Faust: Dramatisch dichtstuk van Goethe [deel 1]

Part 1

Chapter 13,716 wordsPublic domain

FAUST. DRAMATISCH DICHTSTUK

VAN GOETHE.

NAGEVOLGD DOOR H. FRIJLINK.

MET EEN ZESTAL SCHETSEN, NAAR TEEKENINGEN VAN MORITZ RETZSCH.

TWEEDE, HERZIENE EN VERMEERDERDE UITGAVE.

AMSTERDAM, HENDRIK FRIJLINK. 1866.

EEN WOORD VAN DEN VERTALER.

Faust wordt als het uitstekendste werk van Goethe beschouwd. De naam er van is in aller mond; ook bij Nederlanders, die maar eenigzins op beschaving aanspraak maken, is dit het geval. Maar kennen wij Goethe’s Faust wel—zelfs in het oorspronkelijke? Shakspere, die vóór omstreeks eene eeuw zelfs onder zijne landgenooten alleen bij name bekend was, en door eenige Duitschers uit het stof der vergetelheid, waaronder hij begraven lag, moest worden opgedolven, wordt nu ook bij ons, door het uitgeven van sommige zijner werken, met allerlei toelichtingen ten gehoore gebragt. Maar nu Goethe’s Faust? Wij kennen, als navolging in onze taal, slechts een paar fragmenten, te klein van omvang, om ons van het geheel een denkbeeld te maken. Moet het daarbij nu blijven? Maar “Faust kàn niet vertaald worden” oordeelen velen, omdat in dit dichtstuk allerlei takken van wetenschap ter sprake komen (Goethe was zeer wetenschappelijk gevormd), en eene navolging dus hoogst moeijelijk is te achten, terwijl Goethe bovendien tot de dichters behoort, welke niet ieder bij de eerste lezing kan verstaan.

Ik geef dit toe. Maar zou het zóó bepaald eene onmogelijkheid moeten heeten, dat elke poging om Faust te vertolken doelloos en dwaas moet zijn?

Dit kwam mij anders voor; en daarom heb ik mij aan eene—zoo veel mogelijk getrouwe—navolging van Goethe’s Faust gewaagd, en bied deze met alle bescheidenheid, en in het bewustzijn dat er niets volmaakt is op deze wereld, hierbij onzen landgenooten aan.

Weinig heb ik hierbij te voegen. De Zueignung, het Vorspiel auf dem Theater en den Walpurgisnachttraum heb ik weggelaten, als blijkbaar latere bijvoegselen. Even zoo is van den Prolog im Himmel slechts de inhoud teruggegeven. Waar, aan het slot, de Heer sprekende wordt ingevoerd, geeft dit, naar mijn gevoel, wat al te zeer aanleiding tot spotternij of verkeerde toepassing. In eene onlangs uitgegeven geïllustreerde uitgave van Faust (bij Cotta, te Stuttgart) heeft men dan ook den Heer door den Paus in groot pontificaal vertegenwoordigd! Eindelijk staat het dusgenaamde “tweede deel” van Faust, mijns inziens, zoo op zichzelf, dat ik er hier alleen van gewaag; het “eerste deel” vormt inderdaad een afgesloten geheel.

Dat ik, in deze navolging, enkele eigennamen, als Wagner, Frosch en andere, heb verhollandst, geschiedde om alle hardheid te vermijden, die uit een dichtstuk verbannen behoort te zijn. Dit zijn nu nog maar gefingeerde namen; maar Vondel gaf den naam Rabenhaupt zelfs door het meer welluidende Ravenhooft terug, ofschoon de eerste toch historisch was.

Eindelijk heb ik nu en dan voor iets, wat niet letterlijk vertaald kon worden, een æquivalent in de plaats moeten stellen. Het zal mij tot een aangenaam blijk van erkentenis strekken, zoo desbevoegden verklaren, dat ik daarin niet al te ongelukkig geslaagd ben.

Januarij, 1865. F.

Dit schreef ik vóór de eerste uitgave, die met bijzonder welgevallen door onze landgenooten is ontvangen; inzonderheid scheen mijne vertolking zeer aangenaam te zijn aan het meer en meer toenemend getal Rederijkers-genootschappen, omdat men, bij het kiezen van het een of ander fragment uit een dichtstuk tot voordragt, in deze navolging daartoe ruime keuze heeft.

Men heeft echter vrij algemeen zijn leedwezen betuigd, dat ik het dusgenaamde “Voorwerk” onvertaald heb gelaten, terwijl men de reden, die ik daarvoor opgaf, niet gegrond genoeg achtte. Dat verzuim, waarvoor men het hield, wordt in dezen tweeden druk hersteld. Maar ook de tekst zelf is hier en daar herzien, waar de vertaling wel iets eenvoudiger en daardoor vloeijender gemaakt kon worden. [1]

Nog iets. In mijn berigt vóór de eerste uitgave gewaagde ik slechts van fragmenten, die uit Faust in onze taal waren overgebragt. Onlangs echter kwam mij een nommer van een onzer weekbladen in handen, waarin mijne vertaling de eer werd aangedaan tot vergelijking te dienen met eene van den heer L. Vleeschouwer, te Antwerpen, waarvan in 1865 eene tweede uitgaaf het licht zag. Ik heb mij een exemplaar daarvan aangeschaft, terwijl een vriend mij den eersten druk ter leen heeft verstrekt, waarvan de uitgave in 1842 plaats had.

De aandacht van den lezer, bij het ter hand nemen van de tweede uitgaaf dezer vertaling, wordt dadelijk getrokken door eene Voorrede, waarin de heer Vleeschouwer zich zoo zeer in letterkundige en dichterlijke bekwaamheid boven anderen verheven acht, dat men terstond denkt aan Langendyk’s bekend blijspel, waarin Miester Jochem met veel wind het tooneel opkomt, uitroepende:

Puf nou, Poëetjes! ’k ben de baas van ’t gantsche land!

Zoo ook Vleeschouwer. Al wat niet van hem afkomstig is, deugt niets hoegenaamd,—de navolging, waarvan bij deze eene tweede editie geleverd wordt, natuurlijk ook niet. [2]

Maar nu zijn eigen onovertroffen meesterstuk dan? Uit het zoo even geleverde staaltje blijkt reeds, dat hij van maat en rijm, zoo als beide op Nederlandsche poëzij worden toegepast, geen het minste begrip heeft. Maar meer nog! Bij het vlugtig doorbladeren van zijn werk blijkt terstond, dat hij onze taal in ’t geheel niet verstaat, en het Hoogduitsch met Vlaamsche woorden is, wat hij opdischt. Men oordeele uit enkele staaltjes:

Stieren (leiden) rijmt bij hem op verlieren (verliezen); verzwakken op werken; loop op op (Hoogd. Lauf, auf); stilt op welt; zegelen op bespiegelen; vochten op krachten; vermindert op lindert; verbant op vlamt; feesten op begeesten; doordringen op zwingen; specerijen op getrouwen (Spezereien, Getreuen); banden op vinden; zijnen op beweenen (seinen, beweinen); geweld op balt; druiven op gelooven (Trauben, glauben); en zoo verder in menigte. Keurigheden, als

Stof zal hij vreten met begeeren Lyk mijne moeie, de beroemde slang,

Dat een komediant een pastor kan beleeren,

en dergelijken, komen ieder oogenblik voor.

Maar genoeg! Als de heer Vleeschouwer niet, bij deze gelegenheid, met wat al te veel “bewaei” aan het publiek zijne onovertrefbaarheid had willen opdringen, zou zijne vertaling thans wel genoemd, maar daarbij zou het gebleven zijn.

Aug. 1866. F.

OVERLEVERING OMTRENT FAUST.

Johann Faust, zoon van een boer uit Weimar, werd in het begin der zestiende eeuw geboren. Door een zijner ooms opgevoed, studeerde hij eerst in de theologie, en ontving, in weêrwil van een vrij losbandig leven, den doctortitel. Daarna liet hij deze studie varen, om zich op bovennatuurkundige wetenschappen en tooverkunst toe te leggen.

Deze bijzonderheden ontleenen wij aan een werk, over zijn leven en zijne merkwaardige avonturen, van Georg Rudolph Widmann, uitgegeven te Frankfort in 1587. Het schijnt echter, dat deze auteur niets anders heeft geschreven dan een roman of een dier fabelachtige legenden, die in dat tijdvak zoo in zwang waren. Hij stelt ons doctor Faust voor als den eersten der magici of sterrewigchelaars, die metalen kon zamenstellen, de elementen gebieden, naar zijne verkiezing al de gedeelten van dit ondermaansche doorklieven niet alleen, maar zich zelfs tot de verst verwijderde planeten verheffen. Op zijn gebod verrezen de dooden uit hunne graven; hij deed zich omringen door de schimmen van Alexander den Groote en meer andere helden der oudheid. Voor hem heeft het noodlot niets verborgens; en boeken, die hij met behulp van Beëlzebub tot in het oneindige zamenstelt en vermenigvuldigt, openbaren allerwege een groot aantal van onfeilbare voorspellingen.

Wij zullen over de geloofwaardigheid van het in een werk als dit aangevoerde geen woord verliezen. Bijna zouden wij in het gevoelen deelen van een Hoogduitsch schrijver, die deze geheele historie eenvoudig als eene lastering beschouwt, uitgevonden door de monniken dier ligtgeloovige eeuw, tegen Johann Fust of Faust, van Ments, een der verbeteraars—volgens sommigen uit dien tijd de mede-uitvinder—van de boekdrukkunst, en derhalve hun vijand. Intusschen moeten wij bekennen, dat deze opvatting slechts op zwakke gronden steunt. Sommige landgenooten van Faust, den toovenaar van Weimar, twijfelen niet aan zijn bestaan; en een bibliograaf heeft zelfs een catalogus van zijne werken over tooverkunst uitgegeven.

Goethe had echter niet noodig, dat een historisch feit van zoodanige belangrijkheid goed toegelicht en behoorlijk bewezen was, om het tot een onderwerp voor een dramatisch dichtstuk te maken, waarin hij de ijdelheid der menschelijke kennis wilde voorstellen, het gevaar om de studie van afgetrokken wetenschappen te ver te drijven, kortom, een man, die onder den invloed van den booze handelt. Er is iets grootsch zoo wel als iets vreemds in deze opvatting. Het werk van den Duitschen Shakspere bevat sublime stukken en tafereelen. Alleen heeft de dichter misschien wat te veel toegegeven aan de zucht om, bij het schilderen van helsche tooneelen, staatkundige en andere zinspelingen op het hof van Weimar in te lasschen, die de Duitschers uit den tegenwoordigen tijd niet meer begrijpen. Maar zijn ook de dingen van het oogenblik voorbijgegaan, wat het genie leverde, is onsterfelijk.

OVERZIGT VAN HET DICHTSTUK.

Goethe heeft zijn Faust een treurspel genoemd. Wat men onder deze benaming ook versta, op het werk van onzen dichter is zij niet van toepassing, en het wordt dan ook in Duitschland, sedert eene halve eeuw en langer, als Dramatisches Gedicht (met de noodige bekortingen natuurlijk) ten tooneele gevoerd. Reeds Mad. de Stael noemde het un poème dramatique, en in deze navolging is daarom de aanduiding behouden, die er algemeen aan gegeven is. Men moet hierbij echter niet uit het oog verliezen, dat van het “treurspel” eerst een fragment is uitgegeven, en het stuk later is bijgewerkt. Het eerste plan er van is in den winter van 1787–1788 te Rome ontworpen. Men zie hierover Goethe’s Brieven uit Rome.

Het dichtstuk wordt geopend met een Prolog, waarvan het tooneel in den hemel is. Het koor der engelen verheft den roem van het Opperwezen, en de drie aartsengelen komen rekenschap afleggen van de taak, die aan elk hunner in het heelal is toegewezen. Zij zeggen tot den Heer:

Uwe almagt, zonder paal noch perken, Vervalt ook de englen met ontzag; Uwe ondoorgrondelijke werken Zijn schoon, als op den eersten dag.

Te midden van dit engelenkoor hoort men de bloeddorstige en spotachtige stem van Mephistopheles [3], den geest des kwaads; een gevallen aartsengel, maar die door den Heer somwijlen in zijne tegenwoordigheid wordt toegelaten, even als de bijbel ons leert in de geschiedenis van Job, en met wien hij niet terugdeinst over de belangen dezer wereld te spreken. “Van al de demons”, zegt de Heer, “zijt gij degene, dien ik het minst haat. De werkzaamheid van den mensch is aan verslapping onderhevig, en om hem aan te prikkelen, heb ik uwe hulp noodig.”

Mephistopheles maakt van deze gelegenheid gebruik, om het menschelijk geslacht te vervloeken, waaraan hij even veel haat als verachting toedraagt. De Heer stelt hem het voorbeeld van Faust voor oogen, een man vol van wetenschap en vroomheid, even als dit bij Job het geval was. De vermetele demon, met al de zwakheden van het menschelijk hart bekend, vraagt den Heer verlof om den wijsgeer lagen te leggen; en de vreemdste overeenkomst wordt nu gesloten tusschen den Schepper aller dingen en den Boozen Geest, aan wien hij heeft toegestaan vrijelijk kwaad te mogen plegen.

Nu leidt de dichter ons de woning van Faust binnen. Het is nacht. De geleerde is in zijn studeervertrek alleen, gezeten voor eene schrijftafel, die met boeken en papieren bedekt is. Het vertrek wordt door eene lamp verlicht, en om hem heen zijn allerlei instrumenten verspreid, die tot verschillende studiën dienen. Zijn geest wordt gepijnigd door de onzekerheid der wetenschap, en te gelijker tijd overweldigd door dien dorst naar kennis, die zich van den mensch meester maakt, naar mate zijne kundigheden zich uitbreiden. Deze ontevredenheid van een grooten geest, in strijd met de grenzen van het gewone leven, is uitstekend uitgedrukt in eene alleenspraak, die door verscheidene tusschenkomende zaken wordt afgebroken, waarvan de voornaamste de verschijning is van den Aardgeest, die, getrokken door de magtige oproepingen van Faust, zich aan hem vertoont onder de gedaante van een gelaat, dat door vlammen is omringd. In weêrwil der ontzetting, die dit gezigt op Faust te weeg brengt, doet de hoogmoed, die de voornaamste trek van zijn karakter is, hem tot den geest zeggen:

Zou ik voor u, o vlamverschijnsel, wijken? Ik ben het, Faust; ik, uws gelijken!

Een ironisch en dubbelzinnig antwoord werpt den geleerde in den afgrond van twijfel en wanhoop.

Zijne klagten worden afgebroken door de komst van Wagenaar, zijn leerling, of zijn famulus [4], zoo als Goethe hem noemt. Deze denkt dat hij uit een treurspel declameert, en komt om iets van de geestdrift van Faust op te vangen, dien hij aanhoort, zonder hem te begrijpen. Het onderhoud, dat tusschen hen plaats heeft, is zeer geestig; men onderscheidt er duidelijk in wat den man van genie van den droogen geleerde onderscheidt. De eerste is een adelaar, die zich met zijne uitgespreide vleugelen tot de bron des lichts verheft; de andere is een boekworm, die in het stof der bibliotheken rondkruipt, en meer niet. Worm is hij geboren, worm zal hij sterven.

Wij gaan het tooneel voorbij, waar Faust zich wil vergiftigen, dat door Mad. de Stael zoo schoon beschreven is. Klokgelui en kerkgezang, waardoor het Paaschfeest wordt aangekondigd, onttrekken Faust aan de naargeestige gedachten van zelfmoord, en herinneren zijne ziel aan het vertroostende gevoel der onsterfelijkheid. [5]

Een nieuw tooneel brengt den lezer buiten de stad, ter plaatse waar het volk bijeenkomt, om zich te verlustigen. Faust begeeft er zich ook heen met Wagenaar; verscheidene omstandigheden vereenigen zich, nu eens om in hem die bittere ironie op te wekken, die somwijlen in het hart van den wijsgeer op het gezigt der ijdelheid in onze kennis schijnt te ontwaken, en dan weder om de verbeelding en den geest te verheffen bij het zien van de merkwaardigheden der natuur. Het contrast tusschen den geleerde, die zijne kennis uit de natuur, en hem, die haar uit boeken put, blijkt hier uit het gesprek tusschen Faust en Wagenaar. Eindelijk wenscht Faust, als door een toovermantel, opgetrokken te worden, om dingen te aanschouwen, die hem onbekend zijn. Wagenaar waarschuwt hem wel, doch te laat; want deze onvoorzigtige wensch is gehoord. De helsche geest heeft op dit appèl geantwoord; de avond begint te vallen, en in de schemering ziet Faust een dier, waarvan vorm en bewegingen hem buitengewoon voorkomen; hij deelt zijne bevinding aan zijn medgezel mede, die in het verschijnsel niets dan een zwarten poedel ziet, die op het veld zijnen meester verloren heeft. Faust ontdekt een vurig spoor op de schreden van het beest, en in de kringen, die het al nader komende beschrijft, iets dat wel naar tooverkringen gelijkt. Maar door Wagenaar gerustgesteld, zet hij zich over zijne bedenkingen heen, en gaat weder de stad in, door den zwarten poedel gevolgd, een omkleedsel, waaronder Mephistopheles verborgen is.

In zijne studeerkamer teruggekomen, wil Faust zich aan zijne gewone studiën overgeven. Hij wordt hierin echter telkens gestoord door gegrom, geknor en buitengewone bewegingen van den gevaarlijken logeergast, die hij bij zich ontvangen heeft. Weldra wordt dit geknor zoo hevig en verschrikkelijk, dat de geleerde het beest de deur wil uitzetten; maar wel verre van gebruik te maken van de gelegenheid, die hem wordt aangeboden, staat de poedel op, zet zich uit, wordt al grooter en grooter, en neemt eindelijk eene reusachtige gedaante aan. Te zelfder tijd hoort men buiten het vertrek een koor van geesten, die weeklagen en de gevangenschap betreuren van een hunner, die teruggehouden wordt door een tooverband, dien zij niet kunnen losmaken. Faust neemt zijne sterkste bezweringen te baat, om zich geheel meester te maken van den gevangene, dien het toeval hem in handen heeft gespeeld. De dampen, door den helschen geest verspreid, verdwijnen, en in plaats van het monster vertoont zich een jongman in het gewaad van een reizenden student, die kortaf en op een stouten toon vraagt, wat zijn meester begeert.

Faust, reeds aan wonderen gewoon, verliest zijne tegenwoordigheid van geest niet; hij ondervraagt zijn nieuwen leerling zeer familiair over het een en ander. De duivel laat zich met alle mogelijke voorkomendheid in een gesprek met hem in; vervolgens stelt hij listiglijk zijn antwoord tot eene volgende gelegenheid uit, en vraagt verlof om te vertrekken; want hij is onvoorzigtig in een valstrik geloopen: een tooverformulier op den drempel der kamer houdt hem gevangen. Faust verheugt er zich over: maar in plaats van zich de gelegenheid ten nutte te maken om den Boozen Geest te overwinnen of eenig voordeel uit de zaak te trekken, bepaalt hij zich om hem zijn goed geluk te laten voorspellen. Dit ijdel verlangen geeft aan Mephistopheles al zijne magt terug. Hij roept de geesten, die hem gehoorzamen; deze benevelen door allerlei begoochelingen de zinnen van den wijsgeer, en dompelen hem weldra in een diepen slaap. Mephistopheles maakt van dit oogenblik gebruik om door eene rat het formulier te doen doorknagen, dat hem gebannen houdt. Hij ontvlugt, en met hem verdwijnen al de fantastieke droombeelden, die hij had te weeg gebragt.

Faust ontwaakt. Hij is alleen, en meent gedroomd te hebben, toen hij aan de deur hoort kloppen. “Binnen!” roept hij, vol wrevel dat hij alweêr gestoord wordt. Na te hebben voldaan aan het bevel, dat dit “binnen!” driemaal gezegd moet worden, ziet hij een jong heer binnen treden, in een scharlaken kleed met gouden borduursel, met een korten satijnen mantel, eene haneveêr op zijn hoed en een degen op zijde. Het is Mephistopheles, die Faust komt voorstellen om de wetenschap nu maar aan den kapstok te hangen en eindelijk het leven eens te genieten. De bitterheid, die dit voorstel in de ziel van den wijsgeer te weeg brengt, afgemat door jaren studie en nachtbraken, verleidt hem om alles te vervloeken, tot zelfs het geloof, de hoop en het geduld.

Mephistopheles, door deze vlaag van somberheid aangemoedigd, zegt nu: “Zoo gij u bij mij wilt aansluiten, en mij uwe schreden door het leven laat besturen, wil ik terstond uw medgezel, of, als dit u beter voorkomt, uw dienaar en slaaf worden.” Faust vraagt hem, op welken prijs hij zijne diensten stelt. De duivel ontwijkt deze vraag. Faust volhardt er bij. Nu antwoordt Mephistopheles: “Ik wil mij hier in uwe dienst verbinden, en aan uwen minsten wenk gehoorzamen; als wij echter daarginds elkander wedervinden, zult gij voor mij het zelfde doen.”

Faust, wiens wetenschap hem tot razernij heeft gebragt (om met den apostel Paulus te spreken) stoort zich weinig aan deze bepaling, waarvan hij toch zeer goed de waarde begrijpt; hij twijfelt alleen, of de duivel zijne belofte wel zal houden, en zegt bij wijze van uitdaging:

Begin ik immer naar gemak te haken, Dan zij ’t met mij terstond gedaan! Kunt gij mij vleijend ooit beliegen, Dat ik mijzelv’ bevallen mag,— Kunt gij mij met genot bedriegen,— Dan zij ’t voor mij de laatste dag!

Mephistopheles stelt nu een geschrift hierover op, en Faust onderteekent het met zijn bloed. In geheel het overige van dit tooneel ontwikkelt Mephistopheles een karakter en beginselen, die waarlijk duivelsch zijn. De ongelukkige geleerde gevoelt er reeds den noodlottigen invloed van; maar hij werpt zich wetens en willens in de armen van den goddelooze, en is nu alleen vervuld van het denkbeeld aan de genietingen, die hem tot zoo hoogen prijs worden aangeboden.

Wij gaan de episode van den naïven leerling voorbij (die Faust komt raadplegen over den weg, dien hij heeft in te slaan, om het veld der wetenschappen binnen te treden, en waar Mephistopheles, in het gewaad van den doctor vermomd, den kandidaat ondervraagt, en hem geheel de hersens op hol brengt), om Auerbach’s wijnkelder te Leipzig op te zoeken, waar vrolijke drinkebroêrs bijeenkomen. De gesprekken, de liedjes, de kwinkslagen, die daar worden aan den man gebragt, zijn op de hoogte van het personeel, dat er bijeen is. Mephistopheles, die zich belast heeft met Faust de wereld in te leiden en hem er de genoegens van te leeren kennen, begint die taak van onderen op, of uit de laagste kringen. De nieuw aangekomenen worden voor vreemdelingen gehouden, en men ontvangt hen als zoodanig. Mephistopheles doet zich aan het gezelschap voor als iemand, die gaarne een ander eenig pleizier doet, als het in zijn vermogen staat, en ofschoon hij voor den wijn van het gezelschap bedankt, neemt hij toch plaats aan tafel. Weldra—om aan zijn kweekeling eens een denkbeeld te geven van den trap van verlaging, waartoe de dronkenschap iemand brengt, en tevens om te doen zien waartoe hij in staat is—stelt hij aan de drinkebroêrs voor, dat ieder eene wijnsoort zal opgeven, die zij het aangenaamst vinden. Het voorstel, dat men natuurlijk slechts als eene grap beschouwt, wordt aangenomen. Terstond boort Mephistopheles gaatjes in de tafel, en ieder drinker, nadat hij in zijn beker den verlangden wijn ontvangen heeft, drinkt het door hem begeerde druivensap met lange teugen. Maar hunne vreugde is van korten duur. Een van hen heeft, in weêrwil der waarschuwing van Mephistopheles, wijn op den grond gestort; het helsch brouwsel—want dit is het—verandert in eene vlam. Nu ontstaat eene groote opschudding onder de dronkaards; zij schreeuwen dat het tooverwerk is, en willen allen Mephistopheles te lijf; maar deze spreekt eenige woorden, waardoor hunne zinnen verward worden. Zij wanen zich in een verrukkelijk oord te bevinden: de een ziet wijnbergen met rijpe druiven bedekt, de ander bekers vol wijn. De Booze Geest maakt van hunne verwarring gebruik om met Faust te ontsnappen, wien deze dronkemanspret begint te walgen.

Hij brengt hem nu over in de keuken van eene heks, om hem een minnedrank te doen slurpen, die hem moet verjongen. Bonte dieren, half aap en half kat, rondom den haard gehurkt, passen op een soepketel, die op het vuur staat te koken. Faust, wien dit alles bijzonder afkeer baart, vraagt, of het niet mogelijk is om het doel te bereiken zonder al dien omslag, waarvan hij de doelloosheid reeds sedert lang heeft ingezien. Het antwoord van Mephistopheles is merkwaardig. Hij zegt:

Een middel zonder geld En arts en tooverkunsten wilt ge weten? Wel, vriend! begeef u dan naar ’t veld, En ga daar ploegen, zwoegen, zweeten; Beperk u, vóór elk ander ding, In een zeer kleinen, engen kring; Voed u, op ’s landbewoners wijzen, Met schamele, ongekruide spijzen; Leef met het vee als vee, en wees niet ongezind, Den akker, vóór het oogsten, zelf te mesten: Dat zijn, om te verjongen, vrind, Van al de middelen de besten.

Faust antwoordt hierop, dat dergelijke arbeid voor hem niet geschikt is, en hij niet eens weten zou, hoe hij een schop of spade in de hand moest nemen. “Wel nu,” zegt Mephistopheles, “dan is de heks het eenige wat u overblijft.”