Faust: Dramatisch dichtstuk van Goethe [deel 1]
Part 7
Terwijl de heks gramstorig en vol ontzetting terugtreedt.
Herkent ge, ribbekast, oud vel, Uw meester niet? Zeg, totebel! Wat let me, spooksel, of ik trap U en uw kattenboel tot pap! Zal ’t roode wambuis u niet zeggen wie ik ben? Mijn haneveer mijn stand verbloemen? Verberg ik mijn gelaat, dat men mij niet herkenn’? Moet ik misschien mijn naam nog noemen?
DE HEKS.
O Heer, vergeef mijn lompen groet! Maar waar is dan uw paardenvoet? Waar hebt ge uw raven dan gelaten?
MEPHISTOPHELES.
’k Hoû thans hiermede mij tevreên; Want zeker, ’t is al lang geleên, Sinds we eens te zamen mogten praten. Ook de beschaving, die thans iedre feil bedekt, Heeft tot den droes zich uitgestrekt; Het oude duivelbeeld is thans niet meer te aanschouwen Waar ziet men horens, staart en klaauwen? En wat den voet betreft, dien ik niet missen kan, Die zou aan vele lieden stuiten: Daarom bedien ik mij, als menig deftig man, Sinds jaren reeds van valsche kuiten.
DE HEKS, dansende.
Zin en bewustheid begeven mij schier; ’k Zie nu het jonkertje Satan weêr hier!
MEPHISTOPHELES.
Noem mij zoo niet, wijf, en maak geen getier!
DE HEKS.
Waarom? Wat heeft de naam u dan gedaan?
MEPHISTOPHELES.
Hij is reeds lang naar ’t fabelboek verdreven. Maar toch, de mensch is er niet beter aan: Is hij den booze kwijt, de boozen zijn gebleven. Noem mij maar “heer baron!” Zoo is mijn titel goed. Ik ben een edelman, als andren die zoo heeten. Gij twijfelt toch niet aan mijn edel bloed? Zie, dit ’s mijn wapen, zoo als gij zult weten!
Hij maakt een onvoegelijk gebaar.
DE HEKS, in lagchen uitbarstende.
Ha! ha! dat is ulieder aard! Gij zijt een schalk, als ge altijd waart.
MEPHISTOPHELES tot Faust.
Dit ’s de manier, leer ’t wel verstaan, Om met die heksen om te gaan.
DE HEKS.
Zegt, heeren, waarmeê ’k u nu dienen kan!
MEPHISTOPHELES.
Met een goed glas—gij zelf weet wel waarvan. Alleen moet ik van d’ oudsten thans verwachten; De jaren toch verdubbelen zijn krachten.
DE HEKS.
Zeer gaarne. Zie, hier is een flesch, Waaruit ik zelf mijn dorst wel lesch, En die ook niet in ’t minste stinkt. Ik wil u gaarne een glaasje geven.
Zacht tot Mephistopheles.
Maar als nu deze man onvoorbereid het drinkt, Dan kan hij, zoo gij weet, geen enkel uur meer leven.
MEPHISTOPHELES.
Het is een goede vriend, dien ik bij u onthaal; Ik gun hem gaarne ’t beste van uw keuken. Trek uwen kring, spreek uwe spreuken, En schenk hem maar een vol bokaal.
De heks trekt met vreemde gebaren een kring, en plaatst er allerlei wonderlijke dingen in. Intusschen beginnen de glazen te klinken, de ketel te razen en alles muziek te maken. Eindelijk komt zij met een groot boek voor den dag, plaatst in den kring de meerkatten, die haar tot lessenaar dienen en een fakkel voor haar moeten vasthouden. Zij wenkt Faust om bij haar te komen.
FAUST tot Mephistopheles.
Nu zeg mij, wat moet dit beduiden, Die zotteklap, die razende geluiden, Dat goochelspel met pot en pan? Ik ken dat, en ik walg er van.
MEPHISTOPHELES.
Och kom! Wat valt daaraan te laken? Heb daarvoor nu niet zooveel schroom; Zij moet, als arts, wat hokuspokus maken, Opdat het vocht u wel bekoom’.
Hij wenkt Faust om in den kring te treden.
DE HEKS begint met groote emphase uit het boek te declameeren.
Wil goed verstaan! Maak tien uit een, Laat twee dan gaan, En drie meteen. Maak dit gelijk, Dan zijt gij rijk. Dat vier nu wijk’ Uit zes en vijf, Zoo zegt het wijf; Maak acht en zeven; Dan wordt het even. En tien is geen, En negen een: Dat is het heksen-eenmaal-een!
FAUST.
Mij dunkt, dat wijf spreekt als in waan!
MEPHISTOPHELES.
Dat is vooreerst nog niet gedaan: Zoo luidt het heele boek; ik ken die zaak, En heb veel tijd daarmeê verloren; Want een volkomen tegenspraak Klinkt wijz’ en dwazen als orakeltaal in de ooren. De kunst is oud en nieuw, hoe men ’t bezie; ’t Was steeds gebruik bij Christen, Jood en Heiden, Door drie en een, en een en drie, Bedrog voor waarheid te verspreiden. Zoo snapt en leert men ongestoord; De gekken laat men rustig kallen; Meestal gelooft de mensch, schoon hij slechts woorden hoort: Er moet daarbij toch iets te denken vallen.
DE HEKS vervolgt.
De hooge kracht Van wijsheids magt Blijft menigeen verborgen; Kwakzalverij Ontvangt haar vrij; Zij krijgt haar zonder zorgen.
FAUST.
Wat kraait ze ons toch voor onzin voor! Mijn hoofd dreigt mij kapot te breken. Mij dunkt, ik hoor een razend koor Van honderdduizend gekken spreken.
MEPHISTOPHELES.
Genoeg, genoeg, voortreflijke Sibylle! Geef thans uw drank eens hier, en vul nu, mij ten wille, De schaal terstond tot aan den rand! Want deze drank zal aan mijn vriend niet schaden; Hij is een man van vele graden En wees nooit beker van de hand.
De heks schenkt met vele ceremoniën den drank in eene schaal; zoodra Faust haar aan den mond brengt, slaat er eene ligte vlam uit.
Drink maar gerust; het kan geen kwaad; ’t Zal voor uw hart noch zuur noch wrang zijn: De duivel is uw kameraad, En zoudt gij voor de vlam dan bang zijn?
De heks ontbindt den kring. Faust treedt er uit.
MEPHISTOPHELES.
Kom! laat ons nu naar buiten spoên!
DE HEKS.
Moge u de nasmaak steeds behagen!
MEPHISTOPHELES tot de heks.
En kan ik soms voor u iets doen, Gij hebt mij ’t op Walpurgis slechts te vragen.
DE HEKS.
Hier is een lied; als gij ’t somwijlen zingt, Zal een bijzondre werking u beheeren.
MEPHISTOPHELES tot Faust.
Kom nu maar meê, of ’t zou u deren; Gij moet noodwendig transpireeren, Opdat de kracht door heel uw wezen dringt. In d’ eedlen lediggang leer ik daarna u voegen, En dan gevoelt ge ras met innerlijk genoegen, Hoe zich Cupido roert en heen en weder springt.
FAUST.
Laat me in den spiegel even nog aanschouwen Het beeld, dat zich aan mijnen blik kwam biên.
MEPHISTOPHELES.
Neen, neen! Gij zult het pronkjuweel der vrouwen Heel spoedig levend voor u zien.
Zacht.
Gij ziet, met dezen drank in ’t lijf, Een Helena in ieder wijf.
Eene straat.
FAUST. MARGARETA, voorbijgaande.
FAUST.
Mijn schoone juffer... Wil niet vreezen!.... Mag ik wel uw geleider wezen?
MARGARETA.
Ik ben geen juffer, ook niet schoon, En vind alleen wel ’t huis waar ’k woon.
Zij maakt zich los en gaat heen.
FAUST.
Verduiveld, wie dat meisjen is! Iets schooners heb ik nooit gezien. Ze is deugdzaam, zedig, ja gewis, En ook wat spijtig bovendien. Haar koontje bloost, haar oog gebiedt; Mijn leven lang vergeet ik ’t niet. Dat zij zoo ras zich van mij wendt, Staat diep mij in het hart geprent; En, wat nog alles overtrof, Zij was al bijster kort van stof.
MEPHISTOPHELES treedt op.
FAUST.
Gij moet dat meisje mij bezorgen!
MEPHISTOPHELES.
Wie meent ge?
FAUST.
Zij ging juist voorbij.
MEPHISTOPHELES.
Die daar? Zij was bij haar’ pastoor deez’ morgen; Hij sprak het kind van alle zonden vrij; Ik sloop den biechtstoel rakelings voorbij. Het is een zeer onschuldig ding, Dat zonder reên ter biechte ging. Geen magt bezit ik over haar.
FAUST.
Ze is toch reeds meer dan veertien jaar?
MEPHISTOPHELES.
Gij spreekt zoo als een lichtmis doet, Dien ieder bloempje zet in gloed, En meent dat eer noch gunst bestaat, Die zich door hem niet plukken laat. Maar altijd gaat dat toch niet aan.
FAUST.
Hoor, vriend! gij moet mij goed verstaan! Houd voor uzelf uw zedepreêken, En dit zeg ik u kort en goed: Als gij niet heden aan mijn wensch voldoet, Zal ’k morgen ons contract verbreken.
MEPHISTOPHELES.
Zoo’n haast niet, vriend! Waar wil dat heen? ’k Behoef meer dan een week alleen Om een gelegenheid te zoeken.
FAUST.
Had ik slechts zeven uren vrij, ’k Behoefde niet uw kunstnarij, Om zulk een meisje te verkloeken.
MEPHISTOPHELES.
Gij spreekt reeds als een Don Juan; Maar ’k bid u toch, laat af daarvan! Wat helpt u dadelijk genieten? Het zou u al te ras verdrieten. Eerst dient met zorg en veel beleid Zoo’n lekkerbeetje goed bereid, Gekneed en smaaklijk toegerigt: Dit leert ons menig Fransch gedicht.
FAUST.
Dat ’s iets, wat niet ter zake doet; Wilt gij mij helpen, maak dan spoed!
MEPHISTOPHELES.
Thans zonder gekheid, kort en goed! ’t Zal, vriendlief, wat hier dient gedaan, Geloof mij, zoo op eens niet gaan. Met haast is hier niets uit te rigten; Slechts list kan onze taak verligten.
FAUST.
Bezorg me iets van mijne engelin, Of breng mij hare woning in; Bezorg me iets van mijn waarde pand, Al ware ’t maar een kouseband.
MEPHISTOPHELES.
Opdat gij zie, dat ik uw pijn Zoo veel ik kan wil dienstbaar zijn, Zult gij, ’k beloof het u, nog heden Met mij haar kamertje betreden.
FAUST.
En zal ’k haar zien? Omhelzen?
MEPHISTOPHELES.
Neen!
Ze is uit. Intusschen kunt ge alleen, Om u in ’t geen er volgt te schikken, In haren dampkring u verkwikken.
FAUST.
Gaan we er nu heen?
MEPHISTOPHELES.
’k Ben nog niet klaar.
FAUST.
Denk ook aan een geschenk voor haar!
Vertrekt.
MEPHISTOPHELES.
Reeds schenken? Goed! dan laat zij zich gezeggen. Ik ken een schoone plek of wat En menig daar begraven schat; Ik moet een weinig overleggen.
Een zindelijk kamertje. Het is avond.
MARGARETA, terwijl zij haar hoofdhaar vlecht en opbindt.
Wie of die heer toch wezen mag, Die mij van morgen tegenkwam? Hij is zoo knap, als ’k immer zag, En wis ook van een eedlen stam: Dat kon ik op zijn voorhoofd lezen; Geen ander zou zoo vrij ook wezen.
Vertrekt.
MEPHISTOPHELES en FAUST komen binnen.
MEPHISTOPHELES.
Kom in maar! Zachtjes! Hier nu heen!
FAUST, na eenig stilzwijgen.
Ik bid u, laat mij thans alleen!
MEPHISTOPHELES, rondziende.
Neen, netter woning is er geen.
Vertrekt.
FAUST.
Wees welkom, zoete schemering, Gij, die dit heiligdom doorzweeft! Doordring me, o minbetoovering, Die van den dauw der hope leeft! Hoe ademt alles stil gevoelen Van orde, van tevredenheid In deze hut, bevrijd van woelen, In deze hut vol zaligheid!
Hij werpt zich op een lederen stoel bij het bed.
O neem mij op, die van het aanbegin, Bij vreugde en smart, zoo velen hebt ontvangen! Hoe vaak heeft in deez’ troon van oudermin Een schaar van kindren om u heen gehangen! Misschien heeft, dankbaar en naar hartelust, Mijn liefje hier, met volle kinderwangen, Haar’ voorzaat vroom de stramme hand gekust. Ik voel, o meisje, ’k voel den geest, die u beheert, Den geest van orde mij omzweven, Die moederlijk u daaglijks leert Het tafeldoek te spreiden ongedeerd, Ja, ’t vloerzand deed tot kleine bloempjes weven. O meisje, d’ engelen gelijk, De hut wordt door uw hand een hemelrijk! En hier—
Hij schuift de bedgordijn open.
O welk gevoel grijpt me aan En heeft mijn zinnen ingenomen! Natuur, hier deedt ge in zoete droomen Een engel op deze aarde ontstaan! Hier lag het kind, den teedren boezem Met levenswarmte mild bedeeld, En hier, uit dezen reinen bloesem, Onthulde zich het godenbeeld.
En gij! Wat heeft u hier gevoerd? Hoe innig voel ik mij geroerd! Wat wilt gij hier? Wat drukt uw hart zoo neêr? Armzaalge Faust! ik ken u zelf niet meer.
Ben ’k hier weêr in een tooverkring gevlugt? Ik had een drang om daadlijk te genieten, En voel dien in een liefdedroom vervlieten! Zijn wij een spel van elken druk der lucht?
En als zij hier nu binnentrad, Hoe zoudt gij voor uw wandaad boeten! Gij, Faust, hoe ge ook uzelven schat, Laagt dan vernietigd aan haar voeten!
MEPHISTOPHELES.
Toe gaauw! Ik zie haar ginder komen.
FAUST.
Ik blijf; vertrek gij maar alleen.
MEPHISTOPHELES.
Hier is een kistje; ’t is wel kleen, Maar de inhoud is zeer ongemeen; Ik heb ’t van elders weggenomen. Daar! Zet het nu in gindsche kast; Ik zweer u, haar vergaan de zinnen, Als zij door d’ inhoud wordt verrast; Een andren schat zult ge er meê winnen. Och, kind is kind, en spel bedrog.
FAUST.
Ik weet niet; zou ’k....
MEPHISTOPHELES.
Wat vraagt gij toch! Wilt gij misschien den schat bewaren? Dan raad ik u, tot ons profijt, Uzelv’ den kostelijken tijd En mij de verdre moeite te besparen. Ik hoop niet dat gij gierig zijt? Ik krab mij ’t hoofd, wrijf mij de leden....
Hij plaatst het koffertje in de kast, en sluit deze weder.
Kom nu gezwind, Om ’t jonge kind Naar uwen wensch en wil te kneden; En gij beschouwt de gansche zaak Als een professor, bij ’t aanvaarden van zijn taak In physiologie of metaphysica. Ik ga nu; kom en volg mij na!
Zij vertrekken.
MARGARETA, met eene lamp.
Wat is het drukkend hier en zoel!
Zij opent het venster.
En buiten is het toch zoo koel! Ik weet niet, hoe ’k zoo angstig kom. Och, kwam mijn moeder maar weêrom! Mij loopt een rilling door de leden; Ik huiver, en toch zonder reden.
Zij begint te zingen, terwijl zij zich ontkleedt.
Daar was in Thule een koning, Getrouw tot aan het graf, Wien stervend zijn beminde Een gouden beker gaf.
Het was zijn dierbaarst kleinood, Waarin men wijn hem schonk; Hem werden de oogen vochtig, Zoo vaak hij daaruit dronk.
En eindlijk, bij zijn scheiden, Doorliep hij zijn gebied: Hij gunde veel zijn’ erven, Maar toch den beker niet.
Hij zat aan ’t hoofd der ridders, Bij feesten, ieder keer, In ’t slot, dat met zijn tinnen Zich ginds verheft bij ’t meer.
Daar stond nu de oude drinker; Hij slurpte nieuwen gloed, Nam toen op eens den beker En wierp hem in den vloed.
Hij zag den beker vallen, En hoe hij nederzonk; Daarop sloot hij zijne oogen: Het was zijn laatste dronk.
Zij opent de kast, om hare kleederen te bergen, en ziet het juweelkoffertje.
Hoe komt dit koffertje hierin? ’k Sloot toch de kast, naar ’k mij bezin! Wat zou wel de inhoud zijn? Maar wacht! ’t Is zeker hier als pand gebragt. Mijn moeder leende er op misschien. O zie! een sleutel is er bij! Nu moet ik toch eens even zien, Wat of wel de inhoud er van zij! Hoe? Kan ’k mijne oogen wel vertrouwen? Zoo iets mogt ik nog nooit aanschouwen. Een tooisel, waarmeê edelvrouwen Ter kerke op hoogtij konden gaan. Hoe zou mij wel dees keten staan? Wien zou dit pronksieraad behooren?
Zij doet het schielijk om, en treedt voor den spiegel.
En dan die ringen in mijne ooren! Zoo ziet men toch er anders uit! Wat helpt u schoonheid, jonge spruit! Zij baart u zeker geen verdriet; Maar dat is alles, meer ook niet. Men prijst u—maar ’t is met erbarmen. Naar ’t goud toch dringt, Naar ’t goud toch wringt Zich alles. Ach, wij armen!
Wandelplaats.
FAUST gaat in gedachten op en neder. MEPHISTOPHELES is bij hem.
MEPHISTOPHELES.
Bij alle blaauwtjes! Bij de helsche sulferbron! Wist ik iets ergers nog, dat ik vervloeken kon!
FAUST.
Wat deert u? Zeg! Van waar dat wild gebas? Zulk een gezigt zag ’k nooit mijn gansche leven!
MEPHISTOPHELES.
’k Zou mij terstond den duivel overgeven, Zoo ik de duivel zelf niet was.
FAUST.
Wat brengt uw hersens zoo aan ’t spoken? Gij stelt u aan of ge uit het dolhuis zijt gebroken.
MEPHISTOPHELES.
Denk eens! Het tooisel, waar uw Grete meê moest prijken, Daar is een paap meê heen gaan strijken! De moeder krijgt het ding te zien, En daadlijk ruikt ze lont misschien. Zij snuffelt, wil ze iets onderzoeken, Maar altijd in gebedenboeken, En weet, geloof ik, op de gis, Of iets profaan of heilig is, En aan het tooisel zag zij ras, Dat daarbij niet veel zegen was. “Mijn kind!” riep ze uit, “oneerlijk goed “Verblindt de ziel, bederft het bloed. “De Moeder Gods, zoo rijk aan gaven, “Zal ons met hemelmanna laven.” Margreet vertrekt haar lipje in ’t end: “’t Is,” dacht zij, “toch geen kwaad present, “En godloos waarlijk is hij niet, “Die mij aldus een tooisel biedt.” De moeder liet nu heerom komen; Maar dees had naauw de zaak vernomen, Of dacht: “Zie zoo! dat ’s binnen, vrind!— “’k Zie,” sprak hij, “men is welgezind; “Hij wint voorwaar, die overwint. “De kerk kan alles goed verdragen; “Zij staat voor struis- noch kemelmagen, “En al verslond ze ook heele landen, “Gaaf bleven toch hare ingewanden; “Al drukt een ander ’t op ’t gemoed, “De kerk verteert oneerlijk goed.”
FAUST.
Dat kan de kerk juist niet alleen, Maar koning, Jood en iedereen.
MEPHISTOPHELES.
Dat zij zoo ’t wil! De pater stak, Alsof het zoo van zelve sprak, Bedaard het koffertje in zijn zak, Beloofde haar het eeuwig licht, En beide waren zeer gesticht.
FAUST.
En Grete?
MEPHISTOPHELES.
Zij heeft rust noch duur, Verdiept zich in dit avontuur, Denkt aan het tooisel dag en nacht, Nog meer aan hem, die ’t heeft gebragt.
FAUST.
Haar kommer spijt mij inderdaad. Bezorg haar gaauw een nieuw sieraad; Het eerste was zoo mooi toch niet.
MEPHISTOPHELES.
’k Weet dat ge in alles speelgoed ziet.
FAUST.
En maak en rigt het naar mijn zin. Vervoeg u bij haar buurvriendin. Wees toch als duivel niet zoo flaauw, Maar breng een nieuw versiersel gaauw!
MEPHISTOPHELES.
Ik zal voor ’t een en ander zorgen.
Faust vertrekt.
Waarachtig, zoo’n verliefde kwant Steekt zon en maan en sterren morgen Tot tijdverdrijf voor ’t liefje in brand!
Het huis van de buurvriendin.
MARTHA alleen.
God moog’ ’t mijn goeden man vergeven, Maar dat is toch geen handlen, neen! Hij loopt als door den wind gedreven, En laat mij arme ziel alleen! En ik speelde altoos ja en amen; Wij hadden nooit een woord te zamen.
Zij weent.
Misschien is hij wel dood, mijn schat; Als ik nu maar zijn doodceêl had!
MARGARETA, binnenkomende.
Vrouw Martha!
MARTHA.
Wel mijn kind, wat is ’t?
MARGARETA.
Ik voel me aan al mijn leden beven. Bedenk maar eens! Ik vind zoo even Al wederom zoo’n kleine kist, Met halssieraad en andre praal, Veel mooijer nog dan de eerste maal.
MARTHA.
Zeg dat nu niet aan moeder weêr; ’t Gaat anders maar als d’ eersten keer.
MARGARETA.
O zie, en zeg mij hoe gij ’t vindt!
MARTHA.
Wat zijt gij een gelukkig kind!
MARGARETA.
Ik durf het evenwel niet wagen Zoo iets in ’t openbaar te dragen.
MARTHA.
Kom maar bij mij zoo veel ’t u lust, En tooi er u dan meê gerust. Gij wandelt dan eens op en neder En voor den spiegel heen en weder, En gij en ik, wij beide dan, Wij hebben regt pleizier er van. Dan moeten we ook eens menschen vragen, Waarbij ge eens dit of dat kunt dragen: Den ketting doet ge eens om, de paarlen eens in ’t oor; Maar moeder blijft er buiten, hoor?
MARGARETA.
Maar waar zijn toch, het schijnt wel droomen, Die koffertjes van daan gekomen?
Er wordt geklopt.
O, als dat eens mijn moeder was deez’ keer!
MARTHA.
Het is een vreemdeling.—Treê binnen maar, mijnheer!
MEPHISTOPHELES, binnentredende.
Ik moet u wel verschooning vragen, Dat ik mij zoo maar hier kom wagen!
Wendt zich eerbiedig tot Margareta.
Ik kom naar Martha Zwaardman informeeren.
MARTHA.
Ik ben ’t, mijnheer! wat is van uw begeeren?
MEPHISTOPHELES, zacht tot haar.
Ik ken u thans; dat was de reden van mijn vraag. Die dame wacht voornaam bezoek van daag. Vergeef de vrijheid, die ik heb genomen; ’k Zal tegen d’ avond wederkomen.
MARTHA.
Mijn kind! die heer—hoe kan ’t bestaan?— Noemt u een dame; denk eens aan!
MARGARETA.
Ik ben een arme, jonge bloed; Voorwaar, mijnheer is al te goed. Dees tooi behoort mij niet—o neen!
MEPHISTOPHELES.
Het is het tooisel niet alleen: Haar blik wekt eerbied en ontzag; ’t Verheugt mij dat ik blijven mag.
MARTHA.
Wat brengt u hier dan?
MEPHISTOPHELES.
’k Gaf wel wat, Zoo ik een blijder tijding had. Waarmeê ik hier u mogt ontmoeten! Uw man is dood en laat u groeten.
MARTHA.
Die trouwe ziel! Och, is hij dood? ’k Bezwijk; wie helpt me in dezen nood!
MARGARETA.
O, wanhoop niet, mijn goede vrouw!
MEPHISTOPHELES.
’k Verhaal u heel de zaak getrouw.
MARGARETA.
Ik wilde daarom nooit beminnen; ’t Verlies benam mij al mijn zinnen.
MEPHISTOPHELES.
Hij is nu in een veilge haven.
MARTHA.
Vertel mij van zijn sterven flus!
MEPHISTOPHELES.
Hij ligt te Padua begraven, Niet ver van Sint Antonius. Daar rust hij, die van smart bevrijd is, Nu op een plek, die wel gewijd is.
MARTHA.
Hebt ge anders niets voor mij en de arme weezen?
MEPHISTOPHELES.
Ja, één verzoek; ’t is groot ter deeg: Laat voor zijn ziel driehonderd missen lezen; En verder zijn mijn zakken leêg.
MARTHA.
Hoe? Zelfs geen potstuk, zelfs geen ring, Wat zelfs een handwerksman zich uit den mond bespaart, Tot nagedachtenis voor vrouw en kroost bewaart, Zoodat hij toch iets nalaat, hoe gering?
MEPHISTOPHELES.
Vrouw Martha! ’t spijt me; ik wil ’t wel weten, Maar hoor! zijn geld heeft hij niet weggesmeten. Hij treurde om zijn gebreken zeer, Ja, hij betreurde zelfs zijn ongeluk nog meer.
MARGARETA.
Ach, dat de menschen toch zoo ongelukkig zijn! Voor hem wordt door mij menig requiem gebeden.
MEPHISTOPHELES.
O, gij verdiendet wel terstond in d’ echt te treden; Gij zijt een zeer beminlijk maagdelijn.
MARGARETA.
Och neen; ik ben te jong nog voor een man.
MEPHISTOPHELES.
Wel nu! vooreerst een minnaar dan. Het is voorwaar een zielsverrukken, Zulk een lief ding aan ’t hart te drukken.
MARGARETA.
Dat is hier geen gebruik, mijnheer!
MEPHISTOPHELES.
Gebruik of niet, men ziet het meer.
MARTHA tegen Mephistopheles.
Vertel nu voort!
MEPHISTOPHELES.
Ik keek eens, toen ik bij zijn sterfbed zat; ’t Was weinig meer dan kaf of muffend hooi; Maar toch, hij stierf als Christen—dat was mooi— En vond, dat hij veel meer nog op zijn reekning had. “Hoe!” riep hij: “moet ik nu mijzelv’ niet haten? “Zoo maar mijn vrouw en kindren in den steek te laten! “Ach! die herinring blijft mij tot mijn laatsten snik. “Vergaf zij mij nu nog maar in dit leven!”
MARTHA, weenende.
Die goede man! Ik heb hem lang vergeven!
MEPHISTOPHELES.
“Maar zij had altijd veel meer schuld dan ik.”
MARTHA.
Dat liegt hij! Foei! zoo op den rand des grafs te spreken!
MEPHISTOPHELES.
’t Verstand was zeker reeds bij hem geweken; Zoo scheen het mij ten minste toe. “Ik moest,” sprak hij, “vroeg opstaan iedren morgen, “Eerst kindren helpen, dan voor ’t brood gaan zorgen, “Met wat daarbij behoort, al wist ik zelf niet hoe. “Ik kon niet eens met vreê mijn eigen portie eten.”
MARTHA.
Heeft hij zoo al mijn liefde en trouw vergeten, En mijn getob bij dag en nacht!
MEPHISTOPHELES.
O neen! Hij heeft daaraan wel degelijk gedacht; Hij sprak: “Toen ’k nu op weg naar Malta ging, “Toen bad ik voor mijn vrouw en kroost gestadig: “De Hemel was ons dan ook zoo genadig, “Dat ons fregat een schip der Turken ving, “Dat met een schat den sultan wou verrassen. “Wij namen ’t na een kort besluit, “En ik, zoo als ook wel zou passen, “Ontving mijn aandeel van den buit.”
MARTHA.
Maar zeg, waar bleef dat dan? Wat moet ik hier gelooven?
MEPHISTOPHELES.
Wie weet, waar ’t door den wind is heengestoven! Een schoone dame nam zich zijner aan, Toen hij te Napels eenzaam leefde en treurde; Zij heeft met liefde en trouw hem bijgestaan, Zoo als hij tot zijn zalig eind bespeurde.
MARTHA.
Die schelm! die dief van vrouw en kindren! Zelfs onze ellende en onze nood Kon zijn lichtmisserijen niet verhindren!
MEPHISTOPHELES.
Ja zie, daarom is hij nu dood. Wat me, in uw plaats, te doen thans overschoot: Ik rouwde een jaar nu en zes weken, Terwijl ik, vóór die tijd nog was verstreken, Eens rondkeek naar een nieuwen echtgenoot.
MARTHA.
Ach! een, zoo als mijn eerste was, Zal ik zoo ligt niet wedervinden! Ik kreeg wat hij me uit de oogen las. Alleen liep hij wat veel in kroegen met zijn vrinden; Ook mogt hij vreemde vrouwen wel En vreemden wijn, en dan dat dobbelspel!
MEPHISTOPHELES.
Nu, nu, dat gaat; en ’t zij hoe ’t zij, Als hij bij u ten naastenbij Niet minder door de vingers had te zien, Ik zweer u, dat ik dan misschien Uw tweede man wel wezen wou.
MARTHA.
Mijnheer schertst met mij, arme vrouw!
MEPHISTOPHELES, bij zichzelven.
Nu hier van daan! want zulke wijven zouden Den duivel zelf ook bij zijn woord nog houden.
Tot Margareta.
Maar zeg! hebt gij alreê bemind?
MARGARETA.
Wat meent mijnheer daarmeê?
MEPHISTOPHELES, bij zichzelven.
Dat goed, onschuldig kind!
Overluid tegen de vrouwen.
Vaarwel!
MARGARETA.
Vaarwel!
MARTHA.
O, zeg eens even nog gezwind: ’k Had gaarne van mijn man een doodceêl, om te staven, Waar en wanneer hij is gestorven en begraven. Ik ben in orde altijd een ander voorgegaan. ’k Had graag ook, dat het in de krant mogt staan.