Gedenkschriften van den heer Yellowplush

Part 11

Chapter 113,936 wordsPublic domain

De jufvrouw, zonder een enkel woord te zeggen, wierp zich in zijne armen, gaf, zoo als gewoonlijk, den vrijen loop aan hare tranen, en hem den brief van zijn zoon in handen gevende, riep zij uit:

„Ziedaar, waarde Lord Crabs, op welk een edele wijze uw Algernon, onze Algernon, mij schrijft! Wie zou nu nog de zuiverheid, de onbaatzuchtigheid van zijne onvergelijkelijke liefde kunnen betwijfelen?”

Lord Crabs nam den brief, las hem door, scheen zich zeer daarmede te vermaken, en hem terug gevende aan haar, aan wie hij gerigt was, zeide hij, tot mijne groote verwondering:

„Mijne waarde jufvrouw Griffin, zeker schijnt het hem volkomen ernst te zijn, maar zoo gij dit huwelijk, zonder de toestemming uwer stiefmoeder, verkiest aan te gaan, gij kent de gevolgen, en kunt naar uw eigen goeddunken handelen.”

„De gevolgen kennen! Foei, Mylord! Een weinig geld meer of minder, wat is dat voor twee zulke harten als de onze?”

„Harten zijn wel aardige dingen, mijne schoone jonge dame, maar drie per cents zijn nog aardiger.”

„Ja, maar hebben wij niet een ruim inkomen van ons zelven, zonder de hulp van Lady Griffin?”

Lord Crabs haalde de schouders op.

„Het zij zoo, mijne waarde,” zeide hij, „natuurlijk kan ik geene reden hebben, om eene verbindtenis tegen te werken, die op zoo onbaatzuchtige liefde steunt.”

Hiermede eindigde het gesprek: mejufvrouw Griffin verliet ons, de handen ineen slaande, en het wit van de oogen vertoonende.

Lord Crabs begon in de kamer op en neêr te draven, met de vette handen in de broekzakken, terwijl zijn gelaat van buitengewone vreugde straalde en hij tot mijne verbazing zong:

Zie, de overwinnaar nadert!

Tol-de-rol-doll–tol-de-rol-doll!

Hij ging voort met zingen en, als of hij bezeten was, in de kamer heen en weêr te loopen. Ik stond versteend – daar was plotseling een licht voor mij opgegaan. – Hij was niet verliefd op jufvrouw Griffin! Hij wilde wel, dat mijnheer met haar trouwde! Had zij dan niet het vermo–?

Ik stond als versteend – met starenden blik, verstijfde handen en gapenden mond; verrassende gedachten overstelpten mijne ziel, en Mylord was aan het laatste „doll!” van zijn lied gekomen, op hetzelfde oogenblik, dat ik tot aan de lettergrepen „vermo-” van mijne buik- of alleenspraak kwam – toen wij beiden, de beschrevene punten bereikt hebbende, in onze overdenkingen plotseling daardoor gestoord werden, dat Mylord, te midden van zijn zingen en draven, met zoo veel geweld tegen mij aan liep, dat ik naar het eene einde van de kamer terug vloog, en hij in de tegenovergestelde rigting achteruit deinsde: het was eerst, na met groote moeite onze wederzijdsche ontroering overwonnen te hebben, dat wij weder in evenwigt kwamen.

„Hoe – gij hier, vervl..... schelm?” riep Mylord uit.

„Het is zeer vriendelijk van u, Mylord, eenige notitie van mij te willen nemen,” zeide ik, „ja – hier ben ik?” en ik wierp hem een veel beteekenenden blik toe.

Hij zag, dat ik het geheele spel had begrepen.

Nadat hij een tijdlang gefloten had, gelijk zijne gewoonte was, als hij verlegen werd (ik geloof waarachtig, dat hij niets anders gedaan zou hebben dan fluiten, als hij over vijf minuten had moeten opgeknoopt worden) – nadat hij alzoo een tijdlang gefloten had, hield hij plotseling stil en, mij naderende, zeide hij:

„Hoor eens, Karel, dit huwelijk moet morgen voltrokken worden!”

„Zoo, Mylord,” zeide ik, „ik, voor mij, geloof niet –”

„Wacht eens eventjes, vriendje: als het niet voltrokken wordt, wat wint gij er bij?”

Dit deed mij aarzelen – indien het niet plaats had, verloor ik maar mijne dienst, want mijnheer had niet meer geld, dan noodig was, om zijne schulden te betalen, en het zou niet met mijne bedoelingen overeengekomen zijn, hem in de gevangenis of in ellende te bedienen.

„Goed!” vervolgde Lord Crabs: „gij vat de kracht van mijne gronden. Zie nu eens hier –” en hij bragt eene zuivere, splinternieuwe banknoot te voorschijn van honderd pond: „indien mijn zoon en mejufvrouw Griffin morgen met elkander trouwen, zult gij dit hebben; daarenboven zal ik u in mijne dienst nemen en uw tegenwoordig loon verdubbelen.”

Vleesch en bloed waren tegen zóó iets niet bestand.

„Mylord,” zeide ik, de hand op het hart leggende, „geef mij maar securiteit, en ik ben eeuwig de uwe!”

De oude edelman grinnikte en klopte mij op den schouder.

„Goed zoo, mijn jongen!” zeide hij, „goed zoo – gij zijt een veelbelovend jong mensch. Hier hebt gij de beste securiteit, die ik u geven kan;” en hij trok zijn portefeuille uit den zak, legde de honderd pond banknoot er in, en nam eene van vijftig er uit: „Daar hebt gij heden de helft – morgen zult hij het overige hebben!”

Mijne vingers beefden, toen ik het kostbare, mooije stukje papier ontving, dat ongeveer vijfmaal zoo veel geld waard was, als ik ooit van mijn leven in handen had gehad. Ik wierp een blik op het bedrag: vijftig pond, waarachtig – een Bank-post-bill, betaalbaar aan Eleonora Emilia Griffin, en door haar onderteekend.

De kat was uit den zak. Ik veronderstel, dat de aandachtige Lezer nu het spel begrijpt.

„Herinner u, dat gij van dit oogenblik in mijne dienst zijt!”

„Mylord, ik ga gebukt onder uwe weldaden!”

„Loop naar den d....., vriend!” zeide hij, „doe uw pligt en zwijg!”

Op deze wijze ging ik over, uit de dienst van den hoog welgeboren heer Deuceace, in die van Zijne Exec. den hooggeboren heer graaf van Crabs.

Toen ik in de gevangenis terug kwam, vond ik Deuceace in die akelige plaats opgesloten, waarheen hij door zijne verkwisting, naar verdienste, werd gebragt, en ik moet bekennen, ik gevoelde jegens hem de grootste minachting. Een booswicht van zijne soort, een opligter, die den armen Dawkins van de middelen van bestaan beroofd had, die zijn medepligtige, den heer Richard Blewitt, had bedrogen, en die nu op het punt was, uit eigenbelang een huwelijk aan te gaan met zoo een walgelijk schepsel als Matilda Griffin, alleen uit geldzucht, verdiende geen medelijden van mijnen kant, en ik besloot, alle omstandigheden, die op mijne geheime afspraak met mijn tegenwoordigen meester betrekking hadden, geheim te houden.

Ik overhandigde hem den brief van mejufvrouw Matilda, dien hij met een vergenoegden blik doorlas, en zich tot mij wendende, zeide hij:

„Gij gaaft mijn brief aan mejufvrouw Griffin, toen zij alleen was?”

„Ja, mijnheer.”

„En gij bragt haar daarbij mijne boodschap over?”

„Ja wel, mijnheer.”

„En gij weet zeker, dat Lord Crabs er niet bij was, toen gij den brief en de boodschap aan haar overbragt?”

„Hij was er niet, op mijn woord van eer!” zeide ik.

„De drommel haal uw woord van eer! Borstel mijn hoed en jas, en ga een rijtuig bestellen, verstaat gij?”

Ik deed gelijk mij bevolen werd, en toen ik terug kwam, vond ik mijnheer in hetgeen men de greffe noemt van de gevangenis. De ambtenaar, die tegenwoordig was, haalde een groot register te voorschijn, en praatte met mijnheer in de Fransche taal; eene menigte arme gevangenen waren nieuwsgierige toeschouwers.

„Laat ons zien, Milor,” zeide hij, „de schuld is acht en negentig duizend zeven honderd francs; voor de arrestatie en de onkosten: zóó veel – zoodat de geheele som beloopt honderd duizend francs – min dertien.”

Deuceace haalde met de meeste deftigheid uit zijn portefeuille: vier banknoten, elk van duizend pond.

„Dit is geen Fransch geld,” zeide hij, „maar ik veronderstel, dat gij het toch kent, mijnheer de Griffier.”

De Griffier keerde zich om tot den ouden Salomon, een wisselaar, die een paar kalanten in de gevangenis had en zich toevallig daar bevond.

„Les billets sont bons,” zeide hij, „moi je les prendrai pour cent mille douze cent francs, et j’espère, milor, vous revoir.”

„Best,” zeide de Griffier, „nu weet ik, dat ze goed zijn, en ik zal Milor teruggeven, wat hem toekomt, en hem eene kwitantie ter hand stellen.”

Dit gebeurde, en de arme gevangenen uitten een flaauwen vreugdekreet, toen de groote, dubbele, ijzeren deuren opengedaan en weder digt geslagen werden, terwijl Deuceace er uit stapte en ik hem volgde, regt verheugd weder versche lucht te scheppen.

Hij was maar zes uren in die plaats geweest, en nu was hij weder vrij, en op het punt, om den volgenden dag met tien duizend pond ’s jaars te trouwen – niettegenstaande dit, zag hij er zeer zwakjes en bleek uit. Hij hàd nu den grooten inzet gewaagd, en toen hij uit de gevangenis van Sainte Pélagie kwam, had hij niet meer dan vijftig pond in de wereld over!

Maar dat hielp niets – het geld stond nu op het spel – en moed geschept! Zoo dacht ook Deuceace. Hij reed terug naar het hôtel Mirabeau, waar hij eene veel prachtiger woning dan te voren bestelde, en ik vertelde weldra aan Toinette en aan de overige dienstboden, hoe edel bij zich gedragen had, en hoe hij niet meer om vier duizend pond gaf, dan om zoo vele droppels water. Mijne loftuitingen en de daaruit gevolgde eerbied, welken men ons bewees, waren oorzaak, dat de verrukte eigenares van het hôtel mijnheer nog eens zoo veel voor alles deed betalen, dan zij zonder mijne vertelseltjes gedaan zou hebben.

Hij bestelde alzoo prachtige kamers, tegen de volgende week, een rijtuig met vier paarden, om den volgenden dag naar Fontainebleau te rijden – met het slaan van twaalf uur – en deze zaken beschikt hebbende, ging hij bedaard eten in de Rocher de Cancale, waartoe het wel tijd was, daar het al acht uur geslagen was.

Ik zelf spaarde ook dien avond den Champagne niet, dat moet ik bekennen, want toen ik later mijnheers briefje aan jufvrouw Matilda overbragt, in hetwelk hij haar zijne bevrijding mededeelde, en de jufvrouw mijn stamelende stem en onzekeren tred opmerkte, zeide zij:

„Eerlijke Karel! hij is ontroerd, door hetgeen heden gebeurd is – daar, Karel, hebt gij een Louis d’or, om op de gezondheid uwer aanstaande meesteres te drinken.”

Ik stak het op, maar ik moet zeggen, dat het geld mij niet toelachte – het was strijdig met mijn geweten, om het in den zak te steken.

ELFDE HOOFDSTUK.

HET HUWELIJK.

De volgende dag verscheen: om twaalf uur wachtte het rijtuig, met vier paarden bespannen, aan de deur van de ambassade, en mejufvrouw Griffin en de getrouwe Kicksey waren stipt op den bepaalden tijd aanwezig.

Ik zal de huwelijksplegtigheid niet beschrijven – hoe de kapellaan van de ambassade de handen van dit beminnend paar vereenigde – hoe een der dienstboden binnen geroepen werd, om tot getuige te dienen – hoe de bruid weende en flaauw viel, zoo als het behoorde – en hoe Deuceace haar in onmagtigen toestand in het rijtuig bragt en naar Fontainebleau reed, waar zij de eerste acht dagen van de wittebroodsweken zouden doorbrengen.

Zij namen geene dienstboden mede, omdat zij zoo stil mogelijk wenschten te blijven.

Alzoo – toen ik het portier toegedaan en aan den postillon gezegd had, dat hij oprijden kon, nam ik afscheid van den heer Deuceace en begaf mij regtstreeks bij zijn zeer achtingswaardigen vader.

„Is alles afgeloopen, Karel?” vroeg hij.

„Ik zag hen kwart over twaalf trouwen, Mylord,” zeide ik.

„Hebt gij aan jufvrouw Griffin het papier gegeven, dat ik u beval, haar vóór het trouwen te overhandigen?”

„Ja wel, Mylord, ik deed het in tegenwoordigheid van den heer Brown, den knecht van Lord Bobtail, die bij eede kan verklaren, dat zij het in handen heeft gehad.”

Ik heb tot nu toe vergeten te zeggen, dat Lord Crabs mij een papiertje had doen lezen, dat door Lady Griffin geschreven was, en dat mij bevolen werd, op bovengemeld tijdstip te bezorgen. Het luidde aldus:

„Krachtens de magt, mij door den uitersten wil van mijn overledenen, dierbaren echtgenoot gegeven, verbied ik het huwelijk van mejufvrouw Griffin met den heer Algernon Percy Deuceace. Zoo me-. jufvrouw Griffin op het huwelijk blijft staan, moge zij zelve de gevolgen verantwoorden.

„Rue de Rivoli, den 8 Mei 1818.

Eleonora Emilia Griffin.”

Toen ik dit briefje aan jufvrouw Griffin overhandigde, op het oogenblik dat zij uit het rijtuig stapte, eene minuut of wat voor de komst van mijnheer, las zij het vlugtig door, en zeide: „Ik lach om de bedreigingen van Lady Griffin!” Daarop scheurde zij het papiertje midden door, en ging verder, op den arm leunende van de getrouwe en gedienstige jufvrouw Kicksey.

Ik raapte het papier op, uit vrees voor ongelukken, en bragt het aan Mylord. Dat was echter niet noodig geweest, want hij had er een afschrift van gemaakt, en aan mij en een ander getuige (de zaakwaarnemer van Lady Griffin) liet hij beiden lezen, voor hij ze uit handen gaf.

„Best!” zeide hij daarop en haalde uit zijn portefeuille eene even schoone banknooot van vijftig pond te voorschijn, als hij mij den vorigen dag had gegeven: „ik houd mijn belofte, Karel! zoo als gij ziet, gij zijt nu in dienst van Lady Griffin, in plaats van den heer Fitzclarence, die ontslagen is. Ga bij den kleêrmaker en bestel eene nieuwe liverei.”

„Maar, Mylord,” viel ik hem in de rede, „dat is niet volgens de afspraak; ik moest niet in de dienst van Lady Griffin treden, maar bij –”

„Het komt op hetzelfde neêr!” zeide hij, zich omkeerende.

Ik ging bij den heer Frojé en bestelde eene nieuwe liverei, en ik ontdekte, dat onze koetsier en de heer Mortimer ook bij hem geweest waren.

De liverei van Lady Griffin was veranderd, en was van dezelfde kleur als mijn rok, toen ik bij den heer Deuceace diende, en op de knoopen was eene verbazend groote grafelijke kroon, in plaats van het wapen der Griffins, gelijk vroeger het geval geweest was.

Niettegenstaande dit alles, deed ik geene onbescheidene vragen, maar ik liet mij de maat nemen, en ging dien nacht slapen in de Place Vendôme. Met het rijtuig ging ik evenwel, gedurende eenige dagen niet uit, daar Lady Griffin slechts één knecht medenam, in afwachting, zeide zij, dat haar nieuw rijtuig klaar zou zijn.

Men zal nu wel kunnen gissen, wat er moest gebeuren.

Ik kocht voor mijzelven eene cassette met toiletbehoeften voorzien, een kistje Eau de Cologne, eenige dozijnen fijne linnen overhemden en witte dassen, en andere benoodigheden van een man van mijn stand. Zijden kousen werden ons met de liverei gegeven. Ik eindigde, met den volgenden, beleefden brief aan mijn vroegeren meester te schrijven:

„De weledel geboren heer Karel Yellowplush aan den hoogwelgeboren heer Deuceace.”

„Mijnheer! Omstandigheden hebben plaats gehad, sedert ik de eer had in uwe dienst te zijn, die het mij onmogelijk maken, langer bij u te blijven. Daarom zoudt gij mij verpligten door mijn linnengoed ter zijde te leggen, als het Zaturdag van de wasch te huis komt.”

„Place Vendôme.

Uw dienstwillige dienaar

Karel Yellowplush.”

Ik moet bekennen, dat de stijl van dit briefje niet overheerlijk is – maar que voulez vous? Ik was toen slechts achttien jaren oud, en had niet die ondervinding in het stellen verkregen, welke ik nu bezit.

Mijn pligt op deze wijze jegens iedereen vervuld hebbende, zal ik in het volgende hoofdstuk voortgaan, met te vertellen wat in mijne nieuwe dienst gebeurde.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DE WITTEBROODSWEKEN.

De week te Fontainebleau was spoedig ten einde, en met den laatsten dag er van keerden onze schoonzoon en dochter – een aardig paar tortelduifjes – naar hun nest in de Rue Mirabeau terug. Ik veronderstel dat het mannetje al lang berouw had over zijn koopje.

Het eerste, dat zij op tafel vonden, was een groot pak in mooi papier gerold, en eene courant er bij, en twee kaartjes met een wit satijn lintje aan elkander verbonden. Het pakje bevatte een groot stuk koek, met suiker bedekt [9]. Op het eene kaartje was gedrukt met eene gothische letter:

Graaf van Crabs.

op het andere, in zeer klein kursief schrift:

Gravin van Crabs.

In de courant was het volgende te lezen:

„Huwelijk in de groote wereld. – Gisteren, aan de Britsche ambassade, werden vereenigd de hooggeboren heer John Augustus Altamont Plantagenet, graaf van Crabs, met Eleonora Emilia, weduwe van wijlen den luitenant-generaal Sir George Griffin, ridder van de Bath-orde, enz. enz. Een prachtig déjeuné werd aan het gelukkige paar gegeven door Zijne Excellentie Lord Bobtail, die de bruid tot aan het altaar vergezelde. De élite van de buitenlandsche diplomatie, de prins Talleyrand en de maarschalk hertog van Dalmatië, van wege Z. M. den koning der Franschen, vereerden de feestelijkheden met hunne tegenwoordigheid.

„Lord en Lady Crabs zullen eenige weken te St. Cloud doorbrengen.”

De bovenstaande stukken en mijn brief begroetten mijnheer en mevrouw Deuceace bij hunne terugkomst van Fontainebleau.

Daar ik niet aanwezig was, kan ik natuurlijk niet zeggen, hoe zich Deuceace daarover uitliet, maar ik kan mij zijne verbazing en die der arme Matilda zeer goed voorstellen. Zij hadden geen groote behoefte om uit te rusten na de vermoeijenissen van de reis, want een half uur na hunne aankomst te Parijs, werden de paarden weder voor het rijtuig gebragt, en zij kwamen aanhollen, zoo hard zij maar konden, naar ons buiten te St. Cloud, om onze kuische liefde en ons huwelijksgenot te stooren.

Mylord lag in een rood satijnen robe de chambre gedost, zeer op zijn gemak, op een sofa uitgestrekt, zoo als gewoonlijk met eene sigaar in den mond. Mylady, die niets om de tabakslucht gaf, zat aan het andere einde van de kamer, bezig met een paar pantoffels, of een overtrek voor een paraplui, of voor een turfmandje, of eene diergelijke zotternij, in wol te borduren. Als men dit paar toen gezien had, zou men zich verbeeld hebben, dat zij minstens eene eeuw lang getrouwd waren geweest.

Dit huisselijk tête à tête werd door mij gestoord, daar ik zeer ontsteld binnen trad en uitriep:

„Mylord, daar komen uw zoon en uwe schoondochter aan!”

„Nu – en wat dan?” zeide Lord Crabs, met de meeste bedaardheid.

„Mijnheer Deuceace hier!” riep Mylady uit, zeer ontsteld.

„Ja wel, lieve, mijn zoon komt; maar gij behoeft niet te ontstellen. – Karel, wees zoo goed en zeg, dat Lady Crabs en ik zeer verblijd zullen zijn, mijnheer en mevrouw Deuceace te ontvangen, en dat zij het ons niet moeten euvel duiden, dat wij ze maar zoo en famille afwachten. – Blijf maar zitten, lieve vrouw – men moet zulke zaken met koelbloedigheid behandelen.”

Mylady wees met den vinger op eene groote verlakte kist; dezelfde waaruit zij de papieren had genomen, toen zij ze aan Deuceace het eerst had laten zien, en gaf den fraaijen gouden sleutel er van aan Mylord. Ik ging naar buiten, ontmoette Deuceace en zijne vrouw op de stoep, bragt mijne boodschap over, en geleidde hen, met de meeste hoffelijkheid, naar binnen.

Lord Crabs stond niet op, maar rookte voort (misschien een weinig harder dan anders), Mylady zat regt op haren stoel en zag er jeugdig en bekoorlijk uit. Deuceace trad in de kamer – den linker arm in eene bandage, aan den regter arm zijne vrouw, en zijn hoed in de hand. Hij zag zeer bleek en scheen verstoord te zijn; zijne echtgenoote, arm schepseltje! verborg het gezigt achter den zakdoek, en snikte als of haar hart gebroken was.

Jufvrouw Kicksey, die in de kamer was (van haar had ik niet gesproken; in ons huis telde men haar minder dan niets), ging dadelijk naar mevrouw Deuceace toe en strekte de armen uit – zij had wel een hart die oude Kicksey, en ik heb haar daarom lief. Het arme bogcheltje wierp zich in hare armen, met eene soort van gil, en bleef een tijd lang, weenende en snikkende, als of zij het op de zenuwen kreeg.

Ik begreep, dat er een tooneel plaats zou hebben, en liet daarom de deur van de kamer even open.

„Welkom te St. Cloud, Algernon mijn jongen!” zeide Mylord, met harde, hartelijke stem. „Gij dacht, dat gij ons gefopt hadt, – niet waar, schelm, die gij zijt? Maar wij wisten van alles, beste jongen, wij kenden de geheele zaak – niet waar, vrouwtjelief? En, zoo als gij ziet, wij wisten ons geheim beter te bewaren, dan gij het uwe.”

„Ik moet bekennen,” zeide Deuceace buigende, „dat ik mij het geluk niet voorstelde, dat mij in de gestalte van eene schoonmoeder heeft verrast.”

„Neen, mijn jongen, neen – neen!” zeide Lord Crabs lagchende: „oude vogels kan men niet, zoo als de jonge, met lijm vangen. – En zoo zijn wij dan nu eindelijk allen getrouwd, en gelukkig ook. – Ga zitten, Algernon, laat ons eene sigaar opsteken, en praten over de gevaren en avonturen, die de vorige maand heeft opgeleverd. Kom, liefste,” ging Mylord voort, zich tot zijne echtgenoote wendende, „gij zijt, hoop ik, niet meer boos op den armen Algernon? Geef hem toch de hand!” voegde hij er grinnikende bij.

Lady Crabs evenwel stond op en zeide: „Ik heb reeds aan den heer Deuceace verklaard, dat ik wenschte hem nooit weder te zien of te spreken; ik zie nu geene reden, om van meening te veranderen.”

Met deze woorden zeilde zij deftig uit de kamer, door de deur, welke jufvrouw Kicksey open had gelaten, toen zij de arme mevrouw Deuceace in hare armen naar buiten bragt.

„Nu, nu,” zeide Mylord, toen Lady Crabs de kamer verliet, „ik hoopte, dat zij u vergeven had; maar ik ken nu de geheele geschiedenis, en wáár is het, gij hebt haar wreed behandeld. Twee vogeltjes onder hetzelfde net: dat was uw spel, niet waar, schelm?”

„Meent gij, Mylord, dat gij alles weet, wat tusschen mij en Lady Griffin – ik bedoel Lady Crabs – gebeurd is – voor onze – onze oneenigheid?”

„O ja – alles! Gij hebt haar het hof gemaakt, en zij was bijna op u verliefd – gij hebt haar, om het geld, in den steek gelaten – en uit wraak zocht zij iemand, om u de hand af te schieten. – Dat is gek voor het dobbelspel, Deuceace, geen sauter la coupe nu meer. – Ik begrijp waarachtig niet, hoe gij zonder de dobbelsteenen zult kunnen leven.”

„Dat is wel vriendelijk van u, Mylord,” zeide Deuceace, zeer kwaadaardig en tevens ongerust wordende, „maar ik ben voornemens, om in het geheel niet meer te spelen.”

„O – zóó? De getrouwde Benedict [10] gaat zich bekeeren! Het wordt hoe langer hoe beter – zijt gij voornemens op den duur geestelijke te worden?”

„Mag ik u verzoeken, Mylord, een weinig ernstiger te willen spreken?”

„Ernstiger? A quoi bon? Ernstig ben ik – ja, ernstig in mijne verwondering, dat, toen het in uwe keuze was, de eene of andere van deze vrouwen te nemen, gij de voorkeur kondt geven aan uwe tegenwoordige, afschuwelijk leelijke echtgenoote!”

„Mag ik nu, op mijne beurt, vragen, hoe het komt, dat gij zoo weinig moeijelijk in de keuze van eene echtgenoote zijt geweest, dat gij eene vrouw hebt willen nemen, die pas op uw zoon was verliefd geweest?” vroeg Deuceace, kwaad wordende.

„Hoe kunt gij toch zulke vragen doen? Ik heb schulden, ten bedrage van veertig duizend pond – men heeft beslag op alles gelegd te Sizes-hall – ieder morgen lands, dat ik bezit, is in de handen mijner schuldeischers; daarom heb ik haar getrouwd. Lady Crabs is eene schoone vrouw – gek is ze ook lang niet – zij trouwde met mij, om gravin te worden – ik met haar, om het geld.”

„Nu; dan behoeft gij mij niet te vragen, waarom ik met hare stiefdochter getrouwd ben.”

„Ja, maar dat moet ik toch doen, beste jongen; hoe drommel kunt gij leven? De vijf duizend pond van Dawkins zullen niet eeuwig duren, en wat moet gij naderhand doen?”

„Gij wilt doch niet zeggen, Mylord – gij kunt toch niet – gij bedoelt waarachtig niet – verd....!” brulde hij opspringende: „gij durft toch niet beweren, dat jufvrouw Griffin niet tien duizend pond ’s jaars bezit?”

Mylord was bezig met eene sìgaar op te rollen en tusschen de lippen te bevochtigen – hij keek eventjes op, toen hij ze opgestoken had, en zeide zeer bedaard:

„Mejufvrouw Griffin hàd zekerlijk een vermogen van tien duizend pond ’s jaars –”

„Wel – en hoe zoude zij het nu niet hebben? Heeft zij alles in ééne week doorgebragt?”

„Nu heeft zij geen cent meer: zij trouwde zonder de toestemming van hare stiefmoeder!”