onbepaald, ongegrond, in strijd met het episcopaat en antichristelijk 4. De Reformatie verwierp daarom eenparig deze macht, maar ging weer uiteen, inzoover Luther en Calvijn anders oordeelden over de biecht, over presbyteraat en tucht, over de verhouding van de kerkelijke en de wereldlijke macht. De onderscheiding dezer beide laatste machten ging in de eeuwen na de Hervorming hoe langer hoe meer in eene, althans relatieve, scheiding over 5. Nu is het echter voor geen twijfel vatbaar, dat Christus aan zijne kerk eene macht heeft geschonken, die een eigen oorsprong, orgaan, natuur en doel heeft, en door Romanisme en Anabaptisme evenzeer wordt miskend. Deze macht der kerk is drieërlei 6, n.l. ten eerste potestas docendi, dat is, de macht, om het woord Gods te prediken, uit te leggen, te verdedigen, te belijden 7, ten tweede potestas gubernationis, dat is, de macht om de gemeente te regeeren 8 en de tucht uit te oefenen 9, en ten derde potestas misericordiae, dat is, de macht om barmhartigheid te bewijzen aan de ellendigen 10. Deze macht komt in de plaatselijke kerk saam in den kerkeraad en voor meerdere kerken in de meerdere vergaderingen, die reeds van oude dagteekening en voor den welstand der kerken noodig en goed zijn 11. Met deze macht staat de kerk in de wereld zelfstandig en vrij, maar haar dienende met de goederen, welke Christus haar schenkt 12.
HOOFDSTUK X. OVER DE MIDDELEN DER GENADE.
§ 50. _Het Woord_ bl. 193-215. Bij de uitdeeling zijner genade bedient Christus zich van middelen, die door mysticisme en rationalisme ten onrechte miskend, door Rome verkeerdelijk in absoluten zin opgevat, maar door de Hervorming, bepaaldelijk door Calvijn in hun rechte waarde hersteld werden 1. Tot deze genademiddelen behoort in de eerste plaats het woord Gods, dat ook buiten de ambtelijke bediening werkt 2, en als genademiddel in wet en evangelie te onderscheiden is 3. Deze onderscheiding is echter geen onverzoenlijke tegenstelling, gelijk het antinomisme leert, en evenmin eene wezenlijke identiteit, gelijk het nomisme wil, want beide verschillen principieel maar gaan toch in de prediking steeds samen 4. En evenzoo is het woord als genademiddel noch van de werking des Geestes te scheiden noch ook met deze te vereenzelvigen. De H. Geest werkt niet sine verbo noch per verbum maar cum verbo 5.
§ 51. _De Sacramenten_ bl. 215-252. Het tweede genademiddel is het sacrament. De naam komt in de Schrift niet voor, was eerst voor allerlei kerkelijke handelingen en plechtigheden gebruikelijk en werd eerst in de Middeleeuwen tot een zevental ceremoniën beperkt. Ook de leer der sacramenten werd eerst door de scholastiek uitgewerkt en vertoonde hoe langer hoe grootere afwijking van de Schrift 1. Rome toch verstaat onder de genade, door het sacrament medegedeeld, alleen de gratia sanctificans, en maakt het sacrament los van het woord en evenzoo van het geloof. De Hervorming verwierp deze dwalingen maar droeg toch in de personen van Luther, Zwingli en Calvijn eene verschillende opvatting voor, die de kerken verdeelde en, trots de verzwakking van de beteekenis der sacramenten door mysticisme en rationalisme, nog heden ten dage kerk en theologie uiteen doet gaan 2. Ofschoon de naam van sacrament in de Schrift niet voorkomt, is hij daarom nog niet te verwerpen. En ook is de behandeling van de algemeene leer der sacramenten vóór die van doop en avondmaal niet af te keuren, wijl daardoor het verschil in opvatting duidelijk aan het licht treedt en de dwaling gemakkelijk ingezien wordt. Volgens de Schrift zijn de sacramenten teekenen en zegelen van Gods genade en tevens belijdenisacten des geloofs 3. Als zichtbare teekenen en zegelen duiden zij aan en bevestigen zij de onzichtbare genade, door God in Christus geschonken dat is, _dezelfde_ genade, welke ook in het woord wordt aangeboden, zij het ook op andere wijze 4. Het verband tusschen teeken en beteekende zaak is niet physisch, corporeel, locaal, maar een verband van relatie, dat door het woord der instelling tot stand komt, en, schoon van geestelijken aard, toch niettemin objectief en reëel is 5. Daarom werken de sacramenten ook niet ex opere operato maar onderstellen bij den ontvanger het geloof, hetgeen aan hunne objectiviteit geen afbreuk doet en hunne waarde ongeschonden laat 5. Het getal der sacramenten bedraagt niet zeven, maar slechts twee, doch deze twee wegen in waarde tegen het zevental van Rome op 6.
§ 52. _De Doop_ bl. 252-299. In het O. T. door de besnijdenis voorbereid, werd de doop op Goddelijken last het eerst door Johannes aan de Joden bediend. Deze doop van Johannes verschilt niet wezenlijk van den christelijken doop, maar werd door Jezus overgenomen en vóór zijne hemelvaart tot alle volken uitgebreid, tot teeken en zegel van de vergeving der zonden en van de inlijving in Christus en zijne gemeente 2. Na den tijd der apostelen werd hij reeds spoedig met de trinitarische formule bediend, als een mysterium der inwijding opgevat, met allerlei ceremoniën omgeven en steeds meer magisch in zijne werking voorgesteld. Volgens Rome schenkt hij door de innige verbinding van teeken en beteekende zaak ex opere operato, behalve een character indelebilis, de heiligmakende genade, die van alle schuld, straf en smet der zonde bevrijdt 3. De Lutherschen leerden eene soortgelijke nauwe vereeniging van het water des doops met de Goddelijke genade, en lieten althans bij kinderen de wedergeboorte tot stand komen door den doop, maar de Gereformeerden hielden staande, dat de doop, als een sacrament, ook bij kinderen het geloof onderstelde en rustte op den grondslag van het genadeverbond. Maar dit verbond werd steeds meer veruitwendigd; en rationalisme en mysticisme miskenden de waarde van den doop zoozeer, dat in den nieuweren tijd verschillende pogingen tot handhaving van het objectief karakter van den doop beproefd zijn 4. De Schrift spreekt alleen van den doop van volwassenen, en leert duidelijk, dat hij alleen voor geloovigen ingesteld is en na belijdenis mag bediend worden. Het teeken in den doop is water, waarin de doopeling ondergedompeld of waarmede hij besprengd wordt 5. Dit water wordt tot een sacrament door het woord der instelling, dat in de Schrift niet als eene formule bedoeld maar toch in de kerk weldra zoo toegepast is, en tusschen teeken en beteekende zaak wel eene reëele maar geen physische en locale vereeniging tot stand brengt. De weldaden van den doop zijn in hoofdzaak vergeving en wedergeboorte 6. Tot hen die recht hebben op den doop, behooren ook de kinderen der geloovigen. Dit recht werd tegenover de bestrijders van den kinderdoop op verschillende wijze betoogd 7, en rust op vele schriftuurlijke gronden 8. Bedienaar van den doop is Christus, die daarbij van menschen, bepaaldelijk van de leeraars gebruik maakt; hem bedienen laat in de openbare vergadering der gemeente; op onbepaalde tijden; in geval van den kinderdoop, in tegenwoordigheid der ouders; aan alle personen, die nog gerekend kunnen worden te behooren binnen den kring des verbonds 9.
§ 53. _Het Avondmaal_ bl. 299-352. Het tweede sacrament is het avondmaal, dat in het O. T. door het pascha afgebeeld en voorbereid 1, en in het N. T. door Christus ingesteld werd, tot een teeken en zegel van de gemeenschap aan zijne offerande op het kruis 2. Dit avondmaal was spoedig het middelpunt van den christelijken cultus en werd allengs, vooral sedert de scholastiek, opgevat als eene onbloedige offerande van het lichaam en bloed van Christus, waaraan de communie ondergeschikt is 3. De Reformatie verwierp deze Roomsche leer wel eenparig, maar liep in de positieve uiteenzetting van de leer des avondmaals ver uiteen. Luther, Zwingli, Calvijn droegen elk een eigen opvatting voor, die, na hen gewijzigd en verlaten, toch tot den huidigen dag voortbestaan 4. De namen voor het avondmaal zijn zeer vele in aantal, maar de beste is die van heilig avondmaal of maaltijd des Heeren, wijl het een wezenlijke maaltijd is met Christus als gastheer, de leeraars als zijne dienaren, met brood on wijn tot spijze en drank, in den eersten tijd met een gewonen maaltijd verbonden, aan eene tafel en niet op een altaar te vieren 5. Maar deze maaltijd heeft een geestelijke beteekenis, is niet bloot een gedachtenismaal of een belijdenisacte, doch eene gemeenschapsoefening door het geloof met den gekruisten Christus. Wel is Christus niet physisch en locaal in de teekenen aanwezig, want trans- en consubstantiatie zijn beide om vele schriftuurlijke en natuurlijke redenen uitgesloten 6. Maar desniettemin is die gemeenschap met Christus in het avondmaal objectief en reëel, zoo echter, dat zij van de zijde des ontvangers het geloof onderstelt en juist daardoor als gemeenschap aan den persoon en aan de weldaden van Christus, versterkt wordt 7. Evenals de doop, is ook dit avondmaal alleen voor de gemeente ingesteld, en wel voor gedoopte on levende geloovigen, die belijdenis van hun geloof hebben afgelegd en niet door de kerk om leer en leven zijn geweerd 8.
HOOFDSTUK XI. OVER DE LAATSTE DINGEN.
§ 54. _De Tusschentoestand_ bl. 353-422. Alle godsdiensten bevatten eene zekere eschatologie en leeren bepaaldelijk de onsterfelijkheid der ziel; en de philosophie nam menigmaal dit laatste leerstuk over 1. De bewijzen, voor de onsterfelijkheid der ziel bijgebracht, hebben tegenover het ongeloof geen dwingende kracht maar zijn toch als getuigenissen en rechtvaardigingen des geloofs belangrijk 2. De Schrift bevat ook wel reeds in het O. T. de leer der onsterfelijkheid, gelijk hare voorstelling van den Scheol duidelijk bewijst, maar zij voegt daaraan de veel rijkere openbaring toe, dat het waarachtige leven alleen verkregen en genoten wordt in de gemeenschap met God, die over dood en graf triumpheert 3. De latere Joodsche literatuur liet aan deze openbaring geen recht wedervaren, maar het N. Test. doet nog beter dan het O. Test. uitkomen, dat de dood eene straf der zonde is, dat de geloovigen door Christus een leven deelachtig worden, hetwelk verre boven den dood is verheven, en dat zij, ofschoon na het sterven in zekeren zin tot het doodenrijk behoorend, toch terstond in een anderen toestand intreden dan de ongeloovigen 4. De christelijke kerk bleef eerst bij deze weinige gegevens der Schrift over den tusschentoestand staan, maar wijdde er meer aandacht aan, naarmate de wederkomst van Christus toefde, en kwam allengs tot het aannemen van vijf receptacula aan de overzijde des grafs, onder welke vooral het vagevuur voor den tusschentoestand van beteekenis is 5. De Reformatie verwierp deze leer, maar zag spoedig allerlei meeningen over den tusschentoestand opkomen, zooals die van een voorloopigen toestand, van een purgatorium, van een zieleslaap, van eene zekere lichamelijkheid der zielen, van zielsverhuizing en voortgaande loutering, van limbus patrum, limbus infantum en mogelijke bekeering na den dood 6. De Schrift bevat weinig over den tusschentoestand, omdat zij, schoon de onsterfelijkheid der ziel aannemende, vooral het nieuwe leven wil doen kennen, dat Christus aan het licht heeft gebracht en zonder hetwelk het menschelijk leven hier reeds op aarde en vooral hiernamaals in den Scheol zijn inhoud en waarde verliest 7. De leemten, welke de Schrift in onze voorstelling van den tusschentoestand openlaat, mogen niet aangevuld worden met menschelijke gissingen, zooals de zieleslaap 8, de lichamelijkheid der zielen na den dood 9, het blijvend verkeer der dooden met de levenden, dat dan misoffer, voorbede, heiligenvereering, doodenbezwering en reliquiëncultus medebrengt, 10. Van de plaats van den tusschentoestand is weinig te zeggen, maar zeker is, dat er terstond bij den dood een verschillende toestand intreedt voor geloovigen en ongeloovigen, waarin geen verandering door bekeering, gelijk velen thans meenen, meer mogelijk is 11. Ook is de toestand der gestorven geloovigen niet als een vagevuur te denken, want zij komen naar de leer der Schrift terstond na den dood in den hemel bij Christus. Ofschoon er dus van eene vereering der heiligen en van eene voorbede voor de afgestorvenen geen sprake kan zijn 12, blijft er toch eene gemeenschap der triumfeerende met de strijdende kerk bestaan. Ook de zaligen in den hemel zijn niet zonder ons volmaakt; zij zien verlangend uit naar de parousie van Christus, en zijn ook niet boven alle ruimte, tijd en werkzaamheid verheven 13.