Faust: Dramatisch dichtstuk van Goethe [deel 1]
Part 6
Heel goed; maar daarom niet van angst bezweken; Want waar begrip en zin ontbreken, Daar valt het woord ons in te regter tijd. Een bol is ’t, die met woorden strijdt; Met woorden kan men alle haren kloven; Aan woorden laat zich ’t best gelooven; Geen jota kan men van een woord ontrooven.
LEERLING.
Vergeef me; ik hou u op met al dat vragen, Maar ’k moet toch nog van iets gewagen, ’k Zag gaarne nog door u vermeld, Hoe ’t met geneeskunst is gesteld. Een korte tijd toch is drie jaren, En ’t veld is naauwlijks af te staren; Dus, als ik maar een wenk ontvang, Dan heb ik al wat ik verlang.
MEPHISTOPHELES, bij zichzelven.
Die drooge toon begint mij te vervelen; ’k Moet maar eens weêr voor duivel spelen.
Overluid.
Geneeskunde? O, ’t is goed dat gij dat vraagt: Dat veld is maklijk te bezaaijen en te maaijen: Gij bestudeert den mensch, en laat het verder waaijen Zoo ’t God behaagt. ’t Is vruchtloos dat ge u wetenschaplijk plaagt: Een ieder leert slechts wat hij leeren kan; Hij echter, die slechts durft en waagt, Dat is de regte man. Gij zijt heel flink, als men u zoo beschouwt, En dat gij durft, wil ’k ook wel wedden: Als ge eerst nu maar uzelv’ vertrouwt, Zal zich al ’t andere wel redden. Tracht bovenal—hiermeê moet gij beginnen— Der vrouwen gunst te winnen. Nu scheelt haar dit, dan weder dat; Zij weten zelf niet hoe of wat. Geeft gij wat toe aan ieders luim, Dan hebt gij ze onder uwen duim. Eerst moet gij u haar kenbaar maken, Dat uwe kunst veel kunsten achterlaat; Dan vraagt gij haar naar deze en gene zaken, Waarbij een ander zich veel jaren lang beraadt. Voel haar den pols, en zie haar schalksch in de oogen; Vat haar om ’t midden dan, om, met haar leed bewogen, Te weten bij ervarenis, Of zij wel goed geregen is.
LEERLING.
Dat lijkt mij beter, naar ’k voorzie.
MEPHISTOPHELES.
Dor, vriend, is alle theorie, En groen de vruchtbre levensboom.
LEERLING.
Het is mij alles als een droom. Zou ik een andren keer—’k word als op nieuw herboren— Van uwe wijsheid niet wat meer nog mogen hooren?
MEPHISTOPHELES.
Wat ik vermag, zij gaarn gedaan.
LEERLING.
Ik kan onmooglijk nu reeds gaan. Zie hier mijn album; ’k zal nog even blijven, Opdat ge een spreuk daarin zoudt kunnen schrijven.
MEPHISTOPHELES schrijft iets in het album, en geeft het terug.
LEERLING leest.
Eritis sicut Deus, scientes bonum et malum. [6]
Hij slaat het boek vol eerbied toe, buigt zich, en vertrekt.
MEPHISTOPHELES.
Volg gij maar de oude spreuk en mijne nicht de slang, Dan wordt ge eens zeker voor uw Godgelijkheid bang.
FAUST treedt in eene modekleeding binnen.
Waar gaan wij nu naar toe?
MEPHISTOPHELES.
Waarheen gij zelf maar wilt. Wij zien de wereld, en hoe ’t groot van ’t klein verschilt. Veel zult ge bij dit alles leeren, En tevens regt u diverteeren.
FAUST.
Maar bij al ’t geen ’k als doctor weet Ontbreekt mij wat men “wereld” heet. ’t Loopt met de proeve vast abuis; ’k Was nimmer in de wereld thuis. Ik voel vooraf reeds angst en vreezen; ’k Zal met mijzelv’ verlegen wezen.
MEPHISTOPHELES.
Mijn vriend, waartoe die valsche waan? Steun op uzelv’, en ’t zal wel gaan.
FAUST.
Maar wat brengt ons naar noord of zuid? Waar hebt gij paarden, knecht en wagen?
MEPHISTOPHELES.
Wij spreiden slechts den mantel uit; Die zal ons door het luchtruim dragen. Doch neem bij deze stoute schrede Vooral niet veel bagage mede: Wat vuurlucht, dat ik zelf berei, Helpt ons van de aarde, ons allebei; En zijn wij ligt, dan zal het schielijk gaan. Veel heil nu op uw nieuwe levensbaan!
Auerbach’s wijnkelder te Leipzig.
EEN GEZELSCHAP VROLIJKE DRINKEBROÊRS.
KIKKERT.
Wil niemand drinken, niemand zingen? Dan zal ik u daar wel toe dwingen! Nu zit gij als versuft en lam, En anders zijt ge vuur en vlam.
BRANDER.
Dat ligt aan u; gij brengt niets voor den dag, Geen ui, geen grap, of wat het wezen mag.
KIKKERT werpt hem een glas wijn in het gezigt.
Daar hebt gij beide!
BRANDER.
Vuile hond!
KIKKERT.
Smaakt het u niet, hoû dan uw mond!
SIEBEL.
De deur uit wie niet zingt en drinkt En dadelijk met de andren klinkt! Hoezee! dat gaat u voor!
ALTMEIJER.
O wee, ik ben verloren! Hoû op, of anders barsten nog mijne ooren!
SIEBEL.
Wanneer ’t weêrgalmt van onzen Wijn-Parnas, Voelt men eerst regt den grondtoon van den bas.
KIKKERT.
Zoo is ’t. De deur uit wie de vreugde stremt! Vifalderaldera!
ALTMEIJER.
Vifalderaldera!
KIKKERT.
De kelen zijn gestemd.
Zingt.
Het lieve, heilge Roomsche rijk, Hoe blijft het nog zoo hangen!
BRANDER.
Een ander lied! Dank God maar ieder morgen, Dat gij niet hebt voor ’t Roomsche rijk te zorgen. ’k Ben blij dat ik, zoo ’k gul beken, Noch kanselier noch keizer ben. Maar ’t moet ons aan geen opperhoofd ontbreken: Wij kiezen dus een paus of deken. Gij weet toch welk een rang hij heeft, Die in een zaak den uitslag geeft.
KIKKERT zingt.
Ontplooi uw vlerken, nachtegaal, En groet mijn liefje duizendmaal!
SIEBEL.
Weg met uw liefje en groet; ik wil daar niets van hooren.
KIKKERT.
Wilt gij dat niet? Wel nu, stop dan maar beide uw ooren.
Zingt.
Open, liefje! ’t Is nu nacht. Open, liefje! Uw minnaar wacht. Sluit nu, liefje, stil en zacht!
SIEBEL.
Ja, zing maar voort; zeg dat gij naar haar smacht: Hij lacht het best, die ’t laatste lacht. Zoo ’t mij eens ging, zal ’t u ook gaan. Tot minnaar wensch ik haar een baviaan: Dien moge zij haar gunsten schenken; Misschien is hij daarmeê vereerd. Een oude bok, die van den Bloksberg keert, Moge in galop nog goeden nacht haar wenken. Een brave kerel, van echt vleesch en bloed, Is voor die deerne veel te goed. ’k Wil van geen andre groeten weten, Dan dat haar glazen wierden ingesmeten.
BRANDER, op de tafel slaande.
Pas op! Hoor wat ik u gebied! Bekend is, dat ik weet te leven, ’t Ontbreekt hier aan verliefden niet, En dezen moet ik nu een lied Tot een besluit ten beste geven. Geef acht! Een lied van nieuwe sneê, En zingt den laatsten regel meê.
Zingt.
Daar was een rat in ’t keldernest; Zij hield veel van gepeuzel, En had zich dik en vet gemest Met boter, spek en reuzel. Vergift bragt eindelijk haar de meid: Toen kromp ze ineen van narigheid, Als iemand, die verliefd is.
KOOR.
Als iemand, die verliefd is.
BRANDER.
Zij liep benaauwd deur in, deur uit, En kroop in alle hoeken; Zij slaakte een akelig geluid, En wist niet, waar ’t te zoeken. Zij sprong van angst nu hier, dan daar, En maakte een vreemd en wild gebaar, Als iemand, die verliefd is.
KOOR.
Als iemand, die verliefd is.
BRANDER.
Ja, eindlijk, midden op den dag, Kwam ze in de keuken loopen, Viel neêr bij ’t vuur, en moest het, ach! Nu met den dood bekoopen. Toen riep al lagchend nog de meid: “Zie daar! Zij sterft van narigheid, Als iemand, die verliefd is!”
KOOR.
Als iemand, die verliefd is.
SIEBEL.
Wat maakt dat volkje daar een leven! Het is ook al een heele kunst, Een arme rat vergift te geven!
BRANDER.
Die beesten staan bij u wel zeer in gunst!
ALTMEIJER.
Die dikzak, met zijn kalen knikker, Vindt in dit lied zich niet gestreeld: In een gezwollen rat of kikker Ziet hij zijn eigen evenbeeld.
FAUST en MEPHISTOPHELES komen binnen.
MEPHISTOPHELES.
Ik moet nu, vóór alle andre dingen, U brengen in fideele kringen, Opdat ge van uw somberheid geneest. Dit volkje hier viert ieder dag een feest. Vrij plat, maar met veel zelfbehagen, Draait elk zich in zijn eigen cirkel rond, Als om zijn staart een jonge hond. Zoo zij niet over hoofdpijn klagen En hun de waard maar verder borgt, Zijn ze opperblij en onbezorgd.
BRANDER.
Kijk, dat zijn waarlijk vreemde snaken! Men ziet het aan hun bleeke kaken, Zij zijn vast nog geen uur in stad.
KIKKERT.
Gij hebt gelijk. Hoor! Leipzig is een schat, Een klein Parijs; men kan er zich beschaven.
SIEBEL.
Waarvoor ziet gij die vreemdelingen aan?
KIKKERT.
Bij een glas wijn—laat mij maar eens begaan!— Trek ik, gelijk een kindertandje, De wurmen uit den neus van zulk een kwantje. Het zijn voorzeker groote liên; Men kan het aan hun trotsche houding zien.
BRANDER.
Kwakzalvers zijn het, durf ik wedden!
ALTMEIJER.
Misschien.
KIKKERT.
Laat mij dat eens beredden!
MEPHISTOPHELES tot Faust.
Den duivel ruikt dat volk niet gaauw, Al had hij ’t ook reeds in zijn klaauw.
FAUST.
Gegroet, mijnheeren!
SIEBEL.
Dank tot wedergroet!
Zacht, terwijl hij Mephistopheles van ter zijde aanziet.
Wat! Hinkt die vent op d’ eenen voet?
MEPHISTOPHELES.
Is ’t ook veroorloofd ons bij u te voegen? Daar hier de wijn niet best is, naar ’k bespeur, Vergoedt uw bijzijn dit genoegen.
ALTMEIJER.
Gij schijnt mij een verwend sinjeur.
KIKKERT.
Ge hebt vast laat het galgeveld verlaten. Hebt gij met Hans nog gesoupeerd misschien?
MEPHISTOPHELES.
Wij hebben hem op onze reis gezien, En mogten toen nog even met hem praten. Op u, zijn neven, heeft hij braaf gepocht; Veel groeten heeft hij ons aan u verzocht.
Hij maakt eene buiging tegen Kikkert.
ALTMEIJER zacht.
Die vent is bij de hand!
SIEBEL.
’t Ontbreekt hem niet aan praats.
KIKKERT.
Wacht maar! Ik zet hem daadlijk op zijn plaats.
MEPHISTOPHELES.
Wij hoorden straks, bedrieg ’k mij niet, Gezang van wakkre mannenkoren: Voorzeker moet een lustig lied In dit gewelf zich goed doen hooren.
KIKKERT.
Zijt ge ook een virtuoos? een man van ’t vak?
MEPHISTOPHELES.
Helaas! Mijn lust is groot, al zijn mijn krachten zwak.
ALTMEIJER.
Zing eens een lied!
MEPHISTOPHELES.
’k Voldoe volgaarne aan uw verlangen.
SIEBEL.
Maar splinternieuw en flink en vlug!
MEPHISTOPHELES.
Wij komen pas uit Spanje hier terug, Het schoone land van druiven en gezangen.
Zingt.
Daar was ereis een koning, Die had een groote vlooi.
KIKKERT.
Wat zegt ge daar? Een vlooi? Hoe komt die hier te pas? Zoo’n onderwerp is me al te kras!
MEPHISTOPHELES zingt.
Daar was ereis een koning, Die had een groote vlooi; Hij mogt haar gaarne lijden En vond haar o zoo mooi! Toen riep hij eens zijn snijder; Die kwam in een fourgon. “Meet gaauw dien jonker kleêren, “En ook een pantalon!”
BRANDER.
Vergeet maar niet den man op ’t hart te drukken, Dat hij goed meet en knipt en rijgt, Opdat, zal alles wel gelukken, De pantalon geen plooijen krijgt.
MEPHISTOPHELES.
En in fluweel en zijde Was nu de vlooi gedost; Ook had ze een ridderkruisje, Maar nog geen hoogen post. Toen werd ze op eens minister, En droeg een groote ster; Nu bragten ook haar broêrtjes Het aan het hof zeer ver.
En al wat aan het hof was Werd even zeer geplaagd, De prinsen en prinsesjes Gestoken en geknaagd. Toch durfden zij niet kikken, Maar lieten ze begaan. Als ons een vlooi komt steken, Dan is ’t met haar gedaan!
KOOR, juichend.
Als ons een vlooi komt steken, Dan is ’t met haar gedaan!
KIKKERT.
O bravo! bravo! dat was mooi!
SIEBEL.
Zoo ga ’t voortaan ook ieder vlooi!
BRANDER.
Spits de vingers en pak ze beet!
ALTMEIJER.
Maar dat men nu niet den wijn vergeet!
MEPHISTOPHELES.
Graag dronk ik van uw wijn een glas, Indien hij maar wat beter was.
SIEBEL.
Breng dat niet weder hier te pas!
MEPHISTOPHELES.
Ik vrees, de waard vindt daar geen voordeel bij; ’k Liet anders deze waarde heeren Uit onzen kelder eens probeeren.
SIEBEL.
Geef op maar! ’k Neem de zaak op mij!
KIKKERT.
Schenkt ge ons een goed glas wijn, wij zullen ’t niet vergeten, Maar niet te weinig, moet ge weten; Want zal ik in de regten promoveeren, Dan moet ik eerst ter deeg mijn keelgat smeren.
ALTMEIJER zacht.
Zij zijn vast van den Rijn, naar ik bespeur.
MEPHISTOPHELES.
Geef eens een boor.
BRANDER.
Maar wat daarmeê gedaan? Gij hebt toch niet de vaten voor de deur?
ALTMEIJER.
Daarginder heeft de waard een mand gereedschap staan.
MEPHISTOPHELES neemt er een boor uit. Tot Kikkert.
Zeg op nu! Wat voor soort zal ik u schenken?
KIKKERT.
Hoe meent ge dat? Hebt gij zoo velerlei?
MEPHISTOPHELES.
Elk heeft de keus; hem wordt geleverd op zijn wenken.
ALTMEIJER tot Kikkert en Siebel.
Aha! Reeds likt ge uw lippen allebei!
KIKKERT.
Goed! Als ik kiezen moet, zij Rijnwijn mij geschonken; Men drinkt uit hem slechts vuur en vonken.
MEPHISTOPHELES, terwijl hij ter plaatse, waar Kikkert zit, een gat in den rand van de tafel boort.
Wat was, om proppen van te maken!
ALTMEIJER tot Kikkert.
Maar dat zijn immers goochlaarszaken!
MEPHISTOPHELES tot Brander.
En gij?
BRANDER.
Ik wil Champagnewijn, En regt mousseerend moet hij zijn.
MEPHISTOPHELES boort. Een heeft vervolgens den wassen prop gemaakt en in het gat gestopt.
BRANDER.
Men kan niet steeds wat vreemd is mijden: Het goede pleegt zoo vaak veraf te zijn. Een echte Duitscher mag geen Franschman lijden; Maar gaarne drinkt hij toch zijn wijn.
SIEBEL, terwijl Mephistopheles zijne plaats nadert.
Voor mij, ’k hoû niet van zuur of wrang: Geef mij wat zoets; maar talm niet lang!
MEPHISTOPHELES, al voortborende.
Gij krijgt Tokayer; wees niet bang!
ALTMEIJER.
Neen, heeren! Schei maar met die gekheid uit! Ik zie het in: gij tracht ons wat te foppen.
MEPHISTOPHELES.
Kom, kom! Met zulke schrandre koppen Spot zelfs niet de allergrootste guit. Maar spoedig! Langer niet vertraagd! Met welken wijn kan ik u dienen?
ALTMEIJER.
Met elken. Nu niet meer gevraagd!
MEPHISTOPHELES. nadat alle gaten geboord en digtgestopt zijn, met vreemde gebaren.
Druiven draagt de wijnstok, Horens de geitenbok. De wijn is sappig; de ranken zijn hout; Uit houten tafels wordt wijn ook gebouwd. Natuur heeft wondren, als men ’t wel beziet: Hier is een wonder, al gelooft gij ’t niet.
Trekt uit de proppen nu en drinkt!
ALLEN, terwijl zij de proppen uittrekken, en voor ieder de verlangde wijn in het glas loopt.
O, schoone bron, die hier ontspringt!
MEPHISTOPHELES.
Maar geeft wel acht, dat gij niet stort, terwijl gij zingt!
ALLEN drinken herhaalde malen, al zingende:
Wij voelen ons zoo blij te moê Als vijftienhonderd zwijnen!
MEPHISTOPHELES.
Geef ’t volk de vrijheid; gij beleeft dan zulke grappen.
FAUST.
’k Had nu wel lust om op te stappen.
MEPHISTOPHELES.
Neen, wacht nog wat en blijf nog even; Dan zult ge een andre grap beleven.
SIEBEL drinkt onvoorzigtig; de wijn stort op den grond, en wordt eene vlam.
Helpt, vrienden, helpt! Daar brandt de hel!
MEPHISTOPHELES, de vlam toesprekende.
Bedaar wat, goede medgezel!
Tot de drinkebroêrs.
Nu was het slechts wat vagevuur, mijn vrinden!
SIEBEL.
Hoe meent ge dat? Wij zullen u wel vinden! Het schijnt als of gij ons niet kent! Wij passen voor dat element.
KIKKERT.
Daarmeê komt ge ons niet weder aan.
ALTMEIJER.
Mij dunkt, wij moesten hen maar zachtjes laten gaan.
SIEBEL.
Hoe nu? Gij durft u onderstaan Om hier den toovenaar te spelen?
MEPHISTOPHELES.
Stil, oude wijnzak!
SIEBEL.
Maagre haan! Gij wilt ons ook nog lomp bejeegnen?
BRANDER.
Wacht maar! Er zullen slagen reegnen.
ALTMEIJER haalt den prop op zijne plaats uit de tafel; het vuur springt naar hem toe.
Ik brand! Ik sta in vlam!
SIEBEL.
’t Is tooverij! Stoot neêr! Die man is vogelvrij!
Zij halen hunne messen uit, en gaan op Mephistopheles los.
MEPHISTOPHELES, met een gebaar van ernst.
Een enkel tooverwoord Verandre zin en oord: Wees hier en waar ’t u meer bekoort!
Zij staan verbaasd, en zien elkander aan.
ALTMEIJER.
Waar ben ik? Welk een heerlijk land!
KIKKERT.
Wijnbergen, zie ik wel?
SIEBEL.
En druiven bij de hand!
BRANDER.
Hier, onder deze wijngaardbosschen, Zie, welke ranken, welke trossen!
Hij pakt Siebel bij den neus; de anderen doen het wederkeerig elkander, en heffen de messen omhoog.
MEPHISTOPHELES, als boven.
O waan, laat los dien tooverband, En zie, hoe Joost u kan verblinden!
SIEBEL.
Wat doet ge?
ALTMEIJER.
Wat?
KIKKERT.
Moet ik uw neus hier vinden?
BRANDER, tot Siebel.
En d’ uwen heb ik in mijn hand!
ALTMEIJER.
Het was een schok, die al mijn leên deed beven; Ik zijg ter aard—o, wil een stoel mij geven!
KIKKERT.
Maar zeg nu, wat er is geschied! Weet gij het soms? Ik weet het niet.
SIEBEL.
Waar is de vent? Als ik hem maar bespeur, Laat ik hem levend niet vertrekken.
ALTMEIJER.
Ik kon hem door de kelderdeur En rijdende op een vat ontdekken. Mijn voeten zijn zoo zwaar als lood.
Naar de tafel ziende.
Ik dacht daar, dat de wijn nog vloot.
SIEBEL.
Bedrog was alles, louter schijn.
KIKKERT.
’t Kwam mij toch voor, als dronk ik wijn.
BRANDER.
En ik zag druiven van den Rijn.
ALTMEIJER.
Zeg nu nog eens, dat er geen wondren zijn!
Heksenkeuken.
Aan een lagen haard staat een groote ketel te vuur. In den damp, die er van omhoog rijst, vertoonen zich verschillende gestalten. Eene MEERKAT zit bij den ketel, schuimt hem, en zorgt dat hij niet overkookt. De MEERKATER met de jongen zit er naast, en warmt zich. Het zeldzaamste heksenhuisraad ziet men aan wanden en zoldering.
FAUST. MEPHISTOPHELES.
FAUST.
Al dat geheks begint mijn ziel te knellen: Denkt gij nu, dat ik zal herstellen In dezen kring van razernij? Verlang ik raad van oude draken? En kan die paddenkokerij Me een dertig jaren jonger maken? Wee mij, zoo gij niets beters kent! Reeds acht ik alle hoop verloren. Weet dan natuur en de eedle geest in ’t end Niet hier of daar een balsem op te sporen?
MEPHISTOPHELES.
Mijn vriend, nu spreekt gij weder zoo ’t behoort. Verjongt ge u graag, ge hebt het maar voor ’t zeggen; Maar ’t boek, waarin het staat, is van eene andre soort, En ’t hoofdstuk niet zoo maklijk uit te leggen.
FAUST.
Spreek op! Wat meent ge?
MEPHISTOPHELES.
Een middel zonder geld En arts en tooverkunsten wilt ge weten? Wel, vriend! begeef u dan naar ’t veld, En ga daar ploegen, zwoegen, zweeten; Beperk u, vóór elk ander ding, In een zeer kleinen, engen kring; Voed u, op ’s landbewoners wijzen, Met schamele, ongekruide spijzen; Leef met het vee als vee, en wees niet ongezind, Den akker, vóór het oogsten, zelf te mesten: Dat zijn, om te verjongen, vrind, Van alle middelen de besten.
FAUST.
Dat ben ik niet gewoon; ’t zou mij geheel bevreemen Een spade of schop ter hand te nemen; Zoo’n boerenlevenswijs bevalt mij niet.
MEPHISTOPHELES.
Dan is ’t alleen de heks, die overschiet.
FAUST.
Waarom nu juist dat oude wijf? Kunt gij dien drank dan zelf niet brouwen?
MEPHISTOPHELES.
Dat ware een aardig tijdverdrijf; In dien tijd kon ’k wel duizend bruggen bouwen. Niet kunst en wetenschap alleen maakt iemand sterk, Maar ook geduld behoort bij ’t werk. Een stille geest zit jaren lang te denken; De tijd slechts kan zijn streven rijpheid schenken, En hoe men alles wendt of keert, Het zijn zeer wonderbare zaken: En heeft de duivel ’t iemand ook geleerd, De duivel kan het zelf niet maken.
De dieren ziende.
Zie welk een regt aanvallig paar! De meid is hier, de knecht is daar!
Tot de dieren.
De vrouw is, naar het schijnt, niet thuis?
DE DIEREN.
Stil als een muis, Zonder geluid, Vloog zij den schoorsteen uit.
MEPHISTOPHELES.
Hoe lang pleegt zij wel weg te blijven?
DE DIEREN.
Zoo lang we ons hier den tijd verdrijven.
MEPHISTOPHELES tot Faust.
Hoe vindt gij wel die lieve dieren?
FAUST.
Zoo flaauw en laf als ’k ooit iets zag.
MEPHISTOPHELES.
O neen! Een praatje van dit slag Kan mij altijd het meest pleizieren.
Tot de dieren.
Maar zegt me eens, beestjes om te snoepen, Wat kookt en roert gij in dien kliek?
DE DIEREN.
Wij koken magere armensoepen.
MEPHISTOPHELES.
Dan krijgt ge vast een groot publiek!
DE KATER komt naar Mephistopheles toe, en zegt vleijend:
O schrandere kop, Kom, dobbel eens op, En laat mij eens winnen! Mijn beurs is zoo plat; Maar had ik weêr wat, ’k Was vrolijk van zinnen.
MEPHISTOPHELES.
Wat zou het zulk een aap niet streelen, Zoo hij in ’t lotto meê kon spelen!
Intusschen hebben de jonge meerkatjes met een grooten bal gespeeld, en rollen hem vooruit.
DE KATER.
Zoo is de hoop, Zoo ’s werelds loop! Zij rolt bestendig; Zij klinkt als glas, Zij breekt zoo ras, Is hol inwendig. Hier blinkt zij zeer, En hier nog meer; Ik ben behendig, Maar ’t is uw graf; Kom, blijf er af, Of gij moet sterven; Dit is de straf: Zij spat in scherven.
MEPHISTOPHELES.
Wat moet die zeef, mijn lief?
DE KATER haalt haar naar beneden.
Waart gij een dief, Gij kondt het niet verbloemen.
Hij loopt naar de Meerkat, en laat er haar doorheen kijken.
Ziehier, mijn lief! Gij kent den dief, En moogt hem toch niet noemen.
MEPHISTOPHELES, het vuur naderende.
En deze pot?
KATER en KAT.
De vent is zot! Hij kent geen pot, Hij kent geen ketel!
MEPHISTOPHELES.
Brutaal gespuis!
DE KATER.
Doe hier als thuis, En zet u in den zetel.
Hij noodigt Mephistopheles plaats te nemen.
FAUST, die intusschen voor een spiegel heeft gestaan, dezen nu eens genaderd is, en dan er zich weder van verwijderd heeft.
Wat zie ik! Welk een engel uit den hoogen Vertoont zich in deez’ spiegel voor mijne oogen! O liefde, leen me uw snelste vleugelspan, En voer mij waar ’k die schoonheid vinden kan! Ach! zoo ik niet op deze plek blijf staan, Maar ’t wage naderbij te gaan, Kan ’k slechts als in een nevel haar aanschouwen, Dat schoonste beeld van alle vrouwen! Hoe? Is het geen bedrog misschien? Moet ik, als zich mijn oog niet laat verblinden, Dit als ’t sieraad van alle heemlen zien, Of is het ook op aard te vinden?
MEPHISTOPHELES.
Natuurlijk, als een God zich eerst zes dagen plaagt, En bravo roept, als hem zijn werk behaagt, Dan moet het wel uitstekend blijken. Haal nu uw hart maar op met kijken. Ik ken wel zulk een lieve maagd; Gelukkig hij, die er in slaagt, Er als zijn bruid meê heen te strijken!
FAUST ziet bij voortduring in den spiegel. Mephistopheles, zich in zijn stoel uitstrekkende en met zijn staart spelende, gaat voort met spreken.
Hier zit ik als een koning op zijn troon; Den scepter hou ik vast; me ontbreekt alleen de kroon.
DE DIEREN,
die tot hiertoe allerlei wonderlijke bewegingen door elkander gemaakt hebben, brengen Mephistopheles eene kroon, al schreeuwende:
O, wees toch zoo goed, Met zweet en met bloed Dees kroon eens te lijmen!
Zij gaan onhandig met de kroon om, zoodat zij in twee stukken breekt, waarmede zij rondspringen.
Nu is het geschied! Wij zingen een lied; Wij hooren en rijmen.
FAUST, voor den spiegel.
Wee mij! ’k Verlies haast mijn verstand!
MEPHISTOPHELES, op de dieren wijzende.
Ik ook, als ’k zie hoe zij daar hasplen met haar tweeën.
DE DIEREN.
En gaat het verband Ons goed van de hand, Dan krijgt men ideeën.
FAUST, als boven.
Mijn hoofd klopt zonder te bedaren; Weg uit dit kattenmagazijn!
MEPHISTOPHELES, in opgemelde houding.
Nu, zeker moet men wel verklaren, Dat het opregte dichters zijn!
De ketel, waarop de katten in den laatsten tijd niet gelet hebben, begint over te loopen; er ontstaat eene groote vlam, die den schoorsteen uitslaat. De Heks komt, door de vlam heen, met ontzettend geschreeuw naar beneden.
DE HEKS.
Au! au! au! au! Dat lompe beest loopt van ’t gebrouw,— Verzuimt het vuur, verzengt de vrouw! ’t Vervloekte dier!
Faust en Mephistopheles ziende.
Wat is dat hier? Wie zijt gij hier? Wat wilt gij hier In deze muren? Die sluipmanier Zult gij bezuren!
Zij steekt de schuimspaan in den ketel, en besprengt Faust, Mephistopheles en de dieren met vuur. De dieren kermen van pijn.
MEPHISTOPHELES, terwijl hij zijn staart, dien hij in de hand houdt, omkeert, en er mede onder de glazen en potten slaat.
Op zij! op zij! Daar ligt de brij! Het glas ligt daar! ’t Was gekheid maar, De maat voorwaar Bij uwe melodij!