Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen

Part 2

Chapter 23,520 wordsPublic domain

Toen ik dus zag hoe dit alles mij in den weg stond wanneer ik werk wilde maken van een nieuwe levenswijze; ja, dat het er zoozeer mede in strijd was dat ik òf van het een òf van het ander noodzakelijk afstand zou moeten doen, voelde ik mij genoopt te onderzoeken wat voor mij het nuttigst zou zijn; immers, zooals ik reeds zeide, het scheen of ik een zéker goed voor een ònzeker wilde loslaten. Nadat ik evenwel een poos hierover had gepeinsd, meende ik allereerst dat ik, wanneer ik dit alles los liet en mij tot het nieuwe doel aangordde, een goed dat van nature onzeker is (gelijk uit het hierboven gezegde duidelijk blijkt) zou laten varen voor een weliswaar óók onzeker, doch niet van nature (immers ik zocht juist een bestèndig goed), maar slechts wat zijn bereikbaarheid betrof. Bij voortgezette overweging echter kwam ik tot het inzicht dat ik, indien ik slechts tot op den grond der zaak zou kunnen doordenken, een zeker kwáád voor een zeker goed vaarwel zei. Ik begreep namelijk dat ik in het hoogste gevaar verkeerde en dwong mijzelf met alle macht het geneesmiddel, hoe onzeker ook, te zoeken; evenals een kranke, aan een doodelijke ziekte lijdend, den dood voorziende wanneer hij geen middel aanwendt, wel genoodzaakt is dit, hoewel het onzeker is, met uiterste krachten aan te grijpen, wijl immers heel zijn hoop er in gelegen is. Al die zaken echter, welke de groote menigte najaagt, zijn niet alleen geenerlei hulpmiddel tot handhaving van ons bestaan, maar integendeel beletselen daartoe en herhaaldelijk zijn zij zelfs oorzaak van den ondergang diergenen die ze bezitten, en steeds van den ondergang diergenen die door hen bezeten worden. Talrijk toch zijn de voorbeelden van hen die vervolging tot den dood toe moesten ondervinden terwille van hun rijkdommen, en eveneens van hen die, om schatten te verwerven, zich aan zoovele gevaren blootstelden dat zij tenslotte hun dwaasheid met het leven boetten. Niet minder talrijk zijn de voorbeelden van hen die de diepste ellende moesten verduren om hun roem te verkrijgen of te handhaven. Talloos ten slotte zijn de voorbeelden diergenen die door al te groote genotzucht hun eigen dood hebben verhaast.

Het kwam mij vervolgens voor dat deze euvelen hun oorsprong vonden in het feit dat heel ons geluk of ongeluk ligt uitsluitend in de geaardheid van het voorwerp dat wij in liefde aanhangen. Want om wat wij niet liefhebben zal nooit twist ontstaan; het veroorzaakt geen droefheid zoo het te gronde gaat, geen nijd zoo een ander het bezit, geen vrees, geen haat, in één woord, geenerlei gemoedsbeweging. Al deze aandoeningen komen slechts van pas bij de liefde tot dingen welke vergankelijk zijn, zooals alles waarover wij zooeven spraken. De liefde tot iets eeuwigs en oneindigs echter weidt de ziel in loutere blijheid en alle droefheid is haar vreemd, wat ten zeerste begeerenswaard is en met alle kracht behoort te worden nagestreefd. Niet zonder reden evenwel bezigde ik de woorden: "indien ik slechts ernstig zou kunnen doordenken"[V12] want ofschoon ik dit in mijn geest zoo duidelijk had ingezien, kon ik daarom toch nog niet alle hebzucht, genotzucht en eerzucht afleggen.

[Voetnoot 12: In het Latijn staat op de plaats zelf: _penitus_, grondig, door en door, ten einde toe; wat met de bedoeling: denken, tot het einddoel bereikt is, strookt. In de aanhaling staat _serio_, ernstig.]

Dit eene bemerkte ik, dat mijn geest, zoolang hij zich met deze overpeinzingen bezig hield, zich van die verwerpelijke zaken afwendde en ernstig over zijn nieuwe levensdoel nadacht; wat mij tot grooten troost strekte. Immers ik zag daaruit dat al dit kwade niet van dien aard was dat het voor geen geneesmiddelen wilde wijken. En ofschoon in het begin deze oogenblikken zeldzaam waren en slechts uiterst kort duurden, werden zij toch, naarmate ik al meer en meer het ware goed leerde kennen, talrijker en langduriger; vooral nadat ik had ingezien dat de verwerving van geld, of genot en roem, slechts hinderlijk zijn zoolang zij om hunszelfs wil en niet als middel tot iets anders worden nagestreefd. Wanneer zij slechts als middel gezocht worden, zal men ook maat in hen houden en zullen zij allerminst in den weg staan, maar integendeel in hooge mate het doel, terwille waarvan men ze zoekt, bevorderen, gelijk wij te zijner plaatse zullen aantoonen.

Hier wil ik slechts nog in het kort zeggen wat ik onder een waarachtig goed versta en tevens wat het hoogste goed is. Om dit juist te kunnen begrijpen moet men in het oog houden dat de begrippen goed en kwaad niet anders dan in betrekkelijken zin kunnen worden gebezigd, zoodat één en dezelfde zaak uit verschillende gezichtspunten beschouwd goed of kwaad kan zijn; hetzelfde geldt voor de begrippen volmaakt of onvolmaakt. Immers niets kan op zichzelf, in zijn eigen aard beschouwd, volmaakt of onvolmaakt genoemd worden; vooral sinds wij weten dat al wat geschiedt, plaats grijpt volgens een eeuwige orde en vaste natuurwetten. Waar echter menschelijk vermogen die orde niet in gedachten omvatten kan en de mensch zich nochtans een voorstelling kan vormen van een menschelijken aard veel machtiger dan de eigene, terwijl hij geenerlei beletsel ziet voor het verkrijgen van een dusdanigen aard, wordt hij er toe gedreven naar middelen te zoeken welke hem tot zulk een volmaaktheid zouden kunnen leiden.

Alles nu wat middel zijn kan tot bereiking van dit doel heet een waarachtig goed. Het hoogste goed echter is, zoover te komen dat men, zoo mogelijk, met andere enkelingen samen zulk een aard verkrijgt. Hoedanig evenwel deze aard is, zullen wij te zijner plaatse uiteen zetten, waar dan blijken zal dat hij bestaat in _het bewustzijn der eenheid van Geest en Natuur_.

Dit is dus het doel waarnaar ik streef, namelijk zulk een aard te verkrijgen en tevens te maken dat nog velen met mij hem verkrijgen. Met andere woorden: tot mijn eigen geluk behoort het mij moeite te geven dat zooveel mogelijk anderen tot hetzelfde inzicht komen als ikzelf, dat hun verstand en begeerte geheel en al met mìjn verstand en begeerte overeenstemmen. Hiertoe is het noodig zooveel van de Natuur te begrijpen als volstaat om zulk een aard te verkrijgen en vervolgens om een zoodanige gemeenschap te vormen als wenschelijk is opdat zoovelen mogelijk zoo gemakkelijk en zoo zeker mogelijk hetzelfde bereiken. Voorts legge men zich toe op de Zedeleer, alsmede de Opvoedkunde. En, wijl gezondheid geen gering hulpmiddel is om het genoemde doel te bereiken, bestudeere men grondig de Geneeskunde, terwijl ook de Mechanica in geenen deele verwaarloosd mag worden, daar door kunstvaardigheid veel moeilijks licht gemaakt wordt en wij door haar veel tijd en moeite in het leven kunnen uitsparen. Maar vóór alles is het noodig een middel te bedenken om het verstand te verbeteren en het, voorzoover dit aanvankelijk gaat, te zuiveren, opdat het de dingen zonder dwaling en zoo goed mogelijk begrijpe.

Een ieder kan hieruit reeds zien dat ik alle wetenschappen op één doeleinde wil richten, te weten om, zooals ik reeds zeide, de hoogste menschelijke volmaaktheid te bereiken. En zoo zal in de wetenschappen al wat ons niets naders brengt tot dit doel als nutteloos verworpen moeten worden; of, om het in één woord te zeggen; al onze daden en gedachten behooren op dit doel gericht te zijn.

Daar wij evenwel, terwijl wij dit doel nastreven en trachten het verstand in het rechte spoor te brengen, toch noodzakelijk moeten leven, zijn wij genoodzaakt vóór alles enkele levensregelen, welke wij voorloopig voor goed houden, aan te nemen, en wel deze:

I. Spreek naar het bevattingsvermogen der menigte en doe verder al wat de bereiking van ons doel niet blijkbaar in den weg staat. Want het levert een niet gering voordeel op wanneer wij ons zooveel mogelijk bij haar bevattingsvermogen aanpassen. Waarbij nog komt dat men zich daardoor een welwillend gehoor voor de waarheid verschaft.

II. Maak van genietingen slechts gebruik voorzoover zij voor het behoud der gezondheid volstaan.

III. Tracht eindelijk slechts zooveel geld of andere zaken te verwerven als volstaan om het leven en de gezondheid te onderhouden en 's lands zeden, voorzoover zij niet in strijd zijn met ons doel, te gehoorzamen.

ETHICA

IN MEETKUNDIGEN TRANT UITEENGEZET EN VERDEELD IN VIJF DEELEN WAARIN WORDT GEHANDELD:

I. Over God.

II. Over aard en oorsprong van den geest.

III. Over oorsprong en aard der aandoeningen.

IV. Over de menschelijke knechtschap of de macht der aandoeningen.

V. Over de macht van het verstand of de menschelijke vrijheid.

* * * * *

Tusschen ( ) geplaatste woorden of zinnen zijn van Spinoza, verduidelijkingen tusschen [ ] van den vertaler.

De cijfers tusschen den tekst,[A1] etc. verwijzen naar de aanteekeningen achterin in het werk.

* * * * *

* * * * *

I. OVER GOD

* * * * *

DEFINITIES

I. Onder "_zijns zelfs oorzaak_" versta ik datgene, welks wezen[A1] het bestaan insluit, ofwel datgene, welks aard niet anders gedacht kan worden dan als bestaande.

II. Datgene noem ik "_eindig in zijn soort_", wat door iets anders van denzelfden aard kan worden beperkt. Zoo noemen wij bijvoorbeeld een lichaam eindig, omdat wij ons steeds een grooter kunnen denken. Zoo wordt een gedachte door een andere beperkt. Doch een lichaam wordt niet beperkt door een gedachte, noch een gedachte door een lichaam.

III. Onder "_substantie"_[A2] versta ik datgene, wat op-zich-zelf bestaat en uit zichzelf moet worden begrepen; dat wil zeggen datgene, welks begrip niet het begrip van iets anders, waaruit het zou moeten worden afgeleid, vooronderstelt.

IV. Onder "_attribuut"_[A3] versta ik datgene, wat het verstand opvat als uitmakende het wezen eener substantie.

V. Onder "_bestaanswijzen"_[A4] versta ik de openbaringen[A5] eener substantie, ofwel datgene wat in iets anders bestaat, door bemiddeling waarvan het ook wordt begrepen.

VI. Onder "_God"_ versta ik het volstrekt oneindige wezen, dat wil zeggen een substantie[A6], uit een oneindig aantal[A7] attributen bestaande, van welke ieder voor zich een eeuwig en oneindig wezen uitdrukt.

_Toelichting:_ Ik zeg "volstrekt"[A22] oneindig, niet echter "in zijn soort"; immers aan datgene wat slechts oneindig is in zijn soort kunnen wij nog oneindig veel attributen ontzeggen; tot het wezen evenwel van wat volstrekt oneindig is behoort al wat wezen uitdrukt en dit sluit iedere ontkenning buiten.

VII. Datgene zal "_vrij_" heeten, wat alleen krachtens de noodwendigheid van zijn eigen aard bestaat en alleenlijk uit zichzelf tot werken wordt genoopt; "_noodwendig_" echter, of veeleer "_afhankelijk_", zal heeten wat door iets anders tot bestaan en tot een vaste en bepaalde wijze van werken wordt genoodzaakt.

VIII. Onder "_eeuwigheid_" versta ik het bestaan zelf, voorzoover het wordt begrepen als noodwendiglijk volgende uit de definitie alleen reeds van iets eeuwigs.

_Toelichting:_ Immers een zoodanig bestaan wordt, als zijnde een eeuwige waarheid, opgevat als tot het wezen der zaak behoorend; en derhalve kan het niet door duur of tijd worden verklaard, ook al werd die duur verstaan als hebbende begin noch einde.

GRONDWAARHEDEN (AXIOMA'S)

I. Al wat is, is in zichzelf of in iets anders.

II. Datgene, wat niet door bemiddeling van iets anders kan worden begrepen, moet uit zichzelf begrijpbaar zijn.

III. Uit een gegeven oorzaak volgt noodzakelijk een bepaalde uitwerking, en omgekeerd: wanneer geen bepaalde oorzaak gegeven is, is het onmogelijk dat een uitwerking optreedt.

IV. De kennis eener uitwerking hangt af van de kennis der oorzaak en sluit deze in zich.

V. Dingen, welke niets met elkaar gemeen hebben, kunnen ook niet uit elkaar worden verklaard, ofwel: het begrip van het eene sluit het begrip van het andere niet in zich.

VI. Een ware voorstelling moet met het door haar voorgestelde overeenkomen.

VII. Van al wat als niet-bestaande gedacht kan worden, sluit het wezen ook geen bestaan in zich.

STELLINGEN

_Stelling I._

Een substantie gaat van nature vóór hare openbaringen.[A8]

_Bewijs._

Dit blijkt uit de Definities III en V.

_Stelling II._

Twee substanties, met verschillende attributen, hebben niets met elkaar gemeen.

_Bewijs._

Dit blijkt eveneens uit Definitie III. Elk van beide immers moet op-zichzelf bestaan en uit zichzelf worden begrepen, ofwel: het begrip van de eene sluit het begrip van de andere niet in zich.

_Stelling III._

Van dingen die niets met elkaar gemeen hebben, kan het eene niet de oorzaak zijn van het andere.

_Bewijs._

Wanneer zij niets met elkaar gemeen hebben, kunnen zij (_volgens Ax. V._) evenmin uit elkaar verklaard worden en kan dus (_volgens Ax. IV._) het eene niet de oorzaak zijn van het andere. Hetgeen te bewijzen was.

_Stelling IV._

Twee of meer verschillende dingen zijn van elkaar onderscheiden òf door een verschil in attributen van substanties òf door een verschil in openbaringen dier substanties.

_Bewijs._

Al wat is, is in zichzelf of in iets anders (_Ax. I._); dat wil zeggen (_vlg. Def. III en V._): buiten ons verstand is er niets gegeven behalve substanties en hunne openbaringen. Derhalve is er ook buiten het verstand niets gegeven waardoor verschillende dingen onderling kunnen verschillen, behalve substanties, of, wat hetzelfde is (_vlg. Def. IV_), behalve hunne attributen en hunne bestaanswijzen. H.t.b.w.

_Stelling V._

In de wereld der dingen[A9] kunnen niet twee of meer substanties van denzelfden aard of met eenzelfde attribuut bestaan.

_Bewijs._

Indien er meerdere, verschillende bestonden, zouden zij van elkaar onderscheiden moeten zijn òf door een verschil in attributen òf door een verschil van bestaanswijzen (_vlg. de voorgaande Stelling_). Indien zij zich slechts onderscheidden door een verschil in attributen, ware hiermede reeds toegegeven dat er slechts één substantie met éénzelfde attribuut bestaan kan. Maar indien zij zich onderscheidden door een verschil in bestaanswijzen, zou géén substantie--aangezien toch (_vlg. St. I_) een substantie van nature gaat vóór hare bestaanswijzen,--afgezien van hare bestaanswijzen en op zich zelf beschouwd, dat wil zeggen (_vlg. Def. III en Ax. VI_) naar waarheid beschouwd, gedacht kunnen worden als onderscheiden van een andere, d.w.z. (_vlg. de voorgaande St._): er zouden niet meerdere kunnen bestaan doch slechts één enkele. H.t.b.w.

_Stelling VI._

Een substantie kan niet door een andere substantie worden voortgebracht.

_Bewijs._

In de wereld der dingen kunnen (_vlg. de voorgaande St._) geen twee substanties bestaan met eenzelfde attribuut, d.w.z. (_vlg. St. II_) welke iets met elkaar gemeen hebben. En derhalve kan (_vlg. St. III_) de eene niet de oorzaak zijn van de andere, ofwel kan de eene niet door de andere worden voortgebracht. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Hieruit volgt dat een substantie niet door iets anders kan worden voortgebracht. Want in de wereld der dingen is niets gegeven als substanties en hunne bestaanswijzen, gelijk blijkt uit Ax. I en Def. III en V. Door een substantie echter kan zij (_vlg. de voorgaande St._) ook niet worden voortgebracht. Derhalve kan een substantie ook met geen mogelijkheid door iets anders worden voortgebracht. H.t.b.w.

_Anders._

Gemakkelijker nog valt dit te bewijzen uit de ongerijmdheid van het tegendeel. Want indien een substantie wèl door iets anders kon worden voortgebracht, zou haar begrip (_vlg. Ax. IV_) van het begrip harer oorzaak afhangen en zou zij derhalve (_vlg. Def. III_) ook geen substantie zijn.

_Stelling VII._

Tot het wezen eener substantie behoort het bestaan.

_Bewijs._

Een substantie kan niet door iets anders worden voortgebracht (_Gevolg van de voorgaande St._) zij moet dus haarszelfs-oorzaak zijn, dat wil zeggen (_volgens Def. I_): haar wezen sluit met noodwendigheid het bestaan in zich, ofwel het bestaan behoort tot haar wezen. H.t.b.w.

_Stelling VIII._

Elke substantie is noodwendig oneindig.

_Bewijs._

Een substantie met een bepaald attribuut is éénig (_vlg. St. V_) en het bestaan behoort tot haar wezen (_vlg. St. VII_). Het moet dus tot haar wezen behooren òf eindig òf oneindig te bestaan. Echter niet eindig. Want zij zou dan (_vlg. Def. II_) beperkt worden door iets van denzelfden aard, dat eveneens (_vlg. St. VII_) met noodwendigheid zou moeten bestaan en derhalve zouden er twéé substanties met éénzelfde attribuut zijn, hetgeen ongerijmd is (_vlg. St. V_). Zij bestaat dus oneindig. H.t.b.w.

_Opmerking I:_ Aangezien "eindig zijn" in zekeren zin eigenlijk een ontkenning is en "oneindig zijn" een volstrekte bevestiging van het bestaan van eenig wezen, volgt ook alleen reeds uit Stelling VII dat elke substantie oneindig moet zijn.

_Opmerking II:_ Ik twijfel er niet aan of allen die verward, over de dingen oordeelen, noch gewend zijn tot hunne eerste oorzaken door te dringen, zal het moeilijk vallen het bewijs van Stelling VII te begrijpen; en wel omdat zij niet onderscheiden tusschen de bestaanswijzen van substanties en substanties zelf en al evenmin weten hoe de dingen worden voortgebracht. Vandaar dat zij ook aan substanties een begin toedichten, gelijk zij dit bij de natuurlijke dingen zien. Immers wie de ware oorzaken der dingen niet kennen, verwarren alles en stellen zich zonder eenig verzet des verstands vóór, dat boomen evenals menschen spreken of dat menschen evengoed uit steenen als uit zaad ontspruiten en verbeelden zich dat alle mogelijke vormen in alle mogelijke andere kunnen veranderen. Evenzoo kennen diegenen, die de goddelijke natuur met de menschelijke verwarren, lichtelijk aan God menschelijke gemoedsaandoeningen toe, vooral zoolang zij nog niet weten hoe de aandoeningen in het gemoed ontstaan. Indien de menschen evenwel op het wezen der substantie wilden letten, zouden zij allerminst aan de waarheid der zevende Stelling twijfelen; integendeel, deze stelling zou voor allen een grondwaarheid zijn en tot de algemeen bekende zaken gerekend worden. Want onder substantie zouden zij dan verstaan datgene wat op zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen moet worden, dat wil zeggen datgene, welks begrip de kennis van iets anders niet van noode heeft. Onder wijzigingen evenwel datgene, wat in iets anders is en welks begrip gevormd wordt uit het begrip van datgene waarin het is: zoodat wij ware voorstellingen kunnen hebben van niet-bestaande wijzigingen, aangezien, ofschoon zij niet feitelijk buiten het verstand bestaan, toch hun wezen aldus in iets anders is vervat, dat zij daaruit begrepen kunnen worden. De waarheid van substanties echter bestaat buiten het verstand niet anders dan in henzelf, daar zij slechts uit zichzelf begrepen worden. Indien derhalve iemand zeide dat hij een heldere en duidelijke, dat wil zeggen ware voorstelling eener substantie had, maar nochtans twijfelde of een zoodanige substantie wel bestond, zou dit voorzeker hetzelfde zijn alsof hij beweerde een ware voorstelling te hebben, maar nochtans te twijfelen of zij niet valsch zou zijn (hetgeen den genoegzaam oplettenden lezer duidelijk zal zijn). Evenzoo zou iemand die verkondigde dat een substantie geschapen was, daarmee tevens beweren dat een valsche voorstelling waar geworden was, dwazer dan hetwelk men zich niets kan denken; zoodat men noodzakelijk moet erkennen dat het bestaan eener substantie, evengoed als haar wezen, een eeuwige waarheid is. En hieruit kunnen wij op nog een andere wijze de gevolgtrekking maken dat er slechts ééne enkele substantie van denzelfden aard bestaat, hetgeen ik der moeite waard acht hier nader aan te toonen.

Opdat ik dit evenwel naar behooren zal kunnen doen, moet ik ten eerste opmerken dat de juiste definitie van een of andere zaak niets anders insluit of uitdrukt dan den aard dier te bepalen zaak. Waaruit volgt dit tweede: te weten dat geen enkele definitie een bepaald aantal enkeldingen insluit of uitdrukt, aangezien zij niets anders uitdrukt dan den áárd der bepaalde zaak. Zoo drukt bijvoorbeeld de definitie van een driehoek niets anders uit dan eenvoudig den aard van den driehoek, maar geenszins een zeker aantal driehoeken. Ten derde moet worden opgemerkt dat er noodzakelijk voor ieder bestaand ding een bepaalde oorzaak moet zijn waardóór het bestaat. Eindelijk bedenke men ten vierde dat deze oorzaak waardoor iets bestaat òf gelegen moet zijn in den aard en de definitie zelf der bestaande zaak (voorzoover althans het bestaan tot dien aard behoort) òf buiten haar gegeven moet zijn. Dit vastgesteld hebbende, maken wij de gevolgtrekking dat, wanneer er in de natuur een bepaald aantal enkeldingen bestaat, er ook noodwendig een oorzaak moet zijn waarom juist dìe enkeldingen bestaan en waarom niet meer of minder. Wanneer er bijvoorbeeld in de natuur twintig menschen bestaan (waarbij ik duidelijkheidshalve aanneem dat zij gelijktijdig bestaan en dat er vóór hen geen andere in de natuur bestonden), zal het niet voldoende zijn (als wij namelijk willen verklaren waarom er twintig menschen bestaan) de oorzaak van de menschelijke natuur in het algemeen aan te wijzen, maar zal het bovendien noodzakelijk zijn een oorzaak aan te wijzen waarom er niet meer, noch minder, dan twintig bestaan; aangezien er (_vlg. de derde opmerking_) voor elk afzonderlijk noodzakelijk een oorzaak moet zijn waardoor hij bestaat. Maar deze oorzaak kan (_volgens de tweede en derde opmerking_) niet gelegen zijn in den menschelijken aard zelf, aangezien de juiste definitie van den mensch het getal twintig niet insluit; en dus moet (_vlg. de vierde opmerking_) de oorzaak waarom deze twintig menschen bestaan en bijgevolg waarom elk van hen bestaat, noodzakelijk buiten elk van hen gelegen zijn. Men moet derhalve met volkomen zekerheid tot het besluit komen dat datgene, van welks soort meerdere enkeldingen bestaan kunnen, ook noodzakelijk een uitwendige oorzaak moet hebben voor dit bestaan.

Waar nu reeds tot het wezen eener substantie (gelijk in deze Opmerking werd aangetoond) het bestaan behoort, moet ook hare definitie het noodwendig bestaan in zich sluiten en moet men dus bijgevolg uit hare definitie alleen reeds tot haar bestaan besluiten. Uit hare definitie kan evenwel niet (gelijk wij in de tweede en derde opmerking aantoonden) het bestaan van meerdere substanties volgen; volgt derhalve noodzakelijk dat er slechts één substantie van denzelfden aard bestaat, hetgeen wij ons voorstelden te bewijzen.

_Stelling IX._

Hoe meer werkelijkheid of zijn een of ander ding heeft, des te meer attributen komen er aan toe.

_Bewijs._

Dit blijkt uit Def. IV.

_Stelling X._

Elk attribuut eener zelfde substantie moet uit zichzelf begrepen kunnen worden.

_Bewijs._

Een attribuut immers is datgene, wat het verstand beschouwt als uitmakende het wezen eener substantie (_vlg. Def. IV_); dientengevolge moet het (_vlg. Def. III_) uit zichzelf begrijpbaar zijn. H.t.b.w.