Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen

Part 28

Chapter 283,170 wordsPublic domain

[Aanteekening 18: _Per se_, door zichzelf, krachtens eigen noodwendigheid, en _per accidens_, door een andere, bijkomstige, toevallige zaak of omstandigheid veroorzaakt.]

[Aanteekening 19: _Formalis rerum essentia_, _Ens (of Esse) formale_ of _reale_, door Spinoza zelf vertaald met "formelijk, dadelijk wezen". Vorm-hebbend, _werkelijk-bestaand_, _feitelijk_, in tegenstelling met _ens rationis_ (wezen van Reden, Sp.), wezen voor zoover het slechts in de voorstelling bestaat.

_Forma_, aard, wezen, natuur, bestaansvorm.]

[Aanteekening 20: _Objective_, als iets voorwerpelijks, (d.w.z. als een beeld) bestaande in de voorstelling. Zie ook in Gevolg St. VIII Deel II: "het objectief bestaan der dingen ofwel hun voorstelling."]

[Aanteekening 21: _Principia philosophiae Cartesianae_. Deel I Stelling XIX. _Stelling XIX_ God is eeuwig.

_Bewijs._ God is het meest volmaakte wezen, waaruit volgt dat hij noodzakelijk moet bestaan. Indien wij hem echter een beperkt bestaan toekenden, zouden de grenzen van zijn bestaan noodzakelijk zoo niet door ons, dan toch door God zelf begrepen moeten worden, aangezien hij het hoogste verstand is. Zoodat God zich bewust zou zijn dat hijzelf, te weten het hoogst volmaakte wezen, buiten die zekere grenzen niet bestond; hetgeen ongerijmd is. Derhalve heeft God niet een beperkt, doch een oneindig bestaan, hetwelk wij eeuwigheid noemen. God is dus eeuwig.]

[Aanteekening 22: _Absoluut_, vrij, onafhankelijk, op zichzelf staand, onvoorwaardelijk, volstrekt.

_Ex absoluta natura_, uit niets dan het wezen, uit het wezen geheel op zichzelf, afgescheiden van zijn verschijningsvormen beschouwd.]

[Aanteekening 23: _Cogitatio_, in de Korte Verhandeling vertaald met "Denking". Waar ons begrip "Denken" alle geestelijke verschijnselen omvat, achtte ik het niet noodig het ongewone woord "Denking" te aanvaarden.]

[Aanteekening 24: Het gebruik van het woord _modus_, _modificatio_ (bestaanswijze, wijziging) voor iets noodwendigs en oneindigs, lijkt in strijd met Spinoza's eigen opvatting en omschrijving der verschijningswereld als een samenstel van tijdelijke, begrensde en dus eindige dingen. Wat Spinoza in deze stellingen XXI, XXII en XXIII bedoelt met deze _oneindige_ bestaanswijzen, zijn niet "dingen, in de attributen voortgebracht", maar de onmiddellijke openbaringswijzen der attributen zelf, datgene wat, zooals Spinoza elders zegt, moet worden "toegepast aan de eigene Eigenschappen" (zie aanteekening 3). Dit blijkt ook uit de opheldering die Spinoza zelf geeft in een brief (LXIV) aan C.H. Schuller, die hem verzocht had voorbeelden te noemen van zaken die onmiddellijk door God, en van zaken welke eerst door bemiddeling van een "oneindige wijziging" zijn voortgebracht. Spinoza antwoordde hierop: "De voorbeelden tenslotte, welke gij verlangt van de eerste soort, zijn in het Denken het absoluut oneindig verstand [nl. Gods verstand of wil, zie St. XXXII Gevolg II], in de Uitgebreidheid de Beweging en de Rust; voorbeeld van de tweede soort echter is het aanzien van het gansche Heelal dat, hoewel het op oneindig vele wijzen wisselt, toch steeds hetzelfde blijft."]

[Aanteekening 25: _Concludi sive percipi_. Ook het gebruik dat Spinoza maakt van de woorden _percipere_, _concipere_, _sentire_, staat niet vast. Hier is _percipere_ gelijkgesteld met begrijpen, elders met in zich opnemen, opvatten, waarnemen, gewaarworden, voorstellen, of wordt het als synoniem beschouwd met _sentire_, dat weer meestal voelen, gewaarworden, zich bewustzijn beteekent (Zie Opmerking St. XLIX Deel II: _sentire sive percipere_, waarnemen of in ons opnemen). Daarentegen vindt men in Axioma V Deel II weer: _sentimus nec percipimus_ (waarnemen noch gewaarworden) waardoor dus weer een onderscheid tusschen de beide begrippen gesteld wordt. In Def. III Deel II tracht Spinoza te onderscheiden tusschen _conceptio_ en _perceptio_ (waarneming en gewaarwording, zie ook aanteekening [A30]) zonder evenwel verder die onderscheiding streng vol te houden. In St. V Deel II bijvoorbeeld spreekt hij alweer van: _ideata sive res perceptas_ (het voorgestelde _of_ de waargenomen dingen).

Ik heb deze begrippen overal vertaald met die schakeering welke mij voor iedere bepaalde plaats het duidelijkst leek.]

[Aanteekening 26: _Natura naturans_, God als absolute, uit zichzelf werkende, eerste oorzaak, als actief scheppend beginsel.

_Natura naturata_, God als schepping, geschapenheid, als zijn eigen openbaring, als verschijning van zichzelf, als wereld der dingen, als Natuur in den gewonen zin.]

[Aanteekening 27: _Actu_, actief, werkend, en _in potentia_: potentieel, gedacht als een vermogen om te denken, verstand-in-aanleg.]

[Aanteekening 28: Bedoeld is: zouden zij allen, ook al brachten zij in ieder mensch, naar elks gevoel verschillende aandoeningen teweeg, toch, evenals wiskundige waarheden, door alle menschen op dezelfde wijze worden begrepen.]

[Aanteekening 29: _Corpus_. Om alle verwarring te vermijden heb ik overal waar _corpus_ niet in wiskundigen zin gebruikt wordt, of waar niet in het bijzonder het _menschelijk_ lichaam bedoeld is, het woord "voorwerp" gebezigd.]

[Aanteekening 30: Andere vertalers (Gorter, Meyer, Stern) hebben: liever _begrip_ dan _waarneming_. M.i. is deze vertaling verwarrend. Immers begrip heeft voor ons juist een _engere_ beteekenis dan voorstelling zonder _meer_. Bovendien ligt in het woord waar_neming_ niets passiefs, zooals in gewaar_wording_. (Zie ook aanteekening [A25])]

[Aanteekening 31: _Adaequaat_. Letterlijk: evenarend, gelijkend op, gelijkkomend aan. De vertaling van dit begrip, zooals het door Spinoza wordt gebruikt, door één woord is onmogelijk. Dikwijls zou "juist" of "waar" voldoende zijn, dan weder ware "volledig" of "helder en duidelijk", of "overeenstemmend met, beantwoordend aan het voorwerp der voorstelling" beter.

_Inadaequaat_, _gedeeltelijk_ (in Def. I Deel III) of, als tegenstelling met "helder en duidelijk": gebrekkig en verward.

Overigens blijkt de beteekenis dezer woorden zoo duidelijk op tal van plaatsen, dat ik het Latijnsche woord, dat trouwens evenals substantie en attribuut overal burgerrecht verkreeg, onvertaald laat.]

[Aanteekening 32: _Perfectio_. Hier is het woord "volmaakt" in zuiver letterlijken zin op te vatten als "geheel-af gemaakt", zoodat aan alle denkbare voorwaarden van het bestaan ervan inderdaad voldaan is.]

[Aanteekening 33: _Affici_. Spinoza gebruikt _afficere_, "aandoen", voor iedere inwerking, zoowel geestelijk als lichamelijk (Def. III Deel III). Omdat het moderne spraakgebruik echter bij het woord aandoening (óók zelfs bij "lichaams-aandoening") in de eerste plaats aan _gemoeds_beweging, (den weerslag der inwerking op onzen geest) doet denken, heb ik in mijn vertaling overal waar deze laatste niet bedoeld is, gesproken van "inwerking".]

[Aanteekening 34: D.w.z. de mensch heeft niet den aard (_forma_, zie aanteekening [A19]) van een zelfstandig bestaand wezen.]

[Aanteekening 35: Feitelijk bestaan, aanzijn, Duitsch: Dasein.]

[Aanteekening 36: Bedoeld is: en in dit geval, voorzoover wij namelijk den mensch, met voorbijzien der andere attributen, slechts als Geest beschouwen, bestaat zijn wezen uit bestaanswijzen van het Denken.]

[Aanteekening 37: Waarop zich bijvoorbeeld A bevindt, zooals een of ander voorwerp op de aarde.]

[Aanteekening 38: _Forma_. De eigenlijke vorm, _gedaante_, is in Ax. III reeds _figura_ genoemd, het schijnt dus dat hier iets anders bedoeld is. Dit blijkt ook uit Hulpstelling V waar, door vergrooting of verkleining der deelen, de gedaante van het geheel wel degelijk zou veranderen. Het best lijkt mij de beteekenis weer te geven met: eigenaardigheid, _karakter_, wat ook blijkt uit het "Bewijs": de "_forma_" hangt af van het verband; het verband blijft bestaan, dus behoudt het individu zijn "_natura_".

Eigenlijk beteekenen dus wendingen als, "zal het individu zijn aard (_natura_) behouden" en "geenerlei verandering van karakter (_forma_) ondergaan" hetzelfde en lijkt hun koppeling overbodig; tenzij men wezen en karakter niet geheel als identiek beschouwt, maar karakter opvat als "wijze waarop zich het wezen in de werkelijkheid vertoont" (zie ook de beteekenis van _formalis_ als "werkelijk bestaand" in aanteekening [A19])]

[Aanteekening 39: _Vera_, ware. Spinoza bedoelt "volledige".

Deze botsings- en terugkaatsingstheorie lijkt vrij naïef, maar verschilt in wezen niets van iedere andere mechanische of physische verklaring der indrukken van het menschelijk lichaam. Overigens verlieze men nooit uit het oog dat Spinoza nooit de geestelijke verschijnselen modern-materialistisch op mechanische wijze "verklaart", d.w.z. niet leert dat stoffelijk-mechanische verschijnselen de geestelijke verschijnselen _veroorzaken_, maar dat zij die verschijnselen zelf _zijn_ onder een ander gezichtspunt (als openbaring van een ander attribuut) beschouwd.]

[Aanteekening 40: _Transcendentale begrippen_. Oorspronkelijk wordt hiermede bedoeld: wat (de zintuigelijke waarneming) te boven gaat; bovenzinnelijk; niet op ervaring berustend. Hier heeft het echter de beteekenis van "afgetrokken", waarbij van alle bijzonderheid is afgezien.]

[Aanteekening 41: _Intuïtief_: door onmiddellijke aanschouwing (doorzien) van het wezenlijke in iets.]

[Aanteekening 42: _Volitio_. Ik gebruik het woord "willing" naar analogie met "lijding" om een bijzondere bestaanswijze van den "wil" aan te duiden. Het gewone "wilsuiting" toch slaat eigenlijk meer op het resultaat van dien bijzonderen wil, of althans op de manier waarop hij zich openbaart.]

[Aanteekening 43: _In evenwicht_, d.w.z. wanneer hij geen keus weet te doen, wijl vóór en tegen elkaar opwegen.

_Jean Buridan_, 1297-1358, rationalistisch wijsgeer. De vergelijking van den ezel, die tusschen twee evenver verwijderde bossen hooi staande, van honger omkomt, is in zijn werken niet te vinden, maar waarschijnlijk verzonnen door zijn bestrijders om zijn determinisme belachelijk te maken.]

[Aanteekening 44: _Inculcare non teneor, quid unusquisque somniare potest._ Volgens anderen: maar omdat ik niet gehouden ben in te gaan op al wat men belieft te droomen.]

[Aanteekening 45: Ook in het zeldzamer geval dat wij wéten dat wij droomen, bekijken wij weliswaar kritisch en oordeel-opschortend onzen eigen droom, maar oefenen toch niet een willekeurigen invloed uit op zijn beloop.]

[Aanteekening 46: _Pietas_. Vroomheid in de ruimste beteekenis: rechtschapenheid, flinkheid, plichtsbetrachting.]

[Aanteekening 47: Bij Spinoza staat "derde". Het wordt echter feitelijk in het vierde Deel betoogd. In den oorspronkelijken opzet had de Ethica evenwel een andere indeeling, vandaar Spinoza's vergissing.]

[Aanteekening 48: De onderstelling van Spinoza dat handelingen van "redelooze" dieren of van slaapwandelaars buiten den geest om zouden plaats kunnen grijpen is natuurlijk geheel willekeurig en in strijd met de hedendaagsche opvattingen omtrent de onderbewuste werkingen van den geest.]

[Aanteekening 49: Toespeling op het later ook aangehaalde "_Video meliora proboque, deteriora sequor_". (Wel zie ik het betere en prijs het; toch jaag ik het slechtere na) Ovidius, Metam: VII. 20.]

[Aanteekening 50: _Appetitus_. Drang. Bij anderen: lust, verlangen. Het komt mij echter voor dat hier het woord een nog algemeener beteekenis heeft.]

[Aanteekening 51: _Potentia agendi_. Dit "vermogen tot handelen" moet niet als geheel gelijkluidend met werkkracht of energie worden opgevat. Immers lichaam of geest kunnen zeer werkzaam zijn en daarbij toch "lijden" in Spinozistischen zin. Wel geeft "levenskracht", opgevat als kracht om in zijn bestaan te volharden, de beteekenis weer.]

[Aanteekening 52: De vertaling van Spinoza's terminologie der gemoedsaandoeningen is bijzonder lastig, daar hij zich--naar hijzelf erkent (Toelichting Def. XX der Aandoeningen D. III)--geenszins houdt aan de gewone gangbare beteekenis der woorden. Daardoor geeft hij soms definities die aan een eenmaal bestaanden term een beperkter of wijder strekking geven. Onze taal is rijker aan uitdrukkingen voor allerlei gevoelsschakeeringen dan het Latijn, zoodat men er Spinoza's bedoeling dikwijls in kan benaderen.

In déze zinsnede is m.i. het vertalen van _hilaritas_ door opgeruimdheid of vroolijkheid en van _melancholia_ door zwaarmoedigheid minder juist. Immers deze woorden duiden bij ons zuiver geestelijke toestanden aan, terwijl Spinoza hier uitdrukkelijk doelt op aandoeningen die met een lichaamsgevoel gepaard gaan.]

[Aanteekening 53: _conscientiae morsus_. Eigenlijk gewetens-knaging, wroeging. Blijkens de definitie bedoelt Spinoza echter niets anders dan Spijt. Hartzeer (inderdaad een "knagende" pijn). Voor ons is gewetenswroeging echter gelijkluidend met "Berouw", d.i. Spijt met het bewustzijn van eigen schuld.]

[Aanteekening 54: Spinoza blijft steeds van _res_, ding, spreken; ik heb echter in 't vervolg meestal "wezen" gebruikt.]

[Aanteekening 55: _Causae externae_. Volgens andere uitgaven _internae_, inwendige. Wat schijnbaar beter aan de bedoeling beantwoordt. Men kan echter ook zeer goed voor den geest, voorzoover hij zichzelf beschouwt, het eigen Zelf als iets uitwendigs, als een voorwerp, opvatten.]

[Aanteekening 56: Deze definitie geeft aan het begrip "Wreedheid" een veel beperkter beteekenis dan het woord in het spraakgebruik (ook het Latijnsche) heeft. Er bestaat echter voor deze zucht om een wezen dat ons liefheeft te kwellen, geen afzonderlijk woord.]

[Aanteekening 57: _Admiratio_, letterlijk: aanstaren als een wonder. Het woord bewonderen, door sommige vertalers gebruikt, heeft bij ons een te eenzijdige beteekenis; ik vertaalde daarom waar de zin algemeener was: verbazing.]

[Aanteekening 58: _Plus curiositatis quam utilitatis haberent_. Meyer: zouden meer strekken tot aanvulling dan tot nut. Gorter: zouden meer zeldzaamheid dan nuttigheid hebben.]

[Aanteekening 59: _Impetus_, onstuimige, plotseling opkomende drang.]

[Aanteekening 60: _Sive ea sit innata, sive quod ipsa per solum Cogitationis, sive per solum Extensionis attributum concipiatur._

Het komt mij voor dat achter "_innata_" een tegenstelling is weggevallen, bv., "dan wel verworven". Spinoza bedoelt _iedere_ gesteldheid, hoe ook in ons teweeg gebracht en onder welk attribuut ook beschouwd.]

[Aanteekening 61: Op haar gewoonte: op een daaraan beantwoordende duurzame gemoedsgesteldheid.]

[Aanteekening 62: _Modestia._ In verband met andere plaatsen leek mij "gematigdheid, minzaamheid" meer in overeenstemming met Spinoza's bedoeling dan het gebruikelijke "bescheidenheid", waarin veelal een ongerechtvaardigde geringschatting van zichzelf ligt opgesloten.]

[Aanteekening 63: _Animi pathema_: _gemoeds_-lijding, hier uitdrukkelijk zoo genoemd om haar te onderscheiden van de aandoening van (inwerking op) het _lichaam_, welke door Spinoza eveneens _affectus_ genoemd wordt.]

[Aanteekening 64: Deze onderscheiding tusschen de begrippen "toevallig" en "mogelijk" is misschien het best weer te geven door "theoretisch (logisch) mogelijk" en "praktisch (feitelijk) mogelijk".]

[Aanteekening 65: Hier is met _imaginatio_ (zie aanteekening [A16]) niet bedoeld ìedere zintuigelijke voorstelling (verbeelding), maar in het bijzonder de zóó onvolledige en verwarde, dat wij haar dwaling noemen.]

[Aanteekening 66: _Cum nostra comparata_. Niet _vergeleken_ bij de onze, want het betreft hier de feitelijke verhouding van den invloed, en niet ons oordeel daaromtrent.]

[Aanteekening 67: _Affectus erga_: de aandoening jegens, d.w.z. de aandoening door iets in ons te weeg gebracht. Meyer: "stemming tegenover" en op andere plaatsen: "belangstelling in" (St. XI, XII en XIII). M.i. heeft echter _affectus_ hier steeds de beteekenis van aandoening in het algemeen; immers de stellingen gelden evenzeer voor tal van gevallen waarbij heel andere aandoeningen in het spel zijn dan vage "stemming" of zelfs "belangstelling", bv. angst voor een onafwendbare ramp etc.]

[Aanteekening 68: _Temeraria_. Ook "onbezonnen" ware misschien juist, als tegenstelling tot de "ware" (bezonnen) kennis van goed en kwaad.]

[Aanteekening 69: _Potest prior hac concipi_. M.i. moet ook deze prioriteit niet worden opgevat als een _tijdelijke_, maar als een _logische_. Het streven om zichzelf te handhaven is de eerste, fundamenteele deugd, waaruit de andere deugden moeten worden afgeleid; slechts als zoodanig kan men zeggen dat het aan alle deugden voorafgaat.]

[Aanteekening 70: _Mea haec est ratio, et sic animum induxi meum_. Anderen beschouwen "_et sic_ enz." als een herhaling van het voorgaande. Meyer: "wat mij betreft, ik denk hierover aldus". Stern: "Ich meinerseits denke so und habe folgende Ansicht gewonnen." M.i. echter is de vertaling van _animum inducere_ met "zich voornemen" hier niet alleen toelaatbaar, maar zelfs de eenige die het anders slappe en overbodige zinsdeel krachtig en zinrijk maakt.]

[Aanteekening 71: Meyer: overmoed en uitgelatenheid. Het is m.i. echter niet noodig hier gerustheid en verheuging in hun overdrijving te beschouwen. Ook de niet overdreven gerustheid en verheuging zijn reacties op vrees en als zoodanig voor Spinoza bewijzen van geestelijke machteloosheid; evenals medelijden, overdreven of niet.]

[Aanteekening 72: _Bene agere en laetari_. Wèl doen moet hier niet worden opgevat als "weldaden bewijzen" in de gewone beteekenis, maar als "goed, flink, krachtig, redelijk _handelen_" in den Spinozistischen zin van het woord.]

[Aanteekening 73: _Nullius rei ipsos puderet, nec ipsi quicquam metuerent, quo vinculis conjungi constringique possent?_ Andere lezing, zonder vraagteeken: "zouden zij zich nergens voor schamen en niets vreezen, waardoor zij thans nog in den band worden gehouden en beteugeld". Deze laatste lezing sluit m.i. minder logisch aan bij den volgenden zin.]

[Aanteekening 74: Met "verbeteren" is hier bedoeld: temperen, overwinnen door een andere aandoening.]

[Aanteekening 75: _Ignaros_, onwetend, onontwikkeld, nog niet tot inzicht gekomen. Andere lezing: _ignavos_: krachteloos, zwak. Deze laatste opvatting zou hier, in tegenstelling tot den "vrijen", krachtigen mensch, wel toelaatbaar zijn. Maar ook verderop wordt telkens het eerste woord gebruikt.]

[Aanteekening 76: _Atque tum magis discordia quam concordia fovetur._ Andere lezing: _discordiâ quam concordiâ_ (ablativus), waardoor de zin zou worden: "in welk geval zij (nl. de abnormale, tot waanzin gestegen zinnelijkheid) door tweedracht méér nog dan door eendracht geprikkeld wordt." Dit is echter moeilijker in verband te brengen met Gevolg St. XXXI D. III waarnaar juist verwezen wordt.]

[Aanteekening 77: _Compendium_. Samenvatting. Meyer: kort begrip. Stern: Inbegriff. Gorter leest _compensatio_, vergoeding. Als "Ruilmiddel" _weegt_ het geld _tegen_ alle dingen _op_ en _vertegenwoordigt_ het ze tevens.]

[Aanteekening 78: _Spiritus animales_, dierlijke geesten. Bedoeld zijn de verschillende krachten die door Descartes e.a. als oorzaken der verschillende levensverschijnselen ondersteld worden.]

[Aanteekening 79: _Non nisi ratione distinguetur_. Meyer: "Geen ander dan een _denkbeeldig_ onderscheid". Stern: "Nur nach dem _Verhältnis_ verschieden sein." M.i. is de bedoeling deze: de nieuwe voorstelling is een (adaequate) voorstelling omtrent een (oorspronkelijk inadaequate) voorstelling, dus niet _feitelijk_ maar alleen _in redelijk opzicht_ (voor ons begrip) er van onderscheiden. In werkelijkheid zijn beide voorstellingen één (zooals lichaam en geest) en dus kunnen uit de nieuwe voorstelling, omdat zij adaequaat is, slechts handelingen voortvloeien, m.a.w. de oorspronkelijke aandoening houdt op lijding te zijn.]

[Aanteekening 80: _Simpliciter_; eenvoudig, zoomaar.]

[Aanteekening 81: _Secundum ordinem ad intellectum_. Volgens een orde, welke door het verstand vereischt wordt, of welke hen geschikt maakt om begrepen te kunnen worden.]

[Aanteekening 82: Men verwarre Spinoza's "eeuwigheid van den Geest" niet met een "persoonlijk voortbestaan". Onze persoonlijkheid immers is naar Spinoza's opvatting slechts een tijdelijke, vergankelijke bestaanswijze (_modus_) die afhankelijk is van onze lichaamsindrukken, zich met deze wijzigt en met het lichaam te gronde gaat. Zie de Opmerking bij St. XXXIX Deel IV, waar Spinoza zegt dat een individu zich onder bepaalde omstandigheden zoozeer kan wijzigen, dat hij "niet gaarne zou willen volhouden dat hij dezelfde mensch was als voorheen." Zelfs den volwassene kent Spinoza daar blijkbaar een andere individualiteit toe als het kind.

Dat de stellingen die over de eeuwigheid des Geestes handelen voor velen zoo duister zijn ligt m.i. in de eerste plaats hieraan dat men, ofschoon Spinoza zelf er telkens voor waarschuwt, zijn onsterfelijkheid of eeuwigheid verwart met een "voortbestaan in den tijd". Maar een tweede aanleiding tot verwarring is dat Spinoza niet uitdrukkelijk genoeg doet uitkomen dat eigenlijk het _Lichaam even eeuwig en onsterfelijk is als de Geest_. Immers ook het individueele lichaam gaat met den dood als zoodanig te gronde, ofschoon het als "stof" (Uitgebreidheid) onvernietigbaar, eeuwig is. Het lìjkt wel alsof Spinoza in de eenigszins slordige Stelling XXIII "De menschelijke Geest kan niet _met_ het Lichaam _geheel en al_ te niet gaan", leert, dat dus het Lichaam wèl absoluut vernietigd wordt; maar het is duidelijk dat dit volkomen in strijd zou zijn niet alleen met de ervaring, maar met Spinoza's eigen leer. Het wordt bovendien in het Bewijs dier Stelling zelf indirekt ontkent, waar gesproken wordt over het "_tegenwoordig_ bestaan des Lichaams", in tegenstelling dus met zijn eeuwig bestaan.

Een dualistische opvatting van Geest en Lichaam, als van _twee_ dingen, die _gescheiden_ zouden kunnen worden, is in Spinoza's systeem _ondenkbaar_. Geest en stof, Denken en Uitgebreidheid, zijn bij Spinoza immers niet in eigenlijken zin _verbonden_, maar identiek, _één en hetzelfde_. Wat wij dus van den mensch bij zijn dood zien teniet gaan, of liever zich oplossen, is zijn _tijdelijke_ verschijning (bestaanswijze) als Geest-Lichaam, dus zijn lichamelijke èn geestelijke individualiteit. Voorzoover hij echter stof-op-zichzelf is, d.w.z. God, gedacht als Uitgebreidheid, is zijn Lichaam eeuwig en in dienzelfden zin is zijn Geest eeuwig, als keerzijde van dit eeuwige lichaam, als voorstelling ervan, als God, voorzoover hij Denken is. Ons lichaam wordt "stof", d.i. Uitgebreidheid zonder bepaalden vorm, en zoo wordt onze geest "Denken, Verstand", _zonder_ "verbeelding en herinnering", welke juist aan dien bepaalden lichaamsvorm gebonden waren.

Hoe meer de mensch nu "één is met God", dat wil in den Spinozistischen gedachtengang zeggen: hoe beter hij God begrijpt en hoe meer hij hem lief heeft d.w.z. hoe redelijker hij denkt en leeft; hoe meer hij ook doordrongen zal zijn van het besef van noodwendigheid en eeuwigheid en hoe minder de illusie van zijn tijdelijk bestaan en de vrees voor zijn dood hem zullen hinderen. Spinoza drukt dit, in een m.i. verwarrende beeldspraak, uit in de woorden: hoe grooter _deel_ van zijn Geest zal overblijven. Nog iets duidelijker wordt Spinoza's opvatting van eeuwigheid wanneer men haar in verband brengt met zijn (mathematisch) causaliteitsbegrip (zie ook aanteekening [A8]). _Begrijpen_ is de dingen zien in hun _logische afhankelijkheid_ in plaats van in hun _tijdelijke opeenvolging_, zulk begrip is even tijdloos, even eeuwig als een of andere mathematische waarheid, die "in God" bestaat. Voorzoover wij dus begrijpen _zijn_ wij eeuwig, hebben wij deel aan het oneindige Verstands Gods.]