Gabon: schetsen uit West-Afrika De Aarde en haar volken, 1868
Part 4
Een ware plaag zijn de mieren. Sommige hunner zijn vreeselijk klein en kunnen zich in de kieren van een tafel verbergen; anderen hebben grooter omvang, en de roode soort wordt zelfs voor de dieren des wouds gevaarlijk. Men telt tot bij de twintig soorten. Een aantal hunner dringt in de huizen, de hutten en de schepen binnen, waar men ze in zooverre niet ongaarne ziet, daar zij veel ongedierte verdelgen. Anderen zijn meer dan lastig. In de bosschen vindt men een groote soort, geel van kleur, die haar nest op de boomen maakt, terwijl zij de eindbladeren der takken met groote inspanning door hare webben aan elkander verbindt en daarvan lange zakken maakt. Zulke nesten treft men bij duizenden aan. Deze dieren zijn ongemeen dapper. De groote roode mier trekt in geregelde kolommen zeer goed geordend voort. Een gedeelte vormt twee gesloten rijen, en wel zoo dat deze mieren de een aan de andere sluiten. Wanneer men met een stok in de kolonne steekt, kan men een geheelen klomp opheffen, zoo stevig houden zij elkander vast. Het leger vormt twee lange dichte muren; in de daartusschen aanwezige ruimte wemelt het dan van anderen, die allen voeder of larven dragen. Tusschen deze arbeidsters ziet men in alle richtingen mannetjes trekken, beesten met dikke koppen, die geen last dragen, maar als officieren het geheel in orde houden, met hunne sterke haken politie uitoefenen en voor de veiligheid van allen zorgen. Buiten den levenden muur gaan zij op kondschap uit, brengen vluchtelingen of achterblijvers op, en bieden ieder die hen aanvalt tegenstand. Maar bezwaarlijk zal mensch of dier een aanval op hen ondernemen, daar zij terecht zeer gevreesd zijn.
Ook met betrekking tot de mieren heeft de neger zijn bijgeloof. Du Bellay trad met een opperhoofd het bosch binnen, toen juist een zwervende troep mieren voorbij trok; de zwarte bleef staan, brak een blad van den naastbijzijnden boom, legde het voorzichtig weg en deed een stap zijwaarts. Op de vraag waarom hij dit deed, antwoordde hij: „mijne vrouw is op het punt van te bevallen, en nu zal haar niets kwaads daarbij overkomen.” Toen de Europeaan daarom lachte, werd de Afrikaan korzelig en zeide: „gij blanken behoeft voor de mieren niet bang te zijn, want gij brengt uwe vrouwen hier niet mede.”
Menigmalen overvalt zulk een mierenleger een hut, en verdelgt al wat leven heeft: kakkerlakken, schorpioenen, duizendpooten, ongedierte van allerlei aard. Verwonderlijk snel maakt het alles kort en klein, maar ontziet echter al wat tot het plantenrijk behoort. De felste vijand der mieren is de termite (een nog grooter mierensoort), en dat is een geluk; want indien beiden gemeene zaak tegen een dorp maakten, zou er bitter weinig van overblijven. Onder de verschillende termiten richten eenigen grootere verwoestingen aan. Bekend is het dat een aantal dezer dieren groote heuvels opwerpen, waarbij, vergelijkenderwijs, de egyptische pyramiden toch vrij nietig zijn. Er bestaat een soort, die in de takken der boomen groote kogelvormige nesten uit hout en aarde bouwt; terwijl weder een andere op den platten grond anderhalf voet hooge cylinders opgericht, die allen een uitgerand kapiteel hebben. Deze termitenheuvels hebben het voorkomen van een geweldig grooten champignon en zijn binnenin van een aantal cellen voorzien.
In een volgend hoofdstuk zullen wij de menschenetende Pahuins schetsen, die, zonder tegenspraak, onder de volken aan den Gabon de belangrijkste zijn.
IV.
Uitwendig voorkomen der Fans.—Bezoek in hunne dorpen.—Opschik der vrouwen: de Ito.—Wapens; bewerking van het ijzer.—Boog en vergiftigde pijlen.—Vrededansen en krijgsspelen.—Wat er van het kannibalismus is.—De Gorilla.—Olifantjachten.—De Delta van den Ogobaï.—Het opperhoofd van Dambo.—De stam der Galos.—Zandbanken in de rivier.—Vaart naar de heilige eilanden in het Ionanga-meer.—De Aschankolo-bergen en het volk der Aschiras.—Het eiland Arumbe.—Yondogowiro de priesterkoning, en zijne gemalin.—Geestenbezwering.—Het Anengua-meer.—Uitstapje op den Ramboe.
DE PAHUINS OF FANS.
Wij hebben in deze beide opstellen het land aan den Gabon, en de aan de kust en in de nabijheid daarvan wonende volken geschetst. Thans zullen wij onzen arbeid voltooien en onze lezers voeren in het gebied der Fans of Pahuins, die, sedert zij door Paul du Chaillu eenigszins bekend zijn geworden, de algemeene aandacht trekken.
Daarna zullen wij met doctor Griffon du Bellay een tocht op den Ogobaï doen, en hem vergezellen naar het volk der Aschira’s en tot het Ionanga-meer, waarin de heilige eilanden gelegen zijn.
De dorpen der Bakalaïs en die der Pahuins liggen niet ver van elkander. Toen onze reiziger in het jaar 1862 voor het eerst een dorp der laatsten bezocht, hadden de Pahuins eerst sedert korten tijd hunne woonplaats aan een zeer kromme nevenrivier van den Como opgeslagen. Op een heuvel stond, als een voorpost, een eenzame hut; het dorp zelf lag achter geboomte verscholen. De Pahuins zijn zeer oorlogzuchtig, altijd op hunne hoede, en op iederen onverwachten aanval voorbereid. Toen zij den blanken doctor en de beide hem vergezellende zeeofficieren in het oog kregen, trad plotseling een geheele schaar krijgers te voorschijn; zelfs de knapen zwaaiden hunne werpspiesen, en het opperhoofd was met een geheel wapenarsenaal bedekt, dat wil zeggen met assagaaien en lange messen. Deze stevig gebouwde man zal ongeveer een veertig jaren oud geweest zijn; hij had een beenderig gelaat, vooruitstekend voorhoofd, afgeplatte slapen, zeer lange, schrale armen, en was op de borst met allerlei leelijke figuren getatoueerd. Van kleeding geen spoor, uitgenomen een dierenhuid, die het benedenlijf bedekte.
De blanken werden zeer koel ontvangen. De zaak nam echter eene andere wending, nadat de tolk zijne toespraak gehouden had, en er allerlei geschenken werden uitgepakt. Deze Pahuins hadden nooit te voren een Europeaan gezien: maar zij wisten dat er zulke lieden aan de kust woonden, en derhalve was hunne verbazing niet al te groot. Toen er tabak werd uitgedeeld geraakten allen in de beste luim. Terwijl zij grinnikend lachten, kwamen hunne puntig gevijlde tanden te voorschijn, en wie deze wilden op dat oogenblik zag, twijfelde er geen oogenblik aan dat zij kannibalen waren. Het dorp geleek een soort van vesting; de hutten, ongeveer drie honderd in getal, vormden twee gelijkloopende rijen; deze lange straat had aan beide uiteinden versperringen, die goed bewaakt werden. Op het eerste gezicht is men er van overtuigd, dat men met een eigenaardig slag van volk te doen heeft.
De kinderen buitelen vroolijk in het rond en maken allerlei fratsen; zij zien er flink uit op het oog, en schijnen niet onverstandig. Dat verandert zoodra zij den mannelijken leeftijd bereiken, en met het vijftiende jaar komt de type van het ras sterker voor den dag; de molligheid verdwijnt, de jukbeenderen beginnen sterk naar voren te komen, de slapen vallen in, het voorhoofd krijgt dien vooruitstekenden vorm, die alleen bij de Pahuins wordt aangetroffen. Men onderscheidt hen aanstonds van den Mpongwe of eenigen anderen stam aan den Gabon.
Ook het hoofd der vrouwen is zeer lang, terwijl het voorhoofd vooruitsteekt; zij zitten goed in het vleesch, maar zwaarlijvigheid wordt bij haar niet aangetroffen, iets dat trouwens bij de zwarte bevolking ook slechts zelden voorkomt. Haar gelaat is niet zoo knokig en mager als dat der mannen, hare hand soms verwonderlijk fijn en zacht; zij behangen zich met glazen kralen, en versieren er ook het hoofd mede, zoodat deze haar voor de oogen bengelen; armen en beenen zijn met ringen van gepolijst ijzer en koper getooid. Jonge moeders zetten zich daardoor schoonheid bij, dat zij zich van top tot teen met een zekere roode verf besmeren. Het kind wordt in een met kaurischelpen versierd hangmatje gedragen. Met kleederen bemoeien deze zwarte dames zich niet, want bezwaarlijk kunnen wij de ito daarvoor laten gelden. De ito toch is niet anders dan een stuk ineengevlochten roode bast, dat onder den gordel wordt doorgetrokken en welks einde zich van achteren waaiersgewijs verbreidt, min of meer als de staart van een kalkoenschen haan. Dit bekleedsel is aan den vijgenboom, den emvien, ontleend, welks bladeren ook voor andere huiselijke doeleinden gebezigd worden.
Hoe dichter de Pahuins de europeesche faktorijen naderen, des te meer verliezen zij reeds nu, en wel zeer spoedig, een groot deel van hunne eigenaardigheden. Van nature als geschapen tot jagers en krijgers, hebben zij van de blanken eerst vuurwapenen en daarna katoenen goederen en voorts allerlei snuisterijen aangenomen, waarop alle zwarte volken zoo zeer gesteld zijn.
Wij voegen bij dit opstel eenige photographisch-getrouwe afbeeldingen der Pahuins, die als type van dezen volksstam kunnen aangemerkt worden.
Hunne wapens zijn karakteristiek. De Pahuin kent de bewerking van het ijzer, hetgeen bij de andere stammen van het Gabongebied lang niet het geval is; hij vervaardigt werpspiesen, groote strijdmessen met zeer scherpe punten en van alleraardigsten vorm, maar die in de handen dezer halve wilden vreeselijk moeten zijn. Korter messen worden tot verschillende doeleinden gebezigd. Ook maakt men dissels en voortreffelijke strijdaxten van een bijzonderen vorm, versierd met een vogelkop, die aan den gebogen steel zit. Du Chaillu zegt, dat dit wapen uit de verte naar de vijanden geslingerd wordt, en verhaalt daarbij dat het te gelijk een soort van offermes is, waarmede men den vijand afmaakt, die daarna met alle mogelijke kalmte en met den meesten smaak verorberd wordt. Een slag met den vogelkop, tegen de slapen aangebracht, veroorzaakt onmiddellijk den dood; met het kromme gedeelte wordt het hoofd afgeslagen.
Hunne klingen zijn goed bewerkt en veel beter dan de meeste sabels en messen, die door den europeeschen handel in Afrika worden binnengevoerd; ook versiert men ze met gegraveerde figuren, ribt ze uit, en menigmaal worden zij zelfs met koper ingelegd. Daarbij legt dit volk dikwijls een recht goeden smaak aan den dag. Hunne smidswerkplaats is nochtans zeer eenvoudig, even als overal in Afrika; alleen is de blaasbalg er sedert langen tijd algemeen bekend.
Het gevaarlijkste wapen van den Pahuin is echter een kleine handboog, waarmede hij zijne sterk vergiftigde pijlen schiet. De behandeling hiervan eischt geen geringe kracht, al laat de pees ook bij een vluchtige aanraking los. Men behandelt dat wapen als een geweer en kan er zeer goed mede mikken. Het vergif doet een verschrikkelijke uitwerking; verscheidene pijlen zijn in Parijs chemisch onderzocht geworden, en het is gebleken dat het gif terstond het bloed bederft. De Pahuins trekken het, als sap, uit een slingerplant, de ineeh of anaye, die tot het geslacht der apocynæën behoort. Overigens behoort deze handboog met vergiftigde pijlen in den regel meer tot het jacht- dan tot het krijgstuig.
De reizigers bezochten een groot aantal hutten der Pahuins en vonden daarin verscheidene voorwerpen, die zij bij de Gabonezen niet hadden aangetroffen. Toen zij een bezoek bij het opperhoofd aflegden, kwamen er te hunner eere muzikanten, die op tamboerins sloegen, en waarbij het geheele dorp begon te dansen. Daarbij sprongen de vrouwen allerzonderlingst met de ito om, die onophoudelijk nu links dan rechts zwierde. Voor het overige was de dans zeer ingetogen, behalve de krijgsdans, waarvan zij tevens een staaltje gaven. Twee strijdbare mannen traden tegen elkander op; zij droegen allerlei wapenen; het hoofd was met vederen getooid; om hun hals hadden zij een snoer van aaneengeregen tijgertanden; over den linkerschouder hing een geweldig groot krijgsmes in een uit slangentanden vervaardigde scheede; om den gordel slingerden zij het vel van een of ander wild dier, en daarin stak een dolk; in de linkerhand hielden zij verschillende werpspiesen, en in de rechter een groot en dik schild, van de huid eens olifants vervaardigd. Aldus toegerust leverden de beide strijders hun spiegelgevecht; zij vlogen op elkander met wijd opengespalkte neusgaten toe, en ook de mond werd zoo wijd mogelijk geopend, opdat de spits gevijlde tanden zichtbaar zouden zijn.
Weder een andere stam zijn de Fans. Alle Europeanen, die in aanraking met Fans zijn gekomen, stellen deze, in spijt van hun woestheid, boven de Gabonezen. Menscheneters zijn zij, dat staat vast: maar Griffon du Bellay is van meening dat du Chaillu deze beschuldiging wel wat overdrijft. Deze zou zelfs in de dorpen menschenbeenderen hebben zien liggen: de fransche officieren nochtans, die toch verschillende plaatsen bezochten, vonden nergens zichtbare sporen van menschenslachting. In de dorpen, die in de nabijheid der europeesche faktorijen gelegen zijn, wordt echter in het geheim menschenvleesch genuttigd: niet uit vrees voor de Franschen, wier invloed thans nog niet ver genoeg reikt, maar wijl zij dezen hartstocht niet aan anderen willen laten merken. Zelfs is het hunnen kinderen niet geoorloofd bij zulk een maal tegenwoordig te zijn. Eene dergelijke achterhoudendheid heeft men ook bij sommige anthropophagen der Zuidzee opgemerkt. Zelfs de ruwste mensch schijnt het te gevoelen hoe afschuwelijk het is, zijn natuurgenoot te verslinden.
De Fans zijn van ver uit het binnenland gekomen; zij zijn zeer geoefende jagers, maar volstrekt ongeschikt om eenig vaartuig te besturen; waaruit schijnt te blijken dat hun oorspronkelijk verblijf wel op een met bosch begroeide hooge vlakte gelegen moet zijn geweest, waar alles behalve overvloed van levensmiddelen was. Natuurlijk was hun dus het denkbeeld van arbeid en akkerbouw geheel en al vreemd. Nog heden ten dage, ook in de nabijheid der kusten, eten zij slangen, insekten, bedorven vleesch; geen afval is hun te slecht, en toen de nood dwong, hebben zij dan ook menschenvleesch gegeten. Datzelfde is ook het geval met de Bakalaïs. Intusschen neemt deze barbaarschheid meer en meer af, naarmate de wilden zich in de buurt der Europeanen nederzetten.
Opmerkelijk bij dezen wilden volksstam is trouwens, dat bloedvergieten bij hen niet met den dood, maar wel met een geldboete gestraft wordt. Ook is de veelwijverij niet zoo sterk bij hen in zwang als bij de Mpongwen. Men treedt er niet zoo vroeg in het huwelijk, en de uitspattingen zijn ook lang zoo erg niet. Voor godsdienst hebben zij het fetischisme.
Tot nog toe hebben zij zich ter nauwernood op het verbouwen van eenige planten toegelegd; veel liever gaan zij in de bosschen op de jacht. In hun gebied treft men den betrekkelijk eerst sedert kort bekend geworden en zoo druk besproken Dginna of Gorilla aan. Eer du Chaillu omtrent dat dier zijne berichten mededeelde, waren echter reeds een jaar of wat vroeger, door eenige fransche geneesheeren en officieren, een paar exemplaren aan den parijschen plantentuin gezonden.
Deze reusachtige aap is ongetwijfeld zoo groot als een volwassen man, en menigmaal nog grooter, maar zijne schouders zijn eens zoo breed en de borst is derhalve geweldig ontwikkeld. De zeer dikke kop zit diep in de schouders, doch de hersens zijn in verhouding bitter klein. Op de hersenpan heeft het dier een hooge kam, waarmede de sterke spieren zijn verbonden, met behulp waarvan hij de kaken beweegt. Deze bezitten een ongeloofelijke kracht. De neus is plat, het voorhoofd wijkt achterwaarts; de hersens zijn, zooals wij reeds hebben opgemerkt, gering en onvolmaakt; daarentegen zijn zijne armen, die tot aan de knieën reiken, zeer sterk; de onderste ledematen zijn te kort, maar nochtans welgevormd; het voorste gedeelte van den voet is niet naar behooren ontwikkeld, zoodat het dier niet lang rechtop kan blijven staan; zijn geheele lichaam is met zwart glad haar begroeid.
De zwarten zijn voor dezen monster-aap zeer bevreesd; in hunne sagen en vertellingen en in hun bijgeloof speelt hij een groote rol. Hij is echter volstrekt geen verscheurend dier, en het schijnt, dat hij eerst dan den mensch aanvalt, als deze zich vijandig tegen hem gedraagt. De jager kan hem van zeer nabij naderen; maar als zijn schot het dier niet op de plaats doodt, is hij onherstelbaar verloren. Het schijnt dat het leven dit schijnbaar zoo forsche lichaam zeer ras verlaat; alle gorilla’s, die Griffon du Bellay gezien heeft, waren aan wonden gestorven, die den dood van een mensch zeker niet ten gevolge zouden gehad hebben. Een eigenaardige vorming van de keelholte is oorzaak dat deze aap zijne stem verschrikkelijk kan uitzetten; het geschreeuw van een jongen gorilla komt volkomen met dat van een kind overeen, en op het eerste gezicht zou men, als hij niet met haar was bezet, zulk een gorillaatje met een jongen neger kunnen verwarren. Het is nooit gelukt zulk een jong dier groot te brengen en tam te maken; en het is bijna onmogelijk een volwassen gorilla levend te vangen.
De olifant dezer streken heeft buitengewoon sterk ontwikkelde tanden. Onze gravure op bladzijde 56, die den zwarten koopman in elpenbeen Wassengo voorstelt, geeft er een proeve van. Van al de verschillende stammen leveren de Pahuins tegenwoordig het meeste ivoor. Vroeger, toen zij voor het eerst aan de Como kwamen, oefenden zij voor rekening der Bakalaïs de jacht uit, die hen dan ook van geweren voorzagen; zij moesten de tanden afleveren, maar mochten het vleesch voor zich behouden. Heden ten dage hebben zij zelven schietgeweren, en behouden den door hen op de jacht gemaakten buit voor zich. De Pahuin is tot in de kleinste bijzonderheden met al het eigenaardige van den olifant bekend, die bij troepen in de bosschen leeft, en zich vrij algemeen in dezelfde streek ophoudt. Men legt een soort van drijfjacht aan, jaagt de dieren op, en regelt alles daarbij zóó behendig, dat zij in een betrekkelijk kleine ruimte bijeen schuilen, die dan met slingerplanten en struiken omringd wordt. Zulk een soort van omrastering kan natuurlijk de olifanten niet tegenhouden, zoodat zij die dan ook gemakkelijk breken; maar zij levert toch een tijdelijke opsluiting van deze dieren op, en te bekwamer tijd grijpt er nu een aanval met lansen en geweren plaats. Soms worden olifanten ook vergiftigd, en ook wel in vallen gevangen, of door middel van een eigenaardig geplaatsten grooten spitsen balk verslagen. Deze balk wordt in het woud aangebracht op zeker punt, dat de olifant op zijne vlucht onvermijdelijk moet aanraken; het hout valt dan naar beneden en verplettert de ruggegraat.
De Franschen schijnen met blijdschap te zien dat de Pahuins de kust al meer en meer naderen. Wat zij echter ten bate huns lands met zulke luie barbaren moeten aanvangen, is ons alles behalve duidelijk. Zij zullen lang geen vredige onderdanen zijn, maar bondgenooten, die slechts met moeite in toom gehouden worden. Doorgaans doen zij zich tamelijk zacht en gastvrij voor, maar hun aard is verre van te vertrouwen en hoogst onstandvastig. En al bezitten zij een zekere geestkracht, gelijk overigens bij de zwarten maar zelden voorkomt, toch blijven zij voor de beschaafder wereld volslagen onbruikbare broeders.
EEN TOCHT OP DEN OGOBAÏ NAAR DE HEILIGE EILANDEN IN HET IONANGA-MEER.
In het jaar 1862 werden de opperhoofden aan kaap Lopez, door verdrag, de onderdanen van Frankrijk. Genoemd voorgebergte ligt tusschen de evenachtslijn en den eersten graad zuiderbreedte, in de delta, die door de verbreeding en het uiteenwijken der mondingen van den Ogobaï gevormd wordt. Die rivier was toenmaals nog slechts zeer weinig bekend. Haar noordelijke delta-arm, Nazaré geheeten, werd toen geheel fransch. De bevelvoerende admiraal wilde er alzoo de vlag van zijn land toonen, de rivier laten onderzoeken, en zoo mogelijk nagaan of tusschen dezen stroom en de nevenstroomen van den Gabon ook eene verbinding bestond. De luitenant ter zee Serval ondernam dezen tocht met den „Pionier”, en Griffon du Bellay vergezelde hem.
Op den 18den Juli, midden in het droge jaargetijde, bereikten zij de Nazaré, die meer dan zes voet gevallen was en nog altijd lager werd; den volgenden morgen zat de Pionier, ongeveer zestig mijlen van den ingang, op een zandbank vast, hoewel reeds in den Ogobaï zelf. De in de moerassige streken langs de oevers sterk voorttelende mangrove-struiken waren hier verdwenen; en daarvoor in de plaats had men den pandarus en de yuka’s, ook oliepalmen en enimbas, kortom den geheelen weelderigen planten-wasdom, gelijk wij dien hierboven geschetst hebben. De rivier was als het ware met eilanden en zandbanken bezaaid, en het gelukte slechts na groote inspanning, den Pionier weder vlot te krijgen. Op ongeveer zestien mijlen afstands lag het dorp Dambo, dat men met het schip bereikte; maar verder kon men het met het vaartuig ook niet brengen: het zou anders tot het volgende regensaizoen stil hebben moeten blijven liggen.
Den reizigers schoot dus niets anders over dan een kano voor hunne verdere tochten te bezigen. Het spreekt echter van zelf, dat zij op deze wijze slechts langzaam vorderden en van de luimen der inboorlingen afhankelijk waren.
Het opperhoofd in Dambo droeg den naam van Ngowa Akaga; hij scheen welwillend gezind en bracht des avonds een bezoek op den „Watanga” d.i. het groote schip der blanken. Zijne verbazing over al wat hij zag was evenwel niet zeer groot, en in zijne loftuitingen was hij dan ook slechts karig, hetgeen trouwens niet zoo kwaad was, omdat de zwarte steeds naar het bezit haakt van wat hij prijst. Hij schonk den reizigers eene zijner grootste prauwen benevens eenige matrozen. Daarmede vingen deze den tocht aan, die drie volle weken duurde, en waarop zij slechts zelden eenige rust genoten.
Gewoonlijk werd ’s morgens vroeg opgebroken, op het heetst van den dag bij eenig dorp aangelegd, ’s avonds weder voortgeroeid en op de eerste de beste plaats overnacht. Aan de oevers waren de bewoners rechts en links in beweging; zij waren zeer nieuwsgierig, en niet minder begeerig naar geschenken. Ieder opperhoofd maakte aanspraak op een bezoek der blanken; veronachtzaming was beleediging. Zonder het te bemerken was men op die wijze het groote dorp Arumbe voorbijgeroeid en rustte iets verder stroomopwaarts uit, toen een half dozijn booten met gewapenden de blanken naderde. Men verlangde van de Europeanen dat zij zouden terugkeeren. Bijna gelijktijdig verscheen eene flotille uit een ander, hoogerop gelegen dorp. In het eerst dreigde deze ontmoeting gevaarlijk te worden; maar toen men den inboorlingen had getracht te beduiden, dat de bezoekers niets vijandigs in den zin hadden, kwam men overeen dat al de tusschenliggende eilanden zouden worden aangedaan, en dat elk dorp, en dus ook Arumbe, de eer zou genieten van een bezoek.
De Europeanen bezochten achtereenvolgens Gamby, Atschanka en Iganeh, wier bevolking van de kustbewoners afstamde, die langs den zuidelijken rivierarm meer landwaarts waren opgevaren, terwijl die van Dambo en Arumbe, blijkbaar met de Gabonezen verwant, langs den noordelijken arm, den Nazaré, hunne tegenwoordige woonplaatsen bereikt hadden.
De reizigers bevonden zich thans te midden van den stem der Galos. Deze stam is de voornaamste van den Ogobaï; hij schijnt aan de overige stammen niet verwant te zijn, ofschoon allen nagenoeg dezelfde taal spreken.
Met den landbouw bleek het hier eveneens gelegen als in Gabon, ofschoon er enkele tabaksplanten groeiden, die uit Congo afkomstig waren, maar van wier bladen de inboorlingen het gebruik niet kenden. Overigens is het bebouwen van den grond er eene groote zeldzaamheid; slechts nu en dan wordt hij een weinig omgewoeld en bezaaid. De bevolking kent geen enkel metaal, zelfs het ijzer niet. Zij verkrijgt hare wapenen en werktuigen door tusschenkomst van de kooplieden aan de kust, van de schepen en faktorijen der Europeanen, of van de oostelijk wonende Ascheba’s, die, even als de Fans, de kunst verstaan om het ijzer te smelten en te bewerken.