Gedenkschriften van den heer Yellowplush

Part 10

Chapter 103,974 wordsPublic domain

„Het zij daarom, gelijk gij begeert, dierbaarste, edelste en beste der menschen. Uwe arme Matilda heeft u reeds lang haar hart geschonken, waarom zou zij nu haren naam willen behouden? Bestem gij nu het uur, en ik zal geen verder uitstel zoeken, maar in uwe armen toevlugt zoeken, tegen de verachting en de beledigingen, waarmede ik hier dagelijks wordt overladen.

„Matilda.

„P.S. O, Algernon! wist gij maar, welk een edelen rol uw waarde vader op zich heeft genomen: hij doet zijn best om onze plannen te bevorderen en Lady Griffin te verzoenen! Zijne schuld is het niet, dat zij onverbiddelijk blijft. Ik zend u hierbij een briefje, door haar aan Lord Crabs geschreven; wij zullen er weldra over spotten – n’est-ce pas?”

„Lady Griffin aan den Graaf van Crabs.

„Mylord!

„In antwoord op uw aanzoek om de hand van jufvrouw Griffin, ter gunste van uwen zoon, den heer Algernon Deuceace, kan ik slechts herhalen hetgeen ik reeds vroeger mij genoodzaakt zag, aan u te verklaren – namelijk, dat ik niet gelooven kan, dat eene vereeniging met iemand van het karakter van den heer Deuceace bijdragen kan tot het geluk van mijne stiefdochter, en daarom moet ik mijne toestemming weigeren.

„Ik moet u tevens verzoeken, den inhoud van dezen brief aan den heer Deuceace mede te deelen, en u tevens smeeken, niet weder een onderwerp aan te roeren, dat, gelijk gij overtuigd moet zijn, voor mij zeer pijnlijk is.

„Ik heb de eer te zijn, Mylord,

uwe zeer onderdanige dienaresse

L. E. Griffin.”

„De drommel haal Lady Griffin!” riep mijnheer uit, „wat gaat zij mij aan?”

Wat den ouden lord betreft, die zoo gedienstig met zijne vriendelijkheid en zijn goeden raad was geweest, mijnheer schreef zulks daaraan toe, dat hij wist, hoe zijn zoon eene vrouw met tien duizend pond ’s jaars ging trouwen, en dat hij zijn deel er van hoopte te krijgen. Om die reden schreef hij, benevens een vurigen brief aan de jufvrouw, het volgende aan zijn vader:

„Heb dank, waarde vader, voor de vriendelijkheid, mij in deze hagchelijke zaak betoond. Gij weet, in welken onaangenamen toestand ik mij, voor het oogenblik, bevind, en gij kunt wel gissen, welke de oorzaken zijn van mijne onrust. Een huwelijk met mijne beminde Matilda zou mij tot den gelukkigsten der stervelingen maken. Het lieve meisje stemt daarin toe, en lagcht over de dwaze aanspraken van hare stiefmoeder. Om u de waarheid te zeggen, ik heb mij daarover verwonderd, dat zij reeds zoo lang daaraan heeft toegegeven. Voer uwe vriendelijkheid tot den hoogsten top, en verschaf ons, bid ik u, de noodige papieren en een predikant, om ons te vereenigen. Wij zijn beiden meerderjarig, zoo als gij weet, en daarom wordt de toestemming van ouders of voogden niet vereischt.

„Uw genegen zoon

Algernon Deuceace.”

„P. S. Wat spijt het mij, dat er eenigen tijd geleden een verschil van meening tusschen ons ontstond! De omstandigheden zijn nu reeds veranderd, en zullen, na het huwelijk, nog meer veranderen.”

Hetgeen mijnheer bedoelde was zeer duidelijk – hij wilde den ouden lord het geld geven, nadat hij getrouwd was, en daar het waarschijnlijk was, dat de jufvrouw den brief zou zien, rigtte hij dien zoodanig in, dat ze niet al te veel van zijn tegenwoordigen, treurigen toestand zou leeren kennen.

Ik bezorgde dezen brief, tegelijk met het teedere schrijven aan de jufvrouw, en het spreekt, dat ik beiden op weg doorsnuffelde. De jufvrouw, toen zij haren brief ontving, bezag hem met eene onbeschrijflijke uitdrukking in de oogen; kuste het papier, en drukte het aan haar hart. Lord Crabs las den zijnen met veel bedaardheid, en toen raakten ze aan het praten en bevalen mij op antwoord te wachten. Na langdurige beraadslaging, haalde lord Crabs een kaartje te voorschijn en schreef er achter op:

Morgen om twaalf uur aan de ambassade.

„Karel, geef dat aan mijnheer,” zeide hij, „zeg hem, dat hij vooral het uur niet verzuimen mag.”

Ik bragt het kaartje en de boodschap zoo spoedig mogelijk over. Mijnheer scheen met beiden tevreden, maar toch waarlijk niet overgelukkig te zijn: dat is ook geen mensch den dag vóór zijn huwelijk, veel minder den dag vóór zijn huwelijk met een bogcheltje – hoe rijk het ook zij.

Daar hij nu op het punt stond, van den ongehuwden staat afscheid te nemen, deed hij hetgeen iedereen, die in zijne omstandigheden verkeert, behoorde te doen: dat wil zeggen, hij beschikte over zijn eigendom, en schreef brieven aan zijne schuldeischers, hun zijn gelukkige vooruitzigten berigtende, en belovende, dat hij hun na zijn huwelijk tot op een stuiver toe zou afbetalen. Vóór dien tijd kenden zij zijne armoede al te goed, om zoo iets te kunnen verwachten.

Om hem regt te doen wedervaren, moet ik zeggen, dat hij nu genegen scheen, alles behoorlijk af te betalen, nu hem dat niet de minste opoffering van zijn kant meer behoefde te kosten.

„Karel,” zeide hij, mij een bankbriefje ten bedrage van tien pond ín de hand gevende, „daar hebt gij uw loon, en ik dank u wel, dat gij mij uit den nood hebt geholpen met den deurwaarder; als ik getrouwd ben, zult gij mijn valet-de-chambre zijn, zonder liverei, en ik zal uw loon driedubbel verhoogen.”

Zijn valet! – misschien zelfs zijn keldermeester! Ja – dacht ik: bij mijzelven – dat is het ware geluk! Valet de chambre aan tien duizend pond ’s jaars! niets anders te doen, dan hem te scheren, mijn bakkebaard te laten staan, van top tot teen in het pik zwart gekleed te gaan; elken dag een schoon overhemd, beschuitsbollen elken avond bij de thee met de huishoudster; de keuze eener beminde uit de jonge dames onder de dienstboden; een jongen om mijne laarzen te poetsen, en geregeld ééns in de week mijnheers plaats in de opera. Ik wist wel, wat het beteekent, valet-de-chambre te zijn! – en ik verklaar het – een valet is gewoonlijk een gelukkiger, luijer, beter gezien en fatsoenlijker man, dan zijn meester. Hij heeft meer geld te verkwisten, want de heeren hebben altijd de gewoonte, los zilvergeld in de vestzakken te laten; hij maakt meer opgang bij de dames, eet even lekker, en drinkt even goeden wijn als zijn meester – dat wil zeggen, in geval hij goede vrienden blijft met den keldermeester, iets dat hun wèl begrepen eigenbelang van wederzijde mede brengt.

Deze waren echter slechts luchtkasteelen, op zijn Fransch chateaux en Espagne: in het boek des noodlots stond niet geschreven, dat ik valet-de-chambre zou wezen van den heer Deuceace.

De langste dag heeft ook een einde – zelfs de dag vóór het huwelijk, de langste dag, dien een mensch beleeft, behalve misschien den dag vóór zijn hangen – en eindelijk brak het morgenrood aan van den gelukkigen dag, die den hoogwelgeboren heer Algernon Percy Deuceace en jufvrouw Matilda Griffin door den huwelijksband zou vereenigd zien.

De garde-robe van mijnheer was wel niet zoo rijk als vroeger, want hij had al zijne kleinigheden, onnoodige cassettes en robes-de-chambre, zijn bewonderingswaardig museum van verlakte laarzen, zijne hoogst merkwaardige verzameling van rokken van Stulz en Staub, achter gelaten, toen hij genoodzaakt werd onze geliefde woning in het hôtel Mirabeau zoo plotseling te verlaten, en daar hij nu incognito bij een vriend logeerde, had hij zich moeten tevreden stellen, met eenige nieuwe kleedingstukken te bestellen bij een gewoon kleêrmaker, tegelijk met eene toereikende hoeveelheid linnengoed.

Hij trok alzoo zijn besten blaauwen rok aan, en ik voelde mij gedrongen, hem te vragen, of hij zijn jas weder noodig zou hebben; hij antwoordde, met de meeste vriendelijkheid:

„Neem gij hem maar, voor den drommel!”

Om half twaalf uur werd ik uitgezonden, om te zien, of er verdachte menschen op straat waren (ik heb een goeden neus om een deurwaarder uit de verte te rieken, en een oog, dat scherp genoeg is, er een van om den hoek te zien); eenige minuten later kwam eene zeer bescheiden huurkoets vóór, en mijnheer stapte er in. Natuurlijk vertoonde ik mij niet op den bok, omdat, daar ik zoo bekend was geworden, mijne verschijning de aandacht tot mijnheer zou kunnen trekken. Maar ik liep de steegjes door, zoo, hard ik kon, naar de Rue du Faubourg St. Honoré, waar Zijne Excellentie de Engelsche ambassadeur woont en waar huwelijken tusschen Engelschen te Parijs altijd gesloten worden.

Bijna naast de deur van het hôtel van den ambassadeur, is een ander hôtel, van dien gemeenen aard, welke door de Franschen cabaret genaamd wordt, eene soort van kroeg – en juist toen de huurkoets van mijnheer vóór kwam bij de ambassade, reed eene andere koets van de deur weg, waaruit ik twee mij zeer bekende dames zag komen: de eene had een bogchel – de Lezer zal begrijpen, wat zij er kwam doen – de andere was de arme jufvrouw Kicksey, die mede gekomen was, om jufvrouw Matilda te zien trouwen.

De koets van mijnheer hield stil, toen ik op eenige ellen afstands van de deur was – de koetsier klom van den bok af, om het portier open te doen, en ik naderde, om den heer Deuceace er uit te helpen, toen vier menschen uit de cabaret te voorschijn kwamen en zich plaatsten tusschen de koets en het huis van den ambassadeur; twee andere kerels vatten post aan den anderen kant van het rijtuig, en het portier openende, riep de een:

„Rendez-vous, Monsieur Deuceace! Je vous arrête au nom de la loi,” hetgeen zeggen wil: „Kom maar over, mijnheer Deuceace, wij hebben u gesnapt, en deze keer komt gij niet weg!”

Mijnheer werd doods bleek, en sprong naar den anderen kant van het rijtuig, als of hij door eene slang was gebeten; hij hoopte aan die zijde te kunnen ontvlugten; maar hij ontdekte de vier menschen, welke tusschen hem en zijne vrijheid zich geplaatst hadden. Toen riep hij door het venster van de koets, zoo hard hij kon, met eene wanhopende stem:

„Fouettez cocher! Rij maar voort koetsier!” maar de koetsier deed het niet – hij was ook reeds van den bok geklommen.

In één woord, op het oogenblik, dat ik naderde, sprongen twee deurwaarders in de koets! Ik had alles gezien, ik kende mijn pligt en zeer bedroefd klom ik achter op het rijtuig.

„Tiens!” zeide een der menschen, die op straat stond, „c’est ce drôle, qui nous a floué l’autre jour.” Ik herkende hen ook, maar ik was te bedroefd, om te glimlagchen.

„Où irons-nous donc?” vroeg de voerman aan een der heeren, die in het rijtuig zaten.

Eene diepe stem bulderde uit de koets dit antwoord aan den voerman:

„A St. Pélagie!”

En nu moest ik u misschien de bijzonderheden beschrijven van de gevangenis van St. Pélagie, die in Frankrijk aan hetzelfde doel beantwoordt, als de Fleet Prison, of de Queen’s Bench, de gevangenissen voor schuldenaars in Engeland; maar dit onderwerp zoude ik liefst vermijden, gedeeltelijk, omdat de zeer uitstekende Boz, in de geschiedenis van den heer Pickwick, eene gevangenis heeft geschilderd, op eene wijze, die mijne beschrijvingen geheel en al overschaduwen zou, en gedeeltelijk, dewijl, om de waarheid te zeggen, ik er niet zeer lang bleef, daar ik volstrekt niet gezind was, om de jaren mijner jeugd in zulk eene treurige plaats te verspillen.

Mijne eerste boodschap was nu, gelijk men zich voorstellen kan, een brief te brengen van mijnheer aan zijne aanstaande echtgenoote. Het arme kind ging verschrikkelijk aan, dat is waar, toen zij zag, na twee uren aan de ambassade te zijn gebleven, dat haar bruidegom niet verscheen.

Nadat zij gewacht en weder gewacht had, zonder, dat haar echtgenoot aankwam, was zij genoodzaakt ongetroost naar huis terug te keeren, waar ik met den brief van mijnheer reeds aangekomen was.

Het hielp nu niet, te ontveinzen, dat hij gearresteerd was, en daarom bekende hij het dadelijk, een lang verhaal opdisschende van het verraad van een vriend, van schandelijke, valsche handteekeningen, en de Hemel weet, wat nog meer. Dat deed er echter niets toe; als hij haar verteld had, dat de man in de maan haar verraden had, zij zou het geloofd hebben.

Lady Griffin was nu nooit meer te zien, als ik een bezoek in het huis aflegde. Zij hield de ééne spreekkamer voor zich alleen, en de jufvrouw at en leefde geheel afgezonderd in de andere kamer; zij hadden zoo veel met elkander getwist, dat het misschien zeer goed was, dat zij gescheiden leefden; Lord Crabs echter kwam bij beide dames, de eene zoo wel als de andere, op zijne eigenaardige, innemende, onschuldige wijze troostende.

Hij trad in de kamer, terwijl de jufvrouw, in tranen badende, naar mijn verhaal luisterde van de gevangenneming van mijnheer. – Zij drukte de hoop uit, dat de gevangenis geen akelig hol was, met een donker, vreesselijk cachot, door een verschrikkelijken cipier bewaakt, en waar men niets dan brood en water te eten kreeg. Zij had zich daarvan een denkbeeld gevormd uit de romans, die zij gelezen had!

„O Mylord, Mylord!” riep zij uit, „hebt gij het noodlottige berigt vernomen?”

„Wat is er gebeurd? – lieve Matilda, wat? Om ’s Hemels wil – spreek – ik ontstel! – Wat – ja – neen – het kan niet zijn! Spreek toch!” brulde Lord Crabs, mij bij den kraag pakkende „wat is er met mijn zoon gebeurd?”

„Met uw verlof, Mylord,” gaf ik tot antwoord, „op dit oogenblik zit hij in de gevangenis – omstreeks twee uren geleden werd hij gevat.”

„Gevangen! Algernon gevangen! onmogelijk – voor welke som? Zeg het mij maar, en ik zal den laatsten stuiver geven, dien ik bezit, om hem te verlossen!”

„Dat is zeer vriendelijk van u, Mylord,” zeide ik, aan het tooneel denkende, dat eenige dagen geleden tusschen hem en mijnheer was voorgevallen, toen hij hem om duizend pond wilde afzetten, „het zal u veel genoegen doen, te hooren, dat hij slechte om eene kleinigheid gevat werd – zoo wat vijf duizend pond, naar ik meen.”

„Vijf duizend pond! – O ellende?” riep Lord Crabs uit, de handen ineen slaande en een blik naar boven werpende, „ach – ik heb voor het oogenblik geen vijf honderd pond! Beste Matilda, hoe zullen wij hem toch helpen?”

„Helaas, Mylord, ik heb maar drie guiné’s in mijne beurs – en gij weet, hoe Lady Griffin de –”

„Ja wel, lief kind, ik begrijp wel, wat gij zeggen wilt; maar houd: moed – Algernon, zoo als gij weet, heeft zelf ruime middelen.”

Denkende, dat Mylord de vijf duizend pond van Dawkins bedoelde, van welke nog het grootste gedeelte overbleef, zweeg ik, maar ik was des niet te min zeer verbaasd over het buitengewone medelijden, dat Lord Crabs voor zijn zoon gevoelde, en ook, dat de jufvrouw, die tien duizend pond ’s jaars bezat, niet meer dan drie guiné’s op zak had.

Ik nam mede naar huis (o, wat een te huis was dat!) een zeer langen en zeer aandoenlijken brief van de jufvrouw, waarin zij hare droefenis te kennen gaf over de teleurstelling en zwoer, dat zij hem des te meer om zijn ongeluk beminde, hetwelk zij overigens voor zeer onbeduidend hield, daar men, om de geringe som van vijf duizend pond, den moed niet moest opgeven, vooral dewijl hij de zekerheid had van een ruim vermogen te bezitten; zij deed ook eene gelofte, dat niets – niets haar zou dwingen van hem af te zien, enz. enz.

Ik beschreef aan mijnheer, wat er tusschen mij en Lord Crabs was gebeurd, zijne milde aanbiedingen en bedroefdheid over de gevangenneming van zijn zoon; en bovendien verhaalde ik, hoe vreemd ik het vond, dat de jufvrouw, die zulk een groot vermogen bezat, slechts drie guiné’s op zak had; want ik onderstelde, dat zij altijd minstens honderd duizend pond in de beurs zou hebben!

Daarop zeide mijnheer slechts „Bah!”, maar het overige van mijn verhaal over zijn vader scheen hem zeer te verontrusten, en ik moest het van den beginne aan vertellen.

Hij wandelde ondertusschen zeer onrustig in de kamer heen en weder; het was, als of een lichtstraal voor hem op ging.

„Karel,” vroeg hij, „hebt gij er op gelet – scheen jufvrouw – scheen mijn vader zeer vertrouwelijk om te gaan met jufvrouw Griffin?”

„Hoe dat, mijnheer?” vroeg ik.

„Scheen Lord Crabs zeer veel van jufvrouw Griffin te houden?”

„Hij was zeker bijzonder vriendelijk jegens haar.”

„Kom, spreek maar op; scheen jufvrouw Griffin zeer ingenomen met hem te zijn?”

„Wel – om de waarheid te zeggen, mijnheer, ik moet bekennen, dat zij buitengewoon veel met hem op scheen te hebben.”

„Hoe noemde hij haar?”

„Hij noemde haar: lief kind.”

„Nam hij haar bij de hand?”

„Ja wel – en hij –”

„En hij – wat dan?”

„En hij kuste haar, en zeide, dat zij niet moest bedroefd wezen – over het ongeluk dat u wedervaren was.”

„Nu begrijp ik het!” riep mijnheer uit, den vuist ballende en verbleekende, „nu begrijp ik het! de vervl.... oude, grijze schelm! de booze, ontaarde schurk! Hij zoude haar mij willen ontvrijen!” en hij eindigde met eene menigte vloeken, die ik niet zal herhalen.

Ik had het al lang gedacht – toen Lord Crabs zijne bezoeken bij Lady Griffin zoo dikwerf herhaalde, en daar zoo bekend werd, wachtte ik den een of anderen streek van dien aard. Ik had ook van de dienstboden der dames vernomen, dat Lord Crabs bijzonder teeder in zijne oplettendheid jegens haar was geworden:

Intusschen was er iets, dat nu niet langer aan iemand, met de uitstekende verstandsvermogen van mijn meester begaafd, kon verborgen blijven: hij moest het meisje dadelijk tot zijne vrouw maken, of hij had zeer geringen kans, haar ooit de zijne te zullen noemen. Hij moest dadelijk uit de gevangenis zien los te komen, of zijn geëerbiedigde vader zou zijn plaats bij haar kunnen innemen.

O! nu begreep hij het alles duidelijk – de eerste poging om hem te arresteren, het huwelijk om twaalf uur vastgesteld, en de deurwaarders, geroepen, om het huwelijk te komen verhinderen – het duel tusschen hem en de l’Orge misschien – maar neen! eene vrouw had daarbij hand in het spel – een man kan zulke verraderlijke streken niet bedenken – vooral niet een vader jegens een zoon; eene vrouw doet wel eens zoo iets, arm schepseltje! zij heeft gene andere middelen in hare magt, om zich te wreken, en is haar geheele leven lang genoodzaakt, met verborgene wapens te strijden.

Hoe dit zij, Deuceace begreep nu duidelijk, dat hij in zijn eigen spel door zijn vader was overtroffen: er was een eerste strik voor hem gelegd geweest, aan welken hij ontgaan was, dank zij mijner tegenwoordigheid van geest – er was een tweede strik voor hem gelegd, – en zijn vader was er in geslaagd, om hem te vangen.

Nu was Lord Crabs, hoewel hij een schurk mogt wezen, veel te goedaardig, om iemand te benadeelen, alleen met doel om kwaad te doen. Hij had eene hoogte bereikt, van welke hij op alle beleedigingen nederzag – zij waren voor hem iets gewoons – hij deed ze anderen aan – en zij werden hem door anderen aangedaan, zonder dat hij in het minste wrok voedde. Daarom, zoo hij wenschte zijnen zoon te benadeelen, dan was het ook, om zich zelven te bevoordeelen. En hoe kon hij dat doen? Natuurlijk, door zelf het vermogende meisje te trouwen. – De hoogwelgeboren heer Deuceace zeide dit alles niet hard op, maar ik was met zijne gevoelens volmaakt bekend: het speet hem zeer, dat hij den ouden heer het geld, dat hij verlangde, niet gegeven had.

De arme jongen! hij dacht, dat hij het geraden had – het was echter geheel en al misgezien!

Wat bleef hem te doen over? Het was klaarblijkelijk, dat hij met het meisje moest trouwen – coute qui coute, op zijn Fransch gezegd – dat is, trouwen moest hij, en de drommel haal de onkosten.

Om dat te kunnen doen, moest hij eerst uit de gevangenis komen – om uit de gevangenis te komen, moest hij zijne schulden betalen – en om zijne schulden te betalen, moest hij elken stuiver opofferen, dien hij ter wereld bezat.

Maar dat kwam er niet op aan – vier duizend pond is geene groote zet voor een geregelden speler, vooral als hij het moet zetten, of zijn leven lang in de gevangenis blijven; terwijl, indien hij met geluk speelt, het hem tien duizend pond ’s jaars zou opbrengen.

Dit alles overwegende, nam hij zijn besluit en schreef dien volgens den onderstaanden brief aan Jufvrouw Griffin:

„Aangebedene Matilda! Uw brief is een wezenlijke troost geweest voor een armen mensch, die gehoopt had, dat deze nacht de gelukkigste van zijn geheele leven zou zijn, en zich nu gedoemd ziet, dien tusschen de vier muren eener gevangenis door te brengen. Gij kent de schandelijke zamenspanning, waardoor zulk eene zware verantwoordelijkheid op mijne schouders werd gelegd, en de dwaze vriendschap, die mij zoo duur is te staan gekomen. Maar dit is van geen belang. Wij bezitten, zoo als gij met regt zegt, genoeg, zelfs in het geval, dat ik deze onregtmatige schuld moet afbetalen, en vijf duizend pond zijn niets in vergelijking met het geluk, dat ik verlies, door één nacht langer van u te zijn gescheiden! Maar moed gehouden! Indien ik eene opoffering breng, zoo is het eene opoffering aan u, en ik zou waarlijk ongevoelig moeten zijn, indien ik voor één oogenblik mijne eigene verliezen wilde opwegen tegen uw geluk!

„Is het niet aldus, mijne beminde? Is niet uw geluk afhankelijk van eene verbinding met mij? Ik ben trotsch, als ik er aan denk – trotsch ook dit gering bewijs te mogen geven van de kracht en de zuiverheid mijner liefde.

„O, zeg mij nu, dat gij nog morgen de mijne wilt wezen – en morgen zullen deze vernederende ketenen worden afgeschud en ik zal weder vrij zijn – of, indien ik weder geketend word, zal het slechts in uwe boeijen zijn!

„Aangebedene Matilda! mijne dierbaarste bruid, schrijf mij nog dezen avond – want ik zal in mijne gevangenis het oog niet kunnen toedoen, voor dat ik verlicht ben door het gezigt van eenige woorden van uwe pen! O schrijf mij dan, beminde! Schrijf! Ik verlang vurig naar het antwoord, dat mij voor altijd gelukkig of ellendig zal maken.

„Uw liefhebbende

A. P. D.”

„Dit briefje opgesteld hebbende, vertrouwde het mijnheer aan mij, om het te bezorgen; mij tegelijk bevelende, mijn best te doen, om het aan jufvrouw Griffin, zonder dat iemand anders tegenwoordig was, over te leveren.

Ik spoedde mij er mede naar Lady Griffin. – Ik vond jufvrouw Matilda, gelijk ik wenschte, alleen, en overhandigde haar het geparfumeerde briefje van mijnheer. Zij doorlas het, en de zuchten, welke zij daarbij loosde, en de tranen, welke zij stortte, zijn niet te beschrijven. Zij weende en steunde zóó, dat ik mij verbeeldde, dat ze op punt was den geest te geven. Zij drukte mij zelfs de hand en zeide:

„O, Karel, hij is zeer, zeer ongelukkig!”

„Dat is hij, mejufvrouw,” zeide ik, „zeer ongelukkig – het is niet mogelijk, ongelukkiger te worden.”

Toen zij deze aandoenlijke opmerking vernam, nam zij dadelijk haar besluit; en voor de schrijftafel zich plaatsende, vereerde, zij mijnheer met een antwoord – hier is bet, zwart op wit.

„Mijn gevangen duifje zal niet meer treuren, maar toevlugt zoeken in zijn nest, in mijne armen! Aangebedene Algernon, ik zal u morgen, op dezelfde plaats, op hetzelfde uur, weder afwachten. Het zal dan onmogelijk zijn, dat iets anders dan de dood ons scheide!

„M. G.”

Deze onzinnige schrijftrant is, gelijk men begrijpt, het gevolg van romanlectuur en van kleingeestige, letterkundige bezigheden. Hoe veel beter is het, de kunst van schrijven in het geheel niet te kennen, en zich te verlaten op de ongekunstelde uit drukkingen van het hart.

Dat is mijn stijl – ik veracht de kunst; ik laat alles aan de natuur over: maar revenons à nos moutons, gelijk de Franschen zeggen; aan dat onschuldig, wit schaap, mijnheer, aan den grijzen ouden ram, Lord Crabs, en aan het lieve, teedere lammetje, mejufvrouw Matilda Griffin.

Deze had juist het briefje, dat ik boven afgeschreven heb, opgevouwen, en ik was op het punt, om, volgens de bevelen van mijnheer, te zeggen:

„Als het u belieft, jufvrouw, mijnheer Deuceace zou zich zeer verpligt rekenen, indien gij de plegtigheid, die morgen zal plaats hebben, als een diep geh...”, toen de vader van mijnheer in de kamer trad en ik mij naar de deur terug trok.