Gabon: schetsen uit West-Afrika De Aarde en haar volken, 1868

Part 5

Chapter 53,183 wordsPublic domain

Op de zandbanken in de nabijheid van den oever ontwaarde men het eigenaardig verschijnsel, dat bijna al deze banken een aantal regelmatige cirkelvormige uithollingen van ongeveer 4 voet middellijn en 1½ voet diepte vertoonden. De meesten lagen boven water en bleken gegraven te worden door den Cendo, een visch met een hoorn op den kop, die hier in groote hoeveelheid gevonden wordt, en hare jongen in deze uithollingen verbergt.

Serval wilde den Ogobaï opvaren tot het punt waar de Okanda zich met den N’guniai vereenigt. Hij hoopte aldaar nieuwe stammen te vinden, b.v. de Eninha’s, die met de rivieren van Gabon in verbinding schenen te staan, en misschien ook de Oscheba’s, die veel overeenkomst met de Fans hebben. De reis werd echter voortdurend moeielijker en het volk steeds begeeriger naar de europeesche voorwerpen, die de kano bevatte. Reeds in Arumbe hadden de negers gedurende den nacht ernstig beraadslaagd, of zij niet met geweld het vaartuig zouden plunderen; zij hadden echter besloten met de inwoners van het groote dorp Bombolie gemeene zaak te maken en met dezen den buit te deelen.

Daardoor kon de tocht onmogelijk verder worden voortgezet; Serval keerde terug, om het meer Eliva of Ionanga te bezoeken, waarvan, de bewoners aan den Ogobaï, namelijk de Galos, zoo vele wonderen verhaald hadden. Dáár in dit meer toch ligt, volgens het volksgeloof, het ware heiligdom hunner godsdienst, en wordt het oog door de zonderlingste verschijnselen getroffen. Door de wolken zeilen de groote vaartuigen der blanken, die kaap Lopez voorbij varen. Daar wonen machtige, beschermende geesten, en het vaartuig van den niet ingewijde, die de heilige eilanden roekeloos wil naderen, slaat daar onvermijdelijk om, terwijl de schepelingen hun graf in de golven vinden. Ook de blanke reizigers ontkomen dat lot niet; integendeel, de kleur van hun huid vergroot het gevaar voor hen. Dergelijke overleveringen, waaraan zich tallooze verhalen van allerlei wondervolle ontmoetingen verbinden, leven onverzwakt in de verbeelding der inboorlingen voort.

Het meer Eliva heeft dan ook iets eerbiedwekkends en sombers, en biedt een onbeschrijfelijk schouwspel aan. Aan den omtrek worden, door ver vooruitspringende landtongen, groote bochten gevormd, terwijl elke bocht aanhoudend van de daaraangelegen bergen een stroom water ontvangt. Deze bergstroomen zijn allen vrij beduidend. In het droge saizoen zelfs heeft het meer van 12 tot 18 voet diepte en is het water zuiver en doorschijnend als kristal. Aan de oostzijde van het meer is de oever vlak; de grond rijst echter spoedig, en het oog stuit weldra tegen de Aschankolo-bergen, wier reeks zich alleen een oogenblik splijt om aan de trotsche rivier den Ogobaï een doortocht te verleenen.

Het geboomte aan de oevers is buitengewoon prachtig. De obasboomen zijn voortreffelijk en de caoutchouc-lianen worden hier in groote menigte aangetroffen; de palm is echter eene zeldzaamheid. De zoom van het meer is met gras begroeid; dicht aan het water staat de nederige hemerocallis met hare witte bloemen. Riet, biezen of andere waterplanten, die een stilstaand water of een drassigen bodem kenmerken, vindt men hier niet.

De landstreek waarin het meer gelegen is, is waarschijnlijk zeer gezond. Zij is echter slechts voor een klein gedeelte bewoond, en wel door de Galos, terwijl aan gene zijde van de Aschankolo-bergen de Aschira’s wonen. Onze reizigers ontmoetten op hunnen tocht twee inboorlingen tot dien stam behoorende; hun voorhoofd was smal en sterk achterwaarts gebogen, en hun gelaat, met vooruitstekende wangbeenderen, miste ten eenemale alle verstandige uitdrukking. De voornaamste bezigheid dezer lieden bestaat in het vervaardigen der fijne, zachte matten, die in den handel onder den naam van matten van Loango of Loanda bekend zijn.

In de bosschen op de hellingen der Aschankolo-bergen wonen de reeds vroeger vermelde Bakalaïs. Deze stam is zeer oorlogzuchtig, verschaft aan de slavenhandelaars vele Aschira’s, en laat de bewoners van de rivieroevers slechts met vrede, omdat hij hen als tusschenpersonen voor het verkeer met de kust noodig heeft. Hij is over twee dorpen verspreid.

Op Asinghibuiri, dat door de Galos bewoond wordt, werden de Europeanen zeer goed ontvangen. Zelfs had de koning zich zoo fraai mogelijk opgeschikt. Hij droeg een voorschoot van boomwol, dat alles behalve zindelijk kon genoemd worden, en een overouden, versleten witten hoed van europeeschen oorsprong.

Het eiland Arumbe is het middenpunt van de godsdienst der Galos en met een bijzonder voorrecht bedeeld. Op dat eiland worden namelijk de fetisch-priesters voor het geheele volk opgevoed en gevormd, en bevindt zich het seminarium, waar de geestelijken worden voorbereid. Niettegenstaande de heilige afzondering, die hier in acht wordt genomen, werden onze reizigers onmiddellijk nadat zij geland waren door een tiental knapen van het seminarium ontvangen. Deze knapen hadden een intelligent uiterlijk, maar waren op vreemdsoortige wijze opgeschikt. Zij droegen een voorschoot, dat veel overeenkomst had met dat der Bakalaïs, en dat boven de heupen door middel van een gordel van witte paarlen bevestigd was. Ook droegen zij versierselen van paarlen en roode chenille, en van den omgeslagen bovenrand hingen trossen blauwe glaspaarlen af; aan de armen en beenen hadden zij zich opgeschikt met ringen van geel koper. Deze kleeding wordt door den jeugdigen fetisch-leviet tot zijn zeventiende of achttiende jaar gedragen; op dien leeftijd wordt bij in de geheimen van de godsdienst ingewijd en „ziet hij den Fetisch”. Tot dien tijd is het plicht, zich van allen omgang met vrouwen te onthouden, maar zoodra hij priester is geworden, verlaat hij het heilige eiland en verkeert hij in de wereld, zoo als ieder ander.

De reizigers kregen twee aanstaande fetisch-priesters als geleiders naar het dorp Arumbe mede, waar de koning het bezoek der vreemdelingen reeds met ongeduld verwachtte. Z.M. pronkte met zijne fraaiste galakleeding, die op onze plaat getrouw is teruggegeven. De hemel weet, van waar hij de uniformstukken bekomen had, die hem als lappen om het lijf gesmeten waren. Epauletten van gele wol met spinazie-groene randen; koperen knoopen prijkende met drie over elkander gekruiste kanonnen met het omschrift: Ubigne, waren de schitterende versierselen van eene reeds vóór verscheidene jaren afgedankte korporaalsuniform, die het bovenste gedeelte van het lichaam des konings bedekte. Dergelijke potsierlijke kleeding wordt des te ergerlijker, wanneer men bedenkt, dat Yondogowiro niet alleen koning, maar tevens een soort van paus of minstens aartsbisschop in die landen is. Hij is dus niet alleen het burgerlijk, maar ook het geestelijk hoofd. Een tweede opperpriester, die op het gebied van de godsdienst het gezag met den koning deelt, woont in een dorp aan den Ogobaï en komt slechts zelden te Arumbe. Beiden behooren tot de voornaamste priesterfamiliën. Zij verdragen elkander zeer vreedzaam; want Yondogowiro heeft eene bijzit van den opperfetischpriester tot vrouw genomen, terwijl deze laatste eene dochter van den koning tot zijne voornaamste vrouw nam. De positie van deze beide aanzienlijke dames is echter zeer nauwkeurig afgebakend. Hare eigenaardige hoofdtooisels, waardoor zij zich van de Gabonezinnen geheel en al onderscheiden, maken hare bijzondere merkwaardigheid uit.

De koning en de koningin waren zoo beleefd om de Europeanen naar de heilige eilanden te vergezellen, en in weerwil van de booze voorspellingen die wij zoo straks vermeldden, liep alles zonder ongeluk af. De vaart was zoo aangenaam als bij 39 tot 40 graden en met een bewolkten hemel slechts mogelijk is.

De beide heilige eilanden prijkten met het weelderigste groen en werden op schilderachtige wijze in het kristalzuivere water weerkaatst. Zij bleken een waar paradijs voor de tallooze vogels, die daar ongestoord kunnen nestelen. Op de rots bleef de groote ibis rustig staan, terwijl de kano slechts op een afstand van een paar ellen voorbij hem henengleed. De geelachtig witte gier, de duiker en de pelikaan bekommerden zich evenmin om de menschen. Alles had iets onbeschrijfelijks rustigs, en van de geheimzinnige geesten was geen enkel spoor te ontdekken. Sommige inboorlingen hadden het nochtans geraden geoordeeld, liever te Arumbe achter te blijven; anderen evenwel hadden hunne vrees voor gevaar overwonnen, want Yondogowiro, de groote fetisch-priester vergezelde de reizigers—en deze toch bezat de macht om de geesten te bezweren en hen binnen de grenzen te houden.

De kleine oude man met zijne kanonniersuniform, wier hooge kraag hem boven de ooren uitstak en waarvan de mouwen hem veel te kort waren, stond dan ook, toen men de eilanden naderde, gebiedend op en strekte zijne beide armen naar de pelikanen uit, die op deze wijze eene godsdienstige hulde ontvingen. In zijne linkerhand hield hij de schel, het symbool zijner priesterlijke macht en waardigheid, terwijl hij met de andere een stuk brood verkruimelde en onder het aanspreken van de geesten de kleine stukjes in het water wierp:—„Hier zijn blanken; zij komen tot u, om u te zien. Maakt hen niet ziek, want zij brengen u geschenken. Laat hen niet sterven, maar gezond naar Gabon terugkeeren!”

Dit eenvoudige gebed scheen oprecht gemeend te zijn, en had zelfs iets innig hartelijks. Nadat voorts de broodkruimels verstrooid waren, vulde Yondogowiro zijn mond met atugu, d.i. met brandewijn, en spoot dien na verloop van eenige oogenblikken weder den mond uit. Deze plechtigheid werd verscheiden malen herhaald, terwijl de koningin op den bodem van het vaartuig gemoedelijk een pijp zat te rooken.

De blanken mochten echter de heilige eilanden zelve niet betreden; dit voorrecht komt uitsluitend den fetischpriester toe. Zij voeren er in de kano slechts om heen en bereikten daarna den ingang van een kanaal, waardoor de Ionanga met het meertje Eliva Uidanga in verbinding staat. Zoodra zij evenwel dit kanaal waren binnengevaren, ontdekten zij werkelijk iets van de aangekondigde wonderteekens, die trouwens volgens het beweren van de inboorlingen zich slechts in den regentijd vertoonen. De sage bleek dus niet geheel en al uit de lucht gegrepen. Wanneer men, namelijk, zich gedurende den regentijd, kort na zonsopgang, aan den ingang van het kanaal met het gelaat naar het westen plaatst, bespeurt men in de wolken witte gedaanten. Deze verschijnselen worden door de inboorlingen voor schepen gehouden, die kaap Lopez voorbij zeilen. Het volksgeloof beweert dan duidelijk te kunnen onderscheiden, hoe die vaartuigen manœuvreeren, hunne zeilen losmaken en hun geschut afvuren. Het geheele verschijnsel verdwijnt echter spoedig, en wordt misschien alleen veroorzaakt door eene eigenaardige luchtspiegeling. Maar in elk geval is het een gezicht, dat de bewoners met onverzwakten eerbied blijft vervullen.

Het uitstapje naar de heilige eilanden loonde de moeite in alle opzichten. Na hun terugkeer namen de reizigers afscheid van hunne gastvrije vrienden, zakten den Ogobaï weder af en bezochten nog een meertje, Nioge genaamd, waarvan het dorp Aranga Uiri niet ver verwijderd is. Tot daar wonen de Galos, maar worden vervolgens vervangen door verschillende stammen, die allen met de kust in onmiddellijke verbinding staan. Langzamerhand vertoonde zich ook het riet weder langs de oevers en werd de rivier ondieper.

De inwoners van Arumbe schenen, niettegenstaande hunne schijnbare vriendelijkheid, overeengekomen te zijn de blanken zooveel mogelijk af te zetten, en namen op den terugtocht zelfs een dreigend aanzien aan. De reizigers oordeelden het daarom meer geraden des nachts Arumbe voorbij te varen, zoodat zij bij zonsopgang reeds den Banda of Bango bereikten. Deze rivierarm voert als linker zijtak het water van den Ogobaï naar zee, en vormt de zuidelijke grens van de daardoor gevormde delta.

Eenige uren later legde de boot voor het dorp van den vriendschappelijk gezinden koning van Dambo, N’Gawa Akaga, aan. Deze ontving de blanken met ongeveinsde vreugde, en had de reizigers gaarne gastvrijheid betoond. Maar de tijd gedoogde niet van deze beleefdheid gebruik te maken, en de Europeanen vervolgden dus hun weg, voeren den Asin Tongo, eene nevenrivier van den Ogobaï, op, en bereikten door een nauw kanaal weder den Bango. Zij hadden vernomen, dat deze stroom verscheidene verbindingen met het Anengua-meer heeft, en inderdaad ontdekten zij ook een dezer verbindingskanalen in het riviertje Guaibuiri.

In den Bango wemelde het van nijlpaarden, die ook in den Ogobaï, hoewel in kleiner aantal, gevonden worden. Op den oever bemerkte men overal hunne sporen. Tot dusver hadden de reizigers deze gedrochten slechts bij enkele paren aangetroffen, maar hier staken hunne ruggen en koppen bij geheele massa’s boven het water uit. Bij het minste gedruisch doken zij echter geheel onder. Bij elk schot stoven zij uit elkander, om even spoedig weder te verschijnen.

Van Guaibuiri uit wilde men beproeven met de boot het Anengua-meer te bereiken, maar daar het kanaal in een modderpoel uitliep, zagen de reizigers zich genoodzaakt terug te keeren. Den volgenden dag beproefden zij nogmaals hetzelfde met een lichten kano. Zoodra zij het roeien moesten staken, stapten zij aan den oever en waren zij verplicht drie uren door den modder te waden en den kano achter zich te sleepen. Op deze wijze gelukte het hun het Anengua-meer te bereiken, dat eigenlijk niets anders is dan een zeer uitgestrekte poel vol visch, en een paradijs voor de krokodillen. Het land, dat zuidwaarts van het meer gelegen is, is over het algemeen bergachtig. Aan den voet dier bergen liggen eenige weinige dorpen, waarvan de inwoners reeds sedert geruimen tijd met de faktorijen te Fernand Vaz betrekkingen hebben aangeknoopt, en aan wie zij olifantstanden, palmolie en caoutchouc verkoopen.

De tocht naar dit meer was bij de drukkende hitte en volkomen windstilte buitengewoon vermoeiend. De reizigers verlieten dan ook zonder morren het naargeestige moeras, dat weldra ondoordringbaar zijn zal, indien de mensch dit uitgestrekte waterveld aan den allesoverheerschenden plantengroei overlaat. De verbeeldingskracht van du Chaillu ging wel wat verre toen hij voorspelde, dat het Anengua-meer eenmaal kolossale hoeveelheden riet in den handel brengen en door stoombooten bevaren zou worden!

Hiermede nam de reis van Griffon du Bellay en Serval een einde. Eenige maanden later deden zij echter nog een uitstapje, waarvan wij nog met een enkel woord willen gewagen. Zij wilden namelijk de waterwegen nasporen, die de rivier Ramboe met den boven-Ogobaï in verbinding stellen. Hun weg leidde door prachtige wouden, waarin meer gorillas en olifanten dan menschen wonen. Hij was vijf-en-twintig mijlen lang en bracht hen op allerlei moeielijke paden, maar de hutten, die zij hier en daar ontmoetten, bewezen hun, dat hier toch een onafgebroken handelsverkeer tusschen beide rivieren plaats had; en ongetwijfeld zou die stroom dus de gemeenschap tusschen het etablissement te Gabon kunnen bevorderen. Griffon du Bellay, die nog aan de gevolgen eener ziekte leed, werd wederom door de koorts aangetast en derhalve belet tot den Ogobaï door te dringen. Serval was echter gelukkiger, daar hij, den stroom op, een punt bereikte, dat niet ver verwijderd was van de plaats, die de reizigers op hun bovenvermelden tocht hadden aangedaan. De rivier heeft daar eene breedte van meer dan 3000 voet; onbekend is het echter waar zij ontspringt.

Een blik op de nieuwste kaarten van Afrika toont ons aan, dat in het westelijk gedeelte tusschen 7° NB en 4° ZB een geheel onbekend binnenland ligt. Naar welke zijde voeren de genoemde rivieren haar water af? Niet naar den Tsad, want wij weten uit de berichten van Barth en Vogel, dat deze boven 7° NB geene nevenrivieren heeft. Misschien zuidwaarts naar Congo. Maar ook voor deze onderstelling ontbreken ons de bewijzen. Griffon du Bellay houdt het voor waarschijnlijk, dat ook in West-Afrika, even als op het oostelijk gedeelte van den aardbol, groote binnenmeren gelegen zijn. Is de Ogobaï nu de eenige groote stroom, die als afvoerkanaal van deze meren dient? Het valt moeielijk dit te weten te komen. Hoe het ook zij, het zou voorzeker de moeite beloonen, daaromtrent nieuwe nasporingen te doen, te meer, daar van geheel het binnenland nog zoo uiterst weinig bekend is.

Met betrekking tot het landschap Gabon vraagt onze berichtgever: „Wat zou Frankrijk, of eenige andere mogendheid die hier een kolonie zou willen vestigen, aan een land hebben, dat geen enkel degelijk handelsartikel oplevert? Het weinige ebbenhout, elpenbeen en kleurstofhout is voorzeker van luttel belang, en meer wordt er niet gevonden. Van het bouwen van boomwol kan hier evenmin sprake zijn, omdat de neger niet arbeiden wil en de Europeaan in zulk een klimaat niet arbeiden kan. Misschien zou het aanplanten van oliegevende boomen goede vruchten opleveren, en mogelijk zouden de inboorlingen daarvan eenige kennis bezitten. Maar de neger heeft slechts één wensch: d.i. alle jaren te oogsten, zonder gezaaid of gepoot te hebben!”

En toch is er misschien geen land rijker aan niet geëxploiteerde olieachtige voortbrengselen. Van de kraak-amandel des oba’s, een fraaie inlandsche mangoboom, verkrijgt men den dika, waarvan zoowel de smaak als de geur aan den chocolade herinneren. Dit is een alleropmerkenswaardigst voortbrengsel, door den heer Aubry le Comte het eerst bekend gemaakt. Twee boomen van het geslacht der sapotacaeën, de djave en de noungari, leveren, de eerste een min of meer dikke olie, de andere een zeer stevig en volmaakt blank vet op. Een zeer hoog opschietende boom, de m’pôga, brengt uitmuntende olie voort, maar deze is niet gemakkelijk te verkrijgen wegens de harde vrucht waar zij in schuilt. De owala, een peulvruchtdragende struik, geeft geweldig groote zaden, die vol olie en eetbaar zijn. Voegt men bij deze tamelijk onvolledige lijst den oliepalmboom, die niet zeer overvloedig voorkomt, en de arachis, waarvan reeds vroeger is gewaagd,—dan ziet men hoe rijk dit land aan vetstof bevattende planten is, en welke hulpbronnen de inwoners er zouden kunnen vinden, indien zij zich de moeite wilden geven, niet om ze aan te kweeken, dat is bijna overbodig, maar alleen de nuttige soorten te vermenigvuldigen en te groepeeren.

Wij willen hier nog gewagen van een aantal op Gabon voortgebrachte en elders weinig gebezigde planten, die allerfijnst van smaak zijn. In de eerste plaats komt de maketa, een goudgele gember van uitmuntende kwaliteit in aanmerking; vervolgens de yangue-bere, de enone en verscheidene andere tot deze cardamomsoort behoorende planten, wier specerijachtige zaden in den handel onder den naam van guinesche peper, paradijszaad enz. bekend zijn, en vaak in Europa voor keuken- of geneeskundig gebruik gebezigd worden. Een boom van het geslacht der anonacaeën, de ogama, brengt peulen voort, die vrij grof van smaak zijn.

De muskaatnootboom bestaat, geloof ik, in dit land niet; toch vindt men er twee soorten, den combo en de niohue, wier noot zeer olierijk maar zonder geur is. De vanilleplant is er zeer overvloedig, maar de vanille niet. Dikwijls, zoo zegt onze berichtgever, heb ik deze orchidaeën aangetroffen, zonder ooit de vrucht gezien te hebben.

De vrouwen, die de bladeren als toiletartikel gebruiken, kennen de peul noch den geur dezer plant. Het is dus waarschijnlijk, dat de natuurlijke vruchtbaarheid en de ontwikkeling van de bloem en vrucht dezer plant hier nog zeldzamer zijn dan de in Amerika voorkomende soorten. Al deze voortbrengselen worden den Gabonees door de bosschen geleverd, in wier midden zijn gronden gelegen zijn. Ook zijn zijne bosschen rijk aan hout, dat voor den scheepsbouw geschikt is.

Allerbekoorlijkst is het rijke groen, waarmede dit land onophoudelijk is bedekt. De weinig buitengewone dierenwereld is voor den onderzoeker lang zoo bevredigend niet. De menschen zelven hebben weinig dat de belangstelling van den vreemdeling boeit; bij nauwkeuriger kennismaking wekken zij bijna niets anders dan onverschilligheid. Alleen de natuur, zoo geheel van de europeesche en bij iederen tred van zich zelve verschillend, levert een inderdaad indrukwekkend schouwspel op voor de oogen, die zoowel het stille als het trotsche, de wildernis als den plantenrijkdom weten te waardeeren, en die ook daarin willen lezen de majesteit van Hem, die in alle oorden der wereld de pracht en de weelde strooit zijner onuitputtelijke volheid.