Faust: Dramatisch dichtstuk van Goethe [deel 1]

Part 2

Chapter 24,017 wordsPublic domain

Intusschen is Faust een tooverspiegel genaderd, en het beeld, dat hij daarin ontdekt, brengt een geheelen ommekeer in zijn binnenste te weeg: het is eene slapende schoone jonge vrouw. Door verbazing en liefde bevangen, verlangt hij het origineel te bezitten; Mephistopheles belooft hem daaraan te helpen. De heks komt nu door den schoorsteen de keuken in, maakt den minnedrank gereed, en trekt een tooverkring; bij het licht van toortsen, welke de dieren in de hand houden, wier rug tevens tot lessenaar dient, leest zij uit een foliant een geheimzinnig formulier voor, en Faust drinkt het brouwsel, dat hem zijne jeugd moet hergeven.

Hier eindigt het eerste gedeelte van dit dramatisch dichtstuk.

In het tweede gevoelt hij zich inwendig verjongd. Eerst ziet men hem op straat een jong meisje aanspreken, dat juist van de biecht huiswaarts keert. Door hare schoonheid getroffen, vraagt hij haar, of hij haar mag te huis brengen; zij wijst echter vol fierheid zijn aanbod van de hand, en gaat haren weg.

Deze ontmoeting heeft intusschen het lot van Faust beslist. “Hoor!” zegt hij tot Mephistopheles, die op de loer heeft gestaan en nu naar hem toe komt: “gij moet mij dat meisje bezorgen!” De duivel, die zijne dienst op prijs gesteld wil zien, maakt allerlei zwarigheden. In zijn verliefd ongeduld zet Faust zich over alle heen, en de duivel belooft hem eindelijk zijn best te zullen doen.

Het wordt avond. Margareta—dus heet het jonge meisje—is in haar kamertje teruggekeerd. Terwijl zij hare schoone lokken ontbindt, denkt zij na over den eleganten heer, die haar dien morgen heeft aangesproken, en verklaart, dat het haar wel wat waard zou zijn, indien zij wist wie hij was.

Met dezen wensch beslist zij ook haar lot, en laat het veld aan haren verleider vrij, die, onder geleide van Mephistopheles, haar kamertje binnensluipt. De ziel van Faust gevoelt zich onwillekeurig aangetrokken door het gezigt van orde en netheid, die in het vertrekje heerschen, en het schijnt alsof de Engel der Eerbaarheid dit maagdelijk verblijf verdedigt tegen de gevaarlijke begoochelingen van den Geest des Kwaads. Deze, onvatbaar voor alle dergelijke indrukken, plaatst, met een zekeren triomf, een klein koffertje met juweelen in Margareta’s kast, en vertrekt nu onverwijld met den smoorlijk verliefden Faust, die echter reeds wroeging begint te gevoelen over eene daad, die hij verfoeit.

Margareta is teruggekeerd. Zij vindt het in haar kamertje benaauwd en drukkend; een onbekend iets beklemt haar; zij schijnt een voorgevoel te hebben van het gevaar, dat haar toeft. Eindelijk ontkleedt zij zich, onder het zingen van eene oude ballade. Toen zij hare kleederen in de kast wil bergen, ontdekt zij het koffertje. Een kleine sleutel hangt er bij. Het meisje, door nieuwsgierigheid gedreven, opent het, en wordt verbijsterd op het gezigt der kostbaarheden, die het bevat. De glans er van verleidt haar, en wekt eerst in haar het verlangen op om er zich mede te tooijen, vervolgens om den schat te bezitten. Zij beproeft voor haar spiegeltje, hoe dat alles haar staan zou; maar deze gevaarlijke en ijdele bezigheid laat in hare ziel slechts het gevoel van hare armoede achter.

Intusschen heeft de zegepraal van den Boozen Geest schipbreuk geleden. De voorzigtige moeder van Margareta, aan wie dat geheimzinnige koffertje verdacht voorkomt, heeft haren biechtvader er over gesproken, en deze steekt het eenvoudig bij zich, alleen te kennen gevende, dat hij er een goed gebruik van zal maken. Mephistopheles wordt hierdoor echter niet afgeschrikt; hij bezorgt een ander juweelkoffertje in Margareta’s kamer, en het onvoorzigtige meisje, misnoegd over de wijze waarop hare moeder zich van het eerste heeft ontdaan, houdt het zorgvuldig verborgen, en heeft geene andere vertrouwelinge dan hare buurvrouw Martha, eene vrouw van niet al te gestrenge grondbeginselen. Deze maant het meisje aan, om er hare moeder nu vooral niets van te zeggen, daar anders de biechtvader er weder mede heen zou gaan. Nu laat zij Margareta alles aan- en omdoen, en roept ten slotte: “O kind, wat zijt ge gelukkig!”—“Maar”, merkt deze aan, “ik, arm schaap, zal mij zoo toch niet in de kerk of op straat durven vertoonen?”—“Dat hoeft ook niet,” zegt Martha. “Kom ’s avonds nu en dan maar eens bij me, dan kunt ge al die dingen omdoen. Als ge dan daarmede voor den spiegel heen en weêr loopt, zult ge zelf zien hoe mooi u dat alles staat. En als uwe moeder soms mogt vragen, waarom gij zoo dikwijls bij mij komt, dan zullen wij haar wel wat op de mouw spelden.”

Het meisje, reeds ten halve verleid, wijst deze verderfelijke raadgevingen niet van de hand, en op dit oogenblik wordt er aan de deur geklopt. Het is Mephistopheles. Deze begint met Margareta allerlei vleijerijen te zeggen; en om Martha voor zich in te nemen, onderhoudt hij deze over haren man, die sedert lang afwezig is, en van wien zij in geruimen tijd niets gehoord heeft. Hij vertelt haar dat zij weduwe is, en dat een zijner vrienden, die even als hij bij het overlijden in Italië tegenwoordig is geweest, gereed is om voor den regter eene verklaring daarvan af te leggen. Dit is echter slechts een voorwendsel om Faust bij haar toegang te verschaffen. Een rendez-vous heeft nog dien zelfden avond plaats in den tuin achter Martha’s huis; en inderdaad, het paartje maakt met elkander kennis, terwijl Mephistopheles zich van Martha heeft meester gemaakt, en wel zorgt, dat de gelieven niet gestoord worden. De minnaar is teeder en hartstogtelijk, het meisje eenvoudig en beschroomd, ja durft naauwelijks antwoorden. Intusschen komt zij aan het spreken over hare huiselijke omstandigheden, en deelt het een en ander daarvan mede. Allengs echter begint hare verlegenheid te wijken, en teedere verklaringen volgen.

Eindelijk ontrukt zij zich aan zijne omhelzingen, en vlugt in een tuinhuisje, waar zij, om haren minnaar te plagen, zich achter de deur verbergt. Faust is haar gevolgd; hij vat haar op nieuw aan, omhelst haar, en het meisje beantwoordt zijne kussen en bekent hem hare liefde. Weldra echter wordt dit bijeenzijn gestoord door Mephistopheles, die zich in de deur vertoont en de beide gelieven scheidt.

Hier weidt de dichter niet uit in het schilderen van tooneelen van zielsverrukking, die op deze eerste bijeenkomst gevolgd zijn; integendeel vertoont hij ons Faust als reeds geblaseerd door zijn geluk. Hij begint het gewigt te gevoelen der keten, waaraan hij zichzelven heeft vastgeklonken door zich met een wezen te verbinden als Mephistopheles. Deze, vindingrijk in allerlei plagerijen, wakkert tevens den hartstogt van Faust aan, die Margareta in het ongeluk moet storten. Deze waant zich reeds verlaten, en geeft, in haar kamertje bij het spinnewiel gezeten, aan hare boezemklagten lucht. Ten slotte daarvan roept zij:

Hoe hijgt mijn boezem Alleen naar hem! Mogt ik hem grijpen Met tooverklem!

Mogt ik hem kussen Naar hartelust! O, stierf ik dan ook, Ik stierf gerust.

De vervulling van dit noodlottig verlangen laat niet lang op zich wachten. Faust komt terug, en de nu gelukkige Margareta legt haar hart voor haren minnaar bloot, doch geeft hem tevens den afkeer te kennen, dien zij voor Mephistopheles gevoelt. Nu zou men denken, dat al de rampen, als gevolgen van zulk eene betrekking, haar drukken; maar zoo de onschuld van het ongelukkige kind op hare hoede is tegen de inblazingen van den Geest der Duisternis, zij is zonder wapenen tegen de liefde. Op de dringende aanzoeken van Faust werpt zij hem slechts de moeijelijkheid tegen om alleen te zijn, de vrees dat hare moeder zal wakker worden, die, zoo als zij zegt, zoo ligtslaapsch is. Faust stelt haar een fleschje ter hand, met bijvoeging, dat slechts een paar droppels er uit hare moeder in een diepen slaap zullen doen verzinken. Deze droppels doen hare moeder dan ook insluimeren, doch om nooit weêr te ontwaken. In de volgende tooneelen worden de wroegingen geschetst, die haar na haren val aangrijpen.

Intusschen hebben de buren haar gadegeslagen, en aan aanmerkingen heeft het niet ontbroken. Deze praatjes komen ter ooren van haren broeder Valentijn, den soldaat, waarvan zij vroeger gesproken heeft. Op zekeren avond komt hij eens over, om haar over haren toestand en de gevolgen er van te onderhouden, en vindt twee mannen onder haar venster, bezig om haar eene serenade te geven. Terwijl hij naar de woorden van het lied luistert, die luchtig genoeg zijn, maakt een hevige toorn zich van den krijgsman meester: hij werpt zich op de twee onbekenden, verbrijzelt de guitar van den eenen, en overlaadt beide met smaadredenen. Mephistopheles laat Faust den degen trekken, en, terwijl hij zelf zijne stooten bestuurt, valt Valentijn doodelijk getroffen neder. De twee schuldigen ontvlugten.

Margareta en Martha openen nu hare vensters en roepen: “moord!” De buren komen met licht toesnellen. Margareta verlaat hare woning; men omringt den doodelijk gewonde, en zij vraagt wie daar is neêrgestooten, waarop men haar antwoordt, dat het haar broeder is. Al stervende wendt deze nu zich nog eens tot zijne zuster, en overlaadt haar met verwijtingen over haar levensgedrag. Daarop blaast hij den laatsten adem uit.

Van dat oogenblik af wordt Margareta’s hart door wroegingen bestormd, die vooral in een tooneel geschilderd zijn, dat in de kerk wordt voorgesteld. De Booze Geest (Mephistopheles), achter haar verborgen, herinnert haar den tijd, toen zij, nog onschuldig, in dien zelfden tempel hare gebeden kwam uitstorten. Het is eene zamenspraak tusschen den Boozen Geest, die hier de rol van het geweten speelt, het ongelukkige meisje en het koor van priesters, die in de tusschenpoozen het Dies irae, dies illa aanheffen; zijnde een kerklied of hymne uit de dertiende eeuw, voor welks vervaardiger de Italiaan Tomo de Celano gehouden wordt. Deze hymne behoort tot het Requiem der Katholieken. Dit geheele tooneel is van eene sombere en verschrikkelijke schoonheid, in de manier van Dante’s tafereelen.

Het ongeluk van Margareta is volbragt, en Mephistopheles bemoeit zich verder niet met haar, daar het doel bereikt is; hij heeft nog alleen met Faust te doen, wiens val hij voltooijen moet. Om zijn geest verder van edele gevoelens af te leiden, brengt hij hem naar den heksensabbat, die op het Hartsgebergte gevierd wordt. Een sombere en stormachtige nacht vertoont zich aan beide reizigers in al zijne verschrikkingen en gevaren. Men hoort het gekraak van boomen, die door den storm worden neêrgeworpen, of van hunne takken, die van den stam worden afgerukt. Dit geheele tooneel moet worden gelezen zoo als Goethe het beschrijft, of de vertaler in zijne navolging getracht heeft het terug te geven.

Dat de gevolgen van een eersten misslag, door Margareta begaan, haar eene misdaad hebben doen plegen, komt Faust eindelijk ook te weten, alsmede dat de menschelijke geregtigheid zich van de schuldige heeft meester gemaakt. Overstelpt door de opeenvolgende verliezen, die zij heeft ondergaan, verlaten door Faust, aan wien zij alles heeft opgeofferd, heeft zij de schande niet kunnen doorstaan, die gereed is haar te verpletteren. De ongelukkige droeg een pand der rampzalige liefde voor Faust onder het hart, en—heeft haar kind omgebragt.

Zij is zonder mededoogen in de gevangenis geworpen, en in afwachting dat het vonnis aan haar voltrokken zal worden, geeft zij zich aan al de angsten van wroeging en wanhoop over. Mephistopheles verheugt zich met koelheid over eene ramp, die zijn werk is. Hij heeft dezen afloop zorgvuldig voor Faust verborgen gehouden; hij heeft hem in drinkgelagen gebragt, om hem van eene liefde los te maken, die misschien nog een sprankje deugd in zijn hart zou achterlaten, en tevens om Margareta aan zijne hulp te onttrekken en haar aan de wanhoop ten prooije te geven. En toen Faust hem daaromtrent hevige verwijten doet, geeft hij ten antwoord: “Zij is de eerste niet!”

Op deze helsche woorden kent de woede van Faust geen perken meer. Hij vervloekt den helschen geest, aan wien hij zich heeft overgeleverd; hij gaat zelfs verder, door hem met den toorn des Hemels te bedreigen. Op deze verwijten geeft de duivel aan Faust koel ten antwoord, dat deze, in weêrwil van zijne verhevene denkbeelden omtrent eer en deugd, het toch alleen is, die Margareta heeft verleid en bewerkt dat zij ter plaatse gekomen is, waar zij zich thans bevindt. Hij herinnert hem den moord waarvan hij oorzaak is, dien welken hij zelf begaan heeft; kortom; hij stookt zijne smartelijke vervoering op eene afschuwelijke wijze aan. Maar in een van nature edelen geest, al is deze ook van zijnen rang nedergedaald, behaalt de liefde toch de overhand, en verheft zich te midden van al de wanhoop van Faust. Hij vraagt slechts één ding van zijn gids ten kwade, namelijk dat Margareta bevrijd worde; de duivel belooft hem de middelen om dit doel te bereiken. “Ik zal,” zegt hij, “de zinnen van den gevangenbewaarder benevelen, en u in het bezit der sleutels stellen; want er is slechts ééne menschelijke hand, die haar de vrijheid hergeven kan. Maar ik zal aan de deur de wacht houden. Tooverpaarden staan gereed, en ik zal u beide van daar vervoeren; dit is al wat ik voor u doen kan.”

Zij vertrekken terstond op paarden, die als door den wind worden voortgedreven. Het is nacht, en als zij de stad naderen, komen zij het galgeveld voorbij, waar Faust nog het een of ander meent te ontdekken, en Mephistopheles daarnaar wil vragen; doch deze maant hem aan om zich nu maar voort te spoeden.

Faust komt eindelijk de gevangenis binnen. Op het zien van het jeugdig en teeder slagtoffer, in hare cel op vochtig stroo uitgestrekt, bestormt alles, wat de smart het grievendst heeft, de ziel van den schuldige.

Terwijl Margareta de deur van hare cel hoort openen, denkt zij dat men haar reeds ter strafplaats komt halen. Zij herkent de stem van haren minnaar niet, maar meent die van den scherpregter te hooren; de ongelukkige heeft het verstand verloren! Hartverscheurend is dit tooneel, waar de eenvoudige woorden den hoogsten trap van verhevenheid bereiken. Faust werpt zich aan hare voeten; hij bezweert haar bij hunne liefde, dat zij hem hare boeijen late losmaken en hem volge. Het slot van dit alles is een worstelstrijd tusschen Mephistopheles, die zich nu in de deur van den kerker vertoont, Margareta, welke, in hare krankzinnigheid, hem voor den persoon aanziet, die haar naar de strafplaats wil voeren, en Faust, wiens wanhoop geen grenzen meer kent. Eindelijk heft Margareta hare handen ten hemel, en roept:

O red mij, Vader! Gij zijt al mijn hoop! Gij engelen, gij heilge scharen, Omringt mij en wilt mij bewaren!... O Hendrik, wat doet uw gezigt mij wee!

waarop zij den laatsten adem uitblaast. “Zij is gevonnisd!” roept Mephistopheles nu. Maar eene stem van den hemel doet zich hooren, en zegt dat zij gered is. “Kom meê!” roept Mephistopheles thans Faust toe, en beide verdwijnen.

TOEWIJDING.

Weêr komt gij, nevelbeelden, mij omzweven, Gelijk ge eens in mijn jonkheid hebt gedaan! Zal ik u ditmaal vorm en adem geven? Voel ’k nog mijn hart genegen tot dien waan? Gij nadert? Nu, zoo meng u dan in ’t leven, Zoo als ge uit damp en nevel zijt ontstaan. Mijn boezem voelt een jeugdig vuur ontgloeijen, Nu mij uw toovergeur weêr toe mag vloeijen.

Gij brengt met u wat eens mij mogt behagen En menig zoete erinring van weleer; Gelijk een droom uit lang vervlogen dagen Komt de eerste liefde en vriendschap met u weêr. De smart herleeft; op nieuw verheft zich ’t klagen Van ’s levens kronkelpaden meer en meer, En noemt het goede, dat ik mogt genieten, Doch al te ras, helaas, weêr heen zag vlieten.

Zij zullen deze liederen niet hooren De zielen, in wier kring ik vroeger zong; Geen vriendlijk nooden is mij meer beschoren; Weg is de geestdrift, die mijn ziel doordrong. Mijn lied klinkt onbekenden nu in de ooren, Wier bijval zelfs mij reeds tot huivren dwong; En wat zich blijde eens om mij henen schaarde, Is, zoo ’t nog leeft, verstoven over de aarde.

En mij bevangt een reeds ontwend verlangen Naar ’t gindsche stil en ernstig geestenrijk; Daar zweven nu mijn fluisterende zangen Als windgesuis, de Eolusharp gelijk. Ik huiver; tranen biglen langs mijn wangen; Mijn strengheid zwicht, nu ’k voor ’t gevoel bezwijk. Wat ik bezit, zie ’k als in ’t lang verleden; En wat verdween, aanschouw ik als in ’t heden.

VOORSPEL OP HET TOONEEL.

TOONEELDIRECTEUR. TOONEELDICHTER. EERSTE KOMIEK.

DIRECTEUR.

Gij, die mij vaak te helpen plagt, Wanneer de zorg mij overmande, Zegt me eens, wat gij wel hier te lande Van onze nieuwe zaak verwacht! Zoo graag wilde ik de menigte behagen, Vooral omdat zij leeft en leven laat; Reeds is het groot theater opgeslagen, En men verwacht een kunstwerk inderdaad. Zij zitten al bedaard, met vreugdeblijken, Om op al ’t moois zich de oogen uit te kijken Ik ben wel met den geest des volks bekend, Maar zoo verlegen was ik nooit voordezen: Wel zijn zij aan het beste niet gewend, Maar toch, zij hebben magtig veel gelezen. Hoe maken wij het nu, dat alles slaagt En zoo door nieuw- als deeglijkheid behaagt? Want inderdaad, ik mag hen wel zien loopen, Als zich de stroom naar onze schouwplaats dringt, En oud en jong, bij groote hoopen, Door de enge poort der tent zich binnenwringt, Bij klaren dag, ja reeds vóór vieren, Aan ’t plaatsbureau in woede ontsteekt, En met de drift van wilde dieren Om een biljet bijna den hals zich breekt. Alleen de dichter roept dit wonder in het leven Bij zulk publiek. Och vriendlief, help mij even!

DICHTER.

O, spreek toch van dien bonten hoop mij niet, Bij welks gezigt ons alle geest ontvliedt! O zwijg van al dat golven en dat woelen, Dat tegen dank ons in de draaikolk brengt! Neen, voer mij naar het oord van heilgevoelen, Waar slechts den dichter reine vreugde wenkt; Waar liefde en vriendschap onzen besten zegen Met godenhand doen kiemen en verplegen.

Ach, wat daar in ons binnenst raakt aan ’t gloren, Wat soms de tong al weifelend laat hooren, Gelukt of niet, verslindt tot onzen schrik, Helaas, de magt van ’t heillooze oogenblik. Na jaren slechts, als ’t lot dit heeft beschoren, Kan ’t, als voltooid, den geest bekooren. Het echte gaat voor ’t nakroost nooit verloren.

KOMIEK.

Stel vrij het nakroost uit uw zinnen! Neem eens, dat ik van ’t nakroost wou beginnen, Wat toch heeft ons geslacht daaraan? Dat wil en zal zich diverteeren; En met een snaak, als ik, zich te amuseeren, Kan, dunkt mij, altijd ook wel gaan, Wie aardig meê kan praten op zijn tijd, Dien zal de luim des volks niet hindren noch verbittren; Hij wenscht een kring zich wijd en zijd, Om des te meer voor zijn publiek te schittren. Daarom, houd in uw oog onafgewend het doel: Laat phantasie, met alle hare koren, Vernuft, verstand, verbeelding en gevoel, Doch—let wel op!—niet zonder dwaasheid hooren!

DIRECTEUR.

Maar geef ’t publiek—’t is hierop zeer gesteld— Vooral wat veel te kijken voor zijn geld! Wordt heel wat voor zijne oogen afgesponnen, Zoodat het gapend zich verbazen kan, Dan hebt gij in de breedte veel gewonnen, En zijt weldra zijn lievling, beste man! De massa kunt gij slechts door ’t vele trekken; Een ieder kiest wat meest valt in zijn smaak: Waar veel is, zal wel iets den kijklust wekken, En elk keert huiswaarts, vol van al ’t vermaak. Geeft gij eens wat, geef ’t eerst dan maar aan stukken: Zulk een ragout zal nooit mislukken; Vlug is het toebereid, zoo vlug als uitgedacht. Wat helpt het, of gij een geheel hebt aangebragt? ’t Publiek toch zal het uit elkander plukken.

DICHTER.

Gij voelt niet, dat met zulke kladderij Geen echte kunstenaar zich af zal geven; Maar ’k merk het wel: die morserij Is bij ulieden lust en leven.

DIRECTEUR.

Zulk een verwijt trek ik me in ’t minst niet aan. Hij, die wil vast en zeker gaan, Moet steeds den grooten hoop gerieven. Bedenk welk hout gij hebt te klieven, En zie maar toe, voor wie gij schrijft! D’ een doet verveling naar ons stuk verdwalen Een ander komt van ’t hartig middagmalen, En, wat het allerlastigst blijft, Nog andren komen van het lezen der journalen. Men snelt naar ons nu, vol vertrouwen, En slechts nieuwsgierigheid bevleugelt iedre schreê. De dames geven zich en haar toilet te aanschouwen, En spelen zonder gage meê. Wat droomt gij, dichter, toch van eereblijken? Vult uw talent de zaal alleen? Wil uw begunstigers eens van nabij bekijken: De helft is koud, de helft gemeen. Dees zit naar ’t kaartspel te verlangen, Dat hem bij zijn tehuiskomst wacht; Die naar zijn liefje dezen nacht: En daarvoor plaagt gij nu het Muzenkoor om zangen! Ik zeg u, geef maar meer en altijd meer; Want hoe gij ook het aan wilt vangen, Bevredigd zijn ze nooit, mijnheer! Maar zeg, hoe is ’t? Uwe oogen schieten vonken!

DICHTER.

Ga heen, en zoek een ander tot uw knecht! De dichter zou aldus het hoogste regt, Het menschenregt, hem door natuur geschonken, Verbeuzelen voor zulk een doel? Waardoor toch treft hij elks gevoel En laat geen menschenharte koel? Is ’t niet de harmonie, die aan zijn borst ontspringt, En ’t alledaagsche op zijde dringt? Wanneer natuur den draad, nooit af te spinnen, Al langzaam op de spil al draaijend dwingt,— Disharmonie van zotten en zottinnen Vervelend door elkander klinkt,— Wie blaast dien stroom, naar d’ ouden sleur bewogen, Het leven in, zoodat hij rhythmisch vloeit? Wie brengt het enkele vol luister voor elks oogen, Zoodat de ziel in weelde ontgloeit? Wie doet den storm in ’s menschen boezem woeden? Wie de avondzon zoo statig ondergaan? Wie strooit de bloesems, om hun hoop te voeden, Den minnenden gelieven op hun paân? Wie vlecht van groene, onoogelijke bladen Een eerkrans voor verdienste hier beneên? Wie, wie bezingt de goden en hun daden? De dichter slechts—en hij alleen.

KOMIEK.

Dat hij dan al die schoone krachten knede, En heel die dicht-affaire smede, Alsof ’t een minnarijtje was. Zie, men ontmoet elkaâr toevallig; maar alras Gevoelt men iets—er volgen zuchten, lonken, En nu, zoo denkt men, is de zaak geklonken... Maar dat was al te mooi; dus komt er een, En scheidt de twee gelieven wreed vaneen. Laat ons ook zulk een stuk eens geven! Kom, grijp maar toe in ’t vol gewoel van ’t leven! Een ieder leeft, elk op zijn eigen hand, En waar ge ook pakt, ’t is altijd intressant. In bonte kleuren weinig klaarheid, Veel dwaling en een vonkje waarheid, Zoo wordt het brouwsel toegerigt, Dat iedereen verkwikt en sticht. Dan komt de jeugd met gretige ooren, Om in uw tent orakeltaal te hooren; Dan zuigt een teedre ziel, door uw product gevoed, Zich melancholisch voedsel voor ’t gemoed; Dan wordt men beurtelings geschokt door vreugde en smart En elk gevoelt wat omgaat in zijn hart. Nog kan men hen, naar keus, doen lagchen of doen weenen; Nog ziet men hen zich blij vergapen aan den schijn: Voor hem, die alles kent, is elk genot verdwenen; Een nieuweling zal altijd dankbaar zijn.

DICHTER.

Geef mij dan ook terug die tijden, Toen ik nog nieuwling was, mijnheer! En mij mogt aan de liedren wijden, Die mij ontstroomden keer op keer! Toen de aard was voor me in nevelen gehuld, De bloesem nog mijn geest verrukte; Toen ik de duizend bloemen plukte, Waar dal aan dal meê was gevuld! Al had ik niets, ’k had toch genoeg ontvangen; De zucht naar waarheid en tot zinbedrog ’t verlangen. Geef al wat mij toen streelde of griefde, Het zalig lijden van weleer, De kracht des haats, de magt der liefde... O, geef mij mijne jonkheid weêr!

KOMIEK.

De jonkheid, vriend, hebt gij ook noodig inderdaad. Als in een slag geen vijand zich laat temmen; Als om uw hals, met blij gelaat, Zich allerliefste meisjes klemmen; Als ge u van verre d’ eerekrans Van ’t zwaar bereikte doel ziet wenken; Als men, na zang en spel en dans, Den nacht besluit met wijn te schenken. Doch het bekende snarenspel Ter hand te nemen onverschrokken, En uit die reine en zuivre wel De accoorden spelende te ontlokken— Dat, oude heeren, is u opgelegd, En zal onze achting niet voor u vermindren: De grijsheid maakt niet kindsch, gelijk men zegt; Zij vindt alleen ons nog als ware kindren.