Part 20
Deze zijn dan die voorschriften der Rede welke ik hier kortelijks wenschte aan te duiden, alvorens ze op breedvoeriger wijze te gaan uiteen zetten. Ik deed dit om, zoo mogelijk, mij te verzekeren van de aandacht diergenen, die meenen dat dit beginsel: dat namelijk een ieder zijn eigen belang behoort na te streven, de grondslag is der goddeloosheid en geenszins van Deugd en Vroomheid. Nadat ik dus in het kort er op heb gewezen, dat de zaak juist omgekeerd is, ga ik voort haar op denzelfden weg, dien wij tot dusver volgden, te bewijzen.
_Stelling XIX._
Ieder begeert of verfoeit krachtens de wetten van zijn aard noodzakelijk datgene, wat hij voor goed of kwaad houdt.
_Bewijs._
De kennis van goed en kwaad is (_vlg. St. VIII v.d. D._) een aandoening van Blijheid of Droefheid, voorzoover wij ons daarvan bewust zijn; vandaar dat ieder noodzakelijk begeert wat hij voor goed en daarentegen verfoeit wat hij voor kwaad houdt. Doch deze begeerte is niets anders dan 's menschen wezen of aard zelf (_vlg. Definitie der Begeerte, zie Opmerking St. IX D. III en Definitie I der Aand._). Derhalve begeert of verfoeit een ieder alleen reeds krachtens de wetten van zijn aard noodzakelijk enz. H.t.b.w.
_Stelling XX._
Hoe meer iemand zijn belang nastreeft, d.w.z. zijn wezen poogt en vermag in stand te houden, hoe deugdzamer hij is, en omgekeerd, naarmate iemand zijn belang, d.w.z. de instandhouding van zijn wezen, verwaarloost, is hij machteloozer.
_Bewijs._
Deugd is de menschelijke macht zelf, waardoor alleen 's menschen wezen wordt bepaald (_vlg. Definitie VIII v.d. D._) d.w.z. (_vlg. St. VII D. III_) welke alleen door dit streven, waarmede de mensch in zijn bestaan tracht te volharden, bepaald wordt. Hoe meer dus iemand poogt en vermag zijn wezen in stand te houden, hoe deugdzamer hij is en bijgevolg (_vlg. St. IV en VI D. III_): naarmate iemand de instandhouding van zijn wezen verwaarloost is hij machteloozer. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Niemand zal dus, tenzij door uitwendige en met zijn aard strijdige oorzaken gedwongen, verwaarloozen zijn belang na te streven of zijn wezen in stand te houden. Niemand, zeg ik, zal krachtens de noodwendigheid van zijn eigen aard voedsel versmaden of zichzelf dooden; wat hij echter door uitwendige oorzaken gedwongen, op velerlei wijzen doen kan. Zoo kan iemand zichzelf dooden, gedwongen door een ander, die zijn rechterhand, waarmede hij toevallig een zwaard gegrepen had, omdraait en hem zoodoende noodzaakt het op zijn eigen hart te richten; of doordat hij, gelijk Seneca, op bevel van een tyran gedwongen wordt zichzelf de slagaderen te openen en daarmede wenscht een grooter kwaad door een kleiner te vermijden; of tenslotte, doordat verborgen uitwendige oorzaken zoodanig op zijn verbeelding en lichaam inwerken, dat dit laatste een anderen aard, tegengesteld aan zijn vroegeren, verkrijgt, welks voorstelling in den Geest niet kan bestaan (_vlg. St. X D. III_). Dat echter de mensch krachtens de noodwendigheid van zijn eigen aard er naar zou streven nìet te bestaan of een anderen [bestaans] vorm aan te nemen, is even onmogelijk als dat uit niets iets ontstaat, gelijk een ieder bij eenig nadenken zal inzien.
_Stelling XXI._
Niemand kan begeeren gelukkig te zijn, goed te handelen en goed te leven, zonder tevens te begeeren te zijn, te handelen en te leven, d.w.z. te bestaan.
_Bewijs._
Het bewijs dezer stelling, of liever de zaak zelf, is vanzelfsprekend en blijkt ook uit de Definitie der Begeerte. Immers de Begeerte om gelukkig of goed te leven, te handelen enz., is (_vlg. Definitie I der Aand._) 's menschen wezen zelf, d.w.z. (_vlg. St. VII D. III_) het streven, krachtens hetwelk ieder zijn bestaan tracht te handhaven. Derhalve kan niemand begeeren enz. H.t.b.w.
_Stelling XXII._
Er is geen Deugd denkbaar, welke hierbij (namelijk aan het streven om zichzelf te handhaven) zou vóórgaan[A69].
_Bewijs._
Het streven om zichzelf te handhaven is het wezen zelf van ieder ding (_vlg. St. VII D. III_). Indien er dus een of andere Deugd denkbaar ware, welke vóórging bij deze, d.w.z. bij dit streven [zoodat dit uit die andere deugd zou moeten worden afgeleid], ware derhalve (_vlg. Definitie VIII v.d. D._) het wezen van iets als voorafgaande aan zichzelf gedacht, wat (_gelijk vanzelf spreekt_) ongerijmd is. Derhalve is er geen Deugd enz. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Het streven om zichzelf te handhaven is de eerste en eenigste grondslag der Deugd. Immers er is (_vlg. voorgaande St._) niets denkbaar, dat aan dit beginsel kan vooraf gaan en zonder ditzelfde beginsel is (_vlg. St. XXI v.d. D._) evenmin eenige andere Deugd denkbaar.
_Stelling XXIII._
Voorzoover de mensch tot eenige daad gedreven wordt, doordat hij inadaequate voorstellingen heeft, lijdt hij (_vlg. St. I D. III_) d.w.z. (_vlg. Definities I en II D. III_), doet hij iets dat niet uit zijn wezen alleen kan worden afgeleid, d.w.z. (_vlg. Definitie VIII v.d. D._), iets dat niet uitsluitend uit zijn eigen Deugd [kracht, wezen] voortvloeit. Voorzoover hij echter tot eenige daad gedreven wordt, doordat hij iets werkelijk begrijpt, _handelt_ hij (_vlg. dezelfde St. I D. III_), d.w.z. (_vlg. Def. II D. III_), doet hij iets dat wèl uit zijn eigen wezen kan worden verklaard, of dat (_vlg. Definitie VIII v.d. D._) adaequaat uit zijn eigen Deugd voortvloeit. H.t.b.w.
_Stelling XXIV._
Geheel krachtens eigen Deugd handelen, is voor ons niets anders dan onder leiding der Rede handelen, leven, ons bestaan handhaven (deze drie uitdrukkingen beteekenen hetzelfde), met de bedoeling ons eigen belang te bevorderen.
_Bewijs._
Geheel krachtens eigen Deugd handelen is (_vlg. Definitie VIII v.d. D._) niets anders dan handelen krachtens de wetten van onzen eigen aard. Wij handelen echter alleen voorzoover wij iets begrijpen (_vlg. St. III D. III_). Derhalve is krachtens eigen Deugd handelen, voor ons niets anders dan onder leiding der Rede handelen, leven, ons bestaan handhaven, en dat wel (_vlg. Gevolg St. XXII v.d. D._) met de bedoeling ons eigen belang te bevorderen.
_Stelling XXV._
Niemand tracht zijn wezen in stand te houden terwille van iets anders.
_Bewijs._
Het streven, waarmede elk ding in zijn bestaan tracht te volharden, wordt alleen door het wezen der zaak zelf bepaald (_vlg. St. VII D. III_) en wanneer dit slechts gegeven is, volgt (_vlg. St. VI D. III_) reeds noodzakelijk hieruit, en geenszins uit het wezen van iets anders, dat elkeen tracht zijn bestaan te handhaven. Bovendien blijkt deze stelling uit het Gevolg van Stelling XXII van dit Deel. Immers, indien de mensch, terwille van iets anders, zijn bestaan trachtte te handhaven, zou deze andere zaak het eerste [fundamenteele] beginsel der Deugd zijn (_gelijk vanzelf spreekt_), hetgeen (_vlg. voornoemd Gevolg_) ongerijmd is. Derhalve tracht niemand zijn wezen enz. H.t.b.w.
_Stelling XXVI._
Datgene, waarnaar wij krachtens de Rede streven, is niets anders dan begrip; voorzoover de Geest zich van de Rede bedient, houdt hij alleen dat voor nuttig, wat tot begrip leidt.
_Bewijs._
Het streven om zichzelf te handhaven is (_vlg. St. VII D. III_) niets anders dan het wezen van elk ding, aan hetwelk men, voorzoover het als zoodanig bestaat, ook de kracht moet toekennen om in zijn bestaan te volharden (_vlg. St. VI D. III_) en datgene te doen wat uit zijn gegeven aard noodzakelijk voortvloeit (_zie Definitie van den Drang in Opmerking St. IX D. III_). Doch het wezen der Rede is niets anders dan onze Geest zelf, voorzoover hij helder en duidelijk begrijpt (_zie haar Definitie in Opmerking II St. XL D. II_). Derhalve is (_vlg. St. XL D. II_) datgene, naar hetwelk wij krachtens de Rede streven, niets anders dan begrip. Waar voorts dit streven van den Geest, waardoor hij, voorzoover hij redeneert [redelijk denkt], tracht zijn wezen te handhaven, niets anders is dan begrijpen (_vlg. het eerste gedeelte van dit bewijs_), is ook dit streven naar begrip (_vlg. Gevolg St. XXII v.d. D._) de eerste en eenige grondslag der Deugd. Wij zullen dan ook (_vlg. St. XXV v.d. D._) niet terwille van een of ander doel er naar streven de dingen te begrijpen. Integendeel, voorzoover hij redelijk denkt, kan de Geest niets voor goed houden dan alleen wat tot begrip leidt (_vlg. Definitie I v.d. D._). H.t.b.w.
_Stelling XXVII._
Van niets weten wij met zekerheid dat het goed of kwaad is, dan van datgene wat inderdaad tot begrip leidt, of wat ons begrip kan belemmeren.
_Bewijs._
Voorzoover hij redelijk denkt, verlangt de Geest niets anders dan begrijpen en houdt hij niets anders voor nuttig dan datgene, wat tot begrip leidt (_vlg. voorgaande St._). Maar de Geest heeft (_vlg. St. XLI en XLIII D. II; zie ook de Opmerking daarbij_) geenerlei zekerheid omtrent de dingen, dan voorzoover hij adaequate voorstellingen heeft, ofwel (_wat vlg. Opmerking St. XL D. II hetzelfde is_) voorzoover hij redelijk denkt. Derhalve weten wij van niets met zekerheid dat het goed is, dan van datgene, wat inderdaad tot begrip leidt, en omgekeerd dat het kwaad is, dan van datgene wat ons begrip kan belemmeren. H.t.b.w.
_Stelling XXVIII._
Het hoogste goed voor den Geest is de kennis van God en de hoogste Deugd des Geestes is God kennen.
_Bewijs._
Het hoogste wat de Geest begrijpen kan is God, d.w.z. (_vlg. Definitie VI D. I_) het volstrekt oneindige wezen, zonder hetwelk (_vlg. St. XV D. I_) niets bestaanbaar, noch denkbaar is. Derhalve is (_vlg. St. XXVI en XXVII v.d. D._) het hoogste belang, ofwel (_vlg. Definitie I v.d. D._) het hoogste goed voor den Geest, de kennis van God. Verder handelt de Geest alleen (_vlg. St. I en III D. III_) voorzoover hij begrijpt en alleen inzoover ook kan men (_vlg. St. XXIII v.d. D._) onvoorwaardelijk van hem zeggen, dat hij krachtens eigen Deugd handelt. Begrijpen is dus de uitsluitende Deugd des Geestes. Het hoogste evenwel wat de Geest begrijpen kan is God (_gelijk wij reeds hebben aangetoond_). Derhalve is het de hoogste Deugd des Geestes Gods te begrijpen of te kennen. H.t.b.w.
_Stelling XXIX._
Een of ander bijzonder ding, welks aard geheel verschillend is van de onze, kan ons vermogen tot handelen noch bevorderen noch belemmeren. Trouwens in het algemeen kan niets goed of kwaad voor ons zijn als het niet iets met ons gemeen heeft.
_Bewijs._
Van elk bijzonder ding en bijgevolg (_vlg. Gevolg St. X D. II_) ook van den mensch, wordt het vermogen, waardoor het bestaat en werkt uitsluitend bepaald door een ander bijzonder ding (_vlg. St. XXVIII D. I_) welks aard (_vlg. St. VI D. II_) uit hetzelfde attribuut moet kunnen worden afgeleid als de menschelijke aard. Ons eigen vermogen tot handelen, hoe ook opgevat, kan dus alleen bepaald, en bijgevolg bevorderd of belemmerd worden, door de macht van eenig ander bijzonder ding, dat iets met ons gemeen heeft, doch niet door de macht van iets, welks aard geheel van de onze verschilt. Aangezien wij nu (_vlg. St. VIII v.d. D._) datgene goed of kwaad noemen, wat oorzaak is van Blijheid of Droefheid, d.w.z. (_vlg. Opmerking St. XI D. III_) wat ons vermogen tot handelen vermeerdert of vermindert, bevordert of belemmert, kan dus een ding, welks aard geheel en al van de onze verschilt, voor ons ook niet goed of kwaad zijn. H.t.b.w.
_Stelling XXX._
Geen ding kan, door wat het met onzen aard gemeen heeft, slecht voor ons zijn. Voorzoover iets slecht voor ons is, is het met onzen aard in strijd.
_Bewijs._
Slecht noemen wij datgene, wat oorzaak is van Droefheid (_vlg. St. VIII v.d. D._), d.w.z. (_vlg. de Definitie daarvan, welke men vindt in Opmerking St. XI D. III_), wat ons vermogen tot handelen vermindert of belemmert. Indien dus eenig ding, door wat het met ons gemeen heeft, slecht voor ons was, zou het dus juist datgene, wat het met ons gemeen had, kunnen verminderen of belemmeren, hetgeen (_vlg. St. IV D. III_) ongerijmd is. Geen ding kan dus door datgene, wat het met ons gemeen heeft, slecht voor ons zijn; maar omgekeerd, voorzoover iets slecht is, d.w.z. (_gelijk reeds werd aangetoond_) voorzoover het ons vermogen tot handelen kan verminderen of belemmeren, is het (_vlg. St. V D. III_) met onzen aard in strijd. H.t.b.w.
_Stelling XXXI._
Voorzoover eenig ding met onzen aard overeenkomt, is het noodzakelijk goed.
_Bewijs._
Immers voorzoover eenig ding met onzen aard overeenkomt kan het (_vlg. voorgaande St._) niet slecht zijn. Het zal dus noodzakelijk òf goed òf onverschillig zijn. Gesteld dit laatste ware het geval, namelijk dat het noch goed noch kwaad was, dan zou er dus (_vlg. Definitie I v.d. D._) niets uit zijn aard voortvloeien, dat tot instandhouding van ònzen aard strekte. Dit echter is (_vlg. St. VI D. III_) ongerijmd; het moet dus, voorzoover het met onzen aard overeenkomt, noodzakelijk goed zijn. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat hoe meer eenig ding met onzen aard overeenkomt, hoe nuttiger of hoe beter het voor ons is, en omgekeerd, hoe nuttiger iets voor ons is, hoe meer het met onzen aard overeenkomt. Immers voorzoover het niet met onzen aard overeenkomt zal het noodzakelijk ervan verschillen of er mede in strijd zijn. Indien het ervan verschilt, zal het (_vlg. St. XXIX v.d. D._) noch goed noch kwaad kunnen zijn; is het er echter mede in strijd, dan zal het dus ook in strijd zijn met datgene wat met onzen aard overeenkomt, d.w.z. (_vlg. voorgaande St._) in strijd met wat goed is, en dus zelf slecht. Niets kan dus goed zijn, dan alleen voorzoover het met onzen aard overeenkomt, en derhalve, hoe meer eenig ding met onzen aard overeenkomt, hoe nuttiger het is, en omgekeerd. H.t.b.w.
_Stelling XXXII._
Voorzoover de menschen aan lijdingen onderworpen zijn kan men niet van hen zeggen dat zij van nature overeenkomen.
_Bewijs._
Wat men van nature overeenkomend noemt, beschouwt men als overeenkomend in vermogen (_vlg. St. VII D. III_), niet echter in onvermogen of iets negatiefs, en bijgevolg (_zie Opmerking St. III D. III_) ook niet in lijding; zoodat men van de menschen, voorzoover zij aan lijdingen onderworpen zijn, ook niet zeggen kan, dat zij van nature overeenkomen. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Dit is ook vanzelf duidelijk. Immers wie zegt, dat wit en zwart alleen dáárin overeenkomen, dat geen van beide rood zijn, bevestigt hiermede volkomen dat wit en zwart in geen enkel opzicht overeenkomen. En evenzoo, wie beweert, dat een steen en een mensch alleen dáárin overeenkomen, dat zij beide begrensd en machteloos zijn, of dat zij niet krachtens de noodwendigheid van hun eigen aard bestaan, of eindelijk dat hun vermogen door dat van uitwendige oorzaken verre wordt overtroffen, die erkent hiermede volkomen, dat een steen en een mensch in geen enkel opzicht overeenkomen. Immers zaken, welke alleen in iets negatiefs of in datgene wat hen nìet eigen is, overeenkomen, komen in werkelijkheid in geen enkel opzicht overeen.
_Stelling XXXIII._
De menschen kunnen van nature verschillen voorzoover zij door aandoeningen, welke lijdingen zijn, getroffen worden; in zoover is zelfs één en dezelfde mensch veranderlijk en onstandvastig.
_Bewijs._
De aard of het wezen der aandoeningen kan niet uit ons wezen of onzen aard alleen worden verklaard (_vlg. Definities I en II D. III_) doch moet worden bepaald door de macht, d.w.z. (_vlg. St. VII D. III_) door den aard der uitwendige dingen, in verhouding tot de onze. Vandaar dat er van elke aandoening evenveel soorten zijn als er soorten van voorwerpen, welke op ons inwerken, bestaan (_zie St. LVI D. III_) en dat de menschen van één en hetzelfde voorwerp verschillende inwerkingen ondergaan (_zie St. LI D. III_) en inzoover van nature verschillen, terwijl tenslotte (_vlg. dezelfde St. LI D. III_) één en dezelfde mensch door hetzelfde voorwerp op verschillende wijze wordt aangedaan en dus in zoover veranderlijk is enz. H.t.b.w.
_Stelling XXXIV._
Voorzoover de menschen door aandoeningen, welke lijdingen zijn, getroffen worden, kunnen zij tegenover elkaar staan.
_Bewijs._
Een zeker mensch, bijvoorbeeld Petrus, kan oorzaak zijn dat Paulus zich bedroeft, doordat hij iets heeft, dat gelijkt op iets wat Petrus haat (_vlg. St. XVI D. III_) of omdat Petrus alleen in het bezit is van iets, dat ook Paulus liefheeft (_zie St. XXXII en Opmerking D. III_), of om andere redenen (_waarvan men de voornaamste kan vinden in de Opmerking bij St. LV D. III_). Het kan dus voorkomen (_vlg. Definitie VII der Aand._) dat Paulus om één dezer redenen haat koestert jegens Petrus en bijgevolg kan het ook licht gebeuren (_vlg. St. XL en Opmerking D. III_), dat omgekeerd Petrus haat gevoelt jegens Paulus, en dat zij daarom (_vlg. St. XXXIX D. III_) zullen trachten elkaar kwaad te berokkenen, d.w.z. (_vlg. St. XXX v.d. D._) dat zij tegenover elkaar staan. Nu is echter een aandoening van Droefheid steeds een lijding (_vlg. St. LIX D. III_); derhalve kunnen menschen, voorzoover zij getroffen worden door aandoeningen welke lijdingen zijn, tegenover elkaar staan.
_Opmerking:_ Ik heb gezegd, dat Paulus haat koestert jegens Petrus, omdat hij zich voorstelde, dat deze iets bezit wat Paulus zelf eveneens liefheeft. Op het eerste gezicht schijnt hieruit te volgen, dat deze beiden, omdat zij hetzelfde lief hebben en bijgevolg, omdat zij van nature overeenkomen, elkaar kwaad berokkenen en dat dientengevolge als dit waar is, de Stellingen XXX en XXXI van dit Deel valsch zouden zijn. Maar wanneer wij deze zaak nauwkeuriger overwegen, zullen wij bevinden dat dit alles in volkomen overeenstemming is. Want deze beiden zijn elkaar niet tot last voorzoover zij van nature overeenkomen, d.w.z. voorzoover zij beiden hetzelfde liefhebben, maar juist voorzoover zij van elkaar verschillen. Immers voorzoover beiden hetzelfde liefhebben, wordt hierdoor beider liefde aangewakkerd (_vlg. St. XXXI D. III_) d.w.z. (_vlg. Definitie VI der Aand._) beider Blijheid versterkt, zoodat het er verre vandaan is, dat zij elkaar tot last zouden zijn voorzoover zij hetzelfde liefhebben en van nature overeenkomen. De reden hiervan is integendeel, gelijk ik reeds zeide, geen andere dan dat zij, naar werd ondersteld, juist van nature verschillen. Wij nemen toch immers aan, dat Petrus een voorstelling heeft van een geliefd voorwerp, dat reeds in zijn bezit is, Paulus daarentegen van een dat hij mist. Vandaar dat déze Droefheid, gene daarentegen Blijheid gevoelt en dat zij in zoover tegenover elkaar staan. Op deze wijze nu kunnen wij gemakkelijk aantoonen, dat ook de overige aanleidingen tot haat alleen daarvan afhangen, dat menschen van nature verschillen en niet van datgene waarin zij overeenkomen.
_Stelling XXXV._
Alleen voorzoover de menschen leven volgens leiding der Rede, komen zij steeds en noodzakelijk van nature overeen.
_Bewijs._
Voorzoover de menschen door aandoeningen welke lijdingen zijn getroffen worden, kunnen zij van nature verschillen (_vlg. St. XXXIII v.d. D._) en tegenover elkaar staan (_vlg. voorgaande St._). Maar men kan alleen zeggen, dat de menschen _handelen_ voorzoover zij leven volgens leiding der Rede (_vlg. St. III D. III_); en daarom moet al wat voortvloeit uit den menschelijken aard, voorzoover deze door de Rede bepaald wordt, (_vlg. Definitie II D. III_) uitsluitend uit dien menschelijken aard als naaste oorzaak worden verklaard. Aangezien evenwel ieder krachtens de wetten van zijn eigen aard tracht te verkrijgen, wat hij voor goed en te verwijderen wat hij voor kwaad houdt (_vlg. St. XIX v.d. D._) en bovendien dat, wat wij op gezag der Rede voor goed of kwaad houden, ook noodzakelijk goed of kwaad ìs (_vlg. St. XLI D. II_) doen dus de menschen, voorzoover zij onder leiding der Rede leven, noodzakelijk alleen zulke dingen, welke voor den menschelijken aard, en bijgevolg voor ieder mensch, noodzakelijk goed zijn, d.w.z. (_vlg. Gevolg St. XXXI v.d. D._) welke met den aard van ieder mensch overeenkomen; zoodat de menschen, voorzoover zij volgens leiding der Rede leven, steeds noodzakelijk met elkaar in overeenstemming zijn. H.t.b.w.
_Gevolg I:_ Er bestaat in de wereld der dingen geen enkel bijzonder ding, dat voor den mensch nuttiger is dan een mensch, die volgens leiding der Rede leeft. Want datgene is (_vlg. Gevolg St. XXXI v.d. D._) het allernuttigste voor den mensch, wat het meest met zijn aard overeenkomt, d.w.z. (_gelijk vanzelf spreekt_) de mensch. Maar de mensch handelt geheel en al krachtens de wetten van zijn aard, wanneer hij volgens leiding der Rede leeft (_vlg. Definitie II D. III_), en slechts inzoover is hij steeds en noodzakelijk met den aard van andere menschen in overeenstemming (_vlg. voorgaande St._). Derhalve bestaat er voor den mensch onder alle bijzondere dingen niets nuttigers dan de mensch enz. H.t.b.w.
_Gevolg II:_ Wanneer ieder mensch het meest zijn eigen belang zoekt, zijn de menschen het nuttigst voor elkaar. Want hoemeer ieder zijn eigen belang zoekt en zichzelf tracht te handhaven, hoe deugdzamer is hij (_vlg. St. XX v.d. D._), of wat hetzelfde is (_vlg. Definitie VIII v.d. D._), hoe grooter is zijn vermogen om krachtens de wetten van zijn aard te handelen, d.w.z. (_vlg. St. III D. III_) om te leven volgens leiding der Rede. Maar de menschen stemmen dàn het meest van nature overeen, wanneer zij volgens leiding der Rede leven (_vlg. voorgaande St._). Derhalve zullen (_vlg. voorgaand Gevolg_) de menschen dàn het nuttigst voor elkaar zijn, wanneer elk het allermeest zijn eigen belang zoekt. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Wat wij hier aantoonden bevestigt ook de ervaring zelf dagelijks met zoovele en zoo glasheldere voorbeelden, dat het haast elkeen in den mond ligt dat: de mensch des menschen god is. Nochtans komt het zelden voor dat de menschen volgens leiding der Rede leven, maar meestal is het zóó met hen gesteld, dat zij elkaar benijden en onderling hinderen. Niettemin kunnen zij een eenzaam leven niet goed verdragen, zoodat den meesten de definitie, volgens welke de mensch een sociaal dier is, ten zeerste toelacht; en inderdaad is het een feit, dat uit het gemeenschapsleven der menschen veel meer vóórdeelen dan nadeelen voortvloeien. Mogen dus de hekelaars, zooveel het hen behaagt, het menschelijk doen en laten bespotten, mogen de godgeleerden het verfoeien en mogen de zwartgalligen, zooveel zij kunnen, onbeschaafdheid en het boersche leven loven, de menschen verachten en de beesten bewonderen; zij zullen nochtans de ervaring opdoen, dat de menschen door onderlinge hulp zich het gemakkelijkst al wat zij noodig hebben kunnen verschaffen en niet dan met vereende krachten de gevaren, welke overal dreigen, kunnen ontwijken; om nog ervan te zwijgen dat het veel voortreffelijker en onzen weetlust veel waardiger is, onze aandacht te wijden aan het leven der menschen dan aan dat der dieren. Doch hierover elders uitvoeriger.
_Stelling XXXVI._
Het hoogste Goed voor hen die de Deugd volgen, is allen gemeen en allen kunnen er zich gelijkelijk in verheugen.
_Bewijs._
Uit Deugd handelen is volgens leiding der Rede handelen (_vlg. St. XXIV v.d. D._) en het eenige, waarnaar wij op bevel der Rede streven, is begrijpen (_vlg. St. XXVI v.d. D._). Derhalve is (_vlg. St. XXVIII v.d. D._) het hoogste Goed voor hen die de Deugd volgen: God te kennen, d.w.z. (_vlg. St. XLVII en Opmerking D. II_) een goed dat allen menschen gemeen is en dat alle menschen, voorzoover zij van denzelfden aard zìjn, gelijkelijk kunnen bezitten.